← België

Arrest 247081 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 20/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.081 Rolnummer: A. 216571/VII-39450 Zaak: Arrest 247081 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 20/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-28 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-26 03:00 Fiche Arrest nr 247.081 van 20 februari 2020 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.081 van 20 februari 2020 in de zaak A. 216.571/VII-39.450 In zake : Martine BOGAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Callens kantoor houdend te 1040 Brussel Tervurenlaan 40 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Jacubowitz en Anthony Poppe kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 juli 2015, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 2 juni 2015 tot benoeming van sommige leden van de raad van bestuur van het Federaal kenniscentrum voor de gezondheidszorg (hierna: KCE), zoals verschenen in het Belgisch Staatsblad van 16 juni
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 239.377 van 12 oktober 2017 heropent de Raad van State het debat en gelast hij het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat het onderzoek van de zaak voort te zetten. VII-39.450-1/15 Auditeur Wendy Depester heeft een aanvullend verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 februari
  4. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pomelien Vancaudenberg, die loco advocaat Stefaan Callens verschijnt voor verzoekster, en advocaat Anthony Poppe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Voor de feitelijke gegevens van de zaak wordt verwezen naar arrest nr. 239.377 van 12 oktober
  7. VII-39.450-2/15 IV. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Standpunt van de partijen
  8. In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. De bestreden beslissing steunt volgens haar op motieven die in het schrijven van de verwerende partij van 29 mei 2015 worden veruitwendigd en die in feite niet aanvaardbaar zouden zijn. De Alliantie Artsenbelang-Domus Medica (hierna : AADM) kan volgens verzoekster op zichzelf niet beschouwd worden als een representatieve artsenorganisatie en kan op basis van de uitslag van de door het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna : RIZIV) in 2014 georganiseerde medische verkiezingen (met 3.907 stemmen voor het Kartel (22,45%), 3.603 stemmen voor AADM (20,71%) en 9.597 stemmen voor de Belgische Vereniging van Artsensyndicaten (hierna : BVAS) (55,16%)) geenszins recht hebben op twee plaatsvervangende leden die haar vertegenwoordigen in de raad van bestuur van het KCE, terwijl BVAS, die veruit de meeste stemmen behaalde op voormelde verkiezingen, slechts over één effectieve vertegenwoordiger in deze raad van bestuur beschikt. Bovendien zou één van de plaatsvervangende leden, namelijk Dr. Gijs Van Pottelberg, nooit door AADM als kandidaat-vertegenwoordiger zijn voorgedragen.
  9. Verzoekster benadrukt in haar memorie van wederantwoord dat de verwerende partij ten onrechte stelt dat AADM één beroepsorganisatie is die samengesteld is uit twee verenigingen. AADM is immers geen beroepsorganisatie, maar een groepering van twee afzonderlijke artsenorganisaties, de vzw Artsenbelang en de vzw Domus Medica, die tot stand kwam op grond van artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 11 februari 2010 tot vaststelling van de regels voor de medische verkiezingen zoals bedoeld in artikel 211, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
  10. Op basis van voormeld artikel bestaat VII-39.450-3/15 het doel van dergelijke groepering van twee afzonderlijke artsenorganisaties louter in de gemeenschappelijke vertegenwoordiging van deze organisaties in de organen van het RIZIV. Voorts noemt verzoekster de stelling van de verwerende partij als zou zij het aantal stemmen dat behaald werd bij de medische verkiezingen niet hebben aangewend om de zetelverdeling vast te leggen, volstrekt ongeloofwaardig. De verwerende partij stelt immers in haar schrijven van 29 mei 2015 dat AADM zich als “derde grootste artsensyndicaat” door twee plaatsvervangers mag laten vertegenwoordigen. Met “derde grootste artsensyndicaat” verwijst de verwerende partij, aldus verzoekster, naar de uitslag van de laatste medische verkiezingen waarbij AADM in vergelijking met BVAS en het Kartel het laagste aantal stemmen behaalde. Aangezien BVAS in vergelijking met AADM en het Kartel meer dan het dubbel aantal stemmen behaalde, zou BVAS dan ook recht hebben op meer dan slechts één vertegenwoordiger in de raad van bestuur van het KCE. Zij noemt het strijdig met “het vooropgestelde criterium voor de voordracht en de benoeming van de leden, namelijk het aantal stemmen dat werd behaald in het kader van de medische verkiezingen”, om maar één lid in de raad van bestuur van het KCE te benoemen dat BVAS vertegenwoordigt.
