id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.138 Rolnummer: A. 224014/XIV-37589 Zaak: Arrest 247138 - Varia (justitie) - 25/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-02 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-26 03:03 Fiche Arrest nr 247.138 van 25 februari 2020 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.138 van 25 februari 2020 in de zaak A. 224.014/XIV-37.589 In zake : Joseph SEMPELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
(3)wel is gesteund op een verkeerde gevolgtrekking (met name. dat XIV-37.589-4/14 feitelijkheden uit het verleden terug relevant zouden zijn ingevolge de beweerde problematiek van september 2017 terwijl die niet vaststaat). 5. De verwerende partij wijst in de memorie van antwoord vooreerst op haar ruime discretionaire beoordelingsvrijheid en de beoordelingsbevoegdheid ter zake door de Raad van State. De verwerende partij wijst erop dat de lokale politie en de procureur des Konings haar een anonieme klacht ter kennis brachten uitgaande van buurtbewoners en waarin verschillende feiten zijn vermeld. Het komt volgens de verwerende partij niet aan haar toe om een onderzoek ernaar te voeren doch wel om alle nuttige informatie te bekomen die van nut is om het potentiële gevaar voor de openbare orde te kunnen beoordelen. De procureur des Konings achtte het noodzakelijk een grondig opsporingsonderzoek te voeren en in dat kader meende hij zijn advies te wijzigen naar ongunstig. In deze zin kan het volgens de verwerende partij haar niet worden verweten voorzichtig te zijn geweest en het verloop van het strafonderzoek af te wachten. De informatie was nog te recent om er een definitief oordeel over te vellen, maar de procureur des Konings oordeelde evenwel dat het reeds nodig was zijn advies te wijzigen naar ongunstig. Volgens de verwerende partij zijn, zoals uiteengezet in de bestreden beslissing die zij ter zake citeert, de door verzoeker aangebrachte elementen niet overtuigend om de in de klachtbrief en het proces-verbaal vermelde ontrustende elementen te ontkrachten en om aldus de twijfels weg te nemen die de schorsing rechtvaardigen. De verwerende partij stelt voorts dat zij er niet voor heeft gekozen om verzoeker te betichten van de feiten en misdrijven waarvan sprake, doch wel om uit voorzichtigheid wegens het openbaar belang, het wapenbezit op te schorten in afwachting van de resultaten van het onderzoek. Zij besluit dat, als verzoeker zich niets te verwijten heeft, hij zich geen zorgen moet maken. Beoordeling 6. Verzoeker voert in het middel in het bijzonder de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. Het is deze grief die hierna wordt onderzocht. XIV-37.589-5/14 7. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Ter beoordeling van deze grief moet ook worden gewezen op artikel 30, eerste lid, van de wapenwet, dat luidt: “Beroep staat open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde in geval van het ontbreken van een beslissing van de gouverneur binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen, of tegen de beslissingen van de gouverneur tot weigering, beperking, schorsing of intrekking van een erkenning, een vergunning of een recht, behalve tegen beslissingen inzake onontvankelijke aanvragen. Op straffe van onontvankelijkheid wordt het gemotiveerd verzoekschrift aangetekend verzonden aan de federale wapendienst uiterlijk vijftien dagen na vaststelling dat er geen beslissing werd genomen binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen of na kennisname van de beslissing van de gouverneur, vergezeld van een kopie van de bestreden beslissing. De uitspraak wordt gedaan binnen zes maanden na de ontvangst van het verzoekschrift.” Dit voorschrift bepaalt een georganiseerd administratief beroep bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde tegen het in de voormelde bepaling opgesomde stilzitten of opgesomde beslissingen van de gouverneur (Cf. GwH 19 december 2007, nr. 154/2007, punt B.60.1). Door de devolutieve werking van het georganiseerd beroep verwerft de beroepsinstantie op grond van deze bepaling de beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Zij kan aldus op dezelfde wijze als de gouverneur het recht om een wapen voorhanden te hebben, beperken, schorsen of intrekken, indien blijkt dat dit voorhanden hebben de openbare orde kan verstoren. XIV-37.589-6/14 Geconcretiseerd op het voorliggende beroep, impliceert het voormelde materiëlemotiveringsbeginsel aldus dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch van welke criteria, de mogelijke verstoring van de openbare orde