← België

Arrest 247200 - Varia (onderwijs en cultuur) - 03/03/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.200 Rolnummer: A. 228749/IX-9588 Zaak: Arrest 247200 - Varia (onderwijs en cultuur) - 03/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-06 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-26 03:07 Fiche Arrest nr 247.200 van 3 maart 2020 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 247.200 van 3 maart 2020 in de zaak A. 228.749/IX-9588 In zake: Georges AOUN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Heuven kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de HOGERE ZEEVAARTSCHOOL ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 2 augustus 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 5049 van 5 juli 2019 van de Raad voor betwistin- gen inzake studievoortgangsbeslissingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking nr. 13.447 van 27 augustus 2019 is het cassa- tieberoep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9588-1/14 Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 februari
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Dirk Van Heuven, die verschijnt voor de verzoeken- de partij en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. De feiten zoals ze door Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen in het bestreden arrest worden vastgesteld, kunnen als volgt worden samengevat. Op 15 maart 2018 vraagt verzoeker, op grond van een door hem behaald certificaat van bekwaamheid voor een cursus Radar Navigator Ma- nagement Level, aan de EVK-commissie van de verwerende partij een vrijstelling IX-9588-2/14 voor het opleidingsonderdeel „Simulator RADAR/ARPA‟ in de opleiding master in de nautische wetenschappen. Op 5 oktober 2018 weigert de verwerende partij finaal deze vrijstelling. Verzoeker stelt tegen die weigeringsbeslissing beroep in bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Bij arrest nr. 4817 van 14 maart 2019 vernietigt dat administra- tief rechtscollege de weigeringsbeslissing van 5 oktober 2018 en beveelt het dat “[h]et bevoegde orgaan van verwerende partij […] uiterlijk op 11 april 2019 een nieuwe beslissing [neemt], rekening houdend met de hierboven vermelde over- wegingen”. Op 9 april 2019 neemt de interne beroepsinstantie van de ver- werende partij een nieuwe beslissing, waarbij de gevraagde vrijstelling andermaal wordt geweigerd. Verzoeker stelt ook tegen deze beslissing beroep in bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Met zijn arrest nr. 5049 van 5 juli 2019 verwerpt dit rechtscollege het beroep van verzoeker. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  6. De verwerende partij betoogt in haar memorie van antwoord dat zij “zeer recent” “van de FOD Mobiliteit en Vervoer het bericht [ontving] dat de Hogere Zeevaartschool geen diploma van master in de nautische wetenschappen, noch een vaarbevoegdheidsbewijs mag afleveren wanneer één of meer STCW opleidingsmodules van de opleiding master in de nautische IX-9588-3/14 wetenschappen zouden worden gevolgd in een andere instelling of trainingscentrum”. Dat betekent, zo meent de verwerende partij, dat het inwilligen van het cassatieberoep aan verzoeker geen enkel voordeel kan opleveren, “en al zeker niet het beoogde voordeel, met name een diploma van master in de nauti- sche wetenschappen, noch een vaarbevoegdheidsbewijs voor hoofd van een brugwacht en voor gezagvoerder”. Beoordeling
  7. Wat verzoeker met het voorliggende cassatieberoep nastreeft – en hoogstens mag verwachten – is dat arrest nr. 5049 van 5 juli 2019 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen wordt vernietigd en dat hij aldus kans maakt op een gunstigere beoordeling van zijn beroep door dat rechtscollege. Zijn vordering voor dat rechtscollege strekt er dan weer wezen- lijk toe een negatieve beslissing over zijn aanvraag tot vrijstelling voor een oplei- dingsonderdeel in gunstige zin te zien ombuigen.
