← België

Arrest 247204 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 03/03/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.204 Rolnummer: A. 217773/IX-8772 Zaak: Arrest 247204 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 03/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-10 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-26 03:07 Fiche Arrest nr 247.204 van 3 maart 2020 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 247.204 van 3 maart 2020 in de zaak A. 217.773/IX-8772 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel en Aube Wirtgen kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: 1. Marc VAN ASCH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel Van Alsenoy kantoor houdend te 1000 Brussel Antoine Dansaertstraat 92 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. Pascal LOUAGE woonplaats kiezend te 8420 De Haan Nieuwdorpstraat 12 3. Geert DE WOLF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Lize Vandersteegen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen 4. Karin DE ROO woonplaats kiezend te 9840 De Pinte Heidelaan 29 5. Pieter Jan VERVOORT bijgestaan en vertegenwoordigd door IX-8772-1/43 advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 8 december 2015, strekt tot de nietig- verklaring van: - het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015 ‘houdende benoeming van drie effectieve bestuursrechters bij het Milieuhandhavingscollege’; - het besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015 ‘houdende benoeming van twee effectieve bestuursrechters bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en betreffende de rangschikking van de geschikt bevonden kandidaten in een wervingsreserve voor de duur van 2 jaar’. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 234.890 van 30 mei 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. IX-8772-2/43 De verzoekende partij, de verwerende partij en de eerste, derde en vijfde tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 januari 2