id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.968 Rolnummer: A. 221844/VII-40431 Zaak: Arrest 246968 - Luchtvaart - 06/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-18 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-26 01:56 Fiche Arrest nr 246.968 van 6 februari 2020 Economische zaken - Luchtvaart Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.968 van 6 februari 2020 in de zaak A. 221.844/VII-40.431 In zake : het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Uyttendaele en Anne Feyt kantoor houdend te 1060 Brussel Bronstraat 68 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de EERSTE MINISTER, in de hoedanigheid van Voorzitter van het Overlegcomité
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Eerste Minister bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sébastien Depré kantoor houdend te 1050 Brussel Eugène Flageyplein 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
- het VLAAMSE GEWEST
- de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 april 2017, strekt tot nietigverklaring van de beslissing van de Eerste Minister van 21 februari 2017 waarbij wordt meegedeeld dat een belangenconflict wordt geagendeerd op het eerstvolgende Overlegcomité, met name het belangenconflict ingesteld door de Vlaamse VII-40.431-1/25 Gemeenschap tegen de beslissing van 19 mei 2016 van de minister van Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om vanaf 1 januari 2017 de tolerantiemarge te beëindigen met betrekking tot de vaststelling van overtredingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 9 mei
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 januari
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joy Moens, die loco advocaten Marc Uyttendaele en Anne Feyt verschijnt voor de verzoekende partij, advocaten Sébastien Depré en Gregoire Ryelandt, die verschijnen voor de verwerende partijen, en advocaat Ruben Vercammen, die loco advocaat Jürgen Vanpraet verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. VII-40.431-2/25 Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : RvS-wet). III. Regelmatigheid van de rechtspleging A. Taal van de rechtspleging Standpunten van de partijen
- De tussenkomende partijen wijzen er in limine litis op dat het verzoekschrift tot nietigverklaring in het Nederlands opgesteld diende te worden en niet in het Frans. De “beslissing” van de Eerste Minister van 21 februari 2017 waarbij de leden van het Overlegcomité ervan op de hoogte worden gebracht dat op diezelfde dag een belangenconflict werd ingediend door de Vlaamse Gemeenschap en dat dit op de agenda van het eerstvolgende Overlegcomité zal worden geplaatst, is volgens hen gelokaliseerd in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en in het Nederlandse taalgebied. Het door de tussenkomende partijen ingeroepen belangenconflict beoogt immers de gevolgen van een beslissing van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in het Nederlandse taalgebied ongedaan te maken. Het vernietigingsberoep diende bijgevolg in toepassing van artikel 64 van de RvS-wet juncto artikel 35, § 1 en artikel 17, § 1, A, 2°, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken in het Nederlands gesteld te worden. VII-40.431-3/25 In het Franstalig auditoraatsverslag dat eerder neergelegd werd in deze zaak was ook de eerste auditeur van oordeel dat de zaak gelokaliseerd is in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en in het Nederlandse taalgebied zodat het verzoekschrift in het Nederlands diende opgesteld te worden en dus nietig is. Om die reden stelde de eerste auditeur in zijn verslag voor om de zaak toe te wijzen aan een Nederlandstalige Kamer en in ondergeschikte orde de nietigheid van het verzoekschrift vast te stellen. Aangezien de zaak thans toegewezen werd aan een Nederlandstalige Kamer kan deze volgens de tussenkomende partijen enkel nog vaststellen dat het verzoekschrift nietig is.
- De verzoekende partij betwist de nietigheid van het initiële, in het Frans, gestelde verzoekschrift. Zij werpt op dat het overlegcomité als politiek orgaan de verschillende machtsniveau‟s overstijgt zodat diens beslissingen evenmin in een bepaald taalgebied gelokaliseerd worden of lokaliseerbaar zijn. Bovendien heeft het belangenconflict dat door de Vlaamse regering is ingeleid, betrekking op de uitoefening van de bevoegdheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, welke bevoegdheden zich per definitie niet zouden mogen uitstrekken tot buiten diens grondgebied. Ook wijst zij erop dat de betwiste rechtshandeling werd gesteld door de Eerste Minister, wiens kantoren gevestigd zijn op het adres Wetstraat 16, 1000 Brussel. Overeenkomstig artikel 53, tweede lid, van de RvS-wet moet de zaak volgens haar dan ook behandeld worden in de taal van de akte waarbij de zaak bij de Raad van State werd ingediend. Voorts wijst zij erop dat zij in ieder geval op 24 juni 2019, dat wil zeggen voor de sluiting van het debat, het verzoekschrift in de Nederlandse taal heeft toegezonden aan de griffie van de Raad van State zoals toegestaan door artikel 65, derde lid van de RvS-wet. VII-40.431-4/25 Beoordeling
- Luidens artikel 53 van de RvS-wet worden de beroepen tot nietigverklaring “behandeld in de taal die de diensten waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt krachtens de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken [in hun binnendiensten] moeten gebruiken”. Artikel 39, § l, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, luidt: “Hoofdstuk V. Gebruik van de talen in de diensten waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt Afdeling l Centrale diensten Art
- § 1 In hun binnendiensten en in hun betrekkingen met de gewestelijke en plaatselijke diensten uit Brussel-Hoofdstad, gedragen de centrale diensten zich naar artikel 17, § 1, met dien verstande dat de taalrol bepalend is voor het behandelen van de zaken vermeld onder A, 5° en 6° , en B, 1° en 3°, van genoemde bepaling”. Artikel 17, § l, van diezelfde wetten luidt: “In zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en in zijn betrekkingen met de andere diensten van Brussel-Hoofdstad gebruikt iedere plaatselijke dienst, die in Brussel-Hoofdstad gevestigd is, zonder een beroep op vertalers te doen, het Nederlands of het Frans, volgens navolgend onderscheid: A. Indien de zaak gelokaliseerd of lokaliseerbaar is: l ° uitsluitend in het Nederlandse of in het Franse taalgebied: de taal van dat gebied; 2° tegelijk in Brussel-Hoofdstad en in het Nederlandse of het Franse taalgebied: de taal van dat gebied; 3° tegelijk in het Nederlandse en in het Franse taalgebied: de taal van het gebied waar de zaak haar oorsprong vindt; 4° tegelijk in het Nederlandse en het Franse taalgebied en in Brussel-Hoofdstad, wanneer zij haar oorsprong vindt in een van de eerste twee gebieden: de taal van dat gebied; 5° tegelijk in het Nederlandse en in het Franse taalgebied en in Brussel-Hoofdstad, wanneer zij haar oorsprong vindt in deze laatste : de hierna onder B voorgeschreven taal; 6° uitsluitend in Brussel-Hoofdstad de hierna onder B voorgeschreven taal; VII-40.431-5/25 B. Indien de zaak niet gelokaliseerd of niet lokaliseerbaar is en : 1° een ambtenaar van de dienst betreft : de taal van diens toelatingsexamen of bij ontstentenis van zulk examen de taal van de groep waartoe betrokkene behoort op grond van zijn hoofdtaal; 2° door een particulier is ingediend : de door deze gebruikte taal; 3° geen van de gevallen onder 1° en 2° zich voordoet : de taal van het toelatingsexamen van de ambtenaar aan wie de zaak wordt opgedragen. Indien de ambtenaar geen toelatingsexamen heeft afgelegd, gebruikt bij zijn hoofdtaal.”
