← België

Arrest 247150 - Natuurbehoud - Vergunningen - 27/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.150 Rolnummer: A. 220757/VII-39838 Zaak: Arrest 247150 - Natuurbehoud - Vergunningen - 27/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-03 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-26 03:04 Fiche Arrest nr 247.150 van 27 februari 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.150 van 27 februari 2020 in de zaak A. 220.757/VII-39.838 In zake : Geroen DE SMET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Carlé kantoor houdend te 9160 Lokeren Gentse Steenweg 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. de ADMINISTRATEUR-GENERAAL VAN HET AGENTSCHAP VOOR NATUUR EN BOS
  2. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 117 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 21 november 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos van 21 september 2016 houdende weigering van het verzoek tot ontheffing van het verbod op ontbossing met betrekking tot percelen gelegen te Sint-Niklaas. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De tweede verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-39.838-1/15 Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 januari
  5. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Luc Carlé, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Dirk Abbeloos, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Verzoeker is valkenier van beroep. 3.
  8. In het kader van een aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het regulariseren van vogelkooien, ging hij in 2011 over tot het rooien van bomen in agrarisch gebied, op percelen gelegen te Sint-Niklaas, afdeling 6, sectie F, nrs. 342/G (deels), 341/A, 344/A en 344/B. 3.
  9. Op 27 december 2011 verkrijgt verzoeker de gevraagde stedenbouwkundige vergunning voor de percelen nrs. 341/A en 342/G. VII-39.838-2/15 3.
  10. Op 20 februari 2015 dient hij een tweede aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in voor de bouw van schuilhokken en vogelkooien op percelen, kadastraal gekend als sectie F, nrs. 341/A, 342/G, 344/A en 344/B. 3.
  11. Bij besluit van 18 mei 2015 wordt die vergunningsaanvraag, na een ongunstig advies van het Agentschap voor Natuur en Bos, geweigerd. Het ongunstig advies is gebaseerd op een navolgend proces-verbaal van 14 januari 2015 waarin onder meer wordt vastgesteld dat de stamomtrek van een dode fijnspar op een van de betrokken percelen anderhalve meter op borsthoogte bedroeg. 3.
  12. Tegen deze weigeringsbeslissing stelt verzoeker op 19 juni 2015 beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. 3.
  13. Met een besluit van 10 september 2015 verwerpt de deputatie het bestuurlijk beroep van verzoeker. 3.
  14. Op 24 mei 2016 wordt verzoeker gehoord door een gewestelijke toezichthouder van het Agentschap voor Natuur en Bos. In het proces-verbaal worden onder meer de volgende verklaringen van verzoeker geakteerd: “Vraag 6: Bent u erkend als landbouwer? Antwoord: neen, ik ben geen erkend landbouwer maar ben wel erkend als para-agrarisch bedrijf Vraag 7: Waarom vraagt u dan geen ontheffing aan op het verbod van ontbossing? Antwoord: u heeft mij er toen ook over gesproken en ik heb overlegd met mijn raadsheer en ik volg nu die zijn raad op. U geeft mij nogmaals de uitleg over de aanvraag van een ontheffing. U zegt mij dat ik na het bekomen van een ontheffing, een stedenbouwkundige vergunning kan bekomen mits een compensatievoorstel”. 3.
  15. Het Agentschap voor Natuur en Bos legt op 26 mei 2016 aan verzoeker een bestuurlijke maatregel op wegens schending van de artikelen 90bis en 97, § 2, van het Bosdecreet. VII-39.838-3/15 3.
  16. Ook tegen deze beslissing stelt verzoeker bestuurlijk beroep in. 3.
  17. Met een besluit van 31 augustus 2016 heft de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de bestuurlijke maatregel op. 3.
