← België

Arrest 247195 - Politie - 03/03/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.195 Rolnummer: A. 220126/XIV-37178 Zaak: Arrest 247195 - Politie - 03/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-09 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-26 03:08 Fiche Arrest nr 247.195 van 3 maart 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.195 van 3 maart 2020 in de zaak A. 220.126/XIV-37.178 In zake : Hein ROLLY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Noyez kantoor houdend te 8830 Hooglede Kerkstraat 17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federalie politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 27 augustus 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de commissaris-generaal van de Federale politie van 28 juni 2016 waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-37.178-1/28 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 januari 2020. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom Noyez, die verschijnt voor verzoeker, en adviseur Jana Mouton verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is inspecteur van politie bij de Federale politie. 3.2. Bij beslissing van de commissaris-generaal van de Federale politie van 1 oktober 2015 wordt verzoeker ter beschikking gesteld van de luchtvaartpolitie te Wevelgem (hierna: DGA/LPAO-afdeling Wevelgem). Die beslissing wordt op 23 november 2015 herbevestigd door de directeur-coördinator West-Vlaanderen. 3.3. Met het inleidend verslag van 18 mei 2016 stelt de waarnemend commissaris-generaal van de Federale politie voor om verzoeker de lichte straf van de blaam op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, XIV-37.178-2/28 van de datum van kennisneming ervan, van het bewijs, de kwalificatie en de toerekening ervan. Tevens bevat het een voorstel tot lichte tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. 3.4. De commissaris-generaal van de Federale politie beslist om de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. De beslissing is niet-gedateerd, maar wordt met ter post aangetekende zendingen van 28 juni en 29 juni 2016 aan verzoeker betekend. Die beslissing steunt op de volgende motivering: “[…] 4. Uiteenzetting van de feiten Na een ziekteperiode van 74 dagen, diende u zich op 23 november 2015 aan te bieden bij CP [D.] om u te onthalen en u te begeleiden bij uw werkhervatting. Bij uw werkhervatting werd onmiddellijk uitvoering gegeven aan mijn beslissing om u ter beschikking te stellen van de dienst LPAO-Wevelgem. U zou tijdens dit gesprek een weinig respectvolle houding ten aanzien van uw collega en meerdere hebben aangenomen door de uiting van insinuaties en verholen bedreigingen. Toen CP [D.] u meedeelde dat u vanaf 23 november 2015 tijdelijk ter beschikking wordt gesteld van LPAO-Wevelgem en dat u op basis van de GPI 44ter, geen dienstvoertuig ter beschikking wordt gesteld voor het woon-werkverkeer van en naar deze tijdelijke plaats van het werk, zou u mee gedeeld hebben niet akkoord te zijn met deze zienswijze en men ‘nog eens zullen zien of dat het zo zal lopen.’ Op een bepaald ogenblik tijdens het gesprek zou u een blad hebben bovengehaald met het logo van de vakvereniging ACV dat een verweerschrift was naar aanleiding van een discussie in 2009 over het al dan niet laten gebruiken van een dienstvoertuig van leden van het CIK tijdens de kustversterking in de zomermaanden. U zou daarbij gezegd hebben dat een document van de vakbond voor ‘meneer de commissaris’ ook niet goed genoeg zal zijn. Toen u tijdens het gesprek een aantal met fluo gemarkeerde stukken uit de GPI 44ter begint voor te lezen, onderbreekt u uw uiteenzetting met de zin ‘dat het kopje koffie dat u tot op nu nog niet heeft aangeboden gekregen deugd zou doen omdat u een droge keel heeft.’ Als CP [D.] hierop antwoordt dat hij geen koffie heeft maar dat u gerust een glas water kan krijgen, zou u initieel ingegaan zijn op zijn aanbod om daar onmiddellijk weer terug te komen met de woorden ‘laat maar zie dat je er iets,..’ waarbij u uw zin niet afmaakte. U stelde in uw administratief verhoor dat u zich deze uitspraak niet meer kon herinneren. Tot slot zou u t.a.v. CP [D.] nog ‘een notaatje van zijn vriendjes van DAO’ hebben uitgehaald waarin volgens u uw argumentatie wordt bevestigd, doch gelet op het feit dat CP [D.] u vroeg naar argumentatie op basis van de wetgeving, zou u wederom gezegd hebben dat dit document voor ‘meneer de commissaris’ ook niet voldoende zal zijn. Ook het krantenartikel betreffende de aangehaalde polemiek bij de kustversterking zou u weer boven hebben gehaald en weer terug hebben weggestopt ‘want ja meneer lees geen kranten’. XIV-37.178-3/28 Volgens uw verklaring tijdens het administratief verhoor is het gesprek, dat u heeft gehad met CP [D.], op een normale manier verlopen, Daags na dit gesprek met CP [D.], werd u op 24 november 2015, door HCP [V.] opgemerkt in de gebouwen van het CSD Brugge (Refuge) terwijl u uw dienst diende aan te vatten in LPAO Wevelgem en dit met uw persoonlijk voertuig. Toen u hierover werd aangesproken door HCP [V.] zou u beweerd hebben dat de DIRCO aan uw syndicaal verdediger had laten weten dat u toch kon beschikken over een dienstvoertuig om uw dienstverplaatsing naar Wevelgem te maken. Dit zou geenszins het geval geweest zijn, de DIRCO zou namelijk het omgekeerde gesteld hebben, met name dat u de verplaatsing diende te maken met uw persoonlijk voertuig (bevestiging van de inhoud van de nota WVL/OCS/2015_7549 van 23 november 2015). U stelde zelf goed op de hoogte te zijn van deze nota en deze zelfs van buiten te kennen maar u zou er niet mee akkoord zijn. U zou dan ook geweigerd hebben deze nota op te volgens alvorens deze aan u schriftelijk werd betekend. Tijdens deze confrontatie met HCP [V.] zou u zich provocerend, minachtend, arrogant en onrespectvol ten aanzien van uw meerdere hebben opgesteld. U zou hem een totaal gebrek aan menselijkheid verweten hebben, zou ermee gedreigd hebben klacht te zullen neerleggen lastens hem en zou de mondelinge richtlijnen van HCP [V.] voortdurend in twijfel hebben getrokken. Ook in het bureel van de DIRCO zou u zich arrogant hebben opgesteld. Tijdens uw administratief verhoor stelde u dat u tijdens dit gesprek wel assertief was maar niet agressief. Gezien uw eis van LPAO Wevelgem om de modaliteiten van uw terbeschikkingstelling u schriftelijk bekend te maken, werd een nota, zijnde een mail, opgemaakt met daarin de modaliteiten. Deze mail werd gericht aan LPA Wevelgem en elektronisch verstuurd. Op 30 november 2015 zou u onverwachts het bureel van HCP [V.] zijn binnengestapt met de eis dat hij onmiddellijk de modaliteitennota, gericht aan LPA Wevelgem, zou ondertekenen. Gezien uw bijzonder arrogant en uitdagend gedrag en gezien het feit dat u geen rechtstreekse bestemmeling was van de nota, zou HCP [V.] u verzocht hebben zijn bureau te verlaten. U zou daarop gezegd hebben ‘dat hij hiervoor het piket zou moeten roepen en dat hij veel te licht woog om te bekomen dat u het bureel zou verlaten. Ondertussen zou u, in zichzelf gekeerd, luidop en herhaald geciteerd hebben dat HCP [V.] weigerde de nota te ondertekenen. HCP [V.] zou het verzoek om zijn bureel te verlaten verschillende keren herhaald hebben. Uiteindelijk zou u briesend zijn weggelopen in de richting van de DIRCO. Tijdens u administratief verhoor verklaarde u dat u, indien nodig, een volledige weergave zou kunnen geven van het gesprek met HCP [V.]