← België

Arrest 247166 - Politie - 27/02/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.166 Rolnummer: A. 230290/XIV-38283 Zaak: Arrest 247166 - Politie - 27/02/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-02 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-26 03:04 Fiche Arrest nr 247.166 van 27 februari 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe VAKANTIEKAMER nr. 247.166 van 27 februari 2020 in de zaak A. 230.290/XIV-38.283 In zake: Filip MEEUWES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 19 februari 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing d.d. 16 januari 2020 van de raad van beroep bij de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie waarbij het beroep van verzoeker ontvankelijk doch zonder voorwerp wordt verklaard”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-38.283-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020, om 11.00 uur. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hilde Minnen, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Andy Hoedenaeken, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is sedert 1 januari 2002 tewerkgesteld bij de lokale politie Antwerpen, aanvankelijk als co-administratief medewerker op niveau C. Na een periode van ziekte en aansluitend loopbaanonderbreking van 9 juni 2015 tot en met 22 augustus 2017, wordt verzoeker heringeschakeld als “medewerker postoverste/logistieke ondersteuning” bij Technische Bijstand op niveau D. 3.
  5. Op 29 augustus 2017 vindt een evaluatiegesprek plaats en verzoeker wordt op dezelfde dag negatief geëvalueerd. 3.
  6. Verzoeker wordt met een brief van 24 juli 2019 uitgenodigd voor een volgend evaluatiegesprek op 8 augustus
  7. Bij die brief is een voorstel tot evaluatie met eindvermelding “onvoldoende” gevoegd. XIV-38.283-2/8 Met een e-mail van zijn advocaat van 5 augustus 2019 dient verzoeker een nota met opmerkingen en stukken in. Verzoeker en zijn advocaat bieden zich op 8 augustus 2019 aan voor het evaluatiegesprek, doch de evaluator weigert de aanwezigheid van verzoekers raadsman. Volgens de evaluator verlaat verzoeker vroegtijdig het gesprek, volgens verzoeker vindt het gesprek zelfs niet plaats. Met een aangetekende brief van 8 augustus 2019 wordt aan verzoeker het definitieve evaluatieverslag van dezelfde datum meegedeeld, dit laatste met de vermelding “onvoldoende”. 3.
  8. Verzoeker meldt zich ziek vanaf 14 augustus
  9. 3.
  10. Op 20 augustus 2019 stuurt de eindverantwoordelijke voor de evaluatie een brief aan verzoeker dat hij op 2 september 2019 zal worden gehoord overeenkomstig artikel 7.1.19 RPPol “ondanks het feit dat u dus niet uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven of u akkoord gaat met de eindevaluatie dan wel of u beroep wenst aan te tekenen bij de eindverantwoordelijke en u niet binnen de zeven dagen volgend op het evaluatiegesprek een nota met opmerkingen bezorgde aan de eindevaluator op basis waarvan u vraagt dat het evaluatieverslag zou worden aangepast”. Met een e-mail van zijn advocaat van 29 augustus 2019 deelt verzoeker mee dat hij aanwezig zal zijn op de hoorzitting van 2 september
  11. Bij deze e-mail zijn aanvullende opmerkingen gevoegd. Vervolgens deelt verzoeker met een e-mail van zijn advocaat van 2 september 2019 in extremis mee dat hij niet aanwezig zal zijn op de hoorzitting wegens ziekte tot 14 september 2019 en vraagt hij een nieuwe datum voor de hoorzitting na deze datum. Bij deze e-mail is een nota met opmerkingen gevoegd. XIV-38.283-3/8 De op 2 september 2019 voorziene hoorzitting vindt plaats in aanwezigheid van de evaluator en in afwezigheid van verzoeker. Op 4 september 2019 beslist de eindverantwoordelijke om de evaluatiebeslissing van 8 augustus 2019 integraal te bevestigen. 3.
  12. Verzoeker tekent op 19 september 2019 beroep aan tegen de voornoemde beslissing van 4 september 2019 bij de raad van beroep bij de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie inzake evaluatie. Op 16 januari 2020 beslist de raad van beroep “dat het verzoekschrift van de GP ontvankelijk is, doch zonder voorwerp gezien hij nagelaten heeft om binnen de wettelijke termijn in beroep te gaan bij de EVW tegen de evaluatie opgesteld door de EVA en hij hiermee niet al zijn middelen van beroep heeft uitgeput”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Exceptie van niet-ontvankelijkheid
  13. De verwerende partij stelt dat verzoeker het in artikel VII.1.18 RPPol voorzien georganiseerd administratief beroep niet heeft uitgeput. Volgens haar wordt hieraan geen afbreuk gedaan door het feit dat de eindverantwoordelijke de beroepsprocedure ten onrechte en in strijd met de voorgeschreven procedure heeft opgestart. Verzoeker zou geen voordeel uit een eventuele schorsing of vernietiging kunnen halen omdat de raad van beroep inzake evaluatie bij een “nieuwe” beoordeling genoodzaakt zou zijn om hetzelfde te oordelen.
  14. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze exceptie dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. XIV-38.283-4/8 V. De schorsingsvoorwaarden
  15. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
  16. Verzoeker “verwijst naar de rechtspraak van de Raad van State in een aantal gelijkaardige zaken en is ook voor het onderhavig geval van oordeel dat de tweede opeenvolgende negatieve evaluatie, die tot gevolg heeft dat verzoeker definitief ongeschikt verklaard zal worden, een nadeel vormt dat voldoende ernstig is om hem er niet toe te verplichten te wachten op een uitspraak volgens de gewone rechtspleging”. Met verwijzing naar de kennisname van de bestreden beslissing op 6 februari 2020, stelt verzoeker nog dat hij “alleszins niet gedraald heeft in zijn handelen”. Beoordeling
  17. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. XIV-38.283-5/8 De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een XIV-38.283-6/8 toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
  18. Het komt verzoeker toe aan te tonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen te oordelen dat hij de met de bestreden beslissing bevolen weigering tot vrijstelling van het doorlopen van het volhardingskamp onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde of via de gewone schorsingsprocedure, omdat de schadelijke gevolgen of nadelen die hij daardoor dreigt te ondergaan, van dien aard zijn dat verzoeker het resultaat van de procedure hierdoor niet kan afwachten. Verzoeker beperkt zich te dezen tot een algemene verwijzing naar niet nader bepaalde rechtspraak van de Raad van State “in een aantal gelijkaardige zaken”. Hij haalt aan dat hij definitief ongeschikt zal worden verklaard ingevolge de tweede opeenvolgende negatieve evaluatie en ter terechtzitting bevestigt hij dat dit inmiddels effectief is gebeurd. Verzoeker licht echter op geen enkele wijze toe waarom in zijn concreet geval het nadeel van die aard zou zijn dat het hem niet mogelijk zou zijn het verloop van minstens de gewone schorsingsprocedure af te wachten. Verzoeker brengt geen enkel concreet gegeven of stuk bij, bijvoorbeeld betreffende zijn gezinstoestand of zijn financiële toestand, waaruit de ernst van de gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kan blijken. Het blijkt derhalve niet dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zonder een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid onherroepelijke schadelijke gevolgen zou veroorzaken.
  19. De uiterst dringende noodzakelijkheid is niet aangetoond. XIV-38.283-7/8 VII. Conclusie
  20. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
  22. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig februari tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.283-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.166 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.