- Een zaak is op de eerste plaats gelokaliseerd of lokaliseerbaar in het taalgebied waarin ze haar oorsprong vindt of geacht wordt te vinden.
- De “zaak” is te dezen tegelijk in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en in het Nederlands taalgebied gelokaliseerd, zodat deze in het Nederlands behandeld dient te worden overeenkomstig artikel 17, § 1, A, 2°, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. De “zaak” is immers de handeling die de Eerste Minister heeft gesteld naar aanleiding van het feit dat de Vlaamse regering zich tot het Overlegcomité gewend heeft. Het is niet de beslissing van de minister van Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 19 mei 2016 zelf die het voorwerp is van het beroep. Overeenkomstig artikel 32, § 2, van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen kan, indien de federale regering, een Gemeenschaps- of Gewestregering of het Verenigd College bedoeld in artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen oordeelt ernstig te kunnen worden benadeeld door een ontwerp van beslissing of een beslissing van de federale regering, van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van het Verenigd College of van één hunner leden, de Eerste Minister, de Voorzitter van de Gemeenschaps- of Gewestregering of van het Verenigd College de zaak met het oog op overleg aanhangig maken bij het in artikel 31 bedoeld Overlegcomité. VII-40.431-6/25 Uit de nota aan het Overlegcomité zoals ingediend door de Vlaamse minister-president, namens de Vlaamse Gemeenschap, blijkt dat de aanhangigmaking ingegeven is door de naar het oordeel van de Vlaamse regering mogelijke gevolgen voor de gezondheid die de inwoners van gemeenten uit de Vlaamse Rand zullen ondervinden van de beslissing van de Brusselse minister van Leefmilieu om een einde te maken aan de tolerantiemarge die de luchtvaartmaatschappijen genieten in het licht van de naleving van de geluidsnormen bepaald bij besluit van 27 mei
- De zaak vindt dus niet alleen haar oorsprong in de door de minister van Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest genomen beslissing, doch evenzeer in voormelde belangen die de Vlaamse regering aangetast ziet.
- Artikel 64 van de RvS-wet luidt: “De partijen die onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gebruiken voor hun akten en verklaringen de taal welke hun opgelegd is door die wetgeving in hun binnendiensten”. Artikel 32 van de wet van 16 juni 1989 houdende diverse institutionele hervormingen luidt: “§ l. De gecentraliseerde en gedecentraliseerde diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve en van het Verenigd College gebruiken het Nederlands en het Frans als bestuurstaal. In de diensten bedoeld in het eerste lid kan niemand tot een ambt of een betrekking worden benoemd of bevorderd tenzij hij Nederlands of Frans kent, welke kennis wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 15, § l, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli
- De artikelen 50 en 54, hoofdstuk V, afdeling 1, de bepalingen die het gebruik van het Duits betreffen uitgezonderd, en de hoofdstukken VII en VIII, van dezelfde wetten, zijn van toepassing op de in het eerste lid bedoelde diensten. §
- Onverminderd de toepassing van artikel 55, tweede lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, zijn de diensten van de Brusselse Agglomeratie onderworpen aan de bepalingen van § l van dit artikel”.
- Hierboven werd aangegeven waarom de zaak tegelijk in het VII-40.431-7/25 tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en in het Nederlands taalgebied gelokaliseerd is en waarom de taal van deze procedure het Nederlands is.
- Artikel 65 van de RvS-wet luidt: “Nietig is ieder verzoekschrift dat en iedere memorie die door een aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken onderworpen partij aan de Raad van State is gericht in een andere taal dan die haar bij die wetgeving is opgelegd. De nietigheid wordt ambtshalve uitgesproken. De nietige akte stuit echter de termijnen van de verjaring en van de procedure; deze termijnen lopen niet gedurende de instantie.”
- Overeenkomstig voormeld artikel 65, tweede lid, wordt de nietigheid van het in het Frans gestelde verzoekschrift vastgesteld.
