id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.972 Rolnummer: A. 229595/XIV-38196 Zaak: Arrest 246972 - Politie - 06/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-18 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-26 01:57 Fiche Arrest nr 246.972 van 6 februari 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 246.972 van 6 februari 2020 in de zaak A. 229.595 /XIV-38.196 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem (Antwerpen) Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5344 BRUSSEL-NOORD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Anthony Poppe en Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Milde kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 142 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 21 november 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de korpschef van de politiezone Brussel-Noord van 24 september 2019 waarbij verzoeker bij ordemaatregel wordt herplaatst naar de Cel Deurwaarders met ingang van 1 oktober
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. XIV-38.196-1/12 Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 januari
- Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joost Bosquet, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Emmanuel Jacubowitz, die in eigen naam en loco advocaat Michel Milde, verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is sinds 1 april 2011 tewerkgesteld als inspecteur van politie binnen de “Koban Brabant” die deel uitmaakt van de Politiezone Brussel-Noord. 3.
- In 2012 wordt permanente en onomkeerbare gehoorschade vastgesteld bij verzoeker ten gevolge van de uitoefening van zijn functie als specialist geweldbeheersing binnen de politiezone, en met name van zijn taken als schietmonitor in het kader van die functie. Deze gehoorschade wordt beschouwd als beroepsziekte. Sedert 2014 krijgt verzoeker de medische aanbeveling om lawaaierige werkomstandigheden te vermijden. XIV-38.196-2/12 Op 4 augustus 2014 wordt verzoeker het slachtoffer van een arbeidsongeval waarna hij een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS) ontwikkelt en gevoelig wordt voor geweld. Met een beslissing van 25 oktober 2017 stelt Medex een percentage van blijvende arbeidsongeschiktheid vast van 3% ten gevolge van de PTSS en angststoornis van verzoeker. Op 18 november 2018 wordt verzoeker opnieuw het slachtoffer van een arbeidsongeval door geweld, waarna hij drie weken arbeidsongeschikt is. In mei 2019 krijgt verzoeker om medische redenen een vrijstelling voor de uitoefening van ordehandhaving. Vanaf 12 juli 2019 wordt verzoeker opnieuw arbeidsongeschikt, ditmaal voor een periode van acht weken. Door deze langdurige periode van afwezigheid wordt verzoeker verzocht zijn dienstwapen in te leveren. 3.
- Op 29 augustus 2019 formuleert de korpschef een voorstel tot herplaatsing bij ordemaatregel van verzoeker naar de Cel Deurwaarders om tegemoet te komen aan zijn kwetsbare gezondheidstoestand, professionele medische vrijstellingen, de nood aan aangepaste werkomstandigheden en de noden van de betrokken diensten. Dit voorstel wordt aan verzoeker betekend op 2 september
- Met een e-mail van 6 september 2019 heeft verzoeker een verweerschrift ingediend. In deze e-mail wordt ook meegedeeld dat verzoeker geen gebruik wenst te maken van zijn recht om persoonlijk te worden gehoord. 3.