  11. In haar laatste memorie voegt verzoekster toe dat zowel de effectieve als de plaatsvervangende leden de agenda en de documenten van de raad van bestuur ontvangen, en dat ook een plaatsvervangend lid mogelijkheden tot tussenkomst heeft, zodat de in het auditoraatsverslag gegeven invulling aan de rol van een plaatsvervangend lid te eng is en er ten onrechte wordt van uitgegaan dat een plaatsvervangend lid nauwelijks een opdracht heeft. Het is volgens verzoekster niet redelijk om, ondanks het feit dat er voorafgaand aan 2 mei 2015 voor de vier plaatsen de namen van drie vrouwen en twee mannen zijn doorgegeven en dat AADM slechts 20,71 % van de stemmen behaalde tegenover 55,16 % voor BVAS en 22,45 % voor het Kartel, “rekening te houden met de namen van kandidaten die op 23 april 2015, laat staan op 2 mei VII-39.450-4/15 2015, niet gekend waren”. De naam van Dr. Van Pottelberg is door AADM pas doorgegeven op 26 mei 2015, en zonder dat was verduidelijkt of dit een effectief dan wel een plaatsvervangend lid was. Zij merkt voorts op dat de verwerende partij, indien zij meende dat de gevraagde “collegiale” voordracht niet volledig was, alle organisaties opnieuw had moeten uitnodigen om samen een collegiale voordracht te bewerkstelligen, en niet had mogen één organisatie uitnodigen of in elk geval toelaten haar kandidaturen aan te vullen. Zij had volgens haar evenzeer aan BVAS de mogelijkheid moeten bieden om opnieuw kandidaten op te geven. Beoordeling
  12. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat er voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan. Dit betekent onder meer dat die motieven steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Bovendien moet de overheid de gegevens die in rechte en in feite juist zijn, correct beoordelen en op grond van deze gegevens in redelijkheid tot een beslissing komen. Een beslissing schendt de materiëlemotiveringsplicht wanneer de motieven waarop ze steunt onjuist of onwettig zijn of de beslissing niet kunnen dragen. Het komt de Raad van State daarbij in principe niet toe het feitenonderzoek over te doen om zich aldus, wat de appreciatie van de zaak betreft, in de plaats te stellen van het bestuur. Het behoort daarbij wel tot de bevoegdheid van de Raad van State na te gaan of de ingeroepen feiten werkelijk bestaan indien ze worden betwist. Indien wordt geoordeeld dat de beslissing steunt op onbestaande, onvoldoende bewezen feiten, dan is de materiëlemotiveringsplicht geschonden. Te dezen beschikt de verwerende partij over een beoordelingsvrijheid zodat binnen de grenzen van de redelijkheid verschillende beslissingen mogelijk kunnen zijn. Uit arrest nr. 239.377 van de Raad van State van 12 oktober 2017 blijkt dat AADM wel degelijk beschouwd kan worden als een representatieve beroepsorganisatie van geneesheren die aanspraak kan maken op een VII-39.450-5/15 vertegenwoordiging in de raad van bestuur van het KCE op grond van artikel 270, § 1, eerste lid, 9°, en vijfde lid, van de programmawet (I) van 24 december
  13. Het stemmenaantal is in eerste instantie van belang geweest om te achterhalen welke beroepsorganisaties van geneesheren representatief waren, maar de rangschikking van deze drie representatief bevonden beroepsorganisaties van geneesheren in dalende volgorde van het aantal stemmen heeft ook een rol gespeeld bij de toewijzing van de effectieve en plaatsvervangende mandaten van lid van de raad van bestuur van het KCE, aangezien de twee effectieve mandaten toegekend werden aan de twee beroepsorganisaties met het meeste aantal stemmen. Dat de twee plaatsvervangende mandaten vervolgens worden toegekend aan de derde grootste representatieve beroepsorganisatie van geneesheren