id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.057 Rolnummer: A. 220401/XIV-37210 Zaak: Arrest 247057 - Penitentiair recht - 13/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-27 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-26 02:37 Fiche Arrest nr 247.057 van 13 februari 2020 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.057 van 13 februari 2020 in de zaak A. 220.401/XIV-37.210 In zake : Paul PIETERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te 3730 Hoeselt Tongersesteenweg 4/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie met kantoren te 1000 Brussel Waterloolaan 115 alwaar woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 1 oktober 2016, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de gevangenisdirecteur van Leuven Centraal van 2 augustus 2016 waarbij verzoeker een tuchtsanctie opgelegd kreeg van 3 dagen afzondering (van 3 augustus tot en met 5 augustus 2016) wegens beledigingen van personeel en het geven van drie punten in het puntensysteem ‘tussenregime’ van de gevangenis van Leuven Centraal”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. XIV-37.210-1/19 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december
- Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die verschijnt in persoon, en advocaat Katrien Gorissen, die loco advocaat Jürgen Millen verzoeker bijstaat, is gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker verblijft op het ogenblik van de bestreden tuchtprocedure in de gevangenis van Leuven-Centraal. 3.
- Op 29 juli 2016 wordt er ten laste van verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld. Dit rapport bevat onder meer de volgende vaststellingen: “Tijdens de sluiting om 15h20 is bovenvermelde persoon op de vleugel aangekomen. Hij had eerst een gesprek met de persoon van cel
- Toen wenste hij onmiddellijk zijn kantine, daar ik pba [T.M.] met de sluiting bezig was en tegen hem zei om te wachten tot na de sluiting werd gedetineerde Pieters woest. Even later aangekomen aan cel 31 werd de celdeur voor mijn neus hard dicht geslagen. Toen ik de gedetineerde aansprak, dat dit niet kon begon deze mij uit te schelden. Later bij de opening stond gedetineerde Pieters als eerste voor de kantine, daar ik XIV-37.210-2/19 nog enkele deuren moest openen en dan pas naar hem ging om de deur te openen. Kreeg ik weer de verwijten van dikke luiaard je hebt niets anders te doen dan ons te bedienen. Ik heb toen gedetineerde Pieters gezegd dat hij hier niet alleen zit, en dat ik niet zijn persoonlijke knecht ben. Daarop is hij schreeuwend naar zijn cel gestapt, en heeft blijven verwijten roepen.” Het rapport wordt opgesteld door penitentiair beambte [M.T.] en vermeldt tevens de naam van een getuige van de feiten. 3.
- Op 1 augustus 2016 wordt aan verzoeker meegedeeld dat tegen hem een tuchtprocedure wordt opgestart en dat hij daartoe op 2 augustus 2016 zal worden gehoord. 3.
- Op 2 augustus 2016 vindt de tuchtrechtelijke hoorzitting plaats, waarbij verzoeker met bijstand van een advocaat wordt gehoord. 3.
