← België

Arrest 247140 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.140 Rolnummer: A. 226218/XIV-37816 Zaak: Arrest 247140 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-09 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-26 03:04 Fiche Arrest nr 247.140 van 25 februari 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.140 van 25 februari 2020 in de zaak A. 226.218/XIV-37.816 In zake : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sabiye Köse kantoor houdend te 3600 Genk André Dumontlaan 210 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 21 september 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 207.868 van 20 augustus 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.031 van 11 oktober 2018. Verweerster heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.816-1/8 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2019. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Brecht Heirman, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Verweerster dient op 22 september 2015 een asielaanvraag in. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist op 27 februari 2018 dat verweerster niet als vluchteling kan worden erkend en dat zij niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Op 13 maart 2018 tekent verweerster tegen de voornoemde weigeringsbeslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. XIV-37.816-2/8 Met een arrest van 20 augustus 2018 weigert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vluchtelingenstatus aan verweerster doch kent hij haar wel de subsidiaire beschermingsstatus toe. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen 4. De verzoekende partij werpt in een eerste middel de schending op van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 39/65 en 48/6 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en van de jurisdictionele motiveringsplicht. De verzoekende partij voert in een eerste middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat verweersters Syrische nationaliteit op zich niet wordt betwist en dat een ruime toepassing van het voordeel van de twijfel gerechtvaardigd is. Nochtans laat artikel 48/6 van de vreemdelingenwet enkel toe het voordeel van de twijfel toe te kennen aan een asielzoeker wiens algemene geloofwaardigheid is komen vast te staan. Volgens de verzoekende partij volgt uit deze bepaling dat, wanneer een asielzoeker bepaalde aspecten van zijn verklaringen niet staaft met schriftelijke of andere bewijzen, deze aspecten geen bevestiging behoeven indien en voor zover is voldaan aan meerdere cumulatieve voorwaarden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest echter dat louter het feit dat de Syrische nationaliteit niet wordt betwist, volstaat om toepassing te maken van “het voordeel van de twijfel”. De verzoekende partij licht toe dat de in artikel 48/6, § 4, e), van de vreemdelingenwet opgenomen voorwaarde betrekking heeft op het algehele gedrag van een verzoeker in het kader van zijn verzoek om internationale bescherming en niet op de geloofwaardigheid van slechts één XIV-37.816-3/8 deelaspect van zijn asielrelaas. Het voordeel van de twijfel kan niet worden toegekend wanneer de geloofwaardigheid van het asielrelaas kan worden vastgesteld voor één deelaspect van het asielrelaas en tegelijk wordt bevestigd dat alle andere aangehaalde elementen van het asielrelaas ongeloofwaardig zijn. Volgens de verzoekende partij wordt artikel 48/6 van de vreemdelingenwet geschonden met het bestreden arrest door aan te geven dat de geloofwaardigheid van één aspect van het asielrelaas de toepassing van het voordeel van de twijfel rechtvaardigt en tegelijkertijd te bevestigen dat de andere elementen van het asielrelaas ongeloofwaardig zijn. 5. Verweerster stelt in de memorie van antwoord dat zij afdoende gegevens bijbrengt aangaande de gegrondheid van haar vrees voor vervolging in Syrië. Het onderdeel van het gehoor betreffende verweersters vluchtroute en de plaatsen waar zij heeft verbleven vóór haar komst in België, is op zich niet doorslaggevend om haar al dan niet als vluchteling te erkennen. Verweerster is van oordeel dat de vaststellingen en overwegingen van de verzoekende partij niet volstaan om te besluiten dat verweerster haar Syrische afkomst en nationaliteit niet aannemelijk zou maken. Zij licht haar afkomst, situatie en vluchtroute uitgebreid toe. 6. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het middel. Zij voegt toe dat verweerster een omstandige feitelijke uiteenzetting geeft, die de Raad van State als administratieve cassatierechter niet vermag te beoordelen. Verweerster gaat niet in op de inhoud van het middel of van het bestreden arrest, zodat haar uiteenzetting niets afdoet aan de vaststelling dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een verkeerde toepassing heeft gemaakt van artikel 48/6, § 4, van de vreemdelingenwet. XIV-37.816-4/8 Beoordeling 7. Artikel 48/6, § 4, van de Vreemdelingenwet luidt: “Wanneer de verzoeker bepaalde aspecten van zijn verklaringen niet staaft met schriftelijke of andere bewijzen, behoeven deze aspecten geen bevestiging indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan :

  1. a)de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;
  2. b)alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn voorgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere bewijskrachtige elementen;
  3. c)de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met de algemene en specifieke informatie die gekend en relevant is voor zijn verzoek;
  4. d)de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, of hij heeft goede redenen kunnen aanvoeren waarom hij nagelaten heeft dit te doen;
  5. e)de algemene geloofwaardigheid van de verzoeker is komen vast te staan.” Er wordt derhalve uitdrukkelijk bepaald dat, wanneer een verzoeker om internationale bescherming bepaalde aspecten van zijn verklaringen niet staaft met bewijzen, deze aspecten geen bevestiging behoeven indien aan vijf “cumulatieve voorwaarden” is voldaan. Bovendien wordt in artikel 48/6, § 1, van de vreemdelingenwet bepaald dat de door een verzoeker om internationale bescherming aan te brengen elementen onder meer omvatten “de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie of stukken in zijn bezit met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit(en), leeftijd, achtergrond, ook die van de relevante familieleden, land(
  6. en)en plaats(
  7. en)van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumentatie en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient” en dat het ontbreken van de voornoemde elementen “een negatieve indicatie [vormt] met betrekking tot de algehele geloofwaardigheid van verzoekers relaas, tenzij de verzoeker een bevredigende verklaring heeft gegeven voor het ontbreken ervan”. XIV-37.816-5/8 8. In punt 3.5 van het bestreden arrest wordt het in artikel 48/6, § 4, van de vreemdelingenwet vermeld cumulatief karakter van de voorwaarden ook letterlijk bevestigd. Vervolgens wordt in punt 3.6 van het bestreden arrest echter overwogen: “Uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de Syrische nationaliteit van verzoekster op zich niet wordt betwist. Verzoekster biedt dan wel geen zicht op het tijdstip waarop zij Syrië definitief heeft verlaten, op de plaatsen waar zij vóór haar komst naar België verbleven heeft en op haar daadwerkelijke profiel en haar burgerlijke staat, schept evenmin klaarheid over haar reisweg naar Europa en legt documenten neer waarover zij zelf verklaart dat ze op frauduleuze wijze werden verkregen, zoals uitvoerig wordt uiteengezet in de bestreden beslissing, doch de Raad ontwaart in het administratief dossier niet het minste begin van bewijs waaruit kan worden afgeleid dat zij naast de Syrische tevens een andere nationaliteit zou bezitten dan wel dat zij elders eventueel over een verblijfsrecht zou beschikken of reeds een beschermingsstatus zouden bekomen hebben. De Raad is dan ook van oordeel dat in casu een ruime toepassing van het voordeel van de twijfel gerechtvaardigd is.” 9. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de toepassing van het voordeel van de twijfel steunt op de geloofwaardigheid van één aspect van het asielrelaas doch ook vaststelt dat de andere - of een aantal andere - aangehaalde elementen uit het asielrelaas ongeloofwaardig zijn. Eén van de cumulatief opgesomde voorwaarden in artikel 48/6, § 4, van de vreemdelingenwet vormt “de algemene geloofwaardigheid” van de verzoeker om internationale bescherming. Vermits uit het bestreden arrest zelf blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van die algemene geloofwaardigheid, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet op wettige wijze toepassing maken van het door die bepaling voorziene voordeel van de twijfel op grond van slechts één aspect van het asielrelaas, namelijk verweersters Syrische nationaliteit. 10. Het eerste middelonderdeel is gegrond en deze vaststelling volstaat voor de cassatie van het bestreden arrest. XIV-37.816-6/8 V. Begroting van de rechtsplegingsvergoeding 11. In het verzoekschrift tot cassatie en de memorie van wederantwoord vraagt de verzoekende partij verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro. Met toepassing van artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt dat bedrag herleid tot 140 euro. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 207.868 van 20 augustus 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. 3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 4. Verweerster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. XIV-37.816-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.816-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.140 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.