wordt door de verwerende partij gemotiveerd door te stellen dat er geen derde effectief lid kan worden benoemd en het in beginsel enkel de effectieve leden zijn die ook daadwerkelijk in de raad van bestuur zetelen, en dat het plaatsvervangend lid enkel bij afwezigheid van een effectief lid en dus per definitie bij uitzondering, daadwerkelijk kan zetelen. Om de kans dat een plaatsvervangend lid effectief zetelt in één van de vergaderingen van de raad van bestuur van het KCE enigszins te vergroten heeft de verwerende partij niet één maar twee plaatsvervangende leden aangewezen die AADM in de raad van bestuur kunnen vertegenwoordigen. Deze motieven zijn feitelijk juist en draagkrachtig. Deze redenering van de verwerende partij gaat niet de grenzen van de redelijkheid te buiten. Bij de verdeling van de vertegenwoordigers van de artsensyndicaten is het van doorslaggevend belang of het gaat om een stemgerechtigd lid of niet. De opmerking in de laatste memorie van verzoekster als zouden plaatsvervangers ook deelnemen aan zittingen buiten de afwezigheid van degene die zij vervangen, is dan ook niet van aard om de regelmatigheid van die aanduiding aan te tasten. VII-39.450-6/15 Dat verzoekster het niet eens is met de appreciatie vervat in de bestreden beslissing betekent geenszins dat de bestreden beslissing de materiëlemotiveringsplicht schendt. In tegenstelling tot wat verzoekster beweert, blijkt uit geen enkel stuk van het administratief dossier dat de verwerende partij er bij het nemen van de bestreden beslissing verkeerdelijk vanuit is gegaan dat AADM (en niet BVAS) “het meest representatief is voor het hele land”. Uit het schrijven van de verwerende partij van 29 mei 2015 blijkt daarentegen dat de verwerende partij uitgaat van het standpunt dat AADM, na BVAS en het Kartel, beschouwd moet worden als het “derde grootste artsensyndicaat”. AADM wordt in datzelfde schrijven van de verwerende partij ook pas als derde weergegeven in de opsomming van “de organisaties die het meest representatief zijn voor het hele land, dus de syndicaten met de meeste stemmen”. Ook al heeft BVAS slechts één effectief lid als vertegenwoordiger in de raad van bestuur van het KCE, dan nog kan met de verwerende partij worden besloten dat deze vertegenwoordiging veel meer doorweegt dan die van de twee niet stemgerechtigde vertegenwoordigers van AADM. De bestreden beslissing blijft om die reden binnen de grenzen van de redelijkheid en schendt de materiëlemotiveringsplicht niet. Zoals uit het onderzoek van het vierde en het vijfde middel blijkt, werd Dr. Gijs Van Pottelberg wel degelijk voorgedragen door AADM, zodat ook deze kritiek van verzoekster wordt weerlegd. Het tweede middel is niet gegrond. VII-39.450-7/15 B. Derde middel Standpunt van de partijen
  14. In een derde middel voert verzoekster de schending van het redelijkheidsbeginsel aan. Zij stelt dat de verwerende partij niet het door BVAS voorgedragen plaatsvervangend lid heeft benoemd in de raad van bestuur van het KCE, maar wel twee door AADM voorgedragen plaatsvervangende leden. Dit zou immers, volgens verzoekster, niet in overeenstemming zijn met het resultaat van de in 2014 georganiseerde medische verkiezingen. Zij verwoordt het middel in essentie aldus: “Het is dan ook duidelijk dat BVAS op grond van de resultaten van deze medische verkiezingen de meest representatieve artsenorganisatie is in België. Zij behaalt maar liefst meer dan het dubbel aantal van de stemmen die het Kartel en AADM behaalden. Verwerende partij heeft dan ook kennelijk onredelijk gehandeld door maar één lid in de raad van bestuur van het Kenniscentrum te benoemen die BVAS vertegenwoordigt. Ook al is het weliswaar een effectief