. Op de vraag of u het gesprek dan had opgenomen, wenste u niet te antwoorden. U ontkende echter gevraagd te hebben het desbetreffende document te ondertekenen zoals hierboven omschreven. Op datum van 1 december 2015 zou u aangebeld hebben aan het bureau van de DIRCO, die op dat moment in gesprek was met de DIRJUD. Toen u het bureau binnenkwam zou de DIRCO u gezegd hebben dat hij geen tijd had voor een gesprek. U zou daarop geantwoord hebben ‘dat het maar twee minuten zou duren’. Zonder een antwoord van de DIRCO af te wachten, begon u over een nota die u had opgemaakt. De DIRCO zou u gevraagd hebben het bureel te verlaten, doch u zou geweigerd hebben daarop in te gaan en zou op dwingende toon hebben verder gepraat. U zou geen enkele uitvoering gegeven hebben aan de vraag van de DIRCO, u zou hebben blijven doorpraten over een nota die u gemaakt had waarin u bepaalde eisen had opgelijst en waar u volgens u geen antwoord opgekregen had. U zou meermaals relatief luid en dwingend gezegd hebben: ‘dus u weigert mijn nota te tekenen’. Op een bepaald moment in het gesprek is de DIRJUD tussengekomen en zou u gevraagd hebben waarom u de vraag van de DIRCO om het bureel te verlaten XIV-37.178-4/28 niet respecteerde en of het volgens u een normale manier van doen was om een aan de gang zijnde vergadering tussen de DIRCO en DIRJUD te onderbreken. U zou de DIRJUD een antwoord hebben gegeven in de zin dat u hem geen vraag had gesteld en dat u aan het praten was met de andere hoofdcommissaris. De DIRJUD zou vervolgens de vergadering hebben onderbroken en gewacht hebben buiten het bureau van de DIRCO, Volgens de DIRJUD zou u geen respectvolle manier van communiceren aan de dag hebben gelegd. Vormelijk zou u beleefd geweest zijn, doch inhoudelijke dwingend en arrogant, op een bepaalde manier uitdagend, zonder enige luisterbereidheid of zin voor hiërarchische verhoudingen. In uw administratief verhoor stelde u dat u inderdaad het bureel van HCP [D.L.] bent binnen gegaan na zijn toestemming. Volgens u zou noch de DIRCO noch de DIRJUD op enig moment gevraagd hebben het bureel te verlaten, Ook binnen LPAO blijft u klaarblijkelijk voor problemen zorgen rn.b.t. het invullen van prestatiefiches voor de eindejaarsperiode 2015, u zou tot vervelens toe met en over uw dienst bezig zijn tegen de medewerkers van de post Wevelgem, u zou geen initiatief nemen tot een nuttige invulling van uw tijd en zou de richtlijnen die u inzake uw dienst worden gegeven naast u neerleggen. 5. Antwoord op verdediging Op 20 juni 2016 was u, samen uw raadsheer [T. N.] aanwezig op de hoorzitting. Na analyse van uw argumenten die u ter gelegenheid van de hoorzitting naar voor heeft gebracht, wens ik hierop het volgende te repliceren: Mijn ambt heeft begrip voor het feit dat uw terbeschikkingstelling bij LPA Wevelgem heel wat onduidelijkheden en vragen van praktische aard met zich mee heeft meegebracht. Het spreekt voor zich dat u zich over de praktische gevolgen van deze terbeschikkingstelling mag bevragen, doch dit dient steeds te gebeuren met de nodige eerbied en het nodige respect voor uw hiërarchie, Ik wens te benadrukken dat onderhavig tuchtdossier in geen geval handelt over het standpunt dat u verdedigt ten aanzien van bepaalde inhoudelijke aspecten of gevolgen die deze terbeschikkingstelling met zich meebrengt, wel met de manier waarop u uw standpunten kenbaar maakt welke door uw directe hiërarchie wordt gepercipieerd als onrespectvol, provocerend, minachtend en arrogant. Deze perceptie wordt, blijkens het dossier, overigens niet enkel gedeeld door HCP [V.] en HCP [D.L.], dewelke naar uw mening niet objectief kunnen zijn gelet op de klacht met burgerlijkepartijstelling van uwentwege ten aanzien van hen. Ook de CP [D.] en de DIRJUD West-Vlaanderen hebben uw houding op eenzelfde wijze gepercipieerd. Bij deze vraag ik u dan ook met aandrang in de toekomst aandacht te hebben voor uw attitude ten aanzien van uw hiërarchie opdat een vlotte communicatie en samenwerking opnieuw mogelijk kan worden. 6. Ten laste gelegde feiten Na analyse van het samengestelde tuchtdossier ben ik van oordeel dat de hierna vermelde feiten een tuchtinbreuk uitmaken en u, inspecteur Hein ROLLY, ten laste zouden kunnen worden gelegd: ‘Als politieambtenaar, lid van de federale politie, de waardigheid van het ambt ernstig in het gedrang te hebben gebracht en tekort te zijn gekomen aan uw beroepsplichten door u vanaf uw terbeschikkingstelling bij LPAO-Wevelgem bij diverse gelegenheden provocerend, arrogant, minachtend en onrespectvol te hebben opgesteld ten aanzien van verschillende hiërarchische meerderen.’ 7. Bewijs en toerekening van de feiten Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier: Door de aanmelding van feiten ten laste van u door diverse personen waaronder uw gewone tuchtoverheid de DIRCO West-Vlaanderen, DIRJUD West-Vlaanderen en DIR OPS West-Vlaanderen; Gelet dat u in uw administratieve verklaring van 29 april 2016 de feiten XIV-37.178-5/28 ontkende, doch door de convergerende klachten vanwege uw hiërarchie meen ik dat de feiten vermeld in punt 6 vaststaan en u kunnen worden toegerekend. 8. Kwalificatie en ernst van het tuchtvergrijp Schending van de beroepsplichten en waarden van het ambt: […]. In uw hoedanigheid van personeelslid van de federale politie hebt u de artikelen 132 WGP en punten 14, 15, 28, 31 en 41 van de deontologische code niet nageleefd. Gelet op deze bepalingen ben ik van oordeel dat de in punt 5 ten laste gelegde feiten de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen, zodat zij een tuchtvergrijp in de zin van art. 3 Tuchtwet uitmaken. 