← België

Arrest 247111 - Dierenwelzijn - 21/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.111 Rolnummer: A. 230254/VII-40772 Zaak: Arrest 247111 - Dierenwelzijn - 21/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-02-21 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-26 03:02 Fiche Arrest nr 247.111 van 21 februari 2020 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 247.111 van 21 februari 2020 in de zaak A. 230.254/VII-40.772 In zake:

  1. Melda OZEL
  2. Stephen Michael OZEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Godfroid kantoor houdend te 2970 „s-Gravenwezel Drijverslaan 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge - Sint-Kruis Karel Van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 18 februari 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (hierna: FAVV) van 14 februari 2020 tot het in beslag nemen en onder quarantaine plaatsen van tien niet-raskatten die op weg waren naar het Verenigd Koninkrijk met tussenstop in Zaventem (Brussels Airport) De katten zijn in beslag genomen in de luchthaven zelf bij beslissing van het FAVV. VII-40.772-1/6 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 februari
  5. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Anthony Godfroid, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Frédérick Valcke, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  6. III. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII-40.772-2/6 IV. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  8. De verzoekende partijen zetten daarover het volgende uiteen: “In deze zaak wensen verzoekende partijen te verwijzen naar de gelijkaardige zaak nr 242.344 (arrest van 14 september 2018 in de zaak A.226.135/VII-40.
  9. De bestreden akte - waar verzoekende partijen dus tot op heden geen schriftelijke neerslag van hebben - houdt in dat de dieren „vast zitten‟ in Brussel met risico om teruggestuurd te worden naar Qatar. Het is allerminst uitgesloten dat het FAVV wacht op een geschikte terugvlucht. Deze zaak is dan ook hoogdringend. Als de dieren zijn teruggestuurd naar Qatar hebben verzoekende partijen niet het minste idee wat er daar met hen zou gebeuren: de kans is zeer reëel dat ze daar lokaal zouden geëuthanaseerd worden, wat evident schade zou uitmaken die niet meer terug te draaien is aangezien het leven van een kat uniek is”. Beoordeling
  10. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid brengt een ernstige verstoring teweeg in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende partij(en) aanzienlijk in het gedrang. Daarom moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Dit laatste impliceert dat de verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende VII-40.772-3/6 noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure onherroepelijk te laat zal komen én dat zij als eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. De verzoekende partij moet dus op heldere en overtuigende wijze de feiten en omstandigheden, die aantonen dat de zaak niet verenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing uiteenzetten, ze aannemelijk maken en ze in de tijd situeren. Uit de summiere uiteenzetting blijkt niet concreet welke voor hen nadelige elementen de verzoekende partijen door middel van hun vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid ongedaan willen maken. V. Kosten De kosten dienen ten laste van de verzoekende partijen te worden gelegd. Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en een bijdrage van 20 euro per verzoekende partij, zoals bepaald bij artikel 66, 6°, van het algemeen procedurereglement. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot nietigverklaring van de wet van 19 maart 2017 „tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand‟ en van de wet van 26 april 2017 „houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft‟, de VII-40.772-4/6 woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april
  11. Bijgevolg is er, op grond van de erga omnes en retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. BESLISSING
  12. De Raad van State verwerpt de vordering.
  13. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient aan de verzoekende partijen te worden terugbetaald. VII-40.772-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.772-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.111 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.