lid, dan nog moet vastgesteld worden dat ook één effectief lid wordt benoemd dat voorgedragen werd door het Kartel. Het Kartel behaalde evenwel minder dan de helft van de stemmen van BVAS. Daarnaast - en vooral - worden twee plaatsvervangende leden benoemd voorgedragen door AADM, hoewel ook AADM minder dan de helft van de stemmen van BVAS behaalde. Geen ander naar kennis en kunde redelijk bekwaam en naar feitelijk optreden redelijk handelend bestuur zou beslissen op grond van de resultaten van de laatste medische verkiezingen dat BVAS maar vertegenwoordigd wordt in de raad van bestuur van het Kenniscentrum via één effectief lid, net zoals het Kartel, en dat AADM vertegenwoordigd wordt door twee plaatsvervangende leden. Een redelijk handelend bestuur zou verzoekende partij benoemd hebben als plaatsvervangend lid”.
  15. De verwerende partij werpt onder meer op dat verzoekster er geen belang bij heeft kritiek te uiten op het feit dat een door het Kartel voorgedragen vertegenwoordiger werd benoemd als tweede effectief lid van de raad van bestuur van het KCE. BVAS heeft immers geen twee kandidaat-effectieve leden voorgedragen, doch slechts één kandidaat-effectief lid en één kandidaat-plaatsvervangend lid. VII-39.450-8/15 Beoordeling
  16. De grieven in het kader van het derde middel komen overeen met de grieven die verzoekster heeft opgeworpen bij het tweede middel, dat hiervoren als ongegrond werd verworpen. De verwerende partij heeft te dezen de grenzen van de redelijkheid niet overschreden. Het derde middel is niet gegrond. C. Vierde middel Standpunt van de partijen
  17. In een vierde middel roept verzoekster de schending van het vertrouwensbeginsel in, omdat de verwerende partij haar eerder had meegedeeld dat zij bij het nemen van de bestreden beslissing in de mate van het mogelijke rekening zou houden met het evenwicht tussen mannen en vrouwen, terwijl dit niet het geval blijkt te zijn: er worden immers drie mannen benoemd en slechts één vrouw. Bovendien, zo stelt verzoekster, was het voor de verwerende partij op basis van de door de representatieve beroepsorganisaties van geneesheren voorgedragen kandidaten, perfect mogelijk om dit genderevenwicht te realiseren.
  18. In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster vast, na inzage van de stukken van het administratief dossier, dat de verwerende partij in haar brief van 3 april 2015 had aangegeven dat de kandidaturen voor de mandaten van lid van de raad van bestuur van het KCE uiterlijk op 23 april 2015 moesten ingediend zijn en dat de voordracht van Dr. Gijs Van Pottelberg door AADM pas op 26 mei 2015 gebeurde, en dus laattijdig. De verwerende partij had volgens haar geen rekening mogen houden met deze voordracht. Ook door het benoemen, als plaatsvervangend lid in de raad van bestuur, van Dr. Gijs Van Pottelberg die door AADM laattijdig werd voorgedragen, zou de verwerende partij het vertrouwensbeginsel schenden. VII-39.450-9/15
  19. In haar laatste memorie voegt verzoekster toe dat, zelfs indien de kandidaturen zoals meegedeeld op 26 mei 2015 namens AADM nog in aanmerking zouden kunnen worden genomen, uit een e-mail van 26 mei 2015 van AADM aan de minister van Sociale zaken en Volksgezondheid blijkt dat wel degelijk een man en een vrouw als kandidaat werden opgegeven, zodat de verwerende partij perfect kon kiezen wie zij als plaatsvervangend lid namens AADM zou nemen, zelfs indien men reeds het door BVAS voorgedragen effectief en plaatsvervangend lid had benoemd. Meer nog, volgens verzoekster voelde de verwerende partij zich bij de finale benoeming niet gebonden door het voorstel van AADM van een kandidaat. In een e-mail van 24 april 2015 was Dr. Olga Van der vloed