← België

Arrest 246970 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.970 Rolnummer: A. 228129/VII-40548 Zaak: Arrest 246970 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-18 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-26 01:57 Fiche Arrest nr 246.970 van 6 februari 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 246.970 van 6 februari 2020 in de zaak A. 228.129/VII-40.548 In zake :

  1. Rodolphe DE LIEDEKERKE
  2. Jacques DE LIEDEKERKE
  3. Marleen DEROM
  4. Wim VANDER HULST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het cassatieberoep, ingesteld op 16 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-1819-0792 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 2 april 2019 in de zaak 1718-RvVb-0332-A. II. Verloop van de rechtspleging
  6. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 4 juli
  7. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.548-1/7 Eerste auditeur An Van Den Broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 januari
  8. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sebastiaan De Meue, die verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Eerste auditeur An Van Den Broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten
  10. Met een besluit van 12 oktober 2017 verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) een stedenbouwkundige vergunning aan de aanvrager “voor het bouwen van 20 nieuwe appartementen met ondergrondse parkeergarage”.
  11. Het bestreden arrest verwerpt het eerste middel van de verzoekende partijen, verklaart hun tweede en derde middel gegrond en vernietigt de vergunningsbeslissing van de deputatie. VII-40.548-2/7 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  12. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting ingediend waarin een repliek wordt gegeven op het auditoraatsverslag. Het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit) voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de verzoekende partijen. Het voormelde procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover het daarnaast de neerslag vormt van de uiteenzetting van de verzoekende partijen ter terechtzitting, wordt het niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Onderzoek van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep Exceptie Standpunt van de partijen
  13. De verzoekende partijen betogen dat zij door het cassatieberoep een kans hebben op een gunstigere beslissing van de bodemrechter. Zij achten zich benadeeld door de verwerping van hun eerste middel dat tot een “ruimere vernietiging” van de vergunningsbeslissing leidt. In dat geval kan de deputatie geen herstelbeslissing nemen zonder een beslissing van de gemeenteraad omtrent de zaak der wegen. De met het bestreden arrest op grond van het tweede en derde middel vastgestelde tekortkomingen zijn gemakkelijker herstelbaar. VII-40.548-3/7 Verder stellen zij benadeeld te zijn door de oplegging van een bevel om “met inachtneming van de overwegingen die opgenomen zijn in zijn uitspraak” een nieuwe beslissing te nemen binnen een hersteltermijn van vier maanden. Deze overwegingen zijn niet beperkt tot de vernietigingsmotieven, zodat dit ook geldt voor de motieven tot verwerping van het eerste middel. Dit veronderstelt dat een beslissing over de zaak der wegen volgens het arrest van de RvVb niet noodzakelijk is, hetgeen de verzoekende partijen grieft. Dit verklaart ook dat de RvVb geen toepassing heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het bestuur op te leggen om welbepaalde procedurele handelingen, voorafgaand aan de nieuwe beslissing, door te voeren, met name het verzoek, uitgaande van de Gouverneur, aan de gemeenteraad om een beslissing omtrent de zaak der wegen te nemen. Ook het gegeven dat het bestreden arrest een bevel geeft om binnen een bepaalde termijn een beslissing te nemen, verschaft de verzoekende partijen een voldoende belang aangezien zij voordeel kunnen halen uit het feit dat geen bevel wordt opgelegd, of dat geen beslissingstermijn wordt bepaald. Verder betwisten de verzoekende partijen “dat de motieven voor de ongegrondverklaring van een middel in het kader van een vernietigingsarrest met geen enkele vorm van gezag van gewijsde zouden zijn bekleed”. Zij stellen dat de motieven met betrekking tot de ongegrondverklaring van een middel evenzeer noodzakelijk