← België

Arrest 247050 - Arbeids- en beroepskaarten - 13/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.050 Rolnummer: A. 223444/XIV-37528 Zaak: Arrest 247050 - Arbeids- en beroepskaarten - 13/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-27 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-26 02:35 Fiche Arrest nr 247.050 van 13 februari 2020 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.050 van 13 februari 2020 in de zaak A. 223.444/XIV-37.528 In zake: Mecid DERICIZADE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tekin Tasdemir kantoor houdend te 2600 Antwerpen Statiestraat 148/GV bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 2 oktober 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het departement Werk en Sociale Economie van 21 juni 2017 waarmee verzoekers aanvraag voor een beroepskaart voor vreemdelingen niet-ontvankelijk wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. XIV-37.528-1/7 De verwerende partij heeft een laatste memorie met verzoek tot voortzetting van het geding ingediend en verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 september
  3. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tekin Tasdemir, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker, van Turkse nationaliteit, dient op 7 april 2017 een aanvraag in voor een beroepskaart voor vreemdelingen. Met een beslissing van 21 juni 2017 weigert het departement voor Werk en Sociale Economie de gevraagde beroepskaart omdat “betrokkene niet in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning voor België (immatriculatieattest model A of elektronische A-kaart)”. Dit is de bestreden beslissing. XIV-37.528-2/7 IV. Ontvankelijkheid van het beroep - belang
  6. De verwerende patij werpt in de memorie van antwoord bij wijze van exceptie de niet-ontvankelijkheid op van het beroep tot nietigverklaring omdat verzoeker geen verblijfsrecht zou hebben in België. Volgens de verwerende partij mag de beroepskaart naar luid van artikel 4 van de wet van 19 februari 1965 ‘betreffende de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen’ slechts worden gegeven aan de vreemdeling die een vergunning heeft gekregen om in België te verblijven of er zich te vestigen, zodat verzoeker niet beschikt over het vereiste belang bij zijn beroep.
  7. De exceptie hangt samen met de vraag naar de gegrondheid van het middel waarin verzoeker de vaststelling in de bestreden beslissing betwist dat hij niet in het bezit was van een geldige verblijfsvergunning voor België. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen
  8. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van de materiëlemotiveringsplicht, van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991). Na een theoretische uiteenzetting over de geschonden geachte bepalingen en beginselen, voert verzoeker aan dat de motieven van de bestreden beslissing niet afdoende zijn. Verzoeker beschikte wel degelijk over een legaal verblijf, namelijk over een bijlage 15, die hem op 20 maart 2017 werd gegeven door de gemeente Aartselaar en geldig was tot 5 mei 2017, en die op 15 mei 2017 XIV-37.528-3/7 werd vervangen door een attest van immatriculatie model A met een geldigheidsduur van drie maanden. Verzoeker heeft deze stukken telkens bezorgd aan de bevoegde diensten. Verzoeker heeft de indruk dat de verwerende partij zijn aanvraag niet degelijk heeft onderzocht doch ervan uitging dat die aanvraag enkel werd ingediend met het oog op een verblijfsrecht. Nochtans beschikte verzoeker al over een attest van immatriculatie en hij beseft dat het verblijfsrecht na ontvangst van een beroepskaart slechts voorwaardelijk is. Volgens verzoeker is zijn aanvraag afgewezen met een stereotiepe formulering, zonder concreet en correct te motiveren waar de aanvraag niet zou voldoen aan de voorwaarden van artikel 1, § 1, § 2, en § 3, artikel 3, § 1 en § 2, en artikel 6, § 1, § 2, en § 3, van het koninklijk besluit van 2 augustus 1985 ‘betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen’. De door verzoeker op vraag van de administratie voorgelegde stukken, in het bijzonder het attest van immatriculatie model A, zijn niet besproken in de bestreden beslissing, zodat verzoeker de motivering gebrekkig acht.