- Op 2 augustus 2016 wordt aan verzoeker de tuchtsanctie opgelegd van “de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte voor de duur van 3 dagen van 03.08.2016 tem 05.08.2016” wegens “beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden”. Deze beslissing steunt op de volgende overwegingen: “Betrokkene maakte zich schuldig aan het beledigen van een PBA. Hij ontkent de feiten doch er zijn geen redenen om te twijfelen aan de vaststellingen van het personeel.” Een kopie van deze beslissing wordt op 3 augustus 2016 aan verzoeker overhandigd. XIV-37.210-3/19 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van het recht op een eerlijk proces en een onafhankelijke en onpartijdige rechter als algemeen rechtsbeginsel en zoals vervat in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: het EVRM), artikel 14 van Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 en de artikelen 4 en 6, lid 2 van het Verdrag van 7 februari 1992 betreffende de Europese Unie (hierna: het VEU). Verzoeker voert in essentie aan dat de gevangenisdirecteur bij het beoordelen van een tuchtrapport niet kan worden beschouwd als een onafhankelijke en onpartijdige rechter die garant staat voor een eerlijk proces. Doordat de gevangenisdirecteur tevens aan het hoofd staat van de gevangenis staat hij onder druk om een tuchtstraf op te leggen aan verzoeker teneinde zo zijn personeel te ondersteunen. Te dezen, is dit zeker het geval aangezien de gevangenisdirecteur moet oordelen of verzoeker al dan niet een penitentiair beambte heeft beledigd. Uit de stukken van het dossier zou daarbij blijken dat de beslissing van de gevangenisdirectie reeds vaststond vooraleer verzoeker door de gevangenisdirectie werd gehoord. De bestreden beslissing werd immers reeds genomen op 2 augustus 2016 om 13.00 uur terwijl verzoeker pas werd gehoord op 2 augustus 2016 tussen 14.55 en 15.10 uur. Voorts vraagt verzoeker dat in toepassing van artikel 267 van het Verdrag van 25 maart 1957 ‘betreffende de werking van de Europese Unie’ (hierna: het VWEU) volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie zou worden gesteld: “Wordt het art. 4,3 en 6,3 van het verdrag betreffende de Europese Unie en het art. 6 EVRM geschonden wanneer een gevangenisdirecteur, als hoofd van de penitentiaire beambten van een gevangenis, zich moet uitspreken over een tuchtrapport dat door een penitentiaire beambte is opgesteld tegen een gedetineerde die in deze gevangenis verblijft?” XIV-37.210-4/19 Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord, wat hij in zijn laatste memorie herneemt, dat het verweer niet kan worden bijgevallen dat de vermelding van het tijdstip van de bestreden beslissing (dit is 13.00 uur) een materiële vergissing betreft omdat in de motivering van de bestreden beslissing duidelijk wordt vermeld dat verzoeker de feiten ontkent, wat op de hoorzitting die nadien heeft plaatsgevonden, is gebeurd. Het argument dat het om een materiële vergissing zou gaan, is onaanvaardbaar en verzoeker onderstreept dat het hanteren van standaardmotiveringen door gevangenisdirecties hoog in het vaandel wordt gedragen. De verwerende partij gaat eraan voorbij dat hij voorafgaand aan de hoorzitting ook werd gezien door de gevangenisdirecteur en ook toen heeft hij de feiten ontkend. Beoordeling De schending van het onpartijdigheidsbeginsel
- Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de personeelsleden en de leden van bestuurlijke organen die mede een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die personeelsleden en bestuurlijke organen op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen. In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat de directeur van de gevangenis geen “onafhankelijk en onpartijdig rechter” is bij de beoordeling van het tuchtrapport, op grond van het feit dat hij aan het hoofd staat van de gevangenis en dus het hoofd is van de penitentiaire beambten, gaat het in de eerste plaats om de functionele of structurele onpartijdigheid van de gevangenisdirecteur. De onpartijdigheid van de gevangenisdirecteur dient alzo vanuit een objectief oogpunt te worden beoordeeld. XIV-37.210-5/19 In dit verband moet erop worden gewezen dat het onpartijdigheidsbeginsel slechts van toepassing is op organen van actief bestuur zoals de gevangenisdirecteur, indien de toepassing ervan verenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid de eigen structuur van het bestuur. Zo mag de toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel er niet toe leiden dat