moet worden beoordeeld. De beroepsinstantie heeft bij de beoordeling van de vraag of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren, bijgevolg een discretionaire bevoegdheid, zowel op het vlak van het bewezen verklaren van de feiten waarop zij zich steunt om tot dit oordeel te komen, als op het vlak van de kwalificatie van die feiten als gronden tot het beoordelen van de verstoring van de openbare orde. Aangezien de wapenwet inzake het bewezen verklaren van de feiten geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de beroeps- instantie op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het dossier om tot haar overtuiging te komen. Zij mag zich daarbij niet alleen steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enzovoort. Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om desgevraagd zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de feiten waarop de beroepsinstantie zich steunt om tot haar oordeel te komen, noch van de vraag of deze feiten waarvan het bestaan naar behoren is bewezen, in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde XIV-37.589-7/14 wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 8. De bestreden beslissing besluit dat “op basis van voornoemde elementen”, de minister van Justitie van oordeel is dat er voldoende elementen aanwezig zijn om - met het oog op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid - een maatregel op te leggen en dat het “rekening houdend met het feit dat er lastens [verzoeker] nog een relevant onderzoek lopende is”, opportuun is “om over te gaan tot de schorsing van uw vergunningen en/of het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens in afwachting van het resultaat hiervan.” De formele motivering voor deze maatregel is luidens de bestreden beslissing de volgende: “Op basis van de stukken aanwezig in het administratieve dossier kan worden besloten dat het voorhanden hebben van vuurwapens in uw hoofde een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden. Concreet kan verwezen worden naar het recent proces-verbaal LE.45.99.[XXXX]4/2017 inzake burenconflicten. Naar aanleiding van een aantal klachten werd aan de lokale politie zone Hageland de opdracht gegeven om een grondig onderzoek uit te voeren naar uw persoon. In zijn advies van 17 november 2017 heeft de procureur des Konings te Leuven de federale wapendienst laten weten dat dit strafdossier nog in vooronderzoek is. Uit het proces-verbaal is gebleken dat het lopende onderzoek betrekking heeft op een ernstige conflictsituatie tussen u en diverse andere personen uit uw omgeving, waarbij tevens sprake is van een agressieve ingesteldheid in hoofde van uw persoon, en zelfs van strafbare feiten zoals het uiten van bedreigingen. In tegenstelling tot wat u in uw verweerschrift heeft aangehaald betreft het geen anonieme klachten. De identiteit van de betrokken personen is wel degelijk bekend bij de bevoegde lokale politie. De betrokken personen wensen enkel dat hun identiteit niet verder bekend wordt gemaakt uit angst voor represailles van uwentwege. De verwijzing naar het verslag van een forensisch psycholoog d.d. 16 april 2012 is evenmin een garantie dat or geen problemen zouden kunnen zijn met uw algemene moraliteit en persoonlijkheid. De feiten uit het verleden hebben dit reeds voldoende aangetoond, en bovendien dateert het verslag van ruim vijf jaar geleden zodat de inhoud hiervan geen actuele toestand weergeeft. Hoe dan ook, de aanwezigheid van een conflictsituatie in combinatie met wapenbezit betekent zeer zeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Het risico dat een conflict tussen u en een buur en/of een toevallige derde zou kunnen leiden tot emotionele reacties kan niet worden uitgesloten. De onmiddellijke aanwezigheid van een vuurwapen kan in dergelijke situaties leiden tot een impulsieve daad met eventueel desastreuze gevolgen. Met het oog op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid, en rekening houdend met het feit dat een van de belangrijkste doelstellingen van de nieuwe XIV-37.589-8/14 wapenwetgeving net het beschermen van de samenleving en het vermijden van ongelukken is, is de minister van Justitie van oordeel dat een maatregel ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid zich opdringt. De minister van Justitie is de mening toegedaan dat er thans onvoldoende garanties zijn. De aangehaalde problematiek dateert van september 2017, en is bijgevolg veel te recent om te concluderen dat er geen sprake is van enig probleem. Bovendien is dit strafdossier nog in onderzoek waardoor er niet gesteld kan worden dat het zoals u zelf stelt zou gaan om onterechte klachten. Wanneer dan ook nog rekening wordt gehouden met uw verleden kan op zijn minst worden besloten dat er twijfel bestaat inzake de wijze waarop u zal reageren indien or zich daadwerkelijk problemen of spanningen zouden voordoen. Wanneer het echter gaat om het bezit van vuurwapens kan de aanwezigheid van twijfel niet in uw voordeel worden beslecht. De vrijwaring van de openbare orde en veiligheid primeert immers.” Uit de bestreden beslissing blijkt aldus dat de verwerende partij haar beoordeling van de vraag of het voorhanden hebben door verzoeker van wapens de openbare orde kan verstoren, steunt op het proces-verbaal LE.45.99.