9. Personeelsgegevens Naam en voornaam: ROLLY Hein Graad: Inspecteur Stamnummer: […] Geboortedatum: […] Woonplaats: […] Indiensttreding: […] Evaluatie: Laatste evaluatie dd. 28/01/2013 met eindvermelding ‘bevredigend’ Planningsgesprek dd. 28/01/2013 Functioneren: Functioneringsgesprek dd. 13/03/2013 inzake het verbaal agressieve. gedrag van betrokkene tijdens een personeelsvergadering (jnclusief verweerschrift); Felicitatie n.a.v, bestuurlijke actie dd. 22/05/2013 Bedanking n.a.v.dienst Waregem Koerse dd 04/09/2014 Bedanking nav Eurotop leper dd. 26/06/2014 Functioneringsnote CSD WVL […] dd. 24/07/2015 m.b.t. weigering uitvoeren opdracht tijdens de terbeschikkIngstelling bij PZ Bredene (inclusief verweerschrift) Functioneringsnota CSD WVL […] dd. 07/08/2015 m.b.t. attitude van betrokkene (inclusief verweerschrift) Nota schriftelijke opmerkingen met strenge waarschuwing dd. 17/02/2016 Tuchtverleden: Blanco 10. Beslissing Ik ben van oordeel dat de in punt 6 omschreven feiten .bewezen zijn en u kunnen. worden toegerekend en dat deze feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 Tuchtwet;. Gelet op de bepalingen van de Tuchtwet, inzonderheid op de artikelen 2, 3, 5, 38 tot 38sexies; Gelet op de inhoud van het tuchtdossier;. Gelet op uw problematisch gedrag dat zich, blijkens de verschillende functioneringnota’s, reeds eerder heeft gesteld; Gelet op uw functioneren; Gelet op uw totaal gebrek aan probleeminzicht; Gelet op uw blanco tuchtrechtelijk verleden; Gelet op het inleidend verslag van 18 mei 2016; Gelet op het proces-verbaal van hoorzitting van 20 juni 2016; OM DEZE REDENEN, ALS HOGERE TUCHTOVERHEID, Beslis ik om u, inspecteur Hien ROLLY, voor dit tuchtvergrijp de lichte tuchtstraf van blaam op te leggen. Deze tuchtsanctie heft uitwerking op de dag waarop deze beslissing een eerste XIV-37.178-6/28 maal bij aangetekend schrijven op uw adres wordt aangeboden. […].” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van “de ministeriële omzendbrief GPI 44ter, richtlijnen betreffende het interventiekorps, artikel 159 van de Grondwet en van het beginsel “patere legem quam ipe fecisti”. Volgens hem tonen de feiten weergegeven in de bestreden beslissing aan dat zijn oversten weigeren de voornoemde omzendbrief GPI 44ter na te leven hoewel dat wettelijk moet. Hij argumenteert dat de beslissing van de commissaris-generaal van 1 oktober 2015 om hem ter beschikking te stellen van de luchtvaartpolitie te Wevelgem strijdt met de bepalingen van die omzendbrief. Hij wordt gestraft doordat hij reeds jaar en dag verzoekt om de naleving van de modaliteiten van zijn terbeschikkingstelling. Daarnaast wordt hij geconfronteerd met wantoestanden die hij aan de kaak stelt en waarop door de hiërarchie niet wordt gereageerd. Verzoeker is van oordeel dat het zijn volste recht is om de naleving van de voornoemde omzendbrief te vragen, “zelfs indien hij dit dagelijks dient te herhalen”. Volgens hem is de hiërarchie volkomen respectloos. Volgens verzoeker is het “overduidelijk dat het niet respecteren van de modaliteiten van de terbeschikkingsstelling aan de basis ligt van de tuchtstraf”. 5. In de memorie van wederantwoord bevestigt verzoeker het standpunt dat “de tuchtstraf […] enkel en alleen maar het gevolg [is] van een verkeerde toepassing van de GPI 44ter en de modaliteiten” en dat “het niet respecteren van de modaliteiten van de terbeschikkingstelling aan de basis ligt van de tuchtstraf”. Voorts betoogt hij dat de Raad van State op grond van artikel 159 XIV-37.178-7/28 van de Grondwet “een incidentele wettigheidstoetsing uitvoert op de terbeschikkingstelling van 23 november 2015, daar deze terbeschikkingstelling samen met de huidige opgelegde tuchtstraf in feite één zijn en beiden negatieve gevolgen creëren voor [verzoeker]” en dat de exceptie van onwettigheid “onverjaarbaar” is. In de laatste memorie vraagt verzoeker andermaal om de terbeschikkingstelling “zijdelings” te toetsen via artikel 159 van de Grondwet. Hij argumenteert voorts dat in een andere zaak aanhangig voor de Raad van State duidelijk blijkt dat zijn beweringen geloofwaardiger zijn dan die van de verwerende partij, zodat er ook geen redenen zijn om aan te nemen dat verzoeker in de voorliggende zaak valse beweringen zou doen. Hij voegt toe dat, indien zijn rechten conform de omzendbrief GPI 44ter zouden worden gerespecteerd, dan zou er tussen verzoeker en de verwerende partij geen aanleiding zijn tot discussies. Voorts is er sprake van woord tegen wederwoord inzake het zich onrespectvol hebben gedragen, maar er kan wel worden bewezen dat de verwerende partij “de rechten toegekend door omzendbrief GPI 44ter volledig en hardnekkig miskent zodat het geloofwaardig is dat 1) verzoeker daarover terecht ‘doorboomt’ [en] 2) verwerende partij verzoeker op die manier poogt te provoceren”. Voorts wijst verzoeker op de rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake de toepassing van artikel 159 van de Grondwet en meent hij dat hij de onwettigheid van de terbeschikkingstelling van 1 oktober 2015 te allen tijde kan inroepen. Bovendien vermeldt die terbeschikkingstelling niet de beroepsmogelijkheden en -termijnen zodat volgens hem “deze mogelijkheid nog steeds open staat”. Voorts zet hij uiteen waarom hij de terbeschikkingstelling niet met een beroep tot nietigverklaring heeft bestreden. Tot slot gaat hij zeer omstandig in op de drie gesprekken die plaatsvonden. XIV-37.178-8/28 Beoordeling 6. De grieven die verzoeker in het middel aanvoert, hebben enkel betrekking op de (onwettigheid van

  1. de)terbeschikkingstelling van DGA/LPAO-afdeling Wevelgem. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.4). Hieruit blijkt dat aan verzoeker ten laste is gelegd, het ernstig in het gedrang brengen van de waardigheid van het ambt en het tekortschieten aan zijn beroepsplichten door zich, “vanaf [zijn] terbeschikkingstelling bij LPAO-Wevelgem bij diverse gelegenheden provocerend, arrogant, minachtend en onrespectvol te hebben opgesteld ten aanzien van verschillende hiërarchische meerderen”. Anders dan hoe verzoeker het ziet, is de bestreden beslissing niet gesteund op verzoekers kritiek inzake de wettigheid van de terbeschikkingstelling en zijn kritiek ter zake, maar wel op zijn gedrag tegenover een aantal hiërarchische meerderen. Dat dit gedrag blijkbaar zijn oorsprong vindt in het feit dat verzoeker zich klaarblijkelijk niet kan vinden in bepaalde inhoudelijke aspecten of gevolgen van de eerder opgelegde terbeschikkingstelling, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de tuchtoverheid zijn gedrag bij het uiten van zijn standpunten tegenover zijn meerderen tuchtrechtelijk verwijtbaar vindt. Aangezien uit wat voorafgaat blijkt dat de bestreden beslissing niet steunt op de (onwettigheid van