het nemen van een regelmatige beslissing onmogelijk wordt, met name doordat dit beginsel het optreden van het bevoegde orgaan onmogelijk zou maken. Het enkele gegeven dat de gevangenisdirecteur is belast met het lokaal bestuur van een gevangenis en dat er derhalve een hiërarchische verhouding bestaat tussen de gevangenisdirecteur en de penitentiaire beambten, en dat het hem toekomt de bewijswaarde van een tuchtverslag van een penitentiair beambte te beoordelen, volstaat niet om te doen veronderstellen dat de gevangenisdirecteur bij de uitoefening van de in artikel 127, § 1, van de basiswet bepaalde bevoegdheid tot het opleggen van tuchtsancties, niet meer met de vereiste afstandelijkheid en onpartijdigheid over het tuchtvergrijp kan oordelen. Een louter subjectieve indruk van partijdigheid - die verzoeker ontwaart in het feit dat de gevangenisdirecteur haar beslissing reeds zou hebben genomen voorafgaand aan de hoorzitting, wat zoals hierna zal blijken steunt op een materiële vergissing - volstaat bijgevolg niet om de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk te maken. Te dezen moet met verzoeker weliswaar worden vastgesteld dat in de bestreden beslissing wordt vermeld dat deze werd genomen op 2 augustus 2016 om 13.00 uur, terwijl de hoorzitting volgens de vermeldingen op het verslag van de hoorzitting plaatsvond op 2 augustus 2016 van 14.55 tot 15.10 uur. In de bestreden beslissing maakt de gevangenisdirecteur echter uitdrukkelijk melding van het feit dat verzoeker de feiten ontkent, waarmee genoegzaam mag worden aangenomen dat de gevangenisdirecteur verwijst naar de hoorzitting. Er kan dan ook worden aangenomen dat de vermelding van het tijdstip van de bestreden beslissing, als zou deze zijn voorafgegaan aan de hoorzitting, berust op een materiële vergissing. Verzoeker brengt voor het overige geen overtuigende XIV-37.210-6/19 elementen aan die erop wijzen dat bij het nemen van de bestreden beslissing geenszins rekening werd gehouden met zijn verweer tijdens de hoorzitting, zoals verder nog zal blijken uit de bespreking van de overige middelen. Het middel is in de aangegeven mate ongegrond. De schending van de overige aangehaalde bepalingen
- Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of de penitentiaire tuchtprocedure ratione materiae binnen één van de door verzoeker geschonden geachte internationale en Europese bepalingen valt en los van de vraag of die door verzoeker geschonden geachte internationale en Europese bepalingen kunnen worden betrokken op een handeling van een orgaan van het actief bestuur - ze betreffen immers de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter -, dient vastgesteld dat er inzake die overige door verzoeker in het middel aangevoerde en geschonden geachte bepalingen, geen specifieke argumentatie wordt opgebouwd, zodat deze grieven geacht moeten worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet-ontvankelijk te zijn. Het stellen van een prejudiciële vraag omtrent de uitlegging van artikel 6 van het EVRM is dan ook niet dienstig, daargelaten nog of het te dezen mogelijk zou zijn daaromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie in toepassing van artikel 267 van het VWEU nu niet blijkt - wat de aangevoerde schending van de artikelen 4, lid 3 en 6, lid 3 van het VEU betreft -, dat er een aanknopingspunt bestaat van verzoekers situatie met de tenuitvoerlegging van het recht van de Europese Unie.
- Het eerste middel is ongegrond. XIV-37.210-7/19 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Een tweede middel is genomen uit de schending van artikel 144, § 3, van de basiswet op grond van het feit dat de gevangenisdirecteur zelf geen beslissing zou hebben genomen tot het opstarten van een tuchtprocedure. Verzoeker wijst erop dat de mededeling van de gedetineerde inzake de tuchtprocedure niet door de gevangenisdirecteur maar door een penitentiair beambte werd ondertekend waarvan de naam niet werd vermeld. Nochtans voorziet artikel 144, § 3, van de basiswet niet dat de gevangenisdirecteur deze bevoegdheid zou kunnen delegeren aan een penitentiair beambte noch dat een penitentiair beambte het formulier zou kunnen aftekenen in opdracht van de gevangenisdirecteur. In zijn memorie van wederantwoord maakt verzoeker nog de vergelijking met een huiszoekingsbevel dat door de onderzoeksrechter moet worden ondertekend en niet door een politieagent kan worden ondertekend omdat dit niet in de wet staat. Beoordeling
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen: “4.