- In toepassing van artikel 65, derde lid, stuit het nietige verzoekschrift de termijn om een verzoekschrift in te stellen. De verzoekende partij heeft haar verzoekschrift op 24 juni 2019 opnieuw ingediend in het Nederlands. Het verzoekschrift in de Nederlandse taal is op regelmatige wijze ingediend. Aanduiding verwerende partij Standpunten van de partijen
- De verzoekende partij duidt in haar verzoekschrift zowel de Eerste Minister, in de hoedanigheid van Voorzitter van het Overlegcomité als de Belgische Staat, vertegenwoordigd door zijn Eerste Minister aan als verwerende partijen.
- De verwerende partijen merken op dat de Eerste Minister niet ten VII-40.431-8/25 persoonlijke titel heeft gehandeld en geen eigen bevoegdheid heeft uitgeoefend, doch slechts is tussengekomen in de hoedanigheid van Voorzitter van het Overlegcomité. Zij vragen om de Eerste Minister buiten te zaak te stellen.
- De verzoekende partij repliceert dat de “hoofdbevoegdheid” van de Eerste Minister de “FOD-Kanselarij van de Eerste Minister” is en dat deze FOD de rol van “Permanent centraal secretariaat” van het Overlegcomité vervult. Zij verwijst naar artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 april 2014 tot bepaling van de gemeenrechtelijke procedureregels die toepasselijk zijn op de rechtsplegingen voor de Raad van State waarin met volle rechtsmacht uitspraak wordt gedaan en dat bepaalt dat met de verwerende partij wordt bedoeld: “de administratieve overheid die de beslissing heeft genomen waarvan de hervorming wordt gevorderd”. Beoordeling
- Als verwerende partijen worden door de verzoekende partij zowel de Eerste Minister, in de hoedanigheid van Voorzitter van het Overlegcomité als de Belgische Staat, vertegenwoordigd door zijn Eerste Minister aangeduid.
- De Eerste Minister wordt niet ten persoonlijke titel aangeduid maar in de hoedanigheid van voorzitter van het Overlegcomité. Daarnaast wordt ook de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Eerste Minister aangeduid. Op grond van de functie als Eerste Minister neemt deze laatste overeenkomstig artikel 5 van het huishoudelijk reglement ook het voorzitterschap van het Overlegcomité waar, daarin bijgestaan door de Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister luidens artikel 6 van het huishoudelijk reglement. VII-40.431-9/25 Er is dan ook geen reden om de door de verzoekende partij in voormelde hoedanigheid aangeduide Eerste Minister buiten de zaak te stellen. IV. Feiten l
- Op 19 mei 2016 deelt de Brusselse minister van Leefmilieu aan het B.I.M. mee dat vanaf 1 januari 2017 een einde gemaakt moet worden aan de tolerantiemarge die de luchtvaartmaatschappijen genieten in het licht van de naleving van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer.
- Op 22 december 2016 maakt de Vlaamse regering bij het Overlegcomité tegen die beslissing een belangenconflict aanhangig wegens het nadeel dat het Vlaamse Gewest daardoor zou kunnen lijden.
- De volgende dag brengt de Eerste Minister de leden van het Overlegcomité op de hoogte van die aanhangigmaking en geeft hij te kennen dat “[d]it punt [...] op de agenda van het volgende Overlegcomité [...] geplaatst [zal worden]”.
- Op 25 januari 2017 neemt het Overlegcomité kennis van die aanhangigmaking en op 20 februari 2017 van het feit dat er geen consensus is.
- Op 21 februari 2017 maakt de Vlaamse regering bij het Overlegcomité tegen de beslissing van 19 mei 2016 een nieuw belangenconflict aanhangig wegens het nadeel dat de Vlaamse Gemeenschap daardoor zou kunnen lijden.
- Dezelfde dag brengt de Eerste Minister de leden van het Overlegcomité op de hoogte van die aanhangigmaking en geeft hij te kennen dat “[d]it punt [...] op de agenda van het volgende Overlegcomité [...] geplaatst [zal worden]”. VII-40.431-10/25 Dat is de bestreden handeling.
- Dezelfde dag geeft de minister-president van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de Eerste Minister te kennen dat hij zich tegen die nieuwe aanhangigmaking verzet. De Eerste Minister heeft daaraan geen gevolg gegeven.
- Op 20 maart 2017 neemt het Overlegcomité akte van de staat van vooruitgang van de besprekingen.