  9. De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat in de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat verzoeker niet in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning voor België. Vermits de determinerende motieven in de bestreden beslissing zijn aangeduid, acht de verwerende partij de formelemotiveringsplicht niet geschonden. Zij acht de materiëlemotiveringsplicht evenmin geschonden daar het administratief dossier voldoende elementen bevat om de bestreden beslissing te kunnen dragen. Ook het redelijkheidsbeginsel acht zij niet geschonden omdat de door verzoeker aangebrachte elementen niet van aard zijn dat de minister het beroep enkel zou kunnen inwilligen om het redelijkheidsbeginsel niet te schenden. Tot slot wijzen de elementen die werden aangehaald om de negatieve beslissing te schragen volgens de verwerende partij op een zorgvuldig onderzoek van alle relevante gegevens van het dossier, zodat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden. XIV-37.528-4/7
  10. In de memorie van wederantwoord, genoemd “memorie van antwoord”, herhaalt verzoeker het middel. Hij voegt toe dat de verwerende partij een theoretisch betoog houdt doch verzoekers argumenten niet ontkracht. Het verweer dat de bijlage 15 ten onrechte zou zijn afgegeven door de gemeente Aartselaar, zodat het attest van immatriculatie en de bijlage 15 als onbestaande zouden moeten worden beschouwd, wordt voor het eerst in de memorie van antwoord gevoerd en kan niet worden gelezen in de bestreden beslissing. Verzoeker kan de redenering van de verwerende partij bovendien niet bijtreden vermits hij al tijdens het onderzoek beschikte over een attest van immatriculatie model A.
  11. De verwerende partij stelt in haar laatste memorie, genoemd “laatste memorie van antwoord”, dat verzoeker geen belang heeft bij het middel vermits de gemeente Aartselaar verzoekers inschrijving in het rijksregister heeft geannuleerd op verzoek van de dienst Vreemdelingenzaken. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing zal noodzakelijkerwijze leiden tot een nieuwe beslissing van niet-ontvankelijkheid. Volgens de verwerende partij blijkt uit het administratief dossier immers dat verzoekers attest van immatriculatie niet geldig was. Beoordeling
  12. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de formelemotiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende XIV-37.528-5/7 beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
  13. Met de bestreden beslissing heeft de verwerende partij verzoekers aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat “betrokkene niet in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning voor België (immatriculatieattest model A of elektronische A-kaart)”. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker een bijlage 15, die geldig was tot 5 mei 2017, en een attest van immatriculatie model A, dat geldig was tot 15 augustus 2017, heeft toegevoegd aan zijn aanvraag die tot de bestreden beslissing heeft geleid. De verwerende partij betwist dit gegeven als dusdanig niet. In het licht van deze relevante en concrete elementen die verzoeker aan het bestuur had meegedeeld, kan de algemene motivering in de bestreden beslissing dat verzoeker niet in het bezit was van een geldige verblijfsvergunning voor België (attest van immatriculatie model A of elektronische A-kaart), niet als afdoende worden beschouwd.
  14. In de memorie van antwoord houdt de verwerende partij voor dat de voornoemde bijlage 15 ten onrechte zou zijn gegeven aan verzoeker en dat de stukken betreffende verzoekers verblijf dus als onbestaande zouden moeten worden beschouwd. In de laatste memorie voegt de verwerende partij eraan toe dat verzoekers “attest en inschrijving in het rijksregister inmiddels geannuleerd werd” en zij legt daartoe een opzoeking in het rijksregister voor van 11 februari
  15. Dit laatste stuk vermeldt enkel “geannuleerd dossier” na verzoekers naam en adres, zonder enige concrete vermelding wat verzoekers (actuele) situatie betreft. Dit volstaat niet om het belang van verzoeker bij het middel te ontzeggen. Bovendien gaat het om een a posteriori motivering die niet in aanmerking kan worden genomen bij de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing op het vlak van de formele motivering. XIV-37.528-6/7
  16. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond wat de aangevoerde schending betreft van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en deze vaststelling volstaat voor de vernietiging van de bestreden beslissing. BESLISSING
  17. De Raad van State vernietigt de beslissing van het departement Werk en Sociale Economie van 21 juni 2017 waarmee verzoekers aanvraag voor een beroepskaart voor vreemdelingen niet-ontvankelijk wordt verklaard.
  18. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, verschuldigd aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.528-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.050 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.