- Het geschonden geachte artikel 144, § 3 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen bepaalt: ‘§
- Indien de directeur meent dat de feiten een tuchtrechtelijk gevolg vereisen, wordt de gedetineerde door afgifte van een formulier schriftelijk in kennis gesteld van de tenlastelegging, van het feit dat tegen hem een tuchtprocedure zal worden opgestart, dat hij zijn tuchtdossier kan raadplegen en dat hij gehoord zal worden op een door de directeur bepaalde dag en tijdstip. De gedetineerde die de schriftelijke tenlastelegging niet kan lezen, of die de taal ervan niet verstaat, wordt in de gelegenheid gesteld de inhoud en de omschrijving van de tenlastelegging te verstaan. De minister bepaalt het model van het in het eerste lid bedoelde formulier.’ XIV-37.210-8/19 In tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt, bepaalt voormeld artikel niet dat het formulier waarmee aan de gedetineerde wordt meegedeeld dat lastens hem een tuchtprocedure wordt opgestart, ondertekend wordt door de gevangenisdirecteur. De verzoekende partij toont dan ook geen schending aan van voormeld artikel.”
- Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft verzoeker immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers in zijn laatste memorie die de titel “memorie van wederantwoord” draagt, om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt zich ter zake tot wat hij in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Een derde middel is genomen uit de schending van art. 144, §§ 5 en 6, van de basiswet op grond van het feit dat verzoeker niet werd gehoord door de gevangenisdirecteur maar door een attaché-gevangenisdirecteur en dat de tuchtbeslissing ook werd genomen door een attaché-directeur. In zijn memorie van wederantwoord merkt verzoeker nog op dat een ‘attaché-directeur’ in de basiswet niet wordt voorzien en dat ook de inhoud van deze functie niet wordt omschreven zodat deze niet kan zetelen als directeur of inrichtingshoofd. De geschonden geachte bepalingen voorzien klaar en duidelijk dat enkel de gevangenisdirecteur (oftewel het inrichtingshoofd) mag zetelen in het kader van een tuchtcollege en dus geen attaché-directeur. XIV-37.210-9/19 In zijn laatste memorie stelt verzoeker nog dat in het auditoraatsverslag wordt voorbijgegaan aan het feit dat de wet van 20 februari 2017 ‘tot wijziging van de wetgeving betreffende de definitie van gevangenisdirecteur’ (hierna: de wet van 20 februari 2017) geen rekening kan worden gehouden omdat deze wetswijziging pas is tussengekomen na de bestreden beslissing. Het is pas met die wet van 20 februari 2017 dat aan deze problematiek werd tegemoetgekomen. Met die wetswijziging kan evenwel geen rekening worden gehouden omdat deze dateert van na de bestreden beslissing. Verzoeker is dan ook van oordeel dat vóór deze wijziging enkel de gevangenisdirecteur zelf een tuchtbeslissing kon nemen. Beoordeling
- Op grond van artikel 144, § 5, eerste lid en § 6, van de basiswet hoort de directeur de gedetineerde in zijn middelen van verdediging en neemt hij de beslissing tot het opleggen van een tuchtsanctie aan de gedetineerde. In artikel 2, 13° van de voormelde wet, zoals dit artikel van toepassing was op het ogenblik van de gevoerde tuchtprocedure en de bestreden beslissing - dit is met andere woorden vóór de wijziging ervan bij artikel 2 van de 20 februari 2017, wordt de “directeur” gedefinieerd als “de ambtenaar die belast is met het lokaal bestuur van een gevangenis of een afdeling ervan;”. De functie van “directeur” wordt onderscheiden van deze van “inrichtingshoofd”, die onder artikel 2, 14° van de basiswet (zoals van toepassing op het ogenblik van de gevoerde tuchtprocedure en de bestreden beslissing) wordt omschreven als “de als dusdanig door de minister aangestelde directeur die belast is met het bestuur van één of meer gevangenissen;”. De paragrafen 5 en 6 van artikel 144 voorzien uitdrukkelijk dat de directeur, zijnde “de ambtenaar die belast is met het lokaal bestuur van een gevangenis of een afdeling ervan” - en dus niet het inrichtingshoofd - de gedetineerde hoort in zijn middelen van verdediging en een beslissing neemt. XIV-37.210-10/19