  8. In haar brief van 20 september 2019 licht de FOD Mobiliteit en Vervoer haar zienswijze toe aangaande “de afgifte van een vaarbevoegdheidsbe- wijs conform de Internationale Conventie STCW”, waarvoor het koninklijk be- sluit van 24 mei 2006 „inzake vaarbevoegdheidsbewijzen voor zeevarenden‟ geldt. Die zienswijze staat evenwel los van de thans ter discussie staande vraag tot vrijstelling, die beheerst wordt door de bepalingen van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs.
  9. Die vaststelling volstaat om de exceptie te verwerpen. IX-9588-4/14 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  10. Het eerste middel is geput uit de schending van het gezag van gewijsde van arrest nr. 4817 van 14 maart 2019 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen en van de jurisdictionele motiveringsplicht “zoals geput uit artikel 149 Grondwet en artikel II.292 VCHO”. Verzoeker zet uiteen dat in arrest nr. 4817 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen “duidelijke „richtlijnen‟ [wor- den] gegeven aan verwerende partij met het oog op de herbeslissing van de inter- ne beroepsinstantie”. Verzoeker zet daarbij op een rij wat volgens hem de “uit- gangspunten” van dat arrest heten te zijn. Vervolgens toetst verzoeker in “hoever- re in het bestreden arrest nr. 5049 rekening wordt gehouden met de richtlijnen en uitgangspunten van het arrest nr. 4817”. Hij komt tot het besluit dat “niet minder dan 6 van de 9 in […] arrest nr. 4817 geformuleerde uitgangspunten voor een herbeslissing geheel onverlet” worden gelaten in het thans bestreden arrest. Maar er is meer, volgens verzoeker. De eerste rechter “vergeet dat de academisering van de Hogere Zeevaartschool reeds gebeurde in 1985 en dat nadien ook Rotterdamse vrijstellingen werden toegestaan”, “negeert het prak- tisch karakter van de proef Radar/ARPA die van nature technisch van aard is, niet academisch”, “negeert de beperkte duur van de 4 in groepsverband uitgeoefende praktische proeven, amper 12 uur, die elke „academisering‟ verhindert”, “vali- deert de louter „woordelijke‟ motieven in de herbeslissing van 9 april 2019, die echter niets meer zijn dan de eerder door de Raad „verboden‟ standaarduitdruk- kingen en stijlformuleringen”, “motiveert niet waarom de eerder gevolgde oplei- ding van STC wél vrijgesteld wordt voor leerlingen die gelijk met verzoekende partij de master nautische wetenschappen volg(d)en, maar dat zulks niet aanvaard IX-9588-5/14 wordt voor een student die reeds tweemaal de proef heeft [afgelegd], waarvan eenmaal met – een in beginsel delibereerbare – 9/20, die amper één studiepunt mankeert voor zijn einddiploma en die in bewezen (wederzijds) conflict zit met zijn docenten” en “heeft geen onderzoeksdaden gesteld, in het bijzonder naar de reële wijzigingen van het betwiste opleidingselement […] vóór en na de zgz. aca- demisering”. Verzoeker besluit: “In het arrest nr. 4817 heet het: „In het kader van deze vrijstellingsbeslissingen benadrukt de Raad dat de instelling voor ogen dient te houden dat de decreetgever het streven naar de uitbouw van een meer open hoger onderwijs via onder meer het in aanmerking nemen van eerder verworven com- petenties en kwalificaties als doelstelling heeft gesteld. In die geest moet als principe worden vooropgesteld dat elke competentiever- werving officieel gevaloriseerd moet kunnen worden‟. Het arrest nr. 5049 is manifest incompatibel met dit principe en dus met het arrest nr.
  11. Daardoor werd het gewijsde van het arrest nr. 4817 miskend en is er tenminste sprake van een tegenstrijdige motivering.”