- Op 24 september 2019 beslist de korpschef van de verwerende partij om verzoeker naar de Cel Deurwaarders te herplaatsen. Nadat is gerepliceerd XIV-38.196-3/12 op de argumenten die door verzoeker in zijn verweerschrift werden aangevoerd, wordt tot herplaatsing beslist op grond van de volgende overwegingen: “[…]
- Beslissing tot herplaatsing […] Overwegende dat u aan de slag bent gegaan bij de Koban Brabant in de hoedanigheid van inspecteur op datum van 01/04/2011; Overwegende dat u met ziekteverlof bent sedert 12/07/2019 en dat uw laatste ziektebriefje uw ziekteverlof heeft verlengd tot en met 06/09/2019 (zie bijlagen 4 en 5); Overwegende dat u momenteel het voorwerp uitmaakt van een intrekking van uw dienstwapen op grond van de richtlijn CDI-2284 over de intrekking en teruggave van de individuele bewapening naar aanleiding van uw langdurige afwezigheid; Overwegende dat u het voorwerp uitmaakt van medische vrijstellingen die in 2019 bevestigd werden en die gelden voor een lange periode, meer bepaald de vrijstelling van ordediensten, het dragen van aangepaste schoenen en het werken in een omgeving met weinig lawaai ingevolge een erkende beroepsziekte (zie bijlagen 1, 2 en 3); Dat het medisch attest van 21/11/2018 dat gericht werd aan de Personeelsdirectie uw arbeidsongeschiktheid linkt aan antecedenten van PTSS of posttraumatische stress-syndromen (zie bijlagen 6 en 7); Dat u reeds PTSS hebt opgelopen tengevolge van een arbeidsongeval van 04/08/2014, waaraan u een globale blijvende arbeidsongeschiktheid van 3 % hebt overgehouden (zie bijlage 8); Dat het medisch attest van 26 augustus 2019 dat u bij uw verdediging hebt gevoegd preciseert dat de laatste PTSS van 2018 niets te maken heeft met de PTSS van 2014; Overwegende dat deze vrijstellingen en uw huidige administratieve situatie een impact hebben op de organisatie en de operationaliteit van uw dienst; Dat aldus, bij wijze van voorbeeld, de door de Koban Brabant beheerde handelskern gekenmerkt wordt door een permanente stroom van uitwisselingen en ontmoetingen in een drukke en lawaaierige stedelijke omgeving (handelszaken, horecazaken en winkels, leveringen, autoverkeer, contacten met het publiek); Dat uw medisch profiel om deze redenen niet langer beantwoordt aan de vereisten van een personeelslid van het operationeel kader van de Koban Brabant; Overwegende dat het aan de overheid toekomt, rekening houdend met uw kwetsbare gezondheidstoestand en met uw professionele medische vrijstellingen, om meer aangepaste werkomstandigheden voor u te verzekeren, in overeenstemming met uw toestand en in uw belang; Dat gelet op deze elementen en ook om de continuïteit en de goede werking van de dienst te garanderen, mij een maatregel tot herplaatsing noodzakelijk lijkt; Dat ik om die redenen acht dat u niet langer toegewezen kan blijven aan de Koban Brabant; Overwegende dat het mogelijk is om u te herplaatsen naar de Cel Deurwaarders, waarin uw functie voornamelijk gericht is op het begeleiden en bijstaan van gerechtsdeurwaarders en gekoppeld is aan een administratief uurrooster; Dat die functie overeenkomt met uw graad, uw (medisch) profiel en uw competenties; […] Gelet op uw verweer; Overwegende dat ik niettegenstaande uw argumenten ervan overtuigd blijf dat u XIV-38.196-4/12 geschikt bent voor deze functie; Dat de door u voorgestelde onthaaldienst van het commissariaat 5 niet overeenkomst met uw graad en uw profiel; Dat de bedoeling van deze administratieve ordemaatregel enkel het vrijwaren van de goede werking en de goede organisatie van de Koban Brabant is en uw werkomstandigheden aan te passen opdat u een goed evenwicht en gevoel van welzijn op het werk zou kunnen behouden, rekening houdend met uw gezondheidstoestand en uw medische vrijstellingen en aanbevelingen, Gelet op uw ziekteverlof tot en met 30/09/2019; Dat ik om deze redenen, in het belang van de dienst, beslis: - Om u te herplaatsen naar de Cel Deurwaarders; - Waarin uw functie voornamelijk gericht is op het begeleiden en bijstaan van gerechtsdeurwaarders, onder de leiding van CP. [B.D.], diensthoofd van de Cel Deurwaarders, en CP [G.C.], directeur van de DUO; - Dat uw herplaatsing zal ingaan op dinsdag 01/10/2019 om 08.00 uur; […]” Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting
- In zijn verzoekschrift stelt verzoeker, wat het spoedeisend karakter van de vordering betreft, dat de Raad van State overeenkomstig artikel 17, §§1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing kan bevelen van de administratieve rechtshandelingen indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring, en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het XIV-38.196-5/12 reglement prima facie kan verantwoorden. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring kunnen ook na de wet van 20 januari 2014 ‘houdende hervorming van de organisatie van de Raad van State’ nog samen worden ingeleid. Dit is eens te meer zo indien de spoedeisendheid reeds van bij aanvang van de vernietigingsprocedure voorhanden is. Verzoeker voert aan dat de loutere nietigverklaring van de bestreden beslissing niet van aard is “de dreigende schade te vermijden bestaande in de aantasting van de functionering van [verzoeker] binnen de politie”. Bovendien heeft het verwijderen uit de functie als gevolg van de ordemaatregel en de daarbijhorende overschakeling naar een administratief uurrooster onmiddellijke en onherroepelijke financiële gevolgen omdat verzoeker niet langer aanspraak kan maken op de inconveniëntenvergoeding die bij zijn huidige functie hoort, wat volgens verzoeker neerkomt op “een verlies van omstreeks 600 EUR per maand”. Verzoekers huidige financiële status is niet van aard dat een normale afwikkeling van de procedure tot nietigverklaring kan worden afgewacht zonder onherroepelijke schade en insolventie. Daarenboven verliest hij 14 compensatiedagen ingevolge de herplaatsing aangezien weekend- of nachtwerk niet langer mogelijk is. Verzoeker legt uit (en brengt daartoe stukken bij) waaruit moet blijken dat hij een lopende lening afbetaalt naar aanleiding van de aankoop van zijn gezinswoning, hij de voornaamste kostwinner is binnen het gezin en ter aflossing van de genoemde lening maandelijks een bedrag van 1.168,54 EUR moet worden afbetaald zodat een verminderde financiële vergoeding met 600 EUR per maand voor financiële moeilijkheden voor verzoekers huishouden zorgt. Uit de zelfstandige beroepsactiviteit van verzoekers echtgenote kan zij slechts een beperkte vergoeding overhouden. Zij betalen bovendien nog twee persoonlijke leningen af , verschaft verzoeker financiële hulp aan zijn moeder, die slechts een beperkt pensioen geniet. Deze financiële engagementen zijn aangegaan in de veronderstelling steeds op een bepaalde inconveniëntenvergoeding aanspraak te kunnen maken, bovenop verzoekers basisloon. Verzoeker oefent immers reeds 32 jaar dienst uit binnen de betrokken politiezone en heeft daarbij steeds enige vorm van nacht- en/of weekendwerk met de bijhorende vergoeding verricht zodat hij in de rechtmatige veronderstelling was dat zijn financiële vergoeding niet plotsklaps in dergelijke mate zou worden XIV-38.196-6/12 verminderd. Voorts voert verzoeker ter adstructie van de spoedeisendheid aan dat een langdurig functioneren binnen de Cel Gerechtsdeurwaarders een uiterst nefast effect zal hebben op de arbeidsongeschiktheid met betrekking tot zijn PTSS. Het is immers niet ondenkbaar dat hij bij de uitoefening van het begeleiden en bijstaan van gerechtsdeurwaarders in hun functie, dagelijks in aanraking zou komen met verbaal en soms fysiek geweld. In de uitoefening van dergelijke bezigheid loopt hij een onvermijdelijk en verhoogd risico op een verergering of escalatie van zijn posttraumatisch stresssyndroom, mogelijks met verregaande en blijvende psychologische gevolgen. Tot slot, meent verzoeker dat de Raad van State “in het verleden [stelde] dat een maatregel in het belang van de dienst in beginsel geen schadelijke gevolgen veroorzaakt of nadelen berokkent die van aard zijn dat een betrokkene het resultaat van een procedure ten