- Te dezen werd de ambtenaar M.B. die, na verzoeker te hebben gehoord, de bestreden beslissing heeft genomen, bij koninklijk besluit van 17 november 2009, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 december 2009, bevorderd door een verhoging naar klasse A2 met de titel van attaché-gevangenisdirecteur van de Penitentiaire Inrichtingen, vakrichting “Algemeen beheer” bij de Federale Overheidsdienst Justitie, buitendiensten van het directoraat generaal EPI Penitentiaire Inrichtingen, met ingang van 1 oktober
- Deze ambtenaar was bijgevolg als attaché-gevangenisdirecteur bevoegd om de bestreden beslissing te nemen zodat geen schending van artikel 144, §§ 5 en 6 voorligt.
- Wat verzoekers kritiek op het auditoraatsverslag betreft, moet worden vastgesteld dat deze uitgaat van een verkeerde lezing van dat verslag. In het auditoraatsverslag wordt immers toepassing gemaakt van de regeling zoals die gold vóór de inwerkingtreding (dit is op 12 maart 2017) van de wet van 20 februari
- In dat verslag wordt in een voetnoot, volledigheidshalve, gewezen op het feit dat artikel 2, 13° van de basiswet is gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 20 februari
- Sedert de inwerkingtreding ervan wordt het begrip ‘directeur’ immers omschreven als de “ambtenaar van niveau A bekleed met de functie van directeur of ambtenaar van niveau A aangewezen door de directeur-generaal om onder gezag van het inrichtingshoofd de taken uit te voeren die de wet aan de directeur heeft toevertrouwd”. Uit de toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de wet van 20 februari 2017 heeft geleid, blijkt dat de wetswijziging ertoe strekt om tegemoet te komen aan rechtspraak van de Raad van State waaruit gebleken was dat tuchtbeslissingen werden geschorst omdat deze waren genomen “door een attaché die tot het niveau A1 behoort, […] omdat deze laatste niet over de hoedanigheid van directeur beschikte” (Parl.St. Kamer, 2015-2016, 54-1857/001, 3). Deze situatie doet zich te dezen evenwel niet voor aangezien de ambtenaar die de bestreden tuchtmaatregel heeft opgelegd werd bevorderd door een verhoging naar klasse A2 met de titel van attaché-gevangenisdirecteur van de Penitentiaire Inrichtingen. XIV-37.210-11/19
- Het derde middel is ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In het vierde middel van zijn verzoekschrift - wat hij herneemt in zijn memorie van wederantwoord - voert verzoeker een schending aan “van de motiveringsplicht (motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel) door de attaché-gevangenisdirecteur”. Verzoeker meent dat de motiveringsplicht werd geschonden doordat in de bestreden beslissing niet zou zijn geantwoord op zijn argumentatie, verwoord in zijn memorie, dat de gevangenisdirecteur geen onafhankelijk en onpartijdig rechter is alsook dat een attaché-gevangenisdirecteur niet bevoegd zou zijn. In zijn laatste memorie verduidelijkt verzoeker dat hij een schending aanvoert “van de materiële en formele motiveringsplicht (motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel) door de attaché-gevangenisdirecteur”. Beoordeling
- Verzoeker betrekt te dezen de door hem aangevoerde schending van de motiveringsplicht op het gegeven dat in de bestreden beslissing niet zou worden geantwoord op zijn verweer dat de gevangenisdirecteur geen onafhankelijk en onpartijdig rechter is alsook dat een attaché-gevangenisdirecteur niet bevoegd zou zijn. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de hiernavolgende overwegingen. XIV-37.210-12/19 Schending van de formelemotiveringsplicht De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (zie supra, punt 3.5.). Voorts wordt in de bestreden beslissing verwezen naar het rapport aan de directeur en het verslag van de hoorzitting. Dit laat toe in te zien voor welke feiten de tuchtstraf werd opgelegd: beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden. Samen gelezen met het rapport aan de directeur, waar verzoeker ook kennis van gekregen heeft, is het voldoende duidelijk dat het gaat om het gedrag dat verzoeker stelde bij de opening