  2. de)terbeschikkingstelling, volgt dat het middel feitelijke grondslag mist. 7. Het eerste middel is ongegrond. XIV-37.178-9/28 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 8. Verzoeker voert in het tweede middel de schending aan van artikel 159 van de Grondwet, van artikel 56 van het “tuchtdecreet”, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: EVRM), van de motiveringsplicht, het fairplay-beginsel en van het verbod op “détournement de procédure” (machtsafwending). Volgens verzoeker is het overduidelijk dat de verwerende partij aan verzoeker geen tuchtstraf zou kunnen hebben gegeven indien zij het dossier niet op onwettelijke wijze had kunnen uitbouwen. Het overwegende gedeelte van de bestreden beslissing verwijst uitdrukkelijk naar “het problematisch gedrag dat blijkt uit de verschillende functioneringsnota’s” en “het totaal gebrek aan probleeminzicht”. Aangezien uitdrukkelijk naar deze nota’s wordt verwezen moet de wettigheid van deze documenten worden onderzocht. De bestreden beslissing verwijst in zijn referenties onder meer naar het eindverslag van het voorafgaand onderzoek, met bijlagen. Er wordt in de rubriek personeelsgegevens eveneens verwezen naar een functioneringsgesprek van 13 maart 2013, naar twee functioneringsnota’s van respectievelijk 24 juli 2015 en 7 augustus 2015 en naar een nota “schriftelijke opmerkingen met strenge waarschuwing” van 17 februari 2016. Deze documenten worden gebruikt ter bevestiging van het problematisch gedrag van verzoeker. Verzoeker is van oordeel dat te veel bewijskracht wordt gegeven aan de verklaringen vermeld in deze documenten. De verschillende verklaringen werden niet onderzocht op hun nauwkeurigheid en samenhang. De gedane verklaringen van oversten en collega’s dienen dan ook buiten beschouwing te worden gelaten. XIV-37.178-10/28 Voorts zijn de feiten waarnaar verwezen wordt geen feiten vermits alles in de “zou-vorm” geschreven wordt. Er zijn geen nauwkeurig samenhangende feiten. Alles is zeer vaag en algemeen beschreven. Verzoeker stelt dat hij weet dat hij zich in een moeilijke situatie bevindt en dat hij zich correct moet gedragen. Hij heeft voorts enkele gesprekken opgenomen waaruit zeer duidelijk blijkt dat hij zich correct gedraagt. Van de personen die opgenomen werden, kan men volgens verzoeker dit niet zeggen. Het gebruik van de documenten (hierna: functioneringsgesprek 2013, twee functioneringsnota’s 2015 en de nota met strenge waarschuwing van 2016) is volgens verzoeker onwettelijk, en zelfs indien dit wettelijk zou zijn, zijn deze documenten door verschillende onregelmatigheden aangetast. Verzoeker zet vooreerst uiteen dat de nota van het functioneringsgesprek 2013 reeds lang uit het dossier van verzoeker moest gehaald zijn vermits deze nota enkel bij de evaluatie van 28 januari 2013 mocht gebruikt worden. Wat de functioneringsnota’s van 2015 betreft stelt verzoeker dat deze reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een illegale tuchtprocedure, te weten de procedure die besloten is met de nota met strenge waarschuwing van 17 februari 2016, die werd gehandhaafd bij beslissing van 9 juni 2016. In die nota werden de functioneringsnota’s 2015 betrokken, maar besluit de commissaris-generaal de feiten zonder tuchtrechtelijk gevolg te klasseren, terwijl anderzijds de nota wel besluit met een ‘strenge waarschuwing’, hetgeen niet met elkaar te rijmen valt. Verzoeker besluit ter zake dat, “daar voor de nota met schriftelijke opmerkingen met strenge waarschuwing d.d. 17.02.2016 gehandhaafd bij beslissing van 09.06.2016 nooit geen inleidend verslag werd genomen is die nota genomen in strijd met artikel 56 van het tuchtdecreet”, er aan hem een verdoken tuchtsanctie werd opgelegd vermits de tuchtprocedure niet doorlopen werd. Diezelfde nota van 17 februari 2016 met strenge waarschuwing, gehandhaafd bij de beslissing van 9 juni 2016 diende als bezwarend element in de tuchtprocedure. Eén van de fundamenten van de bestreden beslissing is aldus onwettig zodat de bestreden beslissing zelf onwettig is. XIV-37.178-11/28 Verzoeker sluit tot slot het middel af met een duiding in de rechtspraak en de rechtsleer van de noties “machtsafwending” en “verkapte tuchtstraf” en geeft hij aan dat er “verdoken motieven [meespelen] die moeilijk te bewijzen [zijn] voor verzoeker”. 9. In de memorie van wederantwoord erkent verzoeker vooreerst dat het de tuchtwet betreft waarvan hij de schending inroept. Voorts ontkent hij met klem de feiten die hem verweten worden op 23 november 2015, 24 november 2015, 30 november 2015 en 1 december 2015. Verzoeker stelt dat hij kan aantonen dat de feiten van 30 november 2015 niet verliepen zoals ze voorgesteld worden en van de andere gesprekken kan men aannemen dat ze dezelfde teneur hadden als het gesprek van 30 november 2015. Verzoeker verwijst daartoe naar een nieuw stuk dat hij voegt bij de memorie van wederantwoord (getypte versie van het gesprek van 30 november 2015). Verzoeker stelt dat hij desgewenst ook de elektronische audio-opname van het gesprek kan bezorgen. Voor het overige verwijst verzoeker uitdrukkelijk naar het verzoekschrift “dat in het licht van de uitgetypte gesprekken relevant, duidelijk en niet weerlegd geworden is.” Tot slot stelt verzoeker, met verwijzing naar rechtsleer, dat de nota van 17 februari 2016 (met strenge waarschuwing) een verdoken tuchtsanctie oplegt. In zijn laatste memorie zet verzoeker uiteen dat hij enkel de gesprekken van 23 en 24 november 2015 niet heeft opgenomen. Hij verwijst ter zake naar het voornoemde bij de memorie van wederantwoord gevoegde stuk en naar een stuk dat hij voor het eerst voegt bij zijn laatste memorie ( “het gesprek in audiovorm” op een USB-stick). Voorts betwist hij dat hij in het verzoekschrift de schending van artikel 6 EVRM niet heeft uitgewerkt: hij beroept zich op die bepaling “om aan te tonen dat hij geen eerlijke tuchtprocedure kan kennen omwille van het op een ongeoorloofde samenstelling van een dossier tegen verzoeker”. XIV-37.178-12/28 Beoordeling De schending van het motiveringsbeginsel 10. Verzoeker voert in het middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en van de motiveringsplicht. Uit het in het verzoekschrift uiteengezette middel blijkt dat verzoeker kritiek heeft op de motieven in die zin dat de bestreden beslissing niet op deugdelijke motieven steunt. Aldus begrijpt hij onder de voornoemde geschonden bepalingen en beginsel de schending van de materiëlemotiveringsplicht. Het middel wordt, wat de schending van de voormelde bepalingen en beginsel betreft, vanuit dat oogpunt onderzocht. 11. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (zie supra, punt 3.4.). Uit zowel de “uiteenzetting van de feiten” als uit het “bewijs en toerekening van de feiten” blijkt dat de bestreden tuchtstraf haar grondslag enkel vindt in de feiten die zich voordeden op 23 november 2015, 24 november 2015, 30 december 2015 en 1 december 2015. Dat in de referenties van de bestreden beslissing wordt verwezen naar het eindverslag van het voorafgaand onderzoek, met bijlagen - waartoe ook de door verzoeker aangehaalde nota’s behoren - en dat diezelfde nota’s ook nog worden vermeld onder punt 9 “Personeelsgegevens” van de bestreden beslissing (zie supra, punt 3.4.), doet vooreerst geen afbreuk aan de vaststelling dat in de uiteenzetting van de feiten noch in de motivering van de beslissing enige verwijzing naar de door verzoeker aangehaalde stukken wordt gemaakt wat het bewijs van het tuchtvergrijp betreft. In zoverre verzoeker de motiveringsplicht geschonden acht doordat de bestreden beslissing betreffende het bewijs van de feiten gesteund zou zijn op (het gebruik van) een functioneringsgesprek van 13 maart 2013, de functioneringsnota’s van 24 juli en 7 augustus 2015 en de beslissing van de commissaris-generaal van de Federale politie van 17 februari 2016 (die een gevolg is van de vermelde functioneringsnota’s van juli-augustus 2015), mist het middel feitelijke grondslag. Het middel is in die mate ongegrond. XIV-37.178-13/28 Voorts belet niets dat de tuchtoverheid verwijst naar en zich steunt op de verschillende functioneringsnota’s van verzoeker om aan te tonen dat verzoekers problematisch gedrag zich reeds voorheen heeft gesteld. Het professioneel verleden van verzoeker en derhalve zijn functioneren, mag immers op rechtsgeldige wijze worden betrokken bij het bepalen van verzoekers gedrag en dus bij het bepalen van de strafmaat. De enkele kritiek dat het gebruik van die functioneringsnota’s onwettig zou zijn omdat hij reeds recht had op een tweejaarlijks evaluatiegesprek, leidt niet tot een andere conclusie, nu verzoeker niet betwist dat die stukken deel uitmaken van het persoonlijk dossier bedoeld in artikel II.3 UBPol en derhalve mogen worden aangewend in het kader van de procedure die leidde tot de thans bestreden tuchtstraf. In de mate dat verzoeker betoogt dat de functioneringsnota’s van 24 juli 2015 en 7 augustus 2015 het voorwerp hebben uitgemaakt van een “illegale tuchtprocedure”, beperkt verzoeker zich tot het poneren van een blote bewering doch hij maakt die niet aannemelijk. Wat verzoekers kritiek betreft op de nota van de commissaris-generaal van de Federale politie van 17 februari 2016, blijkt dat die nota, na onderzoek van het verweer van verzoeker, bij beslissing van de commissaris-generaal van de Federale politie van 9 juni 2016 werd gehandhaafd. In de mate dat verzoeker de onwettigheid aanvoert van die initiële nota van 17 februari 2016 omdat hij eraan voorafgaand niet zou zijn gehoord, betrekt verzoeker in zijn blote kritiek ter zake niet het gegeven dat die nota na zijn verweer heeft geleid tot een nieuw onderzoek en een nieuwe beslissing (tot handhaving ervan), noch het feit dat hij in de nota van 17 februari 2016 werd uitgenodigd om zijn “eventuele opmerkingen schriftelijk over te maken binnen de 7 dagen na ontvangst van de huidige nota” en dat “na analyse van [verzoekers] opmerkingen [de commissaris-generaal] [verzoeker] zal […] informeren over de gevolgen van huidige nota (handhaving, intrekking, eventuele aanpassingen, ….)”, noch dat verzoeker klaarblijkelijk ook is ingegaan op dat verzoek en zijn argumenten heeft doen gelden, noch dat in de nota van 9 juni 2016 zijn verweer bij de besluitvorming werd betrokken. In deze context die verzoeker niet betrekt in zijn middel, volstaat derhalve verzoekers blote kritiek dat hij niet werd gehoord voorafgaand aan de initiële beslissing van 17 februari 2016, in ieder geval niet om tot de onwettigheid van de bestreden beslissing te leiden. XIV-37.178-14/28 In de mate, tot slot, dat verzoeker van mening is dat met die nota(‘
  3. s)van de commissaris-generaal van de Federale politie, waarin de twee functioneringsnota’s van 24 juli en 7 augustus 2015 werden besproken, een verdoken tuchtstraf werd opgelegd, verliest verzoeker uit het oog dat de betrokken nota van 17 februari 2016 en de erop volgende handhavende nota, een functioneringsnota is en derhalve een “schriftelijk bericht [is] betreffende de wijze waarop [verzoeker] zijn opdrachten vervult” in de zin van artikel 140 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’. Daarmee beweegt de commissaris-generaal van de Federale politie zich niet in de toepassingssfeer van de tuchtregeling. Wanneer een verzoeker derhalve aanvoert dat een opgelegde maatregel zoals deze functioneringsnota, in werkelijkheid een verkapte tuchtmaatregel is, dan komt het aan hem toe om het voor de Raad van State aannemelijk te maken dat, ondanks de schijn van het tegendeel, de betrokken nota er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt hem te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen. Tot het bestaan van een dergelijke, niet-veruitwendigde bedoeling, kan niet worden besloten op grond van loutere subjectieve gevoelens van verzoeker. Integendeel dient verzoeker met verwijzing naar concrete omstandigheden aannemelijk te maken dat het determinerend motief van de ordemaatregel erin bestaat hem te bestraffen. Verzoeker voert te dezen geen dergelijke argumenten aan, zodat zijn kritiek ter zake zich aandient als blote beweringen of aannames die niet volstaan om te besluiten dat de betrokken functioneringsnota een bestraffende maatregel is. Aangezien de betrokken functioneringsnota derhalve geen tuchtmaatregel is, vindt ter zake dan ook de tuchtregeling geen toepassing en kan derhalve dan ook artikel 54 van de tuchtwet niet zijn geschonden. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de betrokken documenten op een onwettige wijze werden gebruikt als beslissend element in de bestreden beslissing. Het middel is in die mate ongegrond. XIV-37.178-15/28 12. Verzoeker doet in het middel voorts gelden dat er “te veel bewijskracht wordt gegeven aan de verklaringen vermeld in deze documenten.” Uit het middel blijkt dat bedoeld worden de verklaringen van de hiërarchische meerderen waarop het tuchtvergrijp steunt. Dit argument wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. De tuchtoverheid kan aldus het bewijs van de feiten steunen op vermoedens die gevolgtrekkingen zijn van bekende feiten om te besluiten tot een onbekend feit op voorwaarde dat die vermoedens gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend zijn. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Uit de hiervoor weergegeven formele motivering van de bestreden beslissing (supra, punt 3.4.) blijkt dat verzoeker de feiten ontkende, XIV-37.178-16/28 maar dat de tuchtoverheid meent dat “door de convergerende klachten vanwege [verzoekers] hiërarchie” de feiten vaststaan en aan verzoeker kunnen worden toegerekend. Hieruit blijkt dat de tuchtoverheid uit die convergerende verklaringen vermeld in de bestreden beslissing, het gevolg trekt dat het hem ten laste gelegde tuchtvergrijp is bewezen. Verzoeker is het in het verzoekschrift daarmee weliswaar niet eens, maar in zijn kritiek ter zake dat te veel “bewijskracht” is gegeven aan die verklaringen en dat ze niet werden onderzocht op hun nauwkeurigheid en samenhang, beperkt hij zich evenwel tot blote of algemene beweringen zonder die te onderbouwen met enig inhoudelijk argument of met enig stuk. Zulks volstaat niet. Overtuigt evenmin, het argument in zijn verzoekschrift dat de feiten geen feiten zouden zijn omdat ze in de uiteenzetting van de feiten in de voorwaardelijke wijs worden beschreven. Het is immers duidelijk dat de tuchtoverheid het aan verzoeker tenlastegelegde tuchtvergrijp onvoorwaardelijk bewezen acht op grond van de “convergerende klachten vanwege [verzoekers] hiërarchie”. De enkele omstandigheid dat de tuchtoverheid in de uiteenzetting van de feiten de voorwaardelijke wijze gebruikt inzake elk der klachten afzonderlijk, staat er niet aan in de weg dat de tuchtoverheid redelijkerwijs het bewijs van het tuchtvergrijp kon afleiden uit de lezing van convergerende klachten - waarvan niet wordt betwist dat ze niet in de voorwaardelijke wijs zijn opgesteld - en die voldoende precies en nauwkeurig zijn om de tuchtoverheid toe te laten tot haar beoordeling van verzoekers gedrag te komen. Met de voor het eerst bij de memorie van wederantwoord en de laatste memorie neergelegde stukken noch met de nieuwe argumenten uiteengezet in die procedurestukken mag geen rekening worden gehouden bij de beoordeling van de gegrondheid van het middel. Verzoeker toont immers niet aan dat hij die argumenten niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen en dat hij de voor het eerst bij zijn latere memories gevoegde stukken niet bij zijn verzoekschrift had kunnen voegen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die stukken, argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. In de mate dat het geen nieuwe of aanvullende argumenten betreffen, vallen ze samen met hetgeen hiervoor is XIV-37.178-17/28 uiteengezet. Ze leiden in dat geval evenmin tot het gegrond bevinden van het middel. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker geenszins aannemelijk maakt dat de tuchtoverheid inzake haar beoordeling van de in de bestreden beslissing gegeven verklaringen van hiërarchische meerderen en het daaruit afgeleide bewijs van het tuchtvergrijp, tot een appreciatie is gekomen die de perken van haar hiervoor geschetste beoordelingsbevoegdheid te buiten gaat. Het tweede middel is in die mate ongegrond. Overige beginselen en bepalingen 13. Verzoeker zet in het verzoekschrift niet uiteen op welke wijze de artikelen 159 van de Grondwet en 6 EVRM, alsook het fairplay-beginsel zouden zijn geschonden door de bestreden beslissing. Met uiteenzettingen en toevoegingen ter zake in latere procedurestukken mag geen rekening worden gehouden nu verzoeker niet aantoont dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Het tweede middel is in die mate niet-ontvankelijk. 14. In de mate dat verzoeker machtsafwending aanvoert, blijkt uit het middel zoals dat is ontwikkeld in het verzoekschrift, dat verzoeker zich ter zake beperkt tot een algemene, juridisch-theoretische uiteenzetting van het concept “machtsafwending”, zonder dat hij op aannemelijke wijze uiteenzet waarom te dezen de bestreden beslissing is genomen met machtsafwending. Het tweede middel is in die mate niet-ontvankelijk. 15. Wat de overige door verzoeker in het middel aangevoerde en geschonden geachte beginselen en bepalingen betreft, wordt er geen specifieke argumentatie opgebouwd, zodat deze grieven geacht moeten worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. XIV-37.178-18/28 Conclusie 16. Het tweede middel is ongegrond in de mate dat het ontvankelijk is. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 17. Verzoeker voert in het derde middel de schending aan van artikel 32/2 van de wet van 4 augustus 1996 ‘betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk’ (hierna: de wet van 4 augustus 1996), van het beginsel fraus omnia corrumpit, van het verbod op rechtsmisbruik, van artikel 10 EVRM en van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Na het citeren van artikel 32/2 van de wet van 4 augustus 1996 zet verzoeker uiteen dat hij van de verwerende partij mag verwachten dat die “binnen een redelijke termijn redelijke maatregelen neemt in overeenstemming met artikel 32”. Vooreerst laat volgens verzoeker de verwerende partij na om binnen een redelijke termijn de situatie op de werkvloer te onderzoeken en de resultaten ervan mee te delen. Ondertussen neemt zij onredelijke maatregelen door verzoeker ter beschikking te stellen alsof hij de oorzaak is van de pestsfeer. Vervolgens bouwt de verwerende partij “op een onwettelijke manier” een dossier tegen verzoeker op door incidenten die betrekking hebben op het niet naleven van de omzendbrief GPI 44ter te beschouwen als deontologische inbreuken waarbij uiteindelijk een illegale tuchtstraf wordt genomen. Vervolgens wordt deze verkapte tuchtstraf gebruikt om de bestreden beslissing te nemen. Verzoeker stelt dat hij reeds lang melding maakt van pesterijen en dat hij veelvuldig het negeren van deze meldingen heeft aangekaart, doch dat er geen stappen werden ondernomen. Nochtans toont de risicoanalyse duidelijk aan dat de hiërarchie in gebreke blijft om gepaste maatregelen te nemen, waardoor volgens verzoeker de verwerende partij artikel 32/2 van de wet van 4 augustus 1996 schendt. Indien de XIV-37.178-19/28 verwerende partij wel gepaste maatregelen had genomen, dan had verzoeker nooit “problematisch gedrag” vertoond met betrekking tot zijn terbeschikkingstelling. Door artikel 32/2 van de wet van 4 augustus 1996 te miskennen, begaat de verwerende partij bedrog en rechtsmisbruik ten aanzien van verzoeker, en dient de bestreden beslissing die hierin haar oorsprong vindt, nietig verklaard te worden. Verzoeker geeft vervolgens een omstandige uiteenzetting over de risicoanalyses waarvan volgens hem de resultaten aantonen dat artikel 32/2 van de wet van 4 augustus 1996 is geschonden en waarbij hij aanneemt dat uit de tweede risicoanalyse waarvan hij nog geen kennis heeft kunnen nemen, “nog tal van elementen zullen