  18. Op 20 juni 2016 dient verzoeker een aanvraag in tot het verkrijgen van een ontheffing van het ontbossingsverbod. In de begeleidende brief bij die aanvraag, stelt hij het volgende: “Met deze aanvraag wordt op geen enkele manier verzaakt aan de hangende procedure omtrent de vergunning die betreffende de percelen nrs. 341A-344A en 344B is aangevraagd noch omtrent de bestuurlijke maatregelen die in dat verband zijn genomen. Deze aanvraag is enkel een gevolg van het voorstel dat de […] natuurinspecteur van het ANB, aan mij heeft gedaan tijdens mijn verhoor van 24 mei 2016 waarvan ik tevens een kopie in bijlage toevoeg. Wat betreft de ouderdom van de begroeiing op de percelen nrs. 341A - 344A en 344B, voorwerp van de huidige aanvraag tot ontheffing ben ik immers van oordeel dat deze jonger is dan 22 jaar terwijl de heer […] hier een andere mening op nahoudt. Om alle verdere discussie hieromtrent uit [de] weg te gaan doe ik voorliggende aanvraag”. 3.
  19. Bij besluit van 21 september 2016 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos de gevraagde ontheffing van het verbod tot ontbossing te weigeren op grond van de volgende motieven: “Overwegende dat de Natuurinspectie heeft vastgesteld dat de percelen gedeeltelijk ontbost zijn; dat hiervoor op 25 juni 2010 een aanvankelijk proces-verbaal werd opgemaakt en een bestuurlijke maatregel werd opgelegd; dat deze bestuurlijke maatregel op 17 september 2010 grotendeels werd bevestigd door de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur; dat de illegale constructies dienden afgebroken te worden tegen 31 december 2011 behalve als er tegen die datum een regularisatievergunning zou zijn bekomen; dat de vergunningen werden afgeleverd onder de vorm van een stedenbouwkundige vergunning voor een deel van perceel 342/G en een kapmachtiging met referentie KMBP/OV/10/0229 voor percelen 342/G (deels), 341/A, 344/B en 344/A; Overwegende dat de Natuurinspectie in een nieuw aanvankelijk proces-verbaal van 18 augustus 2014 heeft vastgesteld dat niet aan de heraanplantingsvoorwaarden van de kapmachtiging is voldaan en dat nieuwe VII-39.838-4/15 constructies zijn opgericht; dat hiervoor een nieuw besluit houdende bestuurlijke maatregelen werd opgemaakt; dat op 28 november 2014 het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen door de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw werd vernietigd; Overwegende dat de Natuurinspectie op verzoek van het Parket in Gent op 30 mei 2016 navolgend proces-verbaal heeft opgemaakt en dat werd vastgesteld dat op perceel 341/A nieuwe constructies zijn gebouwd waarvoor ontbost is; dat ook hiervoor een besluit houdende bestuurlijke maatregelen werd opgemaakt; dat op 31 augustus 2016 het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen door de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw werd vernietigd; Overwegende dat de aanvrager de ontbossingen wenst te regulariseren; Overwegende dat in agrarische gebieden ontheffing op het verbod tot ontbossing enkel kan verleend worden voor ontbossing in functie van natuurontwikkeling en als de aanvrager een beroepslandbouwer is die het perceel in gebruik wil nemen voor het uitoefenen van zijn landbouwactiviteiten; dat de ontbossing niet verenigbaar is met de ruimtelijke bestemming; Overwegende dat de aanvrager geen beroepslandbouwer is maar valkenier in hoofdberoep; Overwegende dat het te ontbossen perceel niet gelegen is in een speciale beschermingszone, VEN, beschermd landschap of in een zoekzone voor bosuitbreiding; Overwegende dat het bosbestand op de biologische waarderingskaart is aangeduid als biologisch waardevol; Overwegende dat het een jong bos betrof dat nog in volle ontwikkeling was en mits goed beheer kon uitgroeien tot een waardevol bos; Overwegende dat het bos nog geen grote landschappelijke, recreatieve of ecologische waarde had; Overwegende dat het bos aanleunde bij het boscomplex rond recreatiedomein ‘De Ster’; Overwegende dat de aanvrager geen bijkomende concrete maatregelen voorziet als invulling van het standstil-principe zoals beschreven in hoofdstuk 4 van het Natuurdecreet; Overwegende dat de te ontbossen oppervlakte 28,00 are bedraagt”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Aanduiding van de verwerende partijen