immers als effectief lid voorgesteld en uiteindelijk heeft verwerende partij haar sowieso enkel als plaatsvervangend lid benoemd. Zoals ook bij het tweede middel merkt verzoekster voorts op dat, indien de verwerende partij meende dat de gevraagde “collegiale” voordracht niet volledig was, zij alle organisaties opnieuw had moeten uitnodigen om samen een collegiale voordracht te bewerkstelligen, en niet had mogen één organisatie uitnodigen of in elk geval toelaten haar kandidaturen aan te vullen. Zij zou evenzeer aan BVAS de mogelijkheid hebben moeten bieden om opnieuw kandidaten op te geven. Beoordeling
  20. De kritiek van verzoekster wat betreft het ogenblik waarop de kandidatuur van Dr. Gijs Van Pottelberg werd ingediend is gebaseerd op een stuk waarvan zij slechts kennis heeft gekregen ingevolge het indienen van de memorie van antwoord, vergezeld van het administratief dossier. Opdat verzoekster zich op een schending van het vertrouwensbeginsel zou kunnen beroepen, moeten er door de verwerende partij concrete toezeggingen zijn gedaan en moet zij het bewijs leveren dat het op grond van die toezeggingen gewekte vertrouwen als een rechtmatige verwachting moet kunnen worden aangemerkt. Indien een normaal voorzichtige en oplettende VII-39.450-10/15 representatieve beroepsorganisatie van geneesheren had moeten weten dat de gewekte verwachtingen eventueel niet zouden kunnen of mogen worden gehonoreerd, dan kan die organisatie zich niet op het vertrouwensbeginsel beroepen. Dit is des te duidelijker indien de verwerende partij zelf enig voorbehoud heeft geformuleerd in verband met de gewekte verwachtingen of zich in voorzichtige bewoordingen, in de voorwaardelijke wijs en in afwachting van bijkomende inlichtingen, tot deze organisatie heeft gericht. Uit het schrijven van de verwerende partij naar AADM, het Kartel en BVAS van 3 april 2015 blijkt vooreerst dat “[b]ij de eindkeuze van de bestuurders, […] rekening gehouden [zal] worden met het taalevenwicht en, in de mate van het mogelijke, met het evenwicht tussen mannen en vrouwen”. Hiermee heeft de verwerende partij bij BVAS niet het rechtmatig vertrouwen gewekt dat zij altijd rekening zou houden met het evenwicht tussen mannen en vrouwen, maar enkel dat ze hiermee in de mate van het mogelijke rekening zou houden. Uiteindelijk werden er twee mannen benoemd als effectief lid (namelijk de door BVAS en de door het Kartel als effectief lid voorgedragen kandidaten) en werden een man en een vrouw benoemd als plaatsvervangend lid (namelijk de twee kandidaten die door AADM werden voorgedragen). Aangezien de verwerende partij verplicht is kandidaten te benoemen die werden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van geneesheren, wordt de keuzevrijheid van de verwerende partij hierdoor beperkt. Daarnaast bepaalt ook de wijze van zetelverdeling waarvan hoger werd aangegeven dat deze niet kennelijk onredelijk is, welke door de representatieve beroepsorganisaties van geneesheren voorgedragen kandidaten als effectief of als plaatsvervangend lid zullen worden benoemd. Hieruit volgt dat de bestreden beslissing het vertrouwensbeginsel niet schendt doordat twee mannen werden benoemd tot effectief lid en een man en een vrouw tot plaatsvervangend lid. De verwerende VII-39.450-11/15 partij toont immers aan dat ze “in de mate van het mogelijke” rekening heeft gehouden met het evenwicht tussen mannen en vrouwen. De kritiek met betrekking tot het onevenwicht tussen mannen en vrouwen en de beweerde schending van het vertrouwensbeginsel die daaruit zou voortvloeien, kan niet worden aangenomen. Uit het schrijven van de verwerende partij naar AADM, het Kartel en BVAS van 3 april 2015 blijkt dat het de bedoeling