← België

Arrest 247163 - Energie - 27/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.163 Rolnummer: A. 226379/VII-40401 Zaak: Arrest 247163 - Energie - 27/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-03 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-26 03:04 Fiche Arrest nr 247.163 van 27 februari 2020 Economische zaken - Energie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.163 van 27 februari 2020 in de zaak A. 226.379/VII-40.401 In zake : de CVBA ELECTRABEL GREEN PROJECTS FLANDERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Peeters kantoor houdend te 1000 Brussel Terhulpsesteenweg 120 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. het VLAAMSE GEWEST
  2. het VLAAMS ENERGIEAGENTSCHAP (VEA) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jeroen De Coninck kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 211 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 4 oktober 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaams Energieagentschap (hierna: VEA) van 2 augustus 2018 betreffende de “toepassing van artikel 6.1.5 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.401-1/6 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 januari
  5. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stef Feyen, die loco advocaat Patrick Peeters verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jeroen De Coninck, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. De verzoekende partij is producent van elektriciteit op basis van hernieuwbare energiebronnen waaronder windenergie. Zij is onder meer eigenaar en exploitant van het project “WND-0039 Celanese Lanaken”, gelegen aan de Industrieweg 80 te Lanaken. Dit project bestaat uit een productie-installatie met 4 windturbines voor een totaal vermogen van 8 MW. Voor deze productie-installatie worden groenestroomcertificaten (GSC‟s) toegekend. VII-40.401-2/6 3.
  8. Bij besluit van 14 mei 2018 beslist het VEA een verlenging van de steunperiode toe te kennen voor een periode van vijf jaar, met ingang van 12 januari
  9. Voor deze verlengde steunperiode geldt een bandingfactor van 0,
  10. 3.
  11. Met een navolgend besluit van 2 augustus 2018 wijzigt het VEA haar beslissing van 12 juli 2016 “met betrekking tot het expertisedossier voor garanties van oorsprong voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en voor groenestroomcertificaten voor de productie-installatie „WND-0039 Celanese Lanaken‟, bestaande uit vier windturbines met een vermogen van 8.000 kW uit hernieuwbare energiebronnen op een totaal elektrisch vermogen van 8.000 kW, gelegen te Industrieweg 80, 3620 Lanaken vallend onder de noemer „windenergie op land‟”. In deze beslissing wordt onder meer het volgende overwogen: “Gezien de beslissing van het VEA van 14 mei 2018, met betrekking tot de verlenging van de steunperiode op basis van een specifieke bandingfactor; Overwegende dat reeds gedurende 10 jaar groenestroomcertificaten werden toegekend en dat voor de productie vanaf 12 januari 2016 geen groenestroomcertificaten meer worden toegekend, tenzij een verlenging van de steunperiode wordt goedgekeurd overeenkomstig art. 7.1.1, § 1, derde of vierde lid van het Energiedecreet; Overwegende dat het VEA in haar schrijven van 14 mei 2018 beslist om een verlenging van de steunperiode toe te staan, overeenkomstig artikel 7.1.1, § 1, vierde lid van het Energiedecreet; Overwegende dat de steunperiode wordt verlengd met vijf jaar, met ingang van 12 januari 2016, en gedurende deze steunperiode een bandingfactor toegekend wordt van 0,238; Overwegende dat deze wijziging van de beslissing uitwerking heeft vanaf de datum waarop de verlenging van de steunperiode ingaat, met name vanaf 12 januari 2016”. VII-40.401-3/6 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  12. De verwerende partijen werpen op dat de bestreden beslissing er enkel toe strekt de toekenningsgerechtigde vennootschap cvba Electrabel Green Projects Flanders Wondelgem Hoogstraten Hooglede (hierna: EGPF WHH CVBA) te wijzigen naar de toekenningsgerechtigde vennootschap cvba Electrabel Green Projects Flanders (hierna: EGPF CVBA), nu er op basis van een materiële vergissing in de beslissing van 14 mei 2018 nog naar EGPF WHH CVBA werd verwezen. De berekening van de bandingfactor vloeit echter integraal voort uit de beslissing van 14 mei 2018 en deze beslissing werd niet herzien.
  13. De verzoekende partij dupliceert in haar memorie van wederantwoord dat het VEA met de bestreden beslissing van 2 augustus 2018 de eerste beslissing van 14 mei 2018 wenste te bestendigen, alsook de opslorping van EGPF WHH CVBA door de verzoekende partij wenste te formaliseren. Die beslissing houdt volgens haar meer in dan een loutere wijziging van de aanduiding van de toekenningsgerechtigde vennootschap. De beslissing van 2 augustus 2018 bevat immers relevante wijzigingen van de beslissing van 12 juli
  14. Deze beslissing is een op zich zelve staande beslissing die een bandingfactor toekent van 0,
  15. De verwerende partijen kunnen, zo stelt de verzoekende partij, niet staande houden dat de beslissingen van het VEA van 14 mei 2018 en van 2 augustus 2018 identieke beslissingen betreffen. Beoordeling
  16. Een beroep tot nietigverklaring moet krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een administratieve rechtshandeling tot voorwerp hebben. Onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijziging aan te brengen in een bestaande VII-40.401-4/6 rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. Een louter bevestigende beslissing is een beslissing waarvan het voorwerp identiek is aan de eerste beslissing. Dit is het geval wanneer de tweede beslissing dezelfde draagwijdte en gevolgen heeft en niet genomen is op grond van andere motieven of na een nieuw onderzoek ten gronde of na kennisneming van nieuwe gegevens. Een dergelijke beslissing is in regel niet aanvechtbaar voor de Raad van State, aangezien geen nieuwe beslissing genomen wordt maar verwezen wordt naar de reeds bestaande beslissing, hetgeen geen gevolgen in rechte heeft.
  17. De bestreden beslissing legt een bandingfactor vast voor de productie-installatie “WND-0039 Celanese Lanaken”. Reeds bij besluit van 14 mei 2018, heeft het VEA beslist om voor deze installatie een verlenging van de steunperiode toe te kennen voor een periode van vijf jaar met eenzelfde bandingfactor van 0,
  18. Het bestreden besluit bevestigt die verlengde steun. De rechtzetting in dat besluit dat niet EGPF WHH CVBA maar wel de verzoekende partij als toekenningsgerechtigde vennootschap moet worden beschouwd, leidt niet tot de conclusie dat er sprake is van een nieuwe aanvechtbare rechtshandeling. Deze rechtzetting doet immers geen nieuw rechtsgevolg ontstaan aangezien EGPF WHH CVBA door overneming is gefuseerd met de verzoekende partij en zij daardoor automatisch als toekenningsgerechtigde vennootschap moest worden aangeduid. In zoverre de verzoekende partij erop wijst dat met de bestreden beslissing ook wijzigingen worden aangebracht in de beslissing van 12 juli 2016, geldt de vaststelling dat deze wijzigingen reeds besloten liggen in het voormelde besluit van 14 mei 2018 en ze slechts geïntegreerd worden in de beslissing van 12 juli
  19. Het beroep is niet ontvankelijk. BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het beroep. VII-40.401-5/6
  21. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.401-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.163 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.