  12. In de memorie van wederantwoord doet verzoeker gelden dat hij zich eraan vermocht te verwachten “dat de RvStvb de richtlijnen en uitgangs- punten van het arrest nr. 4817 in acht zou nemen tegenover de herbeslissing van 9 april 2019” en dat hij in die verwachting is “beschaamd”. Volgens verzoeker geldt het gezag van gewijsde “uiteraard” bij herbeslissingen na vernietiging van de oorspronkelijke studievoortgangsbeslis- sing. Het gewijsde blijft volgens hem onverminderd gelden indien dezelfde mo- tieven opnieuw worden aangebracht. Het gezag van gewijsde strekt zich namelijk minstens uit tot wat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen uitdrukkelijk heeft beslist. De instelling dient rekening te houden met de overwegingen van de Raad die tot de annulatie hebben geleid, zo stelt verzoeker. Het gezag van gewijsde raakt volgens verzoeker aan de openbare orde, waardoor de Raad een dergelijk middel zelfs ambtshalve had moeten inroepen. Bij de wet- tigheidsbeoordeling van de beslissing van 9 april 2019 heeft de eerste rechter IX-9588-6/14 gehandeld op een wijze die niet verenigbaar is met arrest nr.
  13. Ook de rech- terlijke macht is gebonden door de eigen uitspraken. Verzoeker haalt het voor- beeld aan waarbij een eindarrest het gewijsde van een definitief geworden tus- senarrest schendt. Hij ziet niet in waarom de Raad voor betwistingen inzake stu- dievoortgangsbeslissingen in een “gevolgarrest” niet evenzeer als de instelling gebonden zou zijn door de “instructies” in een daaraan voorafgaand arrest. Minstens is er volgens verzoeker sprake van een tegenstrijdige motivering. De genoemde arresten van de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen betreffen dezelfde studiesituatie en moeten tesamen gele- zen worden. Het feit dat het laatste arrest geen rekening heeft gehouden met de richtlijnen van het eerste arrest, maakt dat er sprake is van een tegenstrijdige mo- tivering. En tegenstrijdige motieven heffen elkaar op, zo besluit verzoeker. Beoordeling 10.
  14. De zaak die aanleiding heeft gegeven tot arrest nr. 4817 van 14 maart 2019 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen had een beslissing van de verwerende partij van 5 oktober 2018 tot voorwerp. Het thans bestreden arrest nr. 5049 van 5 juli 2019 beoordeelt een beslissing van de verwerende partij van 9 april
  15. Dat de beide zaken twee onderscheiden voorwerpen hebben, impliceert dat het ook om onderscheiden geschillen gaat. Het arrest van 14 maart 2019 verhoudt zich ook niet tot het arrest van 5 juli 2019 zoals een tussenarrest zich verhoudt tot een eindarrest. 10.
  16. Het gezag van gewijsde van een rechterlijke uitspraak kan in beginsel niet worden geschonden door het rechtscollege zelf dat de uitspraak heeft gedaan en dat nadien uitspraak moet doen in een ander geschil, zelfs tussen dezelfde partijen, over een ander voorwerp. IX-9588-7/14 10.
  17. Waar het verzoeker echter om gaat, is niet dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen in het tweede arrest voorbijgaat aan de vernietiging van de beslissing van de beroepsinstantie van 5 oktober 2018, waartoe hij heeft besloten in zijn eerste arrest, of aan de met die nietigverklaring noodzakelijk verbonden motieven. Waar hij op alludeert is dat de bodemrechter in artikel 2 van het arrest van 14 maart 2019 aan de beroepsinstantie beveelt om uiterlijk op 11 april 2019 een nieuwe beslissing te nemen – verzoeker betwist niet dat dit met de be- slissing van 9 april 2019 ook is gebeurd – en dat hij daarbij een vingerwijzing heeft gegeven, om in die nieuwe beslissing rekening te houden met “de hierboven vermelde overwegingen”. Niet alleen is die vingerwijzing uitermate vaag, bovendien kan ze niet begrepen worden als een definitieve uitspraak over een rechtspunt, laat staan over een rechtspunt dat nog aan de orde moet komen, in het kader van een nog niet bestaande, toekomstige beslissing. In het thans door verzoeker bestreden arrest oordeelt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen over een nieuwe beslis- sing van de interne beroepsinstantie door de nieuwe feitelijke gegevens, met na- me de nieuwe motieven van de verwerende partij, aan de rechtsregels te toetsen. Deze rechter neemt daarbij geen beslissing over een in het eer- dere arrest al definitief beslecht geschilpunt dat hij in het navolgende geding zou moeten respecteren, op gevaar anders de gevolgen van het eerste arrest ongedaan te maken. 10.