  20. Het Agentschap voor Natuur en Bos is een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid dat opgericht is binnen het Vlaams ministerie van Omgeving (artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 december 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd VII-39.838-5/15 agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Agentschap voor Natuur en Bos). De eerste verwerende partij, die over geen aparte rechtspersoonlijkheid beschikt, dient buiten de zaak te worden gesteld. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  21. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de omzendbrief van 8 juli 1997 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (hierna: omzendbrief van 8 juli 1997), zoals gewijzigd bij de omzendbrieven van 25 januari 2002 en 25 oktober 2002, alsook van artikel 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 ‘tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001). In een eerste middelonderdeel betoogt verzoeker dat hij, overeenkomstig artikel 11.4.1 van de omzendbrief van 8 juli 1997 zich als para-agrarisch bedrijf in agrarisch gebied mag vestigen om daar zijn beroepsactiviteiten uit te oefenen. De verplichting om de hoedanigheid van beroepslandbouwer te bezitten is strijdig met artikel 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 dat de voorwaarden bepaalt waaronder een verzoek tot ontheffing op het ontbossingsverbod kan worden ingediend en een dergelijke ontheffing kan worden verleend. Verzoeker stelt in een tweede middelonderdeel dat de overweging dat het bosbestand op de biologische waarderingskaart als biologisch waardevol is aangeduid, strijdt met de overweging dat het een jong bos betreft dat in volle ontwikkeling is en mits goed beheer kan uitgroeien tot een waardevol bos. Los van die tegenstrijdigheid in de opgegeven motieven, wordt aan de begroeiing VII-39.838-6/15 een biologische waarde toegeschreven zonder dat hiervoor enige wettelijke basis voorhanden is en die dus willekeurig is.
  22. De verwerende partij antwoordt, met betrekking tot het eerste middelonderdeel, dat verzoeker zijn aanvraag tot het verkrijgen van een ontheffing van het verbod op ontbossing heeft kunnen indienen, de aanvraag ontvankelijk en volledig werd verklaard en daarna ten gronde werd onderzocht. Het motief dat in agrarisch gebied een ontheffing op het verbod tot ontbossing enkel kan worden verleend in functie van natuurontwikkeling, de aanvrager een beroepslandbouwer is die het perceel in gebruik wil nemen voor het uitoefenen van zijn landbouwactiviteit en de voorgenomen ontbossing verenigbaar moet zijn met de ruimtelijke bestemming, komt volgens haar neer op de uitoefening van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid die geen uitstaans heeft met de wettelijke ontvankelijkheids- en volledigheidsvereisten van de aanvraag. Wat de aangevoerde schending van de omzendbrief van 8 juli 1997 betreft, wijst de verwerende partij erop dat omzendbrieven uit zichzelf geen bindende rechtskracht hebben waardoor ze geen grond tot vernietiging kunnen vormen. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel repliceert de verwerende partij dat de aanduiding als biologisch waardevol volgens de biologische waarderingskaart gebeurt op basis van een onderzoek en criteria die ruimer zijn dan de aanwezige bebossing of vegetatie. Zij citeert in dit verband uit de biologische waarderingskaart dat “de globale biologische waarde is gebaseerd op een combinatie van de criteria zeldzaamheid, kwetsbaarheid, natuurlijkheid en vervangbaarheid van de biotoop”. De vaststelling dat het bos op zich nog jong was en in volle ontwikkeling, neemt volgens haar niet weg dat het perceel als geheel als waardevol is aangemerkt door de biologische waarderingskaart.