van de verwerende partij was om van de drie representatieve beroepsorganisaties van geneesheren “ten laatste op donderdag 23 april 2015” een collegiale voordracht van vier kandidaturen te ontvangen, namelijk een voordracht van twee effectieve en twee plaatsvervangende leden die door de drie representatieve beroepsorganisaties van geneesheren, na onderling overleg, gezamenlijk zou worden ingediend en gesteund. In tegenstelling tot wat verzoekster doet uitschijnen is de uiterste datum van 23 april 2015 dan ook verbonden aan deze gezamenlijke voordracht en had deze datum geen betrekking op eventuele latere individuele voordrachten. De door verzoekster opgeworpen kritiek met betrekking tot de laattijdige indiening van de kandidatuur van Dr. Gijs Van Pottelberg kan dan ook evenmin worden aangenomen. Het vertrouwensbeginsel is bijgevolg niet geschonden doordat de verwerende partij alsnog rekening heeft gehouden met de door AADM op 26 mei 2015 ingediende voordracht van Dr. Gijs Van Pottelberg. Het vierde middel is niet gegrond. VII-39.450-12/15 D. Vijfde middel Standpunt van de partijen
  21. In een vijfde middel voert verzoekster de schending aan van artikel 270, § 1, eerste lid, 9°, samen gelezen met artikel 270, § 1, vijfde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002 omdat één van de door de Koning benoemde plaatsvervangende leden, volgens verzoekster, niet door AADM werd voorgedragen, en ook niet door een representatieve beroepsorganisatie van geneesheren.
  22. Na inzage van het administratief dossier stelt verzoekster in haar memorie van wederantwoord vast dat Dr. Gijs Van Pottelberg inderdaad door AADM werd voorgedragen, maar benadrukt zij dat AADM niet kan worden beschouwd als een representatieve beroepsorganisatie van geneesheren.
  23. In haar laatste memorie voegt zij nog toe dat de bestreden beslissing, door rekening te houden met een voordracht die pas op 26 mei 2015 werd gedaan, de in het middel genoemde wetsbepalingen schendt. Beoordeling
  24. Artikel 270, § 1, eerste lid, 9°, van de programmawet (I) van 24 december 2002 schrijft voor dat twee effectieve leden van de raad van bestuur worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van geneesheren. Artikel 270, § 1, vijfde lid, stelt voorts dat de plaatsvervangers voor deze leden “onder dezelfde voorwaarden” worden benoemd. Dit houdt in dat zij eveneens op voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van geneesheren worden benoemd. Dr. Gijs Van Pottelberg werd benoemd op voordracht van AADM, zoals blijkt uit een e-mailbericht van AADM aan de verwerende partij van VII-39.450-13/15 26 mei 2015, en zoals ook verzoekster vaststelt na kennisname van het administratief dossier. Zoals de Raad van State heeft overwogen in zijn arrest nr. 239.377 van 12 oktober 2017 en reeds werd vermeld bij de beoordeling van het tweede middel, blijkt bovendien dat AADM moet worden beschouwd als een representatieve beroepsorganisatie van geneesheren. Zonder dat moet worden ingegaan op de exceptie die de verwerende partij in haar laatste memorie opwerpt wegens de herformulering van het middel in de laatste memorie van verzoekster, stelt de Raad vast dat de in het middel genoemde bepalingen om de redenen aangehaald bij de beoordeling van het tweede en het vierde middel, niet zijn geschonden. Het vijfde middel is niet gegrond. BESLISSING
  25. De Raad van State verwerpt het beroep.
  26. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-39.450-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.450-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.081 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.377 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.