[XXXXX]4/2017 en waaromtrent een opsporingsonderzoek loopt. 9. Op grond van de hiervoor geschetste discretionaire bevoegdheid (zie supra, punt 7) mag de beroepsinstantie zich bij de concrete afweging van de in aanmerking te nemen feiten die er volgens haar op wijzen dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren, in beginsel steunen op de informatie ingewonnen door de politiediensten en opgenomen in het voornoemde proces-verbaal, alsook op de in het loop van het opsporingsonderzoek bekomen feiten. Zij beoordeelt hierbij op discretionaire wijze de bewijswaarde van de verkregen informatie om tot haar overtuiging te komen. Het betrokken proces-verbaal noch de (anonieme) klacht(
- en)hebben evenwel een bijzondere bewijswaarde. De omstandigheid dat het strafdossier ter zake op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing nog in vooronderzoek is, leidt niet tot een andere vaststelling. Een opsporingsonderzoek is luidens artikel 28bis, § 1 van het wetboek van Strafvordering, het geheel van de handelingen die ertoe strekken de misdrijven, hun daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die dienstig zijn voor de uitoefening van de strafvordering. De omstandigheid dat (bepaalde) feiten en handelingen gerelateerd in het betrokken proces-verbaal het XIV-37.589-9/14 voorwerp uitmaken van een nog lopend opsporingsonderzoek, verleent aldus evenmin een hogere bewijswaarde aan die feiten. Zulks betekent dat de beroepsinstantie zelf de bewijswaarde moet beoordelen van de in het voornoemde proces-verbaal vervatte feiten en handelingen, waarbij ze inzonderheid de overige gegevens uit het dossier met betrekking tot deze feiten, eveneens bij haar beoordeling van de bewijswaarde ervan moet betrekken. 10. Te dezen blijkt dat de beroepsinstantie uit de informatie vervat in het voornoemde proces-verbaal afleidt dat er sprake is van een ernstige conflictsituatie tussen verzoeker en diverse andere personen uit zijn omgeving, “waarbij tevens sprake is van een agressieve ingesteldheid in hoofde van [verzoeker] en zelfs van strafbare feiten zoals het uiten van bedreigingen.” Het voornoemde proces-verbaal bevat “info” die de wijkinspecteur luidens het proces-verbaal te weten is gekomen over verzoeker na het voeren van een “heel discrete bevraging […] waarbij onze diensten over de identiteiten beschikken doch op hun uitdrukkelijke vraag anonimiteit verlenen aangaande dit onderzoek”. De in het proces-verbaal vermelde gegevens betreffen in wezen algemene, eenzijdig ingewonnen informatie inzake verzoekers moraliteit en persoonlijkheid afkomstig van niet nader genoemde derden. Niet blijkt dat die in het proces-verbaal opgesomde info en klachten door de politiediensten of door de beroepsinstantie nader werden gecontroleerd op hun bewijswaarde, noch blijkt dat die info wordt ondersteund door bijgebrachte concrete stukken of klachten of door de voornoemde diensten gerelateerd zijn aan specifieke klachten of feiten betreffende verzoeker. Voorts vindt die algemene informatie geen steun in de overige aan de Raad van State overgelegde stukken, noch werd ze bevestigd of ondersteund door eigen onderzoek vanwege de beroepsinstantie. XIV-37.589-10/14 Voorts blijkt uit het administratief dossier dat verzoeker tijdens de administratieve procedure en meer bepaald in zijn e-mail van 29 november 2017 in het kader van het hoorrecht, heeft gesteld dat hij alle aantijgingen betwist, dat het niet opgaat dat “de overheid zich steunt op eenzijdige verklaringen van niet bij naam genoemde personen betreffen […] en die [verzoeker] in een slecht daglicht plaatsen, zonder dat die feiten nader worden gepreciseerd op een manier dat [verzoeker] hierover tegenspraak zou kunnen voeren.” Voorts werd aangevoerd dat de maatregelen “altijd moeten steunen op genoegzaam vaststaande feiten, niet op basis van niet nader gecontroleerde en onbewezen verklaringen en verdachtmakingen.” De verwerende partij