  23. In de memorie van wederantwoord dupliceert verzoeker dat zijn valkenhouderij is erkend als para-agrarisch bedrijf, hetgeen werd bevestigd in de stedenbouwkundige vergunning van 27 december 2011, en dat het Agentschap voor Natuur en Bos de toepasselijkheid van artikel 87 van het Bosdecreet heeft erkend en daarmee heeft aangegeven dat zijn para-agrarische activiteiten als VII-39.838-7/15 landbouwactiviteiten moeten worden aanzien. Zijn hoedanigheid van exploitant van een para-agrarisch bedrijf kan dan ook niet worden betwist. Aangaande het tweede middelonderdeel stelt verzoeker dat in artikel 87 van het Bosdecreet enkel de ouderdom, en niet de biologische waarde van een bosbestand als criterium wordt vermeld voor de beoordeling van de ontheffing van het ontbossingsverbod. De verwijzing naar de biologische waarderingskaart is in strijd met voormelde bepaling en tevens misleidend aangezien er twee versies bestaan en de verwerende partij naar de versie van 2016 verwijst, terwijl de ontbossing reeds in 2011 plaatsvond. Op de eerste versie van de biologische waarderingskaart stonden de percelen van verzoeker niet als biologisch waardevol gebied ingekleurd. Beoordeling
  24. Artikel 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 legt de elementen vast die de aanvraag tot ontheffing van het verbod op ontbossing moet bevatten om als volledig te worden beschouwd. Het Agentschap voor Natuur en Bos heeft de aanvraag tot ontheffing van verzoeker op 24 juni 2016 volledig en ontvankelijk verklaard. Bijgevolg kan niet worden ingezien op welke wijze artikel 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 geschonden zou zijn. In zoverre verzoeker betoogt dat de verplichting om de hoedanigheid van beroepslandbouwer te bezitten strijdig is met artikel 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001, mist het eerste middelonderdeel feitelijke grondslag. Die hoedanigheid wordt door de verwerende partij immers niet vereist voor het indienen van de aanvraag tot ontheffing, maar wordt als beoordelingscriterium gebruikt voor het al dan niet toekennen van de ontheffing. Verzoeker gaat er voorts aan voorbij dat bindende en verordenende stedenbouwkundige voorschriften niet beletten dat sectorale VII-39.838-8/15 wetgeving, zoals te dezen het Bosdecreet, een impact kan hebben op de realiseerbaarheid van deze voorschriften. Dat volgt uit artikel 90bis, § 1, derde lid, van het Bosdecreet dat enkel bepaalt dat bij het toestaan van de ontheffing van het vergunningsverbod de wetgeving op de ruimtelijke ordening in acht moet worden genomen. In bepaalde gevallen kan sectorale wetgeving er dus toe leiden dat de bestemming vastgelegd bij toepassing van wetgeving op de ruimtelijke ordening niet kan worden gerealiseerd. In de mate verzoeker zich rechtstreeks beroept op de omzendbrief van 8 juli 1997, moet worden vastgesteld dat omzendbrieven uit zichzelf geen bindende rechtskracht bezitten en dat zij bijgevolg geen annulatiemiddel kunnen ondersteunen. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond.
  25. In het tweede middelonderdeel uit verzoeker kritiek op de tegenstrijdige motieven dat het betrokken bos een “jong” bos was en toch “biologisch waardevol”. Nog daargelaten dat hij niet aangeeft op welke manier de in het verzoekschrift aangevoerde bepalingen door de vermeende tegenstrijdige motivering geschonden zouden zijn, moet worden vastgesteld dat verzoeker blijk geeft van een separate lezing van de overwegingen in het bestreden besluit. De overweging dat het bos in kwestie een “jong bos” betrof, kan immers niet los worden gelezen van de onmiddellijk eraan voorafgaande overweging dat het bosbestand op de biologische waarderingskaart als biologisch waardevol is aangeduid. Het blijkt met name dat het betrokken bos op die biologische waarderingskaart niet alleen is aangeduid als een “biologisch waardevol” gebied, maar ook dat eraan de karteringseenheid “jong loofbos (exclusief populier)” werd toegekend. Het Agentschap voor Natuur en Bos kon dan ook in alle redelijkheid en zonder tegenstrijdigheid overwegen dat het betrokken bos een “jong bos” betrof en dat het bosbestand “biologisch waardevol” is. De biologische waarde die aan de begroeiing wordt toegeschreven vindt zijn oorsprong in de biologische waarderingskaart. Hoewel VII-39.838-9/15 die biologische waarderingskaart geen verordenende of bindende kracht heeft, belet niets de verwerende partij deze waarderingskaart als indicatief element bij haar beoordeling te betrekken. Waar verzoeker voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord de schending aanvoert van artikel 87 van het Bosdecreet en betoogt dat de verwijzing naar de biologische waarderingskaart strijdt met die bepaling, geeft hij een nieuwe, en dus niet-ontvankelijke, grondslag aan het tweede onderdeel van het eerste middel. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond.