  18. Voor zover het middel ervan uitgaat dat de beide arresten met elkaar onverenigbaar zijn, faalt het naar recht. IX-9588-8/14 11.
  19. Met betrekking tot de jurisdictionele motiveringsplicht betoogt verzoeker dat de eerste rechter niet “motiveert […] waarom de eerder gevolgde opleiding van STC wél vrijgesteld wordt voor leerlingen die gelijk met verzoe- kende partij de master nautische wetenschappen volg(d)en, maar dat zulks niet aanvaard wordt voor een student die reeds tweemaal de proef heeft [afgelegd], waarvan eenmaal met – een in beginsel delibereerbare – 9/20, die amper één stu- diepunt mankeert voor zijn einddiploma en die in bewezen (wederzijds) conflict zit met zijn docenten”. 11.
  20. Op die grief heeft de eerste rechter evenwel geantwoord als volgt: “Tot slot stelt de Raad vast dat verwerende partij het gegeven dat in het verleden wel een vrijstelling is toegekend op basis van een gelijkaardig certificaat, heeft onderzocht en de wijziging in het vrijstellingsbeleid van de instelling onderkent en verantwoordt, gezien er sindsdien een grondige herziening van het curriculum is gebeurd. Ter zitting wordt gewezen op het academiseringsproces waarbij de voorliggende bachelor- en masterop- leiding werden geacademiseerd, wat concreet heeft geleid tot een aanpas- sing van het betreffende opleidingsonderdeel, waardoor niet één maar meerdere competenties in de vergelijking van de EVK‟s niet getoetst worden in de specifieke context van een radarsimulatie/ARPA. De specifieke beroepsgerichte competenties komen in grote mate overeen, zoals hoger aangegeven, maar wat de algemene beroepsgerichte compe- tenties betreft werd in 2014-2015 enkel AB1_1 getoetst. Sindsdien zijn er echter vier algemene beroepscompetenties, vijf algemene competenties, twee algemene wetenschappelijke competenties en drie wetenschappelijke disciplinaire competenties bijgekomen. Opnieuw brengt verzoeker geen concrete elementen aan om deze analyse te weerleggen. Zijn argument dat de inhoud van de cursus wel degelijk dezelfde is gebleven en dat de opge- somde leerdoelen in de praktijk niet worden gedoceerd, wordt niet con- creet onderbouwd. Verzoeker meldt enkel dat dit kan worden nagevraagd bij medestudenten, zonder enige duiding/verklaring toe te voegen. Dit acht de Raad niet ernstig. De Raad stelt vast dat deze analyse eveneens strookt met het gegeven dat er in het academiejaar 2017-2018 ook een andere aanvraag tot vrijstelling op basis van een gelijkaardig certificaat werd geweigerd. Het argument van verzoeker dat de niet-toekenning van een vrijstelling die in het verleden wel aan studenten is toegekend die momenteel nog hun opleiding aan het finaliseren zijn en deze vrijstelling kunnen behouden een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt, overtuigt de Raad niet. De decreetgever heeft het belang onderstreept dat in het kader van wijzi- gingen aan het curriculum de instelling overgangsmaatregelen moet ne- IX-9588-9/14 men ten aanzien van in het verleden toegekende credits en verworvenhe- den van studenten [voetnoot: Artikel II.225, §4 Codex Hoger Onderwijs]. Het is niet uitgesloten dat een bepaalde credit niet langer als actu- eel/gepast wordt beschouwd naar aanleiding van een gewijzigd curricu- lum en vervangen wordt. In voorkomend geval zal de instelling in het ka- der van het geïndividualiseerd traject van de student naar een gepaste op- lossing moeten zoeken. Verzoeker kan zich echter niet beroepen op de onbeperkte geldigheid van een credit laat staan op een eerder toegestane vrijstelling, gezien deze nog niet eerder aan hem is toegezegd. In zijn ge- val is het niet onlogisch dat bij het toetsen van een huidige aanvraag, bij de overeenstemming inzake leerresultaten gekeken wordt naar de huidige ECTS-fiche en voorliggende leerresultaten.” 11.