van de kantine, namelijk de beledigingen die hij toen uitte ten aanzien van een penitentiair beambte. Voorts is in de bestreden beslissing nog aangegeven dat het beledigen van personen in de gevangenis een inbreuk van de tweede categorie betreft, zoals bepaald in artikel 130 van de basiswet. Op grond van artikel 132 van de basiswet kan voor inbreuken van de tweede categorie een algemene tuchtsanctie worden opgelegd, zoals de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte. De gevangenisdirecteur motiveert in de bestreden beslissing nog bijkomend dat hij geen reden ziet om te twijfelen aan de vaststellingen van het personeel. Deze motieven geven aan verzoeker op afdoende wijze aan op grond van welke feiten de tuchtsanctie werd opgelegd en waarom de tuchtsanctie van de afzondering in een aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte werd opgelegd. Hierbij wordt tevens rekening gehouden met het feit dat verzoeker de feiten formeel heeft ontkend en waarom aan verzoekers standpunt ter zake geen geloof wordt gehecht, namelijk omdat er geen (redelijkerwijs aanneembare) reden is aangebracht om te twijfelen aan de vaststellingen van het personeel. Dit volstaat in het licht van de formelemotiveringsplicht. Aldus kent verzoeker de motieven waarom hem de tuchtstraf werd opgelegd, zodat hij er zich inhoudelijk kan tegen verweren, getuige hiervan overigens de inhoudelijke kritiek die verzoeker hiertegen in het middel aanvoert. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering, maakt die daarom niet onwettig. De formelemotiveringsplicht vereist niet dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt geantwoord op alle argumenten die door verzoeker XIV-37.210-13/19 worden aangevoerd. Wat betreft de argumentatie aangevoerd ter gelegenheid van de hoorzitting dat de directeur niet bevoegd zou zijn om de tuchtbeslissing te nemen, blijkt in ieder geval dat de attaché-gevangenisdirecteur reeds op de hoorzitting aangaf dit argument te verwerpen op grond van het feit dat zij van oordeel is wel bevoegd te zijn om de tuchtbeslissing te nemen. De formele motiveringsplicht vereist niet dat de attaché-directeur in de bestreden beslissing uitdrukkelijk de juridische argumentatie uiteen zet waarom zij meent wel bevoegd te zijn om de bestreden beslissing te nemen. Daarnaast toont verzoeker niet aan waarom het gebrek aan uitdrukkelijke motivering omtrent dit argument, alsook omtrent het ingeroepen gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid in hoofde van de directeur, het hem onmogelijk zou hebben gemaakt te oordelen of het zin had zich tegen de bestreden beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. Het heeft hem niet verhinderd eenzelfde argumentatie naar voor te brengen in zijn eerste en zijn derde middel in huidig verzoekschrift, welke middelen, zoals gebleken is, niet gegrond zijn. Schending van de materiële motiveringsplicht Te dezen heeft de directeur zich mede gesteund op het rapport aan de directeur waarin werd vermeld dat verzoeker bij opening van de kantine beledigingen geuit heeft ten aanzien van een penitentiair beambte. Verzoeker blijkt deze feiten op de hoorzitting weliswaar te hebben ontkend, maar de gevangenisdirectie ziet geen reden om te twijfelen aan de vaststellingen van de penitentiair beambte. Uit het administratief dossier blijkt te dezen ook niet dat er overtuigende tegenindicaties zouden geweest zijn of werden aangevoerd op grond waarvan de directeur diende te twijfelen aan de waarachtigheid van de feiten zoals weergegeven in het rapport aan de directeur waarin tevens een getuige van de feiten werd vermeld. Het loutere ontkennen van de feiten volstaat op zich niet om aan te tonen dat de gevangenisdirectie niet binnen de perken van haar beoordelingsvrijheid zou zijn gebleven door de feiten als bewezen te aanvaarden. XIV-37.210-14/19 Zoals uit de bespreking van het derde middel is gebleken, oordeelde de attaché-gevangenisdirecteur voorts terecht dat zij bevoegd was om de bestreden tuchtbeslissing te nemen zodat er op dit punt ook geen schending van de materiëlemotiveringsplicht wordt aangevoerd.
- Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft verzoeker immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers in zijn laatste memorie om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt zich ter zake tot wat hij in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het vierde middel ongegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- In het vijfde middel voert verzoeker de schending aan van het legaliteitsbeginsel en het non bis in idem - beginsel. Verzoeker zet in zijn verzoekschrift uiteen, wat hij in zijn memorie van wederantwoord en zijn laatste memorie herhaalt, dat hij tweemaal wordt gestraft voor dezelfde feiten aangezien hem niet alleen de straf van de afzondering in de toegewezen verblijfsruimte (hierna: ATV) wordt opgelegd, maar ook drie strafpunten worden toegekend in het tussensysteem van de gevangenis van Leuven-Centraal. Wanneer in dat puntensysteem - ongeacht de tijdspanne - 10 punten worden bereikt, wordt een gedetineerde in een tussenregime geplaatst waardoor zijn regime in de gevangenis aanzienlijk wordt verstrengd en wordt afgezonderd van gedetineerden die niet onder het tussenregime vallen. Daarnaast wijst verzoeker erop dat het creëren van een sanctiesysteem zoals het puntensysteem van het tussenregime voorbehouden is XIV-37.210-15/19 aan de wetgever en niet kan worden ingesteld door de inrichtende macht van de gevangenis. Het gegeven dat dit systeem wordt gehanteerd naast de basiswet houdt in dat verzoeker tweemaal voor dezelfde feiten wordt bestraft. Beide beslissingen moeten worden vernietigd. Beoordeling
- Voorshands wordt vastgesteld dat met de bestreden beslissing aan verzoeker enkel een tuchtsanctie wordt opgelegd, namelijk de tijdelijke afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte. De bestreden beslissing houdt geen beslissing in tot het toekennen van een aantal punten in het kader van een puntensysteem met betrekking tot een tussenregime. Er blijkt voorts geen andere beslissing voor te liggen waarin aan verzoeker voor dezelfde feiten reeds een straf werd opgelegd, noch een beslissing waaruit blijkt dat verzoeker op grond van de feiten die ten grondslag liggen aan de tuchtsanctie, in een tussenregime wordt geplaatst.