  26. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  27. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, “in de mate de beslissing gebaseerd is op overwegingen zonder dat hiervoor enig referentiekader of wettelijke basis voorhanden is”, alsook van het vertrouwensbeginsel. In het eerste middelonderdeel stelt verzoeker dat elke wettelijke basis voor de kwalificatie van het betrokken bosbestand als “biologisch waardevol” ontbreekt en dat dit weigeringsmotief strijdt met de overweging dat het gaat om een “jong bos” dat tot een waardevol bos zou kunnen uitgroeien, wat inhoudt dat op het ogenblik van de rooiing er nog geen sprake kon zijn van een bos met een waardevol karakter. De waardering van het bosbestand als “biologisch waardevol” staat tevens haaks op de overweging dat het bos nog geen grote ecologische waarde had. Voorts bestempelt verzoeker de verwijzing naar de VII-39.838-10/15 biologische waarderingskaart als onvoldoende, aangezien uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de betrokken percelen al dan niet voldoen aan de criteria om als “biologisch waardevol” te worden gekwalificeerd. Tot slot stelt hij nog dat de beschouwing dat het bos aanleunde bij het boscomplex rond recreatiedomein “De Ster” elke juridische grondslag en relevantie mist. Verzoeker betoogt in een tweede middelonderdeel dat de kwalificatie van “jong bos” strijdig is met vroegere adviezen van het Agentschap voor Natuur en Bos -verleend in het kader van de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor de oprichting van schuilhokken en vogelkooien- waarin wordt gesteld dat het betrokken bos ouder was dan 22 jaar. In het derde middelonderdeel acht verzoeker het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel geschonden omdat de gewestelijke toezichthouder hem precies heeft aangeraden een aanvraag tot ontheffing van het ontbossingsverbod, met inbegrip van een boscompensatievoorstel, in te dienen ter regularisatie van uitgevoerde ontbossing, waarna die ontheffing toch nog wordt geweigerd.
  28. Ter weerlegging van het eerste middelonderdeel verwijst de verwerende partij naar haar uiteenzetting bij het tweede onderdeel van het eerste middel. Daar voegt zij aan toe dat het een vaststaand feit is dat de betrokken percelen op de biologische waarderingskaart zijn aangeduid als biologisch waardevol. Wat het tweede middelonderdeel betreft, antwoordt de verwerende partij dat in het proces-verbaal van 14 januari 2015 werd vastgesteld dat de bomen ouder zijn dan 22 jaar, waardoor artikel 87 van het Bosdecreet geen toepassing kan vinden. Voorts betoogt zij dat er geen wettelijke definitie bestaat van een “jong” bos, dat conform de bomenwijzer een loofboom over een gemiddelde levensduur van 120 tot 150 jaar beschikt en dat de term “jong” een subjectieve aanduiding betreft van het geheel van de aangetroffen bomen op de betrokken percelen. VII-39.838-11/15 Met betrekking tot het derde middelonderdeel stelt de verwerende partij dat de gewestelijke toezichthouder terecht van oordeel was dat verzoeker een procedure tot ontheffing van het verbod op ontbossing diende aan te vragen, maar dat deze aanbeveling op geen enkele wijze een recht op een ontheffing van dat verbod kan doen ontstaan.
