← België

Arrest 247062 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 14/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.062 Rolnummer: A. 220459/X-16753 Zaak: Arrest 247062 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 14/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-26 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-26 02:44 Fiche Arrest nr 247.062 van 14 februari 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 247.062 van 14 februari 2020 in de zaak A. 220.459/X-16.753 In zake :

  1. COMM. V. NESTAN
  2. de NV IMMOBILIERE STEYNHOEVE
  3. Alexandre STROOBANTS
  4. Laurence CLAERHOUT
  5. Michel VAN DER HAEGEN
  6. Thierry DE CLIPPELE
  7. Patrice DE CLIPPELE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip De Preter en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
  8. de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen
  9. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  10. Het beroep, ingesteld op 10 oktober 2016, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van de provincieraad van de provincie Vlaams-Brabant van 28 juni 2016 houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk X-16.753-1/14 uitvoeringsplan “Afbakening kleinstedelijk gebied Asse – Stadsrandbos” (hierna: het bestreden PRUP) en b. het besluit van de dienst Milieueffectrapportage van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer) van 5 maart 2015 waarbij het plan-milieueffectrapport (hierna: plan-MER) “PRUP Afbakening kleinstedelijk gebied Asse” wordt goedgekeurd. II. Verloop van de rechtspleging
  11. Bij arrest nr. 245.038 van 2 juli 2019 is het debat heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat belast met een aanvullend onderzoek. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 december
  12. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Adrian De Weerdt, die loco advocaten Filip De Preter en Bert Van Herreweghe verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-16.753-2/14 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  13. III. Feiten
  14. Er wordt verwezen naar ‟s Raads arrest nr. 245.038 van 2 juli
  15. IV. Het tweede en derde onderdeel van het tweede middel Uiteenzetting van het middel 4.
  16. In het tweede middel wordt, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, de schending aangevoerd van artikel 4.1.1, §1, 7°, 4.1.4, artikel 4.1.7 en artikel 4.2.8 van het decreet van 5 april 1995 „houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid‟ (hierna: „DABM‟), de artikelen 2 en 3 van de wet „houdende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ en de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. 4.
  17. In het tweede middelonderdeel bekritiseren verzoekers het alternatievenonderzoek. 4.
  18. In het derde middelonderdeel stellen verzoekers dat de voorwaarden uit het plan-MER inzake de vrijwaring van de bestaande landschappelijke structuur en historisch-landschappelijke context van het gebied niet afdoende werden doorvertaald in de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP. Het plan-MER wijst er voor de zone Putberg uitdrukkelijk op dat er “vanuit landschapshistorisch standpunt over gewaakt [moet] worden om bij de realisatie van het stadsrandbos geen grote massieve bosvolumes te creëren, die teveel van de bestaande landschappelijke kwaliteiten („bocage‟-landschap, vergezichten,…) zou[den] teniet doen”. Van een zorgvuldig handelende overheid X-16.753-3/14 mag worden verwacht dat zij de essentiële opties vertaalt op planniveau, en dat is hier niet gebeurd.
  19. In hun memorie van wederantwoord laten verzoekers wat het derde middelonderdeel betreft nog gelden dat artikel 0, § 6, van de stedenbouw- kundige voorschriften op geen enkele manier garandeert dat de bestaande landschappelijke structuur en de historisch-landschappelijke context zoals die wordt geschetst in het plan-MER ook effectief zullen worden gevrijwaard.
  20. Wat het derde middelonderdeel betreft, stellen verzoekers in hun laatste memorie dat de wenselijkheid van het behoud van de bestaande, historisch gegroeide, bocage-structuur, en de onwenselijkheid van het inrichten van een groot massief bos in het plan–MER als essentieel worden gezien. In het bestreden PRUP is echter nergens bepaald welke de criteria zijn om te beoordelen of iets mogelijk is of niet, in het bijzonder inzake verdere bebossing van de bestaande parken en parktuinen. Beoordeling
  21. In hun laatste memorie stellen verzoekers dat ze afstand doen van het tweede middelonderdeel. Bijgevolg behoeft dit middelonderdeel geen beoordeling.