kunnen gebruikt worden om de achterliggende redenen waarvoor verzoeker tot een tuchtstraf werd veroordeeld te onthullen”. Na het citeren van artikel 10 EVRM en de criteria die volgens verzoeker het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) bij haar beoordeling ter zake hanteert, doet verzoeker gelden dat het EHRM in haar rechtspraak, die hij detailleert, erkent dat een werknemer een zekere loyaliteitsversplichting heeft tegenover zijn werkgever, maar dat deze laatste daar niet door gebonden is wanneer de werkgever er niet in slaagt een onrechtmatige daad op te lossen. Aangezien de wet van 15 september 2013 ‘betreffende de melding van een veronderstelde integriteitsschending in de federale administratieve overheden door haar personeelsleden’ nog veel lacunes kent en nog niet van toepassing was bij de aanvang van de pesterijen, beroept verzoeker zich op artikel 10 EVRM dat volgens hem geschonden wordt doordat de verwerende partij “het recht van verzoeker om op een respectvolle manier wantoestanden en het niet respecteren van GPI 44ter aan te kaarten onrechtmatig beknot”. 18. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker het middel. Hij beklemtoont dat de tuchtstraf haar oorsprong vindt in verzoekers gedrag waarbij hij wantoestanden aan de kaak stelt. Zijn leidinggevenden getuigen van inertie en er wordt op de boodschapper geschoten in plaats van de oorzaak van de problemen aan te pakken. Voorts bespreekt hij ook de tweede risicoanalyse. XIV-37.178-20/28 In zijn laatste memorie doet verzoeker gelden dat de ernstige waarschuwing essentieel is en rechtstreeks is verbonden met de blaam, dat de bestreden tuchtstraf is opgelegd door het geven van zijn mening en dat ze niet in proportie is, rekening houdend met de onmogelijke werksituatie waarmee hij geconfronteerd wordt. Hij besluit dat, doordat de verwerende partij doelbewust het meermaals genoemde artikel 32/2 schendt, zij bedrog en rechtsmisbruik begaat ten aanzien van verzoeker en dat aldus de bestreden beslissing die haar oorsprong vindt in het niet-behandelen op een correcte wijze van de pestsfeer, dient te worden vernietigd. Beoordeling 19. In de mate dat verzoeker het artikel 32/2 van de wet van 4 augustus 1996 geschonden acht, gaat verzoeker in het middel uit van het standpunt dat de bestreden beslissing haar oorsprong vindt in het uitblijven van passende maatregelen in toepassing van artikel 32/2 van de wet van 4 augustus 1996 om psychosociale risico’s te vermijden of te beperken. Zoals uit de beoordeling van het eerste middel reeds blijkt (supra, punt 6.) en anders dan hoe verzoeker het ziet, sanctioneert de bestreden beslissing verzoekers gedrag tegenover een aantal hiërarchische meerderen en dit steunend op convergerende klachten vanwege verzoekers hiërarchie. De in het middel centraal staande vraag of de verwerende partij al dan niet een voldoend passend gevolg heeft gegeven aan artikel 32/2 van de wet van 4 augustus 1996 is derhalve niet relevant ter beoordeling van de wettigheid van de thans bestreden beslissing. Hetzelfde geldt wat verzoekers bewering betreft dat de verwerende partij, door na te laten de passende maatregelen in het kader van artikel 32/2 van de wet van 4 augustus 1996 te nemen, bedrog of rechtsmisbruik pleegt. Het desgevallend gegrond bevinden van de schending van artikel 32/2 van de wet van 4 augustus 1996 kan derhalve niet tot de onwettigheid van de bestreden tuchtstraf leiden. XIV-37.178-21/28 In de mate dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 32/2 van de wet van 4 augustus 1996, kan het middel niet tot nietigverklaring leiden. 20. In de mate dat verzoeker artikel 10 EVRM geschonden acht, doordat de verwerende partij “het recht van verzoeker om op een respectvolle manier wantoestanden en het niet respecteren van GPI 44ter aan te kaarten onrechtmatig beknot”, gaat het middel uit van een verkeerde feitelijke grondslag. Anders dan hoe verzoeker het ziet, bestraft de tuchtoverheid verzoeker niet voor het uiten van zijn mening inzake het niet-respecteren van de voornoemde omzendbrief en het aankaarten van wantoestanden in het korps, maar wel omdat hij de waardigheid van het ambt ernstig in het gedrang heeft gebracht en tekort is geschoten in zijn beroepsplichten door zich, vanaf zijn terbeschikkingstelling bij DGA/LPAO-afdeling Wevelgem, “bij diverse gelegenheden provocerend, arrogant, minachtend en onrespectvol te hebben opgesteld ten aanzien van verschillende hiërarchische meerderen”. Door met de bestreden beslissing uitsluitend dit gedrag ten aanzien van hiërarchische meerderen te sanctioneren, miskent de tuchtoverheid aldus niet de in artikel 10 EVRM vervatte vrijheid van meningsuiting. Het middel is in die mate ongegrond. 21. Wat de overige door verzoeker in het middel aangevoerde en geschonden geachte beginselen betreft, wordt er geen specifieke argumentatie opgebouwd, zodat deze grieven geacht moeten worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. Met toevoegingen ter zake in latere procedurestukken mag geen rekening worden gehouden nu verzoeker niet aantoont dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. XIV-37.178-22/28 Overige beginselen en bepalingen 22. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze de artikelen 159 van de Grondwet en 6 EVRM, alsook het fairplay-beginsel zouden zijn geschonden door de bestreden beslissing. Met toevoegingen ter zake in latere procedurestukken mag geen rekening worden gehouden nu verzoeker niet aantoont dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Het middel is in die mate niet ontvankelijk. Conclusie 23. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 24. Verzoeker voert in het vierde middel de schending aan van “le criminel tient le disciplinaire en état” en van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. In een theoretische uiteenzetting schetst verzoeker het juridische kader. Het houdt, samengevat, in dat volgens vaste rechtspraak een tuchtoverheid niet verplicht is haar beslissing uit te stellen tot de uitspraak van de strafrechter definitief is. Nochtans vereist het zorgvuldigheidsbeginsel dat een tuchtoverheid de strafrechtelijke uitspraak afwacht indien zij in de onmogelijkheid is te bepalen of de feiten aan het betrokken personeelslid toegerekend kunnen worden. Naast dit zorgvuldigheidsbeginsel is de tuchtoverheid ook gebonden aan de redelijketermijneis, waarbij die anders wordt ingevuld naargelang op de tuchtoverheid al dan niet de plicht rust te wachten op een definitieve beslissing van de strafrechter. Is dat wachten slechts facultatief, dan mag de overheid niet wachten indien zij middels een eigen onderzoek