- Op 19 april 2017 neemt het Overlegcomité akte van de lopende besprekingen. V. Onderzoek van de ontvankelijkheid Exceptie Standpunten van de partijen
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep omdat de Eerste Minister geen beslissing heeft genomen. “Krachtens artikel 32, § 2, van de gewone wet van 9 augustus 1980 wordt een zaak aanhangig gemaakt bij het Overlegcomité door een Minister-President van een gewest- of gemeenschapsregering of door de Eerste Minister. Men zou hieraan kunnen toevoegen dat een zaak automatisch aanhangig wordt gemaakt bij het Overlegcomité, zodra het verzoek tot aanhangigmaking is ingediend bij de Eerste Minister. Het is immers zo dat een zaak bij het Overlegcomité aanhangig wordt gemaakt door het uitvoerend orgaan of een van de leden ervan dat/die oordeelt benadeeld te zijn door een beslissing of een gebrek aan beslissing van een ander uitvoerend orgaan”. Te dezen “geldt de nota aan het Overlegcomité van de Vlaamse regering, ondertekend door haar Minister-President, van 21 februari 2017, als aanhangigmaking bij het Overlegcomité. De aanhangigmaking bij het VII-40.431-11/25 Overlegcomité verloopt via de Eerste Minister, in zijn hoedanigheid van Voorzitter van de instelling. Dat betekent echter niet dat hij een beslissing heeft genomen. Hij heeft slechts een materiële handeling gesteld, namelijk het doorgeven van het verzoek tot aanhangigmaking aan de verschillende leden van het Overlegcomité. De Eerste Minister is Voorzitter van het Overlegcomité, maar is niet persoonlijk bevoegd om te beslissen of hij ingaat op een dergelijk verzoek tot aanhangigmaking bij het Overlegcomité of om te beslissen over de ontvankelijkheid van dit verzoek. Zodra hij een dergelijk verzoek tot aanhangigmaking ontvangt, kan hij niet anders dan dit op de agenda van het Overlegcomité te plaatsen. Wat voorafgaat wordt overigens heel duidelijk bevestigd door artikel 32, § 2, van de wet van 9 augustus
- Volgens die tekst beslist het Overlegcomité binnen zestig dagen na de aanhangigmaking. De aanhangigmaking luidt dus automatisch het begin van de termijn in. Nergens is bepaald dat de termijn van zestig dagen zou beginnen lopen vanaf een beslissing van de Eerste Minister over de ontvankelijkheid van de aanhangigmaking. Het huishoudelijk reglement van het Overlegcomité sluit hierbij aan. Het bepaalt immers dat de termijn van zestig dagen „begint (…) te lopen vanaf de datum van het indienen, bij de Centrale Secretarie, van het verzoek tot inschrijving op de agenda‟. De termijn van zestig dagen begint dus automatisch te lopen, zonder dat deze moet worden voorafgegaan door een beslissing van de Eerste Minister. Bovendien moet worden vastgesteld dat verzoeker geenszins uitlegt waarom er volgens hem sprake is van een beslissing van de Eerste Minister die het voorwerp zou kunnen uitmaken van een beroep. Verzoeker legt niet uit welke rechtsgrond de Eerste Minister zou machtigen om persoonlijk een beslissing te nemen wanneer hij een verzoek tot aanhangigmaking bij het Overlegcomité ontvangt. Aangezien het Overlegcomité een collegiale instelling is die volgens de consensusregel werkt, kan in feite alleen dit comité beslissingen nemen. In dit geval had het bij consensus kunnen beslissen dat de aanhangigmaking door de Vlaamse gemeenschap niet ontvankelijk was. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat het beroep niet gericht is tegen een bestuurshandeling als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State” en bijgevolg niet ontvankelijk is. VII-40.431-12/25
- De tussenkomende partijen wijzen erop dat overeenkomstig artikel 14 van de RvS-wet, enkel uitvoerbare administratieve rechtshandelingen vatbaar zijn voor een beroep bij de Raad van State, “met name administratieve rechtshandelingen waarbij beoogd wordt rechtsgevolgen in het leven te roepen of te beletten dat zij tot stand komen, m.a.w. waarbij wordt beoogd wijziging aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. Administratieve maatregelen die geen gevolg hebben voor de rechtstoestand van de verzoeker komen dus niet in aanmerking voor vernietiging. […] De bestreden „beslissing‟ beperkt er zich toe de leden van het Overlegcomité, waaronder de verzoekende partij, erover te informeren dat op 21 februari 2017 een belangenconflict werd ingediend door de Vlaamse Gemeenschap en dat dit op de agenda van het eerstvolgende Overlegcomité zal worden geplaatst. In geen enkel opzicht heeft de kennisgeving die de Eerste Minister in zijn hoedanigheid van voorzitter van het Overlegcomité (cfr. artikel 5 van het huishoudelijk reglement van het Overlegcomité) middels de bestreden beslissing aan de verzoekende partij heeft gedaan rechtsgevolgen gehad voor verzoekster. In dat verband wijzen de tussenkomende partijen erop dat de schorsing van de beslissing van de Minister van Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waaraan de verzoekende partij de ontvankelijkheid van haar beroep meent te kunnen ontlenen, in geen geval het gevolg is geweest van de bestreden beslissing. De schorsing van deze beslissing is daarentegen ingegaan van zodra de minister-president van de Vlaamse regering namens de Vlaamse Gemeenschap de zaak aanhangig heeft gemaakt bij het Overlegcomité. Dat blijkt ook uitdrukkelijk uit de tekst van artikel 32, §2, eerste lid van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen [...]. Ook uit [artikel 8, § 3 van] het huishoudelijk reglement van het Overlegcomité volgt dat de schorsing van de beslissing van verzoekende partij van 19 mei 2016 is beginnen lopen vanaf het moment waarop de Vlaamse regering haar verzoek heeft ingediend om het belangenconflict in te schrijven op de agenda van het Overlegcomité [...]. Ook volgens A. ALEN en K. MUYLLE is de schorsing van de beslissing die voor overleg naar het Overlegcomité wordt verwezen, het gevolg van het aanhangig maken van het belangenconflict door de leden van het Overlegcomité [...]. De bestreden beslissing, die er zich toe beperkt de leden van het Overlegcomité erover te informeren dat op 21 februari 2017 een VII-40.431-13/25 belangenconflict werd ingediend door de Vlaamse Gemeenschap en dat dit op de agenda van het eerstvolgende Overlegcomité zal worden geplaatst, betreft aldus geen aanvechtbare rechtshandeling in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State. In dat verband verwijzen de tussenkomende partijen nog naar de rechtspraak waarin [de Raad van State] meermaals heeft geoordeeld dat een loutere brief die geen beslissing bevat en waarin enkel uitleg, een aankondiging, een inlichting of een standpunt wordt gegeven, geen beslissingen zijn met gevolgen voor de rechtstoestand van de verzoekende partij en als dusdanig ook niet aanvechtbaar met een schorsings- of vernietigingsberoep”. Aldus moet het beroep volgens de tussenkomende partijen worden afgewezen als onontvankelijk.
