id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.049 Rolnummer: A. 226075/XIV-37808 Zaak: Arrest 247049 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-21 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-26 02:34 Fiche Arrest nr 247.049 van 13 februari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.049 van 13 februari 2020 in de zaak A. 226.075/XIV-37.808 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Raf Jespers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carmenta Decordier en Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61 A alwaar woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 september 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 207.449 van 31 juli 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.025 van 4 oktober
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.808-1/10 Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ten einde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober
- Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Raf Jespers, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Brecht Heirman, die loco advocaten Carmenta Decordier en Tine Bricout verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De staatssecretaris voor Asiel en Migratie neemt op 9 januari 2018 in hoofde van verzoeker een beslissing waarmee diens aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) van 10 januari 2017 ongegrond wordt verklaard. XIV-37.808-2/10 Op 5 maart 2018 stelt verzoeker tegen de voornoemde beslissing van 9 januari 2018 een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 31 juli 2018 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tot nietigverklaring. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 9bis (lees: 9ter) van de vreemdelingenwet. Verzoeker citeert het eerste onderdeel van het eerste middel dat hij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had aangevoerd en het antwoord daarop in de punten 3.1.
- en 3.1.
- van het bestreden arrest. Hij voert aan dat het bestreden arrest diverse kronkelredeneringen bevat die in strijd zijn met de inhoud van artikel 9ter van de vreemdelingenwet, met hetgeen werkelijk staat in het attest van dokter B., en bij uitbreiding in de bestreden beslissing, en met de verplichting van een afdoende motivering. Verzoeker laat eerst gelden dat in het bestreden arrest tot driemaal toe wordt gesteld dat voor de ziektetoestand “ziekte die een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit” is vereist “dat het ingeroepen risico voor het leven of de aantasting van de fysieke integriteit imminent aanwezig moet zijn en de vreemdeling daardoor niet in staat is om te reizen”. Nochtans staan deze voorwaarden nergens in de wet en is de voorwaarde om niet te kunnen reizen een XIV-37.808-3/10 toevoeging aan artikel 9ter van de vreemdelingenwet. Voor verzoeker is het perfect denkbaar dat iemand kan reizen maar toch een risico loopt voor zijn leven of voor aantasting van zijn fysieke integriteit. De voorwaarde van “imminente” aanwezigheid van een risico of aantasting staat evenmin in de wet en verzoeker acht het perfect denkbaar dat dit risico of deze aantasting zich medisch op termijn ontwikkelt en dat de betrokkene daardoor onder het criterium van het voornoemde artikel 9ter valt. Verzoeker vervolgt dat het onjuist is in het bestreden arrest te stellen dat de ambtenaar-geneesheer, en bij uitbreiding de aanvankelijk bestreden beslissing, een juiste toepassing maakt van artikel 9ter van de vreemdelingenwet. In het bestreden arrest wordt het onderscheid niet gemaakt tussen de criteria van enerzijds een ziekte die een reëel risico inhoudt voor het leven of de fysieke integriteit en anderzijds een ziekte die een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in het land van herkomst of het land waar de betrokkene gewoonlijk verblijft. De ambtenaar-geneesheer heeft in haar advies uitdrukkelijk gesteld dat verzoekers ziekte “kan beschouwd worden als een medische problematiek die een reëel risico kan inhouden voor zijn leven of fysieke integriteit”, dit is het eerste criterium, en zij heeft dit criterium vervolgens gekoppeld aan de voorwaarde die in aanmerking komt bij het risico op een onmenselijke of vernederende behandeling, dit is het tweede criterium, namelijk de mogelijkheid van een adequate behandeling in het land van herkomst. Verzoeker besluit dat de ambtenaar-geneesheer in haar conclusie de aandoening kwalificeert als een ziekte die een reëel risico inhoudt voor het leven en de fysieke integriteit en daaraan de mogelijkheid koppelt van een adequate behandeling in het land van herkomst. Volgens verzoeker wordt in het bestreden arrest enkel naar de motieven van het advies verwezen en wordt daardoor miskend dat het medisch advies in zijn conclusie wel degelijk de twee criteria vermengt, dit in strijd met artikel 9ter van de vreemdelingenwet. Daardoor acht verzoeker ook artikel 149 van de Grondwet geschonden. XIV-37.808-4/10
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij betwist kort het standpunt van de verwerende partij dat hij een foute lezing van het advies van de ambtenaar-geneesheer zou hebben gemaakt. Beoordeling
- Verzoeker betwist uitsluitend de juistheid van de in het bestreden arrest weergegeven motieven, meer bepaald of artikel 9ter van de vreemdelingenwet daarmee al dan niet wordt geschonden. Deze kritiek houdt echter geen verband met de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht, die enkel een vormvereiste is.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in punt 3.1.