gronde niet kan afwachten, omwille van het voorlopige, tijdelijke en niet-tuchtrechtelijke karakter van de beslissing”. Te dezen “gaat het echter om een herplaatsing die definitief van aard is en slechts kan worden omgekeerd indien [verzoeker] vrijwillig solliciteert voor een andere vacante betrekking binnen de politie”. Met betrekking tot een ordemaatregel tot herplaatsing is immers geen verplichte herevaluatie voorzien waarbij de overheid het belang van de dienst opnieuw beoordeelt. Bovendien zijn in hoofde van verzoeker bijzondere omstandigheden van toepassing die de spoedeisendheid bijkomend verantwoorden, omwille van zijn arbeidsongeschiktheid ingevolge zijn PTSS. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
- Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. XIV-38.196-7/12 Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen’ (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- In zoverre verzoeker te dezen aanvoert dat de loutere vernietiging van de bestreden beslissing de dreigende schade, “bestaande uit de aantasting van zijn functioneren binnen de politie”, niet kan wegnemen of verhinderen, licht hij niet verder toe waarom de bestreden beslissing zijn functioneren binnen de politie onherroepelijke schadelijke gevolgen zou toebrengen. Het vervuld zijn van de vereiste spoedeisendheid vergt dat een verzoeker aan de hand van concrete feiten en specifieke gegevens aantoont en toelicht dat hij zich ingevolge de bestreden beslissing in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen bevindt indien de bestreden beslissing niet in haar uitvoering wordt geschorst, wat verzoeker alvast nalaat te doen wat de “aantasting van zijn functioneren binnen de politie betreft”. Het volstaat immers niet te wijzen op de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing. Tevens moet XIV-38.196-8/12 worden aangetoond dat de nadelen van die aard en omvang zijn dat verzoeker ze niet kan lijden totdat over de grond van de zaak uitspraak wordt gedaan.
- In zoverre verzoeker zich beroept op onmiddellijke en onherroepelijke (schadelijke) financiële gevolgen die uit de bestreden beslissing zouden voortvloeien, is dit argument in wezen gesteund op de stelling dat verzoeker door over te schakelen “op een administratief uurrooster” (geen nachtwerk, geen weekendwerk) niet langer aanspraak kan maken op een ‘inconveniëntenvergoeding’ van ongeveer 600 euro per maand. Verzoeker brengt geen stukken bij waaruit blijkt dat hij effectief 600 euro minder inkomsten heeft per maand. Met het administratief dossier zijn de loonstaten van de maanden juli tot december 2019 bijgebracht. Daaruit blijkt dat er nauwelijks verschil zit op het aan verzoeker maandelijks uitbetaald bedrag van wedde en supplementen (circa 2750 euro) gedurende deze maanden. Het blijkt voorts dat de laatste aan verzoeker uitbetaalde ‘inconveniëntenvergoeding’ van juli 2019 dateert en slechts 70,76 euro bedraagt. Ter terechtzitting voert verzoeker weliswaar aan dat het door hem aangevoerde financieel nadeel dat hij lijdt door het wegvallen van de inconveniëntenvergoeding op jaarbasis 7.500 euro bedraagt en hij dit “aan de hand van een overzicht van de volledige loonstaten zou kunnen aantonen”, echter moet worden vastgesteld dat verzoeker die loonstaten niet bijbrengt, wat hij overigens had moeten doen bij de indiening van zijn verzoekschrift. Voorts blijkt niet dat verzoeker deze niet kon bijbrengen op het ogenblik van het indienen van zijn vordering. De (weinige) stukken die hij wel bijbrengt, tonen weliswaar aan dat verzoeker aan een aantal financiële verplichtingen moet voldoen maar zij getuigen er niet van dat hij dat ingevolge de bestreden beslissing niet langer kan. Niet is aangetoond dat verzoeker en zijn gezin door de bestreden beslissing in een dermate precaire situatie terechtkomen dat een menswaardig bestaan in het gedrang komt of dat de omvang van het door hem ingeroepen nadeel een zodanige impact heeft dat hij de duur die de annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen dragen.