- De verzoekende partij dupliceert dat artikel 31ter van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen bepaalt “dat „Het Overlegcomité een huishoudelijk reglement opstelt waarin de nadere werkingsregels van het Comité zijn vermeld” en dat “dit huishoudelijk reglement ten minste volgende zaken bepaalt: - De mededelingsmodaliteiten van de agenda en de beslissingen van het Overlegcomité aan de verschillende Parlementen; - De formalisering van de procedures opdat de regeringen tijdig de standpunten kunnen voorbereiden die ze in het Overlegcomité zullen verdedigen‟. Artikel 5, §1 van het huishoudelijk reglement van het Overlegcomité, zoals vastgesteld op 28 januari 2015, bepaalt het volgende: „Het Comité wordt voorgezeten door de Eerste Minister, die de agenda vaststelt‟. Artikel 9, §1 van het huishoudelijk reglement bepaalt ook: „Wanneer een dossier aan het Comité wordt voorgelegd met toepassing van artikel 32 of van artikel 33 van de wet, moet het verzoek tot inschrijving op de agenda het bestaan van een ernstige benadeling of de niet-naleving van de voorgeschreven procedureregels, bedoeld in voorvermelde bepalingen, vermelden.‟ Uit deze principes volgt dat de door de Vlaamse Regering ingediende motie van belangenconflict niet ipso facto leidt tot een verwijzing naar het Overlegcomité. Integendeel, de Eerste Minister nam volgens haar op verzoek van de Vlaamse executieve de beslissing om het verzoek van de Vlaamse Gemeenschap op de agenda van de volgende vergadering van het Overlegcomité te plaatsen [...]. Des te meer omdat artikel 11 van het huishoudelijk reglement het volgende bepaalt: „Worden steeds ambtshalve ingeschreven op de agenda van een „gewoon‟ VII-40.431-14/25 Comité: §
- De opvolging van de omzetting van de Europese richtlijnen. §
- De opvolging van de werkzaamheden van de interministeriêle Conferenties. [...] §
- De opvolging van de samenwerkingsakkoorden. […]‟. Het is dan ook ten onrechte dat de verwerende partijen stellen dat de Eerste Minister „geen andere keuze heeft dan het punt op de agenda van het Overlegcomité te plaatsen‟ en dat hij bijgevolg geen enkele beslissing heeft genomen. [...] Niettegenstaande [de Raad van State] over het algemeen van oordeel is dat de toevoeging van een punt op de agenda geen administratieve rechtshandeling is waartegen beroep kan worden aangetekend en dat dit de rechtsorde niet wijzigt, is de beslissing van de Eerste Minister om de motie van belangenconflict van de Vlaamse Regering op de agenda van het volgende Overlegcomité te plaatsen, geen gewone toevoeging van een agendapunt. Deze inschrijving op de agenda berokkent de verzoekende partij nadeel, aangezien zij de uitvoering van de beslissing die het voorwerp uitmaakt van het betwiste belangenconflict voor de tweede maal gedurende zestig dagen opschort. Daarom dient de beslissing van de Eerste Minister te worden beschouwd als een administratieve rechtshandeling „die de rechtsorde, in de zin van alle normen en rechtshandelingen, op zich kan wijzigen door elementen toe te voegen of te schrappen, of die deze kan beïnvloeden door te verhinderen dat een rechtssituatie wordt gewijzigd‟. De beslissing om het verzoek op de agenda te plaatsen, is van die aard dat zij nadeel berokkent aan de verzoekende partij, aangezien deze laatste de mogelijkheid wordt ontnomen om vaststellingen te maken van de overtredingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer, of in de toekomst zelfs geen gebruik kan maken van de vaststellingen die hij in de betrokken periode heeft gedaan in het kader van nieuwe procedures of nieuwe overtredingen. Bijgevolg stellen de verwerende partijen ten onrechte dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het niet zou gaan om een bindende administratieve rechtshandeling”.
- De verzoekende partij voegt toe dat uit artikel 31ter van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en het huishoudelijk reglement van het Overlegcomité “volgt dat, indien de Eerste Minister, in zijn hoedanigheid van voorzitter van het Overlegcomité, een bepaald punt niet op de agenda zet, of dit weglaat, alhoewel dergelijk punt voorafgaand het voorwerp heeft uitgemaakt van een verzoek tot inschrijving, het Overlegcomité VII-40.431-15/25 niet de facto gevat is. In het kader van een procedure van belangenconflict ingesteld door de Eerste Minister of een Minister-President van een Gemeenschap of Gewest, heeft dit tot gevolg dat het in artikel 32, §2 voorziene overleg ipso facto niet plaatsvindt. Bijgevolg zal het Overlegcomité geen beslissing vellen binnen de 60 dagen conform de consensusprocedure. Het klopt dat artikel 8, §3 van het huishoudelijk reglement voorziet dat de termijn van 60 dagen voorzien in artikel 32, §2 van de gewone wet van 9 augustus 1980 „begint te lopen vanaf de datum van het indienen, bij de Centrale Secretarie, van het verzoek tot inschrijving op de agenda‟, en niet vanaf de dag waarop de Eerste Minister, in zijn hoedanigheid van voorzitter van het Overlegcomité, het punt effectief inschrijft op de agenda van dit Comité. Hieruit volgt dat de uitvoering van de litigieuze beslissing – in casu de beslissing van 19 mei 2016 van de Minister van Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest - geschorst is vanaf de datum van het verzoek tot inschrijving. Dit doet evenwel geen afbreuk aan het feit dat, indien de Eerste Minister, nog steeds in zijn hoedanigheid van voorzitter van het Overlegcomité, een bepaald punt van belangenconflict conform artikel 32, §2 van de gewone wet van 9 augustus 1980, niet op de agenda zet, of dit weglaat, niettegenstaande het feit dat hij in die zin gevat werd, de opschorting van de uitvoering van de litigieuze beslissing haar voorwerp verliest en bijgevolg vervalt. Inderdaad, het opschortend karakter dat gepaard gaat met een verzoek tot inschrijving heeft tot doel het effectieve overleg voorzien in artikel 32, §2 van de gewone wet van 9 augustus