  29. Verzoeker dupliceert in zijn memorie van wederantwoord dat het referentiekader niet in de bestreden beslissing is terug te vinden, waardoor de appreciatie van de “biologische waarde” pure willekeur is geworden. De verwijzing naar de biologische waarderingskaart is ruim onvoldoende als motivering en bovendien misleidend, aangezien er verschillende versies bestaan van deze kaart en in de eerste versie het betrokken gebied niet als biologisch waardevol is ingekleurd, zodat deze overweging van complete willekeur getuigt. In zake het tweede middelonderdeel herhaalt verzoeker dat van een “jong bos” geen sprake kan zijn, nu uit het proces-verbaal van 14 januari 2015 onder meer blijkt dat de stamomtrek van een dode fijnspar op een van de betrokken percelen anderhalve meter op borsthoogte bedroeg. Wat het derde middelonderdeel betreft, verwerpt verzoeker de stelling dat hij door het bestuur op een correct administratief spoor werd gezet. Integendeel herhaalt hij dat hij werd misleid, nu de vraag tot ontheffing van het verbod op ontbossing is afgewezen omdat hij geen beroepslandbouwer zou zijn. Beoordeling
  30. De biologische waarderingskaart heeft geen verordenende of bindende kracht. Dit betekent evenwel niet dat de verwerende partij deze waarderingskaart niet als indicatief element bij haar beoordeling mag betrekken. De kwalificatie “biologisch waardevol” -op grond van de karteringseenheid “jong loofbos (exclusief populier)”- volstaat in dit geval redelijkerwijze om aan te nemen dat het betrokken gebied “biologisch waardevol” is. VII-39.838-12/15 Wat de vermeende tegenstrijdigheid betreft tussen de overweging dat het om een “jong bos” zou gaan en de overweging dat het bosbestand “biologisch waardevol” is, wordt in hoofdzaak verwezen naar de beoordeling van het tweede onderdeel van het eerste middel. Het motief dat het bosbestand “biologisch waardevol” is, staat evenmin haaks op de overweging dat het bos nog geen “ecologische waarde” had. Verzoeker gaat immers voorbij aan het onderscheid tussen de beide begrippen: ‘biologie’ heeft betrekking op de levende organismen (dieren en planten), terwijl ‘ecologie’ betrekking heeft op de relatie tussen dieren en planten en hun omgeving. De overweging dat het bos aanleunde bij het boscomplex rond recreatiedomein “De Ster” is een louter feitelijke vaststelling waarvan verzoeker de onjuistheid niet aantoont. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond.
  31. In zoverre verzoeker andermaal kritiek uit op de kwalificatie van het betrokken bos als “jong” bos, gaat hij uit van de foutieve premisse dat het begrip “jong” enkel moet worden opgevat in de zin van “jonger dan 22 jaar”, volgens de eenvoudige melding overeenkomstig de stedenbouwkundige vergunningsplicht voor ontbossing op grond van artikel 87 van het Bosdecreet, zoals aangepast door het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni
  32. Nog daargelaten dat hij niet aannemelijk maakt dat het begrip “jong” in de door hem aangevoerde betekenis moet worden opgevat, wordt herhaald dat het motief dat het bos in kwestie een “jong bos” betreft, niet los kan worden gezien van de onmiddellijk eraan voorafgaande overweging dat het bosbestand op de biologische waarderingskaart als biologisch waardevol is aangeduid. Immers blijkt dat het betrokken bos op die biologische waarderingskaart niet alleen is aangeduid als een “biologisch waardevol” gebied, maar ook dat eraan de karteringseenheid “jong loofbos (exclusief populier)” werd toegekend. Het tweede middelonderdeel is ongegrond.
  33. Het beweerdelijk (foutieve) advies van de gewestelijke toezichthouder om een aanvraag tot ontheffing van het ontbossingsverbod, met VII-39.838-13/15 inbegrip van een boscompensatievoorstel, in te dienen, kan bij verzoeker geen rechtmatige verwachtingen hebben gewekt, al was het maar omdat de gewestelijke toezichthouder ter zake over geen enkele beslissingsbevoegdheid beschikt. Het derde middelonderdeel is eveneens ongegrond.
  34. Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING
  35. Het Agentschap voor Natuur en Bos wordt buiten de zaak gesteld.
  36. De Raad van State verwerpt het beroep.
  37. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-39.838-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.838-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.150 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.