- van het bestreden arrest dat in het geval van “een vreemdeling die actueel lijdt aan een levensbedreigende ziekte of aandoening die actueel een gevaar oplevert voor zijn fysieke integriteit, […] het ingeroepen risico voor het leven of een aantasting van de fysieke integriteit […] imminent aanwezig [moet] zijn en de vreemdeling […] daardoor niet in staat [is] om te reizen”. De voorwaarde van het actuele karakter van het risico voor het leven of de fysieke integriteit van de betrokkene blijkt uit de omschrijving “reëel risico”, dit is een werkelijk risico, in artikel 9ter, § 1, van de vreemdelingenwet. Het gebruik van het woord “imminent”, dat in zijn spraakgebruikelijke betekenis moet worden begrepen als “dreigend” of “op handen zijnd”, is daarmee niet in strijd.
- Met de enkele kritiek dat ook iemand wiens leven of fysieke integriteit bedreigd is mogelijkerwijze kan reizen, toont verzoeker evenmin een schending aan van artikel 9ter, § 1, van de vreemdelingenwet. Het gaat immers slechts om één element uit het geheel van verzoekers situatie en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft de aanvankelijk bestreden beslissing geenszins wettig bevonden, enkel omdat verzoeker kan reizen. De vraag of een verzoeker al XIV-37.808-5/10 dan niet kan reizen is vanzelfsprekend relevant om te oordelen of een terugkeer naar het land van herkomst al dan niet mogelijk is.
- De ambtenaar-geneesheer stelt vast, zoals uit haar in het bestreden arrest geciteerd verslag blijkt, dat verzoeker “kan reizen en […] geen mantelzorg nodig [heeft]”, dat uit de ontvangen informatie “kan geconcludeerd worden dat het hier een dertigjarige man van Marokkaanse oorsprong betreft die reeds voordien in behandeling was in zijn thuisland voor zijn aandoening namelijk terminaal nierlijden met nood aan hemodialyse” en dat “een grondig nazicht in MedCOI leerde […] dat in Marokko nierdialysecentra beschikbaar zijn evenals de nodige ondersteunende medicatie, namelijk alfacalcidol”. Er volgt een omstandig onderzoek van de “toegankelijkheid van de zorgen en van de opvolging in het land van herkomst”, waarbij de ambtenaar-geneesheer vermeldt dat “er geen elementen [zijn] in het dossier die erop wijzen dat betrokkene geen toegang zou hebben tot arbeidsmarkt in het land van oorsprong”, dat “niets […] derhalve toe[laat] te concluderen dat hij niet zou kunnen instaan voor de kosten die gepaard gaan met de noodzakelijke hulp”, dat “betrokkene sinds 2004 in Marokko reeds hemodialyse onderging waardoor kan afgeleid worden dat de zorgen voor betrokkene toegankelijk zijn” en dat het “voorts […] onwaarschijnlijk [is] dat betrokkene op niemand beroep kan doen in zijn thuisland gezien hij zijn ganse leven daar heeft doorgebracht”. Volgens de ambtenaar-geneesheer verhindert derhalve niets verzoeker om terug te keren, waarbij nog wordt gewezen op de mogelijkheid een beroep te doen op de Internationale Organisatie voor Migratie en het daarvan deel uitmakende Reïntegratiefonds. In haar conclusie besluit de ambtenaar-geneesheer “vanuit medisch oogpunt […] dat de nierpathologie bij de betrokkene, hoewel dit kan beschouwd worden als een medische problematiek die een reëel risico kan inhouden voor zijn leven of fysieke integriteit indien dit niet adequaat behandeld en opgevolgd wordt, geen reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling, gezien behandeling en opvolging beschikbaar en toegankelijk zijn in Marokko” en dat er “derhalve […] vanuit medisch standpunt dan ook geen bezwaar [is] tegen een terugkeer naar het herkomstland, Marokko”. XIV-37.808-6/10
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in punt 3.1.7 van het bestreden arrest “dat artikel 9ter van de vreemdelingenwet duidelijk verschillende mogelijkheden inhoudt die onafhankelijk van elkaar moeten worden getoetst”. Hij overweegt dat in het geval van “een vreemdeling die actueel lijdt aan een levensbedreigende ziekte of aandoening die actueel een gevaar oplevert voor zijn fysieke integriteit, […] het ingeroepen risico voor het leven of een aantasting van de fysieke integriteit […] imminent aanwezig [moet] zijn en de vreemdeling […] daardoor niet in staat [is] om te reizen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat de ambtenaar-geneesheer in haar advies van 11 december 2017 heeft vastgesteld dat verzoeker kan reizen en geen mantelzorg nodig heeft en dat zij aldus het risico voor het leven en de fysieke integriteit van verzoeker heeft onderzocht. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt uit dat advies “geenszins dat de ambtenaar-geneesheer de beoordeling of de ziekte een reëel risico inhoudt voor verzoekers leven of fysieke integriteit heeft gekoppeld aan het al dan niet adequaat kunnen opvolgen van de ziekte in het herkomstland of aan de vraag naar de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de nodige zorgen in het land van herkomst”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt verzoekers kritiek dat in het voornoemde advies niet zou zijn geoordeeld of het gaat om een ziekte die een reëel risico kan inhouden voor het leven of de fysieke integriteit. Hij verwerpt ook verzoekers kritiek “dat het advies een mengeling maakt van de twee criteria door het niet aanwezig zijn van een reëel risico enkel te beoordelen vanuit de aanwezigheid van een behandeling in het land van herkomst, maar dit risico niet op zich op basis van de ziekte te beoordelen” en “dat het advies nergens stelt dat het niet gaat om een ziekte die op zich een reëel risico kan inhouden voor het leven of de fysieke integriteit”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat de ambtenaar-geneesheer, door te hebben geoordeeld dat de door verzoeker benodigde behandeling en medicatie beschikbaar en toegankelijk zijn in Marokko, “eveneens het risico op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling in Marokko is, is nagegaan”. Volgens de Raad voor XIV-37.808-7/10 Vreemdelingenbetwistingen “[blijkt] uit de motieven van het medisch advies […] geenszins dat de ambtenaar-geneesheer geoordeeld heeft dat er geen risico is op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling in Marokko is, omdat er geen risico is voor het leven of de fysieke integriteit van de verzoekende partij” maar is de ambtenaar-geneesheer “na de vaststelling dat de verzoekende partij kan reizen en geen mantelzorg nodig heeft, eveneens nagegaan of de door de verzoekende partij benodigde behandeling en medicatie beschikbaar en toegankelijk zijn in Marokko, om te vermijden dat zij, bij gebreke hieraan, een onmenselijke of vernederende behandeling dreigt te ondergaan”. Hij besluit dat “uit het geheel van het advies […] aldus [blijkt] dat de ambtenaar-geneesheer uitdrukkelijk en afzonderlijk is ingegaan op beide hypotheses van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet”. Wat de conclusie van het medisch onderzoek betreft, merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog op dat daarin “niet [wordt] gesteld dat de nierpathologie van de verzoekende partij beschouwd wordt als een medische problematiek die een reëel risico kan inhouden voor haar leven of fysieke integriteit doch wel dat de nierpathologie van de verzoekende partij beschouwd wordt als een medische problematiek die een reëel risico kan inhouden voor haar leven of fysieke integriteit indien dit niet adequaat behandeld en opgevolgd wordt”.
- Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk het onderscheid maakt tussen de twee in artikel 9ter, § 1, van de vreemdelingenwet voorziene vormen van ziekte die kunnen leiden tot een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden. Hij stelt immers vast dat in het advies van de ambtenaar-geneesheer, waarop de aanvankelijk bestreden beslissing is gesteund, wordt aangenomen dat verzoeker niet lijdt aan een ziekte die een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit en dat daarom de mogelijkheid van een adequate opvolging van de ziekte en van de vraag naar de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de nodige XIV-37.808-8/10 zorgen in het land van herkomst mocht worden onderzocht en in aanmerking genomen. Anders dan verzoeker voorhoudt, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet geoordeeld dat in het medisch advies en in de aanvankelijk bestreden beslissing een reëel risico voor verzoekers leven of fysieke integriteit werd vastgesteld, waarna zou zijn nagegaan of een behandeling en opvolging mogelijk en toegankelijk zijn in het land van herkomst en de aanvraag om die reden zou zijn verworpen. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt integendeel in de conclusie van het medisch advies vastgesteld dat er geen reëel risico is voor verzoekers leven of fysieke integriteit, dat dit risico “kan” bestaan bij gebrek aan adequate behandeling en opvolging en dat deze behandeling en opvolging wel degelijk beschikbaar en toegankelijk zijn in het land van herkomst. Verzoeker gaat wat dat betreft uit van een verkeerde lezing van zowel het bestreden arrest als het medisch advies van 11 december 2017 en hij toont derhalve geen schending aan van artikel 9ter van de vreemdelingenwet.
- Het enige middel is ongegrond en kan derhalve niet tot cassatie leiden. V. Begroting van de kosten - rechtsplegingsvergoeding
- Met een tijdig ingediende nota tot vereffening van de kosten vraagt de verwerende partij verzoeker te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro. Met toepassing van artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding herleid tot 140 euro. XIV-37.808-9/10 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.808-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.049 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div