- Het gaat erom de leden van het Comité de onmogelijkheid te geven om te vergaderen - of veeleer om „overeenstemming te vinden‟ - zonder dat de Regering op wiens initiatief een verzoek tot inschrijving werd overgemaakt, geconfronteerd wordt met de gevolgen van de litigieuze beslissing en haar belangen ernstig geschaad worden. Daarentegen, wanneer een punt niet op de agenda geplaatst wordt, is het Overlegcomité ipso facto niet gevat, en aangezien er bijgevolg geen overleg is, heeft de opschorting van de uitvoering van de litigieuze beslissing geen zin. Deze interpretatie stemt overeen met artikel 143 van de Grondwet. Zij heeft tot doel te vermijden dat een Regering dilatoire procedures instelt die, zoals in onderhavig geval, ingaan tegen de wil van de wetgever en die getuigen van een misbruik van de procedure inzake belangenconflicten voorzien in artikel 32, §2 van de gewone wet van 9 augustus VII-40.431-16/25
- Omgekeerd, indien een lid van het Comité meent geschaad te zijn door het weglaten van een verzoek tot inschrijving op de agenda wanneer hij hierom verzocht heeft, dan kan dit lid steeds de Raad van State vatten in het kader van een verzoek tot nietigverklaring gebaseerd op een schending van het principe van federale loyauteit. Deze interpretatie stemt eveneens overeen met artikel 6, §1 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens in de mate dat dit aan een federale overheid of aan een lid van de federatie een effectieve toegang garandeert tot een onafhankelijk en onpartijdige rechterlijke instantie, en toestaat om voor deze rechterlijke instante op te werpen dat het vatten van het Overlegcomité, in het kader van een procedure van belangenconflict, met dilatoire en deloyale motieven gebeurde, hetgeen niet op een andere wijze kan gebeuren. In het tegenovergestelde geval, indien de Eerste Minister, nog steeds in zijn hoedanigheid van voorzitter van het Overlegcomité, een bepaald punt van belangenconflict conform artikel 32, §2 van de gewone wet van 9 augustus 1980, wel op de agenda zet, dan is het Overlegcomité ipso facto wel gevat, en zal in principe, in voorkomend geval, binnen de 60 dagen een beslissing vellen. In dergelijk geval is de opschorting van de uitvoering van de litigieuze beslissing onbetwistbaar. Uit deze redenering volgt dat de bestreden handeling veel meer is als een „loutere gevolgtrekking‟ of een „voorbereidende beslissing‟ [...]. Het betreft daarentegen een handeling die rechtsgevolgen teweeg brengt en die van dien aard is dat ze een onmiddellijke en rechtstreekse schade kan berokkenen aan verzoekster. Inderdaad, indien de Eerste Minister, in zijn hoedanigheid van voorzitter van het Comité, het litigieuze punt niet op de agenda gezet zou hebben of het weggelaten zou hebben, dan zou dit Comité niet gevat zijn. Dan zou er geen overleg mogelijk geweest zijn. Bijgevolg, indien we de hierboven uiteengezette redenering volgen, dan zou de schorsing van de uitvoering van de beslissing van 19 mei 2016 van de Minister van Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn komen te vervallen en zou verzoekster niet geschaad geworden zijn zoals dit nu wel het geval is. Men dient hieruit te besluiten dat de bestreden handeling, die van dien aard is de juridische orde te wijzigen, een administratieve handeling is in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State”. VII-40.431-17/25 Indien de Raad van State “zou menen dat de bestreden handeling geen administratieve handeling is [...] dan wordt de effectieve toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie ontzegd aan de federale overheid of aan een lid van de federatie die de beslissing van de Eerste Minister, in zijn hoedanigheid van voorzitter van het Comité, om een punt al dan niet op de agenda van het Comité te zetten, wenst te bekritiseren, en dit terwijl een dergelijke beslissing aan deze overheid of entiteit schade kan berokkenen en zij zich beroept op een dilatoir en deloyaal gebruik van de procedure inzake belangenconflicten voorzien in artikel 32 §2 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Het komt derhalve gepast voor om het grondwettelijk Hof voorafgaandelijk bevragen en volgende prejudiciële vraag te stellen: “Is, in de interpretatie dat de beslissing van de Eerste Minister, in zijn hoedanigheid van voorzitter van het Overlegcomité, om een punt al dan niet op de agenda van het Comité in te schrijven, geen administratieve handeling is in de zin van artikel 14, § 1 van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State, artikel 32, §2 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen in strijd met de artikelen 10, 11 en 143 van de Grondwet, in combinatie met artikel 6, §1 van het Europees verdrag van de Rechten van de Mens, in de mate dat deze beslissing schade kan berokkenen, en bijgevolg deze interpretatie de federale overheid of een lid van de federatie de mogelijkheid ontzegt tot een effectieve rechtstoegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie met het oog op het bestrijden van dilatoir en deloyaal gebruik van de procedure van belangenconflicten door de Eerste Minister of een Minister-President, handelend in hun uitvoerende bevoegdheden?”. Indien het verzoek tot het stellen van deze prejudiciële vraag onontvankelijk zou zijn wegens laattijdigheid, acht de verzoekende partij het gepast om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Is artikel 26, §2 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof in strijd met artikels 10 en 11 van de Grondwet, in combinatie met artikel 6, §1 van het Europees verdrag van de Rechten van de Mens en het algemeen principe van de rechten van verdediging, in de mate dat het aan de Raad van State zou toestaan te weigeren om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof wanneer deze vraag niet gesteld wordt in het eerste door een partij neergelegde procedurestuk maar wel in een later procedurestuk waarvan het bestaan is vastgelegd in het positief recht, met als gevolg een gedifferentieerde behandeling tussen de partij die de prejudiciële vraag stelt bij het begin van de procedure en de partij die de VII-40.431-18/25 vraag stelt in een laatste memorie?”.