  21. Daarmee heeft de grief van verzoeker over de vermeende onge- lijke behandeling wel degelijk en uitdrukkelijk een antwoord gekregen. Van een schending van de jurisdictionele motiveringsplicht is dus geen sprake. In die mate is het middel ongegrond. 12.
  22. Van een schending van de jurisdictionele motiveringsplicht wegens tegenstrijdigheid van motieven kan maar sprake zijn, in geval van tegen- strijdige motieven in één en dezelfde rechterlijke beslissing. Voor zover het middel uitgaat van een tegenovergestelde opvat- ting, faalt het naar recht.
  23. Wat de overige in de toelichting bij het middel opgesomde grieven betreft, valt niet in te zien hoe ze in te passen zijn in de als cassatiemiddel aangevoerde schending van het gezag van gewijsde of van de jurisdictionele mo- tiveringpslicht.
  24. Voor zover verzoeker in de memorie van wederantwoord be- toogt dat het bestuur gebonden is door het gezag van gewijsde, geeft hij aan het middel een nieuwe wending die laattijdig en, bijgevolg, onontvankelijk is. IX-9588-10/14
  25. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  26. Een tweede middel put verzoeker uit de schending van artikel II.242 van de Codex Hoger Onderwijs, de artikelen 95 tot 97 van het onderwijs- en examenreglement van de Hogere Zeevaartschool, “de Lissabonconventie van 11 april 1997”, het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker betoogt in dat verband wat volgt: “Zowel verwerende partij in de herbeslissing van de interne beroepsin- stantie van 9 april als de RvStvb in het bestreden arrest nr. 5049 passen het regime van de EVK‟s kennelijk te beperkend en dus onwettig toe. Daardoor is het bestreden arrest onwettig. Over de academisering van de Hogere Zeevaartschool. Verwerende partij stelt dat het opleidingselement „Simulator Radar‟ re- cent werd geacademiseerd en dat daardoor de cursus „Radar Navigator Management Level‟ niet langer voldoende vergelijkbaar is voor een vrij- stelling. Nochtans bestaat de opleiding nautische wetenschappen op academisch niveau reeds sedert 1985 en werd de master in nautische wetenschappen aan de Hogere Zeevaartschool reeds met besluit van 14 juni 2010 geac- crediteerd door de NVAO. De weigering om verzoekende partij vrij te stellen is manifest strijdig met alle bepalingen en beginselen in het tweede middel aangehaald en dat de RvStvb niet wettig anders kon oordelen in het bestreden arrest van 5 juli
  27. Daarom moet het bestreden arrest vernietigd worden. Hoger werd toegelicht dat niet overmatig streng mag omgegaan worden met EVK‟s. Er kan niet genoeg onderstreept worden dat de ECTS-fiche „Navigatie- problematiek (deel 4)‟ van het academiejaar 2014/15 een geaccrediteerd opleidingselement betrof binnen de academische opleiding nautische we- tenschappen. Er wordt niet betwist dat het certificaat Radar Navigator Management Level destijds wél leidde tot een vrijstelling voor het oplei- dingselement „Simulator Radar‟ bij de Hogere Zeevaartschool. Hoezeer de vrijstellingsweigering en aldus ook het „validerende‟ arrest nr. 5049 van 5 juli 2019 onwettig zijn blijkt uit volgende omstandigheden: - Het verschil tussen de ECTS-fiches 2014/15 en 2018/19 is dat de laatste minder duidelijk is. Er wordt een woordenbrei aan toegevoegd die enkel IX-9588-11/14 tot doel heeft het „academisch karakter‟ van deze praktische wat meer in de verf te zetten. Nochtans was