- In de mate zou worden aangenomen dat in de bestreden beslissing de impliciete beslissing besloten ligt tot het toekennen van drie punten in het kader van het puntensysteem dat zou worden gehanteerd in Leuven-Centraal, wordt vastgesteld dat het louter toekennen van deze punten te dezen in ieder geval geen aanleiding geeft tot het opleggen van een bijkomende maatregel. Voorts zet de verwerende partij uiteen dat een gedetineerde in het kader van het betreffende puntensysteem in de gevangenis van Leuven-Centraal in het tussenregime wordt geplaatst wanneer hij een te grote druk legt op de beheersbaarheid van het goede leefklimaat in het opendeurregime, wat het standaardregime is binnen de gevangenis van Leuven-Centraal. In die zin maakt de verwerende partij voldoende aannemelijk dat het puntensysteem past binnen de bevoegdheid van de gevangenisdirectie inzake de handhaving van de veiligheid en de orde binnen de strafinrichting en de goede werking van de strafinrichting en niet is bedoeld om de gedetineerde te straffen. Het open regime zoals dat wordt toegepast in de gevangenis van Leuven-Centraal is een gunstregime waarbij de gedetineerden vrij XIV-37.210-16/19 kunnen rondlopen op de vleugel waar ze verblijven en bij elkaar op bezoek kunnen gaan. De overplaatsing naar het tussenregime houdt enkel in dat deze gunst niet meer geldt. Voor het overige behoudt de gedetineerde de mogelijkheden van wandeling, werk, sport, onderwijs en vorming, ontspanning, gebruik van de bibliotheek, toegang tot de winkel, bezoek, telefoon, douches, het bijwonen van erediensten, enzovoort. Een dergelijke maatregel doet zich dan ook voor als een maatregel van inwendige orde zodat verzoeker in ieder geval niet aantoont dat de plaatsing in een tussenregime als gevolg van het puntensysteem als een bijkomende tuchtsanctie moet worden beschouwd die enkel door de wetgever kan worden voorzien.
- Het vijfde middel is ongegrond. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert een zesde middel aan ontleend aan de schending van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld. Hij voert aan dat niemand getuige was van de feiten waarvoor hem een tuchtsanctie werd opgelegd. Penitentiair beambte D.W. wordt in de bestreden beslissing weliswaar vermeld als getuige, maar deze wordt nergens vermeld in het verslag dat is opgemaakt door penitentiair beambte M.T. Er wordt niet vermeld dat penitentiair beambte D.W. de belediging heeft gehoord of er bijstond. Het betreft bijgevolg een zuivere “woord tegen woordsituatie” waarbij verzoeker het vermoeden van onschuld geniet. In zijn memorie van wederantwoord - wat hij in zijn laatste memorie herneemt - beklemtoont verzoeker dat hij formeel is: als er geen getuige wordt vermeld in het tuchtrapport zelf, is er ook geen sprake van een getuige. In het tuchtrapport wordt ook niet vermeld waar deze getuige zich bevond noch wat hij hoorde. XIV-37.210-17/19 Beoordeling
- In het door penitentiair beambte M.T. opgestelde tuchtrapport zoals opgenomen in het administratief dossier kan wat volgt worden gelezen: “waren getuigen […] PBA [D.W.] [volgt handtekening van bpa D.W.]” Hieruit blijkt dat penitentiair beambte D.W. uitdrukkelijk wordt vermeld als getuige van de gerapporteerde feiten. Deze penitentiair beambte heeft het rapport ook mee ondertekend als getuige zodat aangenomen wordt dat hij ook getuige is geweest van de in het rapport vermelde feiten en deze bevestigt zoals ze daar zijn verwoord, ongeacht van op welke afstand hij deze feiten precies heeft gezien en gehoord. Verzoeker brengt geen enkele overtuigende reden aan waarom er getwijfeld dient te worden aan de waarachtigheid van de verklaring van penitentiair beambte D.W. dat hij getuige was van de feiten. Voorts blijkt niet uit het dossier dat verzoeker tijdens de tuchtprocedure de vermelding op het tuchtrapport van D.W. als getuige heeft betwist. Het gegeven dat penitentiair beambte D.W. in het relaas van de feiten niet uitdrukkelijk wordt vermeld maar enkel onderaan als getuige van de gerapporteerde feiten is niet van aard het bewijs te leveren dat hij geen getuige zou zijn geweest van de gerapporteerde feiten, wel integendeel. Noch kan bijgevolg op grond hiervan de waarachtigheid van de gerapporteerde feiten zelf in twijfel worden getrokken. Verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij het vermoeden van onschuld zou hebben geschonden door de feiten vermeld in het rapport aan de directeur als bewezen te beschouwen.
- Het zesde middel is ongegrond. XIV-37.210-18/19 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.210-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.057 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div