- De verwerende partijen antwoorden dat de wetgever geen rol van scheidsrechter heeft toebedeeld aan de Eerste Minister aan wie het niet toekomt “te oordelen of de regering die de aanhangigmaking bij het Overlegcomité vraagt daadwerkelijk ernstig benadeeld is of terecht meent ernstig benadeeld te zijn door de beslissing of het ontwerp van beslissing die/dat het voorwerp uitmaakt van het verzoek. […] Het is ook de wetgever die beslist heeft wat de gevolgen zijn van een aanhangigmaking bij het Overlegcomité: de schorsing van de beslissing of van het ontwerp van beslissing die/dat het voorwerp uitmaakt van de aanhangigmaking”. Zij stellen dat het verzoek tot het stellen van de eerste prejudiciële vraag laattijdig en dus onontvankelijk is omdat zij reeds in de memorie van antwoord de exceptie van onontvankelijkheid hebben opgeworpen. Om die reden is ook het verzoek tot het stellen van de tweede prejudiciële vraag laattijdig en dus onontvankelijk. Bovendien vloeit de onontvankelijkheid van het verzoek tot het stellen van deze prejudiciële vragen niet voort uit artikel 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof maar uit artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
- De tussenkomende partijen werpen op dat het verzoek tot het stellen van de eerste prejudiciële vraag “onontvankelijk wegens laattijdigheid” is, bovendien niet prejudicieel is omdat de niet-aanvechtbaarheid van de bestreden beslissing volgt uit artikel 14 van de RvS-wet en niet uit artikel 32, § 2, van de gewone wet van 9 augustus 1980, en vertrekt vanuit het foutieve uitgangspunt dat de Eerste Minister over een effectieve beslissingsbevoegdheid beschikt. De Raad van State is niet verplicht om een prejudiciële vraag te stellen wanneer de zaak onontvankelijk is wegens het door hen aangevoerde gebrek aan belang van de verzoekende partij. Zij stellen dat het verzoek tot het stellen van de tweede prejudiciële vraag “een dilatoir oogmerk [lijkt] te hebben” en dat de aangehaalde reden voor het niet stellen van de eerste prejudiciële vraag a fortiori gelden voor het niet stellen van de tweede prejudiciële vraag. VII-40.431-19/25 Beoordeling
- Krachtens artikel 14, § 1 van de RvS-wet moet een beroep tot nietigverklaring een administratieve rechtshandeling tot voorwerp hebben. Onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling moet een handeling worden verstaan waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. Om ontvankelijk te zijn moet het beroep een handeling tot voorwerp hebben die zelf rechtsgevolgen sorteert en die onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent aan de verzoekende partij. Administratieve maatregelen die per se geen uitvoerbare kracht hebben en geen gevolg hebben voor de rechtstoestand van de verzoekende partij, komen niet in aanmerking voor vernietiging. Hetzelfde geldt voor zuiver voorbereidende beslissingen.
- Voorwerp van het beroep is te dezen de handeling van de Eerste Minister van 21 februari 2017 waarbij wordt aangekondigd dat een belangenconflict wordt geagendeerd op het eerstvolgende Overlegcomité, meer bepaald het belangenconflict dat door de Vlaamse Gemeenschap werd aanhangig gemaakt tegen de beslissing van 19 mei 2016 van de minister van Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om vanaf 1 januari 2017 de tolerantiemarge te beëindigen met betrekking tot de vaststelling van overtredingen van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer.
- Artikel 32, § 2, van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen luidt: “Indien de federale Regering, een Gemeenschaps- of Gewestregering of het Verenigd College bedoeld in artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen oordeelt ernstig te kunnen worden benadeeld door een ontwerp VII-40.431-20/25 van beslissing of een beslissing van de federale Regering, van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van het Verenigd College of van één hunner leden, kan de Eerste Minister, de Voorzitter van de Gemeenschaps- of Gewestregering of van het Verenigd College de zaak met het oog op overleg aanhangig maken bij het in artikel 31 bedoeld Overlegcomité, dat binnen zestig dagen volgens de procedure van de consensus beslist. In dit geval wordt de betwiste beslissing of de uitvoering ervan gedurende deze termijn geschorst. Deze procedure kan slechts eenmaal worden ingesteld met betrekking tot eenzelfde beslissing of eenzelfde ontwerp van beslissing”. Artikel 31ter van de gewone wet van 9 augustus 1980 bepaalt: “Het Overlegcomité stelt een huishoudelijk reglement op waarin de nadere werkingsregels van het Comité zijn vermeld. Met naleving van de door elk van de regeringen vastgestelde uitvoeringsmodaliteiten bepaalt dit huishoudelijk reglement ten minste: - De mededelingsmodaliteiten van de agenda en de beslissingen van het Overlegcomité aan de verschillende Parlementen; - De formalisering van de procedures opdat de regeringen tijdig de standpunten kunnen voorbereiden die ze in het Overlegcomité zullen verdedigen.” Overeenkomstig artikel 5, § 1 van het huishoudelijk reglement wordt het Comité voorgezeten door de Eerste Minister die de agenda vaststelt.