tot een zorgvuldig besluit kon komen. Indien de tuchtoverheid over voldoende precieze gegevens beschikt dan dient zij zonder dralen de tuchtprocedure aan te vatten. Artikel 56, tweede lid, van XIV-37.178-23/28 de tuchtwet kan derhalve enkel worden ingeroepen wanneer het personeelslid de feiten betwist of wanneer de tuchtoverheid de feiten niet kan bewijzen via een eigen administratief onderzoek. Maar ook dan dient de tuchtoverheid op regelmatige tijdstippen te informeren naar het verloop van het opsporingsonderzoek of de strafvordering. Ook wanneer de tuchtoverheid legitiem wacht op de uitspraak van de strafrechter, moet zij een actieve rol spelen. In casu werkt volgens verzoeker de verwerende partij zelfs niet actief mee, aangezien zij de tweede risicoanalyse nog steeds niet heeft meegedeeld aan verzoeker. Voorts betreft het hier de zwaarste lichte tuchtstraf, zodat er geen noodzaak was om reeds uitspraak te doen. Door een tuchtstraf uit te spreken, miskent de tuchtoverheid de plicht om zorgvuldig en redelijk te handelen in een uiterst delicate zaak van pesten terwijl zij had moeten wachten alvorens uitspraak te doen. 25. Bij de memorie van wederantwoord voegt verzoeker een nieuw stuk, zijnde “het bewijs van neerlegging van een klacht met burgerlijkepartijstelling”. Hij benadrukt dat het, gezien de omstandigheden, zorgvuldig noch redelijk was om verzoeker een tuchtstraf op te leggen vermits deze buitensporig is, aangezien de uitgetypte gesprekken aantonen dat het net beroeper is die onrespectvol en minachtend werd behandeld. De tuchtstraf werd dus opgelegd om verzoeker “koest te houden”. Een blaam impliceert dat hetgeen verzoeker verweten wordt minimaal is en de goede werking van de dienst niet in het gedrang brengt. De verwerende partij heeft ook de taak om loyaal en actief mee te werken aan de klacht met burgerlijkepartijstelling, maar zij beweert thans dat er geen klacht met burgerlijkepartijstelling is. Uit de in het verzoekschrift aangehaalde rechtspraak en rechtsleer blijkt duidelijk dat de verwerende partij de belangen van verzoeker en zijn dienst onzorgvuldig behandelt, waardoor zij de plicht tot zorgzaam en redelijk handelen miskent aangezien toch reeds een tuchtstraf werd opgelegd. XIV-37.178-24/28 In de laatste memorie voegt verzoeker toe dat de klacht met burgerlijkepartijstelling zich “bijna in de fase van de regeling rechtspleging” bevindt. Beoordeling De schending van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel 26. Verzoeker voert in wezen aan dat het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel zijn geschonden doordat de verwerende partij niet heeft gewacht op de strafrechtelijke procedure alvorens de bestreden tuchtstraf op te leggen. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. Het strafonderzoek waarop verzoeker doelt, is blijkbaar zijn klacht met burgerlijkepartijstelling van 17 augustus 2015 en waarvan verzoeker voor het eerst het bewijs bijbrengt bij de memorie van wederantwoord. Los van de vaststelling dat de verwerende partij aannemelijk maakt aan de hand van de door haar bij de laatste memorie gevoegde stukken dat de tuchtoverheid bij het nemen van de bestreden beslissing niet op de hoogte was van die burgerlijkepartijstelling en dat verzoeker het tegendeel daarvan niet aannemelijk maakt – zodat om die reden alleen reeds het middel ongegrond is – houdt het enkele feit dat verzoeker een klacht met burgerlijkepartijstelling heeft neergelegd, niet in dat de tuchtoverheid had moeten wachten op het resultaat ervan. De beslissing om de definitieve uitspraak over de strafvordering niet af te wachten houdt immers op zich niet het bewijs in van een onzorgvuldigheid in hoofde van de tuchtoverheid, te meer dat het te dezen overigens geen strafvordering lastens verzoeker betreft. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen. Voorts beschikt, zoals hiervoor reeds is gebleken (supra, punt 12.), de tuchtoverheid over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de vraag of de gegevens waarover zij beschikt volstaan om het aan verzoeker tenlastegelegde tuchtvergrijp bewezen te verklaren. Zoals reeds is gesteld, is de Raad van State bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te XIV-37.178-25/28 gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het is derhalve aan verzoeker om aannemelijk te maken dat de tuchtoverheid onzorgvuldig of onredelijk is geweest door niet te wachten op de gerechtelijke eindbeslissing inzake zijn burgerlijkepartijstelling. Hij beperkt zich ter zake evenwel tot een aanname, zonder dat hij uiteenzet noch aannemelijk maakt dat, gelet op het hem tenlastegelegde tuchtvergrijp, de tuchtoverheid op grond van de haar voorliggende feiten en dus door zonder te wachten op de eindbeslissing, niet tot de conclusie kon komen dat het verzoeker ten laste gelegde tuchtfeit bewezen is. In zoverre verzoeker in het middel (ook) doet gelden dat het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel geschonden zijn doordat de verwerende partij niet actief en loyaal zou meewerken in het kader van de verplichtingen van artikel 32/2 van de wet van 4 augustus 1996, is hiervoor reeds vastgesteld dat de vraag of de verwerende partij al dan niet een voldoend passend gevolg heeft gegeven aan artikel 32/2 van de wet van 4 augustus 1996 niet relevant is ter beoordeling van de wettigheid van de thans bestreden beslissing. Het niet meewerken aan de verplichtingen ter zake kan derhalve evenmin de bestreden beslissing vitiëren. Tot slot volstaat de enkele bewering dat er geen noodzaak was om reeds uitspraak te doen omdat er sprake is van de zwaarst lichte straf, niet om te besluiten tot een schending van de door verzoeker aangevoerde beginselen. 27. In zoverre verzoeker voor het eerst in zijn latere procedurestukken nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, toont verzoeker niet aan dat hij die niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. XIV-37.178-26/28 Overige bepalingen en beginselen 28. Wat de overige door verzoeker in het middel aangevoerde en geschonden geachte beginselen betreft, wordt er geen specifieke argumentatie opgebouwd, zodat deze grieven geacht moeten worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. Met toevoegingen ter zake in latere procedurestukken mag geen rekening worden gehouden nu verzoeker niet aantoont dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. 29. Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-37.178-27/28 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.178-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.195 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.