- In zoverre verzoeker de spoedeisendheid tracht te staven aan de hand van het “uiterst nefast effect” van zijn nieuwe tewerkstelling bij de Cel XIV-38.196-9/12 Gerechtsdeurwaarder op zijn vastgestelde ‘arbeidsongeschiktheid met betrekking tot zijn PTSS’ kan hij evenmin worden bijgevallen. Het argument dat het niet ondenkbaar is dat hij bij de uitoefening van die functie dagelijks in aanraking zou komen met verbaal of fysiek geweld, wat onvermijdelijk een verhoogd risico op een verergering van zijn PTSS heeft, blijft vooralsnog hypothetisch. Minstens moet worden vastgesteld dat zijn betoog, althans tot november 2019, feitelijke grondslag mist. In zijn verzoekschrift gaf verzoeker immers zelf aan dat hij bij de Cel Deurwaarders louter administratief werk verricht zodat er alvast op het ogenblik van het indienen van de vordering tot schorsing geen sprake is van bijstand op het terrein met mogelijke confrontatie met verbaal of fysiek geweld, te meer daar verzoeker actueel niet over zijn dienstkaart en dienstwapen beschikt. Ter terechtzitting brengt verzoeker een “nieuw” stuk bij waaruit volgens hem zou moeten blijken dat zijn argument dat het “niet ondenkbaar is dat hij bij de uitoefening van die functie dagelijks in aanraking zou komen met verbaal of fysiek geweld brengt”, wel degelijk op feiten berust. Daargelaten nog dat verzoeker niet aantoont dat hij niet reeds met het verzoekschrift een bewijsstuk zoals het “nieuwe” stuk kon bijbrengen waaruit moet blijken dat gerechtsdeurwaarders (en hun begeleiders) in hun dagelijkse activiteiten - wat overigens door de verwerende partij niet wordt betwist - met fysiek en verbaal geweld kunnen worden geconfronteerd, past het eraan te herinneren dat het bewijs van het bestaan van spoedeisendheid in of samen met de vordering tot schorsing moet worden geleverd. Er mogen naderhand geen bewijsstukken worden aangevoerd die ook al bij de vordering tot schorsing konden zijn gevoegd, waaruit volgt dat de Raad van State geen acht vermag te slaan op stukken die later ter terechtzitting worden bijgebracht. Voorts toont verzoeker geenszins aan dat hijzelf sedert zijn overplaatsing reeds werk heeft verricht of moeten verrichten dat erin bestaat deurwaarders op het terrein te begeleiden of andere taken dan administratieve taken te verrichten. Mocht die situatie omwille van nieuwe elementen wijzigen - verzoeker verklaart dat hij inmiddels terug over zijn dienstwapen beschikt zodat de mogelijkheid bestaat dat hij voor begeleiding op het terrein zou worden ingezet - en leiden tot een situatie die zoals verzoeker beschrijft XIV-38.196-10/12 “een uiterst nefast effect heeft op zijn vastgestelde arbeidsongeschiktheid met betrekking tot zijn PTSS” en die hem onmiddellijke en onherroepelijke schade zou toebrengen zodat het verloop van de vernietigingsprocedure niet langer mag worden afgewacht, dan kan hij met toepassing van artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een nieuwe vordering tot schorsing indienen.
- Tot slot, in zoverre verzoeker nog aanvoert dat de bestreden beslissing tot herplaatsing “definitief is” en slechts kan worden omgekeerd indien verzoeker vrijwillig solliciteert naar een andere vacante betrekking omdat de verwerende partij er in geval van een herplaatsing niet toe is gehouden deze te her-evalueren in het belang van de dienst, kan hij niet worden gevolgd. Verzoeker gaat er immers aan voorbij dat de bestreden beslissing pas definitief zal zijn indien het beroep tot nietigverklaring dat verzoeker heeft ingediend, wordt verworpen. De bestreden beslissing is dus wel degelijk omkeerbaar, ook als de vordering tot schorsing wordt verworpen.
- Besluit van wat voorafgaat, is dat verzoeker nalaat de noodzakelijke specifieke gegevens aan te brengen die in concreto aantonen dat de zaak voor hem spoedeisend is
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VI. Anonimisering
- Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt de verzoekende partij dat bij de publicatie van het arrest haar identiteit niet wordt opgenomen. XIV-38.196-11/12 Dit verzoek wordt ingewilligd. VII. Kosten
- Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-38.196-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.972 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.705 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div