← België

Arrest 247063 - Onteigeningen - 14/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.063 Rolnummer: A. 222489/X-16939 Zaak: Arrest 247063 - Onteigeningen - 14/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-26 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-26 02:44 Fiche Arrest nr 247.063 van 14 februari 2020 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 247.063 van 14 februari 2020 in de zaak A. 222.489/X-16.939 In zake :

  1. Guy VAN DE WIEL
  2. Ankie MESTDAGH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat John Toury kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Jean Baptiste Nowélei 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
  3. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom De Sutter en Dorien Geeroms kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen
  4. de PROVINCIE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julie Lauwers kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38/2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 23 juni 2017, strekt tot de nietigverklaring van “het [b]esluit van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding dd 13 februari 2017 waarbij tot onteigening wordt besloten van een deel van [verzoekers‟] eigendom, kadastraal bekend als Essen, 2de afdeling, Sectie D, nrs. 432G en 431E (innemingen 7 en 8a)”. X-16.939-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
  6. Het Vlaamse Gewest heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De provincie Antwerpen heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 17 augustus
  7. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. Verzoekers en de provincie Antwerpen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 januari
  8. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor het Vlaamse Gewest, en advocaat Sofie Albert, die loco advocaat Julie Lauwers verschijnt voor de provincie Antwerpen, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: Raad van State-wet). X-16.939-2/9 III. Feiten 3.
  9. Verzoekers zijn bewoners en eigenaars van een goed gelegen aan de Donkweg 78 te Essen. 3.
  10. De provincieraad van de provincie Antwerpen beslist voorlopig op 26 november 2015 en definitief op 28 april 2016 om voor de aanleg van de fietsostrade Antwerpen-Essen, te Essen, vak Paviljoenweg tot Kalmthoutsesteenweg, over te gaan tot de verwerving bij wijze van onteigening ten algemenen nutte van onroerende goederen en om de toepassing te verzoeken van de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 „betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake de onteigeningen ten algemene nutte‟ (hierna: de wet van 26 juli 1962). 3.
  11. Op 9 juni 2016 vraagt het provinciebestuur van de provincie Antwerpen een onteigeningsmachtiging bij hoogdringendheid voor de op het bijgevoegde onteigeningsplan vermelde innemingen. Later deelt zij mee dat een aantal innemingen minnelijk konden verworven worden en dat de machtiging enkel nog voor de innemingen 7 tot en met 21 nodig is. 3.
  12. Bij besluit van 13 februari 2017 verleent de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoede- bestrijding machtiging tot onteigening met toepassing van de bepalingen van de wet van 26 juli 1962, van onder meer een deel van verzoekers‟ eigendom (innemingen 7 en 8a). Dit is het bestreden besluit. 3.
  13. Verzoekers worden van het bestreden besluit in kennis gesteld middels een aangetekende brief van 5 mei
  14. In die brief wordt hen meegedeeld dat zij aangeschreven worden als eigenaars van de te onteigenen onroerende goederen (innemingen 7 en 8a). X-16.939-3/9 3.
  15. Op 4 juli 2017 laat de provincie Antwerpen aan verzoekers een dagvaarding betekenen om op 13 juli 2017 voor de vrederechter van het kanton Kapellen te verschijnen. Voorwerp van deze dagvaarding vormt de geplande onteigening voor de innemingen 7 en 8a. 3.
  16. Bij vonnis van 10 oktober 2017 willigt de vrederechter van het kanton Kapellen de onteigening voor de innemingen 7 en 8a in. IV. Rechtsmacht Standpunt van de partijen 4.
  17. De eerste verwerende partij en de provincie Antwerpen, deze laatste initieel in de procedure toegelaten als tussenkomende partij maar finaal te kwalificeren als de tweede verwerende partij, werpen in hun respectieve memories, onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad van State, op dat de Raad, gelet op de dagvaarding van verzoekers om voor de vrederechter te verschijnen, zijn rechtsmacht heeft verloren. 4.2.