met het dictum van het vernietigingsarrest verbonden zijn. De draagwijdte van de vernietiging wordt immers evenzeer bepaald door de aanduiding van de wettigheidskritiek die wel gegrond is bevonden, als door deze die desgevallend niet gegrond is bevonden. Het onderscheid tussen vernietigings- en verwerpingsmotieven wordt ook niet gemaakt in de rechtspraak van het Hof van Cassatie of het Grondwettelijk Hof en is “een kwestie van gezond verstand”. Minstens moet worden aangenomen dat de andere rechtspunten die worden beslecht in een vernietigingsarrest, namelijk door verwerping van het middel, een (relatief) gezag van gewijsde genieten, net als wat geldt voor de noodzakelijke VII-40.548-4/7 motieven van de verwerpingsarresten. Indien de ongegrondverklaring van het eerste middel met geen enkele vorm van gezag van gewijsde is bekleed, is de beoordeling en beslechting van dit rechtspunt door de negatieve beantwoording van dit middel eenvoudigweg zinloos geweest, hetgeen tegengesproken wordt door de rechtspraak van de RvVb. De verzoekende partijen wijzen nog op het gewijzigde artikel 37 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet) dat voorschrijft dat het bevel de “inachtneming van de overwegingen die opgenomen zijn in” de uitspraak van de RvVb oplegt en dus niet beperkt wordt tot de met gezag van gewijsde beklede vernietigingsmotieven.
  14. De deputatie betwist het belang van de verzoekende partijen bij het cassatieberoep omdat het bestreden arrest het verzoek tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie volledig heeft ingewilligd. Gezien de RvVb de bestreden vergunningsbeslissing volledig – en dus niet slechts gedeeltelijk – vernietigde, kan een gebeurlijke inwilliging van het cassatieberoep nooit tot een ruimere vernietiging leiden. Beoordeling
  15. De finaliteit van een cassatieberoep bestaat er in om een onwettige uitspraak van een administratief rechtscollege teniet te doen, waarna de zaak voor een nieuwe beoordeling aan het anders samengesteld rechtscollege wordt voorgelegd zodat de verzoeker in cassatie een nieuwe kans verwerft op een voor hem gunstiger uitspraak van dat rechtscollege.
  16. Het enige cassatiemiddel van de verzoekende partijen gaat terug op de verwerping door de RvVb van hun eerste middel.
  17. Het cassatieberoep waarin een cassatiemiddel wordt aangevoerd dat geen van de zelfstandige vernietigingsmotieven van het bestreden arrest VII-40.548-5/7 bekritiseert, kan, ook al was dat enige cassatiemiddel gegrond, niet tot cassatie leiden van het bestreden vernietigingsarrest.
  18. Het gezag van gewijsde van het bestreden arrest strekt zich uit tot de onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven die uitspraak doen over de tijdens het rechtsgeding voor de RvVb betwiste rechtspunten waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren.
  19. Het dictum van het bestreden arrest besluit tot de vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing van 12 oktober 2017 en tot het geven van het bevel aan de deputatie om een nieuwe vergunningsbeslissing te nemen. Het bevel dat het bestreden arrest geeft aan de deputatie is luidens artikel 37, § 1, DBRC-decreet onlosmakelijk verbonden met de vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing van 12 oktober
  20. De onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven van het bestreden arrest zijn enkel de motieven voor de gegrondverklaring van het tweede en derde middel van de verzoekende partijen.
  21. Het gezag van gewijsde van het bestreden arrest strekt zich niet uit tot de motieven voor de ongegrondverklaring door de RvVb van het eerste middel van de verzoekende partijen.
  22. Het cassatiemiddel van de verzoekende partijen bekritiseert de verwerping door de RvVb van het eerste middel van de verzoekende partijen en de ermee onlosmakelijk verbonden motieven doch niet het dictum en de ermee onverbrekelijk verbonden vernietigingsmotieven van het bestreden arrest.
  23. Het cassatieberoep is niet ontvankelijk. VII-40.548-6/7 BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  25. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 800 euro en een bijdrage van 80 euro, elk voor een vierde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.548-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.970 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.