  22. In het plan-MER wordt gesteld dat er over gewaakt dient te worden dat de bestaande landschappelijke kwaliteiten niet teniet worden gedaan. Anders dan verzoekers menen, is daarmee terdege rekening gehouden bij het vaststellen van de verordenende stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden PRUP. Immers, naast specifieke inrichtingsvoorschriften (artikel 1, § 2), is er de algemene bepaling van artikel 1, § 1, tweede lid, volgens dewelke “werken, handelingen en wijzigingen” slechts mogelijk zijn “voor zover de ruimtelijke samenhang in het gebied, de cultuurhistorische waarden en erfgoedwaarden, horticulturele waarden, landschapswaarden en natuurwaarden in het gebied bewaard blijven en/of versterkt worden”. X-16.753-4/14 Verzoekers slagen er niet in aannemelijk te maken dat de plannende overheid onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de conclusies van het plan-MER.
  23. Het derde onderdeel van het tweede middel wordt verworpen. VI. Het derde middel Uiteenzetting van het middel 10.
  24. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2.2.2, § 1, en 4.4.1, § 1, VCRO, evenals van “de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel”. 10.
  25. Verzoekers wijzen er op dat stedenbouwkundige voorschriften rechtsregels zijn, zodat ze geformuleerd moeten worden op een voldoende duidelijke en precieze wijze. Verzoekers voeren vooreerst aan dat sommige van de voorschriften van het bestreden PRUP te onduidelijk en vaag zijn geformuleerd, om nog als reglementair voorschrift te kunnen worden beschouwd. Dit is het geval voor artikel 1, § 2, eerste lid, en voor “art. 2, § 2, tweede lid” die respectievelijk de aansporing dat de inrichting zoveel mogelijk dient te passen binnen de bestaande landschappelijke structuur en historisch-landschappelijke context van het gebied, en een streven voor de verbetering van de erfgoedwaarde van gebouwen, bevatten. Dit is ook het geval voor de aansporing tot waakzaamheid bij ophogingen in artikel 0, § 5, eerste lid. Volgens verzoekers zijn andere voorschriften volstrekt overbodig, zoals de omschrijving van het begrip “kavel” in artikel 0, § 7, dat verder in de voorschiften niet wordt gebruikt. X-16.753-5/14 Verzoekers voegen er aan toe dat andere bepalingen van het bestreden PRUP de zaken onnodig gecompliceerd maken door voorschriften te verbinden aan handelingen die niet-vergunningsplichtig zijn. Dit is het geval voor het plaatsen van afsluitingen, het doen van aanplantingen en het opnieuw in gebruik nemen van landbouwgrond. Al deze handelingen zijn vrijgesteld van stedenbouwkundige vergunning, en kunnen dus niet strijdig zijn met de voorschriften van een PRUP. 10.
  26. Verzoekers besluiten dat een verordening die op dergelijke wijze is opgesteld niet voldoet aan de eisen inzake rechtszekerheid. Minstens geeft dit blijk van een onzorgvuldige redactie. Dit geldt des te meer, nu verzoekers reeds op deze tekortkoming hebben gewezen tijdens de bezwaar- procedure, maar de plannende overheid niets met die kritiek heeft gedaan.
  27. In hun memorie van wederantwoord benadrukken verzoekers dat een reglementaire bepaling die overbodige voorschriften bevat of voorschriften verbindt aan niet-vergunningsplichtige handelingen niet voldoet aan de eisen betreffende de rechtszekerheid.
  28. In hun laatste memorie verduidelijken verzoekers dat zij artikel 1, § 2, tweede lid, van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden PRUP bedoelen, waar zij het in hun verzoekschrift over “art. 2, § 2, tweede lid” hebben. Beoordeling
  29. De stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden PRUP stellen onder meer hetgeen volgt: X-16.753-6/14 “ Art. 0 § 5 Werken van algemeen belang i.f.v. de goede […] Alge- waterhuishouding Grote mene Alle werken, handelingen, kleinschalige voorzieningen en voorzichtigheid voor- maatregelen in functie van het algemeen nut i.f.v. de is geboden bij schrif- goede waterhuishouding (hemelwaterbuffering, ophogingen: ten infiltratievoorzieningen, waterzuivering, etc.) worden in - ophogingen elke bestemmingszone toegelaten, ongeacht de met grond met voorschriften van de betreffende zone, mits ze in hun hogere exploitatie en/of gebruik geen afbreuk doen aan de infiltratiecapaci- kwaliteit van de omgeving of aan het waardevol karakter teit kan lokaal de van de gebouwen, waarbij specifiek voor de infiltratie Broekebeekvallei geldt: bevorderen; - de aanleg van drainagebuizen of -grachten niet is - ophogingen toegestaan; van natte - niet-waterdoorlatende verhardingen dienen beperkt tot gebieden kunnen een minimum; ook een impact - volledige oppervlakkige infiltratie; hebben op - grote voorzichtigheid bij ophogingen; grondwaterstrom […] ingen en kweldruk, waardoor de waterstanden op aanpalende en soms reeds ontwikkelde percelen verhogen met risico op wateroverlast tot gevolg Artikel § 1 Bestemming 1 De gronden zijn bestemd voor natuurontwikkeling, Stads- bosbouw, landschapszorg en zacht recreatief medegebruik rand- (wandelen, fietsen, paardrijden, …). bos. Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of Cate- nuttig zijn voor de instandhouding, het herstel en de gorie ontwikkeling van deze bestemmingen zijn toegelaten voor van zover de ruimtelijke samenhang in het gebied, de gebieds cultuurhistorische waarden en erfgoedwaarden, aandui- horticulturele waarden landschapswaarden en ding: natuurwaarden in het gebied bewaard blijven en/of Overig versterkt worden. groen: Het huidige landbouwgebruik blijft bestaan tot het park- moment van realisatie van de bestemming door een gebie- overheid of op vrijwillige basis. Boslandbouw of „agro- den forestry‟ is toegelaten binnen het stadsrandbos. § 2 Inrichting De inrichting dient zoveel mogelijk te passen binnen de bestaande landschappelijke structuur en historisch- landschappelijke context van het gebied. Binnen de zone zijn volgende werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en functiewijzigingen – waarvoor volgens 4.2.1 van de Vlaamse Codex X-16.753-7/14 Ruimtelijke Ordening een stedenbouwkundige vergunning vereist is – vergunbaar: - alle werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen en functiewijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de bosbouw, de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu en het landschap; - het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur gericht op het al dan niet toegankelijk maken van de zone voor het publiek (paden, toegangsconstructies, wegwijzers, wegafsluitingen); - het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur gericht op natuureducatie (informatieborden, verrekijkers, vogelkijkhutten, …); - werken, handelingen, voorzieningen en inrichtingen die nodig zijn voor het beheersen van overstromingen of het voorkomen van wateroverlast buiten de natuurlijke overstromingsgebieden voor zover zij conform de De principes van natuurtechnische milieubouw worden cultuurhistorisch uitgevoerd en passen binnen een integraal waterbeheer en waardevolle de ruimtelijke draagkracht van het gebied; gebouwen - de afbraak van bouwwerken of constructies voor zover betreffen de het geen cultuurhistorisch waardevol gebouw betreft (in beschermde overdruk op het grafisch plan weergegeven). Bij iedere monumenten en stedenbouwkundige aanvraag dient gestreefd te worden dorpsgezichten naar de instandhouding, het herstel of de verbetering van alsook de de erfgoedwaarde van de gebouwen; gebouwen - het plaatsen van afsluitingen op perceelsgrenzen in voorkomend op functie van beheer. Afsluitingen op de grenzen tussen de vastgestelde bebouwde en niet-bebouwde percelen moeten bestaan uit inventaris van een streekeigen haag, eventueel gecombineerd met paal en bouwkundig donkergekleurde draad; erfgoed. - het herstellen, heraanleggen of verplaatsen van bestaande openbare wegenis en nutsleidingen; het verplaatsen van openbare wegenis of nutsleidingen voor zover dit de bestaande landschapswaarden en de potenties voor ontwikkeling van de bestemmingen in het gebied niet in drang brengt. Bij vergunningsplichtige werken, handelingen en wijzigingen die betrekking hebben op een gebouw of constructie, moeten het uiterlijk ervan, het volume, de vormen, de kleuren en de materialen van gevels en daken, evenals hun onderlinge verhoudingen, zodanig zijn dat het bouwwerk een harmonisch geheel vormt met de omgeving, rekening houdend met de eigenheid en identiteit van de omgeving, in het bijzonder met de landschappelijke kwaliteit van deze omgeving. Met uitzondering van aanplantingen in de tuin van een bestaande hoofdzakelijk vergunde woning en met uitzondering van aanplantingen in functie van de bedrijfsvoering van tuinbouw- agrarische bedrijven dienen aanplantingen in het plangebied te gebeuren met streekeigen soorten ” X-16.753-8/14
  30. Met de eerste verwerende partij moet worden vastgesteld dat verzoekers in het middel bepaalde zinnen en zinsdelen uit de stedenbouwkundige voorschriften isoleren, zodat ze uit hun context worden gerukt.
  31. Meer bepaald gaan verzoekers er aan voorbij dat het inrichtingsvoorschrift inzake de inpassing in de bestaande landschappelijke structuur en historisch-landschappelijke context van het gebied (artikel 1, § 2, eerste lid), moet worden gelezen in samenhang met de inrichtingsvoorschriften van artikel 1, § 2, tweede lid, en met de algemene bepaling van artikel 1, § 1, tweede lid, volgens welke “werken, handelingen en wijzigingen” slechts mogelijk zijn “voor zover de ruimtelijke samenhang in het gebied, de cultuurhistorische waarden en erfgoedwaarden, horticulturele waarden, landschapswaarden en natuurwaarden in het gebied bewaard blijven en/of versterkt worden”. Het blijkt ook niet dat er enige onduidelijkheid zou bestaan over wat de bestaande landschappelijke structuur en historisch-landschappelijke context is, daar, zoals verzoekers zelf in hun verzoekschrift uiteenzetten, deze bestaande toestand uitvoerig en gedetailleerd beschreven wordt in de erfgoedinventaris.
  32. In dezelfde zin moet er op gewezen worden dat het inrichtingsvoorschrift inzake de verbetering van de erfgoedwaarde van gebouwen (artikel 1, § 2, tweede lid, vijfde streepje, tweede zin) moet worden gelezen in samenhang met het onmiddellijk daaraan voorafgaand verbod tot afbraak van de aangeduide cultuurhistorisch waardevolle gebouwen (artikel 1, § 2, tweede lid, vijfde streepje, tweede zin). Ook hier geldt dat niet blijkt dat er enige onduidelijkheid zou bestaan over wat de bestaande erfgoedwaarde van de gebouwen is, daar, zoals verzoekers zelf in hun verzoekschrift uiteenzetten, deze bestaande toestand uitvoerig en gedetailleerd beschreven wordt in de erfgoedinventaris.
  33. Wat de aanmaning tot grote voorzichtigheid bij ophogingen betreft, gaan verzoekers voorbij aan de samenhang met de andere bepalingen van artikel 0, § 5, en in het bijzonder ook aan de toelichting bij deze paragraaf, die verduidelijkt waarin deze voorzichtigheidsplicht bestaat. X-16.753-9/14
  34. Verzoekers kunnen er verder niet van overtuigen dat het zinloos zou zijn om in het PRUP voorschiften op te nemen voor de in het middel genoemde handelingen. Zij veronderstellen wel dat die handelingen vrijgesteld zijn van een vergunning, maar laten na om dit voor het plangebied van het bestreden PRUP concreet aannemelijk te maken. Dergelijke vrijstellingen zijn immers geen evidentie, al was het maar omdat artikel 4.2.5 VCRO voorziet dat provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen voor meldings- plichtige handelingen een vergunningsplicht kunnen invoeren.
  35. Het enkele feit dat in artikel 0, § 7, begrippen zijn gedefinieerd die verder niet in de stedenbouwkundige voorschriften worden gebruikt mag dan wel meebrengen dat deze definities overbodig zijn, het leidt niet tot enige rechtsonzekerheid of andere onwettigheid.
  36. Uit het administratief dossier blijkt dat de Procoro wel degelijk is ingegaan op verzoekers‟ kritiek inzake de rechtsonzekerheid. Deze kritiek en het antwoord van de Procoro luiden: [Bezwaar [Antwoord van de Procoro] verzoekers] Onduidelijke, […] vage en onnodige het PRUP [dient] duidelijkheid en rechtszekerheid te verschaffen. voorschriften. Interpreteerbare voorschriften dienen daarbij vermeden. De Voorschriften formulering m.b.t. het “maximaal streven naar toegankelijk m.b.t. niet- openbaar groen”, bovendien zonder de concrete aanduiding van de vergunnings- percelen waarover dit gaat, is in eerste instantie interpreteerbaar, plichtige kan daardoor zinledig geacht worden, en kan rechtsonzekerheid handelingen zijn creëren. onnodig. Omwille van bovenstaande wordt voorgesteld om de bepalingen Voorschriften rond het toegankelijk en openbaar karakter uit de voorschriften van zijn precies en het PRUP te schrappen. Ook de verwijzing naar de duidelijk beleidsdoelstellingen van ANB hieromtrent worden best geformuleerde verwijderd. rechtsregels. […]
  37. In antwoord op het bezwaarschrift van verzoekers heeft de Procoro erkend dat het in het voorlopig vastgestelde ontwerp-plan voorziene voorschrift inzake de toegankelijkheid rechtsonzeker was. Vervolgens is de X-16.753-10/14 plannende overheid de Procoro bijgetreden en heeft zij dit voorschrift uit het definitief vastgestelde PRUP weggelaten.
  38. De conclusie is dat verzoekers niet aantonen dat – met de woorden van het verzoekschrift – “de plannende overheid niets met [hun] kritiek heeft gedaan” of dat enig stedenbouwkundig voorschrift van het bestreden PRUP rechtsonzeker of anderszins onwettig zou zijn.
  39. Het derde middel wordt verworpen. VI. Het vierde middel Uiteenzetting van het middel 24.
  40. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- alsook van het materiëlemotiveringsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. 24.
  41. Verzoekers wijzen er op dat hun domeinen, naast een landschappelijke ook een residentiële functie hebben. De zonevreemdheid van hun woningen leidt tot allerlei problemen. Zo is rondom de woning eigenlijk zo goed als niets vergunbaar en kan men krachtens artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 november 2003 „tot vaststelling van de lijst van toelaatbare zonevreemde functiewijzigingen‟ slechts een vergunning voor de functiewijziging van een in de inventaris van het bouwkundig erfgoed opgenomen woning krijgen wanneer de voortzetting van de vroegere functie niet haalbaar blijkt of de duurzame leefbaarheid van het gebouw niet garandeert. Het voorlopig vastgestelde ontwerp-PRUP voorzag geen oplossing voor de voornoemde problemen. In hun tijdens het openbaar onderzoek ingediend bezwaarschrift hebben verzoekers zich verzet tegen deze lacune en tegen de suggestie van de ontwerper van het plan om deze problematiek te onderzoeken in het kader van een nog op te stellen gemeentelijk ruimtelijk X-16.753-11/14 uitvoeringsplan. In antwoord op hun bezwaarschrift heeft de Procoro opnieuw verwezen naar dergelijk gemeentelijk initiatief. Volgens verzoekers volgt daaruit dat hun bezwaar niet afdoende is weerlegd. Krachtens artikel 2.2.13, § 3, VCRO kunnen de voorschriften van een gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen immers niet afwijken van de voorschriften van een provinciaal ruimtelijke uitvoeringsplan.
  42. In hun laatste memorie vragen verzoekers dat de Raad van State in zijn arrest “tot uitdrukking [zou] brengen” dat de gemeente Asse de mogelijk- heid behoudt om een oplossing te voorzien voor hun zonevreemde woningen. Beoordeling
  43. In zoverre verzoekers de bestaande regelgeving voor zonevreemde woningen bekritiseren, is het middel niet gericht tegen de bestreden besluiten zodat het niet tot de vernietiging van die besluiten kan leiden.
  44. De woningen waarop het middel betrekking heeft zijn gelegen in de overdrukzones van de artikelen 2 en 2bis van het bestreden PRUP, waarvoor uitdrukkelijk het volgende is bepaald: “De op het ogenblik van de vaststelling van dit plan bestaande bestemmings- en inrichtingsvoorschriften blijven onverminderd van toepassing”. De voornoemde overdrukzones laten de bestaande gewestplanbestemmingen parkgebied en agrarisch gebied onverlet. De zonevreemdheid van verzoekers‟ woningen volgt uit het gewestplan en het bestreden PRUP brengt daarin geen verandering. Terecht heeft de Procoro, ter weerlegging van verzoekers‟ bezwaarschift, overwogen dat het bestreden PRUP “geen uitspraken doet over zonevreemde rechten”. Verzoekers slagen er niet in aan te tonen dat de aangevoerde rechtsbeginselen er de plannende overheid toe zouden verplichten daar wél uitspraak over te doen. X-16.753-12/14 Anders dan verzoekers menen blijkt ook geen schending van die beginselen uit het enkele feit dat de Procoro bij de weerlegging van hun bezwaarschrift naar een nog op te stellen gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan heeft verwezen, te meer daar het toen geldende artikel 2.2.13, § 3, VCRO uitdrukkelijk toelaat dat – met instemming van de provincieraad – een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afwijkt van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan.
  45. Een antwoord op het in randnummer 25 bedoelde verzoek gaat de oplossing van de voorliggende zaak evenals de vraag naar de aan dit arrest te geven gevolgen te buiten.
  46. Het vierde middel wordt verworpen. BESLISSING
  47. De Raad van State verwerpt het beroep.
  48. De verzoekende partijen worden, elk voor een zevende, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan elk van de verwerende partijen. X-16.753-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-16.753-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.062 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.