  18. Verzoekers werpen in hun memorie van wederantwoord tegen dat de voormelde, op de rechtspraak van de Raad van State gestoelde zienswijze, een onverantwoorde discriminatie inhoudt tussen, enerzijds, de betrokken eigenaars en, anderzijds, de gewone derden die eveneens een belang hebben in de onteigeningsprocedure. Zij menen dat deze laatsten over een grotere rechts- bescherming beschikken. Verder menen verzoekers dat zij tegen hun wil worden afgetrokken van de Raad van State, hetgeen zij in strijd achten met artikel 13 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Zij verzetten zich tegen deze aftrekking des te meer “daar zij van mening zijn dat de Vrederechter op een onjuiste wijze heeft gesteld dat de onteigening van hun eigendom wettig kan worden bevonden”. Zij menen dat “[z]oals algemeen bekend” “de betrokken eigenaars bij de Raad van State over een efficiëntere en meer gegarandeerde rechtsbescherming beschikken dan bij een beoordeling over hoogdringende omstandigheden voor de Vrederechter”. X-16.939-4/9 4.2.
  19. “Gelet op de discriminatie of ongelijke behandeling waaraan verzoekers menen te worden onderworpen door de rechtspraak waarnaar tegenpartij verwijst”, menen zij dat het stellen van de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof “aan de orde is”: “Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet op zichzelf genomen en in samenhang gelezen met de artikelen 13, 16 en 160 Grondwet, de artikelen 6, paragraaf 1 en 14 van het EVRM en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM geschonden door de artikelen 3, 6, 7 en 16, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemene nutte, alsook door de artikelen 14 en 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in zoverre de onteigenden en de belanghebbende derden bedoeld in artikel 6 van voormelde wet van 26 juli 1962 geen rechtstreeks beroep hebben tegen het onteigeningsbesluit of hun rechtstreeks ingesteld beroep bij de Raad van State komt te vervallen eens de onteigenaar voor de Vrederechter gedagvaard heeft, niettegenstaande dit rechtstreeks beroep dat beperkt is tot het debat over de wettigheid van het onteigeningsbesluit hen wordt gegarandeerd door artikel 13 Grondwet, artikel 6, paragraaf 1, van het EVRM en de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State aan alle rechtzoekenden een rechtstreeks beroep openstellen tegen onwettige overheidsbesluiten, zodat de onteigenden door het instellen van de gerechtelijke onteigeningsprocedure aldus worden afgetrokken van de hun door de (Grond)wet toegekende rechter, hetgeen niet het geval is voor de gewone belanghebbende derden?” 4.
  20. Verzoekers doen in hun laatste memorie nog gelden dat het feit dat de Raad van State in de materie van het onteigeningsrecht slechts over een residuaire bevoegdheid zou beschikken “niet als argument [kan] worden weerhouden gezien dit des te meer de ongelijkheid in het licht stelt tussen enerzijds de derden belanghebbenden en anderzijds de betrokken eigenaars”. Volgens hen dient “in het licht van artikel 6 EVRM alsook 13 Grondwet te worden vastgesteld dat de rechter die in een zaak als eerste gevat wordt, als bevoegde rechter voor de beoordeling van de zaak dient te worden beschouwd”. “Het voormelde” geldt volgens verzoekers des te meer “nu in het nieuwe Vlaamse Onteigeningsdecreet zelfs geen rechtsgrond valt terug te vinden op basis waarvan de Raad voor Vergunningsbetwistingen […] zich onbevoegd zou moeten verklaren voor de verdere behandeling van de ingeleide procedure”. Voorts is van een residuaire bevoegdheid van de Raad van State volgens verzoekers geen sprake meer “en dit des te meer na wijziging van de artikelen X-16.939-5/9 144 GW en 11bis wet Raad van State”. “Tot slot” benadrukken verzoekers dat “van een gelijkwaardige rechtsbescherming van de betrokken onteigende tussen enerzijds een procedure voor de Raad van State en anderzijds een procedure voor de Vrederechter geen sprake is”. Zij menen dat de Raad van State te dezen de “gespecialiseerde rechter” is. Beoordeling 5.
  21. Luidens artikel 14, § 1, van de Raad van State-wet, doet de Raad van State uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring “[i]ndien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend”. Krachtens de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 heeft de vrederechter, wanneer de onteigenende overheid de vordering tot onteigening bij hem heeft ingeleid, als opdracht de voor de onteigening vereiste besluiten van die overheid zowel op hun interne als op hun externe wettigheid te toetsen. Die bevoegdheid van de gewone rechter sluit de bevoegdheid van de Raad van State uit om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van die handelingen; de bevoegdheidsuitsluiting geldt vanaf de dagvaarding om voor de gewone rechter te verschijnen en ten aanzien van de personen die tot die procedure toegang hebben. Ze geldt ook voor het beroep tot nietigverklaring dat al bij de Raad van State was ingesteld vooraleer de vrederechter werd geadieerd. 5.
  22. Te dezen is het niet betwist dat verzoekers, eigenaars van te onteigenen onroerende goederen, gedagvaard werden om op 13 juli 2017 voor de vrederechter van het kanton Kapellen te verschijnen en dat die vrederechter bij vonnis van 10 oktober 2017 de vordering tot onteigening van de innemingen 7 en 8a heeft ingewilligd. De Raad van State is bijgevolg zonder rechtsmacht. 5.
  23. Wat verzoekers‟ betoog betreffende de vermeende mindere rechtsbescherming voor de vrederechter betreft, kan verwezen worden naar de arresten van het Grondwettelijk Hof nrs. 57/92 van 14 juli 1992, 80/92 van X-16.939-6/9 23 december 1992, 75/93 van 27 oktober 1993 en 68/2002 van 28 maart 2002, waarin het Grondwettelijk Hof oordeelt dat: “[k]rachtens artikel 107 van de Grondwet […] de aan de gewone rechter toegekende bevoegdheid [geldt] om na te gaan of de bij de wet voorgeschreven vormvereisten in acht zijn genomen, voor alle externe en interne onwettigheden. Zijn de aan de enen en de anderen geboden procedures weliswaar verschillend, de wettigheidstoetsing die zij organiseren is gelijkwaardig”. 5.
  24. In het licht van de gelijkwaardigheid van de door de vrede- rechter geboden rechtsbescherming, zoals die uit de voormelde rechtspraak blijkt, is verzoekers‟ standpunt dat zij van de “gespecialiseerde rechter” worden afgetrokken en een schending van artikel 13 van de Grondwet en artikel 6 EVRM voorligt indien de Raad van State zich zonder rechtsmacht verklaart, te verwerpen. 5.
  25. De prejudiciële vraag gaat uit van de ongelijkwaardigheid van de door de vrederechter geboden rechtsbescherming. Dit uitgangspunt is verkeerd, zoals blijkt uit de onder randnummer 5.3 vermelde rechtspraak. De onder randnummer 4.2.2 gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof wordt dan ook niet gesteld. 5.
  26. Voorts vermag verzoekers‟ betoog dat zij ingevolge “de wijzigingen van de artikelen 144 GW en artikel 11 bis van de wet op de Raad van State” “bij een onwettig verklaarde bestuurshandeling […] rechtstreeks voor de Raad van State een vordering tot schadevergoeding [kunnen] instellen” – wat zij niet hebben gedaan – aan het gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State om van huidig beroep kennis te nemen (zie randnummers 5.1 en 5.2) geen afbreuk te doen. 5.
  27. In zoverre verzoekers nog aanvoeren dat “in het nieuwe Vlaamse Onteigeningsdecreet zelfs geen rechtsgrond valt terug te vinden op basis waarvan de Raad voor Vergunningsbetwistingen […] zich onbevoegd zou moeten verklaren voor de verdere behandeling van de ingeleide procedure”, mist X-16.939-7/9 hun betoog pertinentie. Het Vlaamse Onteigeningsdecreet vindt te dezen geen toepassing. 5.
  28. De excepties zijn gegrond. De Raad van State is zonder rechtsmacht. V. Kosten
  29. In de gegeven omstandigheden is er reden om de kosten, inbegrepen het betalen van een rechtsplegingsvergoeding, ten laste van de verwerende partijen te leggen. BESLISSING
  30. De Raad van State verwerpt het beroep.
  31. De verwerende partijen worden elk voor de helft verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan verzoekers. X-16.939-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-16.939-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.063 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.