- De bestreden handeling betreft een loutere gevolgtrekking van de aanhangigmaking van het belangenconflict door de Vlaamse regering, namens de Vlaamse Gemeenschap, op 21 februari
- Het is de Eerste Minister of Voorzitter van de regering die zich in haar belangen geschonden voelt die het conflict bij het Overlegcomité aanhangig maakt. De Eerste Minister, in de hoedanigheid van voorzitter van het Overlegcomité, heeft bij schrijven van 21 februari 2017 alle leden van het Overlegcomité van deze aanhangigmaking in kennis gesteld. In toepassing van voormeld artikel 5, § 1, van het huishoudelijk reglement, werd dan meegedeeld dat het belangenconflict werd toegevoegd aan de agenda van het volgende Overlegcomité. Het betreft aldus slechts een mededeling waarvan niet blijkt dat deze zelf rechtsgevolgen sorteert en onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent aan de verzoekende partij. Nergens blijkt dat de vaststelling van dit punt op de agenda tevens een oordeel zou inhouden over de VII-40.431-21/25 ontvankelijkheid van het belangenconflict.
- De stelling van de verzoekende partij dat de bestreden handeling de uitvoering van de beslissing die het voorwerp uitmaakt van het betwiste belangenconflict voor de tweede maal gedurende zestig dagen zou opschorten, kan niet worden gevolgd omdat de schorsing van de uitvoering van de betwiste beslissing van de minister van Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, niet het gevolg is van de bestreden handeling. De schorsing van deze beslissing is ingegaan van zodra de minister-president van de Vlaamse regering namens de Vlaamse Gemeenschap de zaak aanhangig heeft gemaakt bij het Overlegcomité zoals blijkt uit artikel 32, § 2, eerste lid, van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 8, § 3, van het huishoudelijk reglement van het Overlegcomité Uit artikel 11 van het huishoudelijk reglement kan niet worden afgeleid dat de bestreden handeling een aanvechtbare administratieve beslissing zou uitmaken. Dat belangenconflicten, in tegenstelling tot de in voormeld artikel 11 vermelde aangelegenheden, niet ambtshalve worden ingeschreven op de agenda van een “gewoon” Overlegcomité, wordt verklaard door het feit dat voor de aanhangigmaking van dergelijk conflict overeenkomstig artikel 32, § 2, van de gewone wet van 9 augustus 1980 steeds een initiatief vereist is van de Eerste Minister, de Voorzitter van een Gemeenschaps- of Gewestregering of van het Verenigd College.
- Uit het voorgaande blijkt ook dat de Eerste Minister, in zijn hoedanigheid van voorzitter van het Overlegcomité geenszins bevoegd is om te beslissen over de aanhangingmaking, noch over de ontvankelijkheid van het belangenconflict. De aanhangigmaking van een belangenconflict in toepassing van artikel 32, § 2, van de gewone wet tot hervorming der instellingen, geschiedt door de Eerste Minister, de Voorzitter van de Gemeenschaps- of Gewestregering of van het Verenigd College, terwijl de beslissingen erover vervolgens dienen genomen te worden door het Overlegcomité bij consensus. Ook gelet op die onbevoegdheid, dient de bestreden handeling die van de Eerste Minister uitgaat als louter VII-40.431-22/25 voorbereidend te worden beschouwd en zonder rechtsgevolgen.
- De exceptie is gegrond. De bestreden handeling is geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling. Het beroep is onontvankelijk.
- De door de verzoekende partij voor het eerst in haar laatste memorie voorgestelde eerste prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof is laattijdig. De verwerende partij had immers in de memorie van antwoord reeds een exceptie van onontvankelijkheid wat het voorwerp van het beroep betreft opgeworpen. De verzoekende partij was dan ook eerder dan in de laatste memorie in de mogelijkheid om de Raad van State te verzoeken de in dit processtuk gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen. Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag moet ter wille van de vereiste van de wapengelijkheid van de procespartijen, de verplichting tot loyale procesvoering en om proceseconomische redenen, moet in limine litis worden geformuleerd, minstens in het eerste processtuk waarin de bedoelde partij dit nuttig vermag te doen, zodat het als dilatoir voorkomt dat partijen, wanneer zij op het einde van de procedure vaststellen, bijvoorbeeld na ontvangst van het auditoraatsverslag, dat zij op grond van een bepaalde norm, die van in den beginne in het geding betrokken was, het proces dreigen te verliezen, verzoeken de definitieve behandeling van de zaak nogmaals voor geruime tijd uit te stellen, middels het raadplegen van het Grondwettelijk Hof over die bepaalde wettekst.
- Bovendien moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij niet verduidelijkt in welk opzicht zij artikel 143 van de Grondwet en de in artikelen 10 en 11 van de Grondwet besloten gelijkheidsregel te dezen geschonden acht of zelfs maar te pas vindt komen. Er wordt nergens verduidelijkt welke categorieën van personen ongelijk zouden zijn behandeld. Verder beargumenteert de verzoekende partij niet en doet zij ook niet aannemen dat de rechtsregel waaraan VII-40.431-23/25 zij het Grondwettelijk Hof wil zien toetsen “in combinatie” met de gelijkheidsregel, door dit Hof eventueel als een autonome toetssteen mag worden gehanteerd. De eerste prejudiciële vraag is derhalve niet geschikt om aan het Grondwettelijk Hof te worden voorgelegd.
- Ook de tweede voorgestelde prejudiciële vraag is laattijdig. Aangezien de eerste voorgestelde prejudiciële vraag hoe dan ook niet geschikt is om aan het Grondwettelijk Hof te worden voorgelegd, is de tweede prejudiciële vraag bovendien niet dienstig voor de oplossing van het geschil. De door de verzoekende partij aangevoerde schending vloeit bovendien niet voort uit artikel 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, doch wel uit de procedureregels die gelden voor de Raad van State. Ook om deze reden doet de door de verzoekende partij in haar laatste memorie geformuleerde tweede prejudiciële vraag niet ter zake.
- Het verzoek tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof wordt afgewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro, elk voor de helft. VII-40.431-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.431-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.968 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.