← België

Arrest 246992 - Niet begeleide minderjarigen - 06/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.992 Rolnummer: A. 229264/XIV-38163 Zaak: Arrest 246992 - Niet begeleide minderjarigen - 06/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-11 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-26 02:02 Fiche Arrest nr 246.992 van 6 februari 2020 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 246.992 van 6 februari 2020 in de zaak A. 229.264/XIV-38.163 In zake: Noman OMARZAI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pauline Delgrange kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 31 januari 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 9 september 2019 waarbij wordt vastgesteld dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 „Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen‟, van de programmawet van 24 december 2002”, waardoor de voogdij over verzoeker van rechtswege vervalt op de datum van de kennisgeving van de bestreden beslissing. XIV-38.163-1/7 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Verzoeker heeft met een enig verzoekschrift op 2 oktober 2019 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen de bestreden beslissing. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 februari 2020, om 14.30 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pauline Delgrange, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Rutger Robijns die, eveneens loco advocaat Stefaan Verbouwe, verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoeker is België binnengekomen en hij dient op 9 augustus 2019 een verzoek tot internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 30 april
  5. Verzoeker wordt onder de hoede geplaatst van de dienst Voogdij doch de dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van betrokkene. XIV-38.163-2/7 In het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven ondergaat verzoeker op 27 augustus 2019 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum 27-08-2019 een leeftijd heeft van 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Op 9 september 2019 beslist de dienst Voogdij dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 „Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen‟ van de programmawet van 24 december
  6. Bijgevolg vervalt de plaatsing onder de hoede van Jongeheer Noman OMARZAI door de dienst Voogdij van rechtswege op de datum van de kennisgeving van deze beslissing.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
  8. Verzoeker zet uiteen dat hij op 24 januari 2020 werd geplaatst in het repatriëringscentrum 127bis op grond van een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 26quater) van 23 januari 2020 en een beslissing tot het vasthouden in een welbepaalde plaats van 23 januari
  9. Ten gevolge van de thans bestreden beslissing heeft de dienst XIV-38.163-3/7 Vreemdelingenzaken beslist dat de verantwoordelijke lidstaat voor het behandelen van het verzoek tot internationale bescherming Oostenrijk is. Verzoeker heeft op 28 januari 2020 bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingesteld tegen de voornoemde beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten van 23 januari
  10. Die zaak is behandeld op de terechtzitting van 30 januari 2020 doch er is (op het ogenblik van het instellen van de huidige vordering) nog geen arrest in gewezen. Indien de Raad van State zich niet bij uiterst dringende noodzakelijkheid uitspreekt over de schorsing van de thans bestreden beslissing, dreigt verzoeker overgedragen te worden aan Oostenrijk zonder dat uitspraak is gedaan over de thans bestreden beslissing. Verzoekers leeftijd is essentieel alvorens eventueel te kunnen overgaan tot overdracht aan Oostenrijk. Verzoeker merkt nog op dat de tenuitvoerlegging van de beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten van 23 januari 2020 enkel geschorst wordt voor de duur van de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Vervolgens kan hij op ieder moment worden overgedragen aan Oostenrijk.
  11. Ter terechtzitting deelt verzoeker mee dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met een arrest van 5 februari 2020 de tenuitvoerlegging van de in hoofde van verzoeker genomen beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten van 23 januari 2020 heeft geschorst. De verwerende partij bevestigt dit. Verzoeker is van oordeel dat de zaak spoedeisend blijft vermits de dienst Vreemdelingenzaken de voornoemde beslissing van 23 januari 2020 nog zou kunnen intrekken en een nieuwe, gelijkaardige beslissing zou kunnen nemen. XIV-38.163-4/7 Beoordeling
  12. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsings- procedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn XIV-38.163-5/7 aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzake- lijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
  13. Een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing dient ook een nuttig effect te hebben. Ze dient verzoeker te behoeden van de gevreesde schade.
  14. De dreigende schade die verzoeker aanvoert ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid bestaat in de mogelijkheid van een verwijdering naar Oostenrijk. Uit de niet betwiste en door de partijen zelf verstrekte gegevens van de zaak blijkt dat de tenuitvoerlegging van de beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten van 23 januari 2020 bij uiterst dringende noodzakelijkheid is geschorst door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De door verzoeker gevreesde verwijderingsmaatregel die tot de effectieve overdracht aan Oostenrijk zou kunnen leiden, is derhalve niet meer uitvoerbaar. De door verzoeker geopperde mogelijkheid voor de dienst Vreemdelingenzaken om de voornoemde beslissing van 23 januari 2020 in te trekken en een nieuwe verwijderingsmaatregel te nemen, is een zuivere hypothese die de uiterst dringende noodzakelijkheid om de thans bestreden beslissing te schorsen niet kan verantwoorden. Dit daargelaten de mogelijkheid voor verzoeker om ook tegen een gebeurlijke nieuwe verwijderingsmaatregel opnieuw een XIV-38.163-6/7 vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  15. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aantoont. Conclusie
  16. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.163-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.992 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.956 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.