vermag weliswaar de ontkenning door verzoeker van de door haar aangevoerde conflictsituatie waarderen en op haar geloofwaardigheid toetsen, doch te dezen beperkt zij zich tot de blote bemerking dat “uit het proces-verbaal is gebleken dat het lopende onderzoek betrekking heeft op een ernstige conflictsituatie tussen [verzoeker] en diverse andere personen uit verzoekers omgeving, waarbij tevens sprake is van een agressieve ingesteldheid in hoofde van [verzoeker] en zelfs van strafbare feiten zoals het uiten [van] bedreigingen”, zonder dat zij mede in haar overweging of waardering de bewijswaarde betrekt van de verkregen informatie waarop zij steunt en de ter zake door verzoeker geuite kritiek dat het, samengevat, over door verzoeker onverifieerbare algemene informatie gaat betreffende zijn moraliteit die hij ten stelligste ontkent, noch waarom, volgens haar, meer gezag dient te worden verleend aan het proces-verbaal van inlichting dan aan verzoekers standpunt. 11. Uit wat voorafgaat volgt dat de bestreden beslissing steunt op feiten die de verwerende partij als waar heeft aangenomen en waarvan zij niet aannemelijk maakt dat die feiten bewezen zijn. 12. De overige door de verwerende partij in haar memorie van antwoord aangehaalde argumenten leiden niet tot een andere conclusie. XIV-37.589-11/14 Alwaar de verwerende partij in de memorie van antwoord doet gelden dat het haar niet kan worden verweten voorzichtig te zijn geweest en het verloop van het strafonderzoek te hebben afgewacht omdat de informatie nog te recent was, heeft dit verweer in wezen betrekking op de keuze van en de evenredigheid van de genomen maatregel van schorsing en niet op de gegrondheid ervan. De bestreden beslissing heeft te dezen als voorwerp de schorsing van zowel het recht om vuurwapens voorhanden te houden als van de eventuele vergunningen waarover verzoeker inmiddels zou beschikken. Het betreft derhalve één van de drie maatregelen die de gouverneur, en in administratieve aanleg, de beroepsinstantie kan nemen indien het voorhanden hebben van wapens een gevaar kan opleveren voor de openbare orde: de intrekking, de schorsing dan wel de beperking van de vergunningen of het voorhanden hebben van wapens. Anders dan in, bijvoorbeeld, het in artikel 28, § 2, van de wapenwet voorziene geval van preventieve inbeslagneming in afwachting van een beslissing tot intrekking, schorsing of beperking terzake, is de thans voorliggende schorsing van het voorhanden houden van wapens geen voorlopige of preventieve schorsing bij ordemaatregel in afwachting van, te dezen het resultaat van het lopende (straf)onderzoek. Hieruit volgt dat de feiten die volgens de beroepsinstantie aantonen dat een vergunning of het voorhanden hebben van wapens een gevaar kan opleveren voor de openbare orde, moeten bestaan en in rechte bewezen zijn op het ogenblik dat beslist wordt. In de mate dat de verwerende partij met dat verweer aangeeft dat “de informatie[…] nog te recent [was] om erover een definitief oordeel te vellen”, belet zulks dus niet dat ook op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, de feiten waarop de schorsing als maatregel steunt, afdoende moeten bestaan en in rechte moeten bewezen zijn vooraleer de maatregel van de schorsing wordt genomen. Het argument dat het de verwerende partij niet toekomt een onderzoek naar de voorliggende situatie te voeren, staat er niet aan in de weg dat zij in het licht van de materiëlemotiveringsplicht de bewijswaarde van de haar voorgelegde feiten moet beoordelen in de zin als hiervoor is aangegeven. Het argument tot slot dat de door verzoeker aangebrachte elementen niet overtuigend XIV-37.589-12/14 zijn om de in de klachtbrief en het proces-verbaal vermelde verontrustende elementen te ontkrachten, draait in wezen de bewijslast om. Het komt immers de verwerende partij toe aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing steunt op afdoende vaststaande feiten. Hiervoor is vastgesteld dat zulks niet het geval is. 13. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verwerende partij niet doet blijken dat in rechte vaststaande feiten ter verantwoording van de bestreden beslissing voorliggen. 14. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 6 december 2017 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 2 december 2016. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. XIV-37.589-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.589-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.138 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.054 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div