het opleidingsonderdeel „Simulator Radar‟ reeds in 2014/15 onderdeel van de academische opleiding nautische we- tenschappen. De opleidingsduur is onveranderd beperkt gebleven (amper 12 uur). Ook de leerinhoud is identiek gebleven. De proef betreft nog steeds het aanleren van de RADAR/ARPA-techniek op een simulator. Er is geen begin van bewijs dat […] de „simulaties‟ in de loop der jaren sub- stantieel gewijzigd zijn – [lees]: geüpgraded – zijn. Men ziet redelijker- wijze niet in waarom in 2014/15 vrijstelling kon gekregen worden voor de Rotterdamse cursus en nu niet meer. - Tot op vandaag kunnen studenten van verwerende partij bij wege van „overgangsmaatregel‟ vrijstelling bekomen van het opleidingsonderdeel „Simulator Radar‟. De „overgangssituatie‟ moet ten zeerste gerelativeerd worden omdat nautische wetenschappen ook destijds reeds een academi- sche opleiding was. Het is kennelijk onredelijk dat verzoekende partij geen vrijstelling kon bekomen. - Verwerende partij kan op vandaag geen enkel opleidingsalternatief meer voorstellen/aanbieden/aanvaarden dat tot een vrijstelling kan leiden voor het opleidingselement „Simulator/Radar‟. Daarvoor zou de masteropleiding te „uniek‟ zijn. Zulks maakt het EVK- regime zoals geconsacreerd door de Lissabonconventie, door de Codex Hoger Onderwijs en door het eigen onderwijs- en examenreglement van verwerende partij dode letter. Dergelijke overmatige strenge EVK-beoordeling voor wat overduidelijk een praktische proef is die voor elke kapitein – academisch of niet – noodzakelijk is, is kennelijk onredelijk en onevenwichtig.” Beoordeling
  28. Met deze toelichting laat verzoeker na te concretiseren op wel- ke wijze het bestreden arrest elk van de in het middel aangevoerde bepalingen schendt. Alleszins zijn de aangevoerde algemene beginselen van be- hoorlijk bestuur niet van toepassing op een administratief rechtscollege. Welke bepalingen van “de Lissabonconventie van 11 april 1997” door de eerste rechter geschonden zouden zijn, op welke wijze dat is ge- beurd en op welke grond die “conventie” geldend recht is, valt uit deze toelich- ting zelfs niet te achterhalen. Ook de aangevoerde schending van artikel II.242 VCHO, dat uit drie paragrafen bestaat, wordt geenszins uitgewerkt, noch valt te IX-9588-12/14 lezen waarin de schending van elk van de drie aangevoerde bepalingen van het onderwijs- en examenreglement precies gelegen is. Waar het middel blijkens de geciteerde toelichting dan in we- zen op neerkomt, is een uitnodiging aan de Raad van State om het onderzoek van de wettigheid van de beslissing van 9 april 2019 van de verwerende partij over te doen en om, bij een vastgestelde onwettigheid, het bestreden arrest te verbreken. Daarmee nodigt verzoeker de Raad van State uit om als cassa- tierechter in de beoordeling van de zaak zelf te treden, waartoe hij op grond van artikel 14, § 2, in fine, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, niet bevoegd is.
  29. Het middel is niet ontvankelijk. BESLISSING
  30. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  31. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatiebe- roep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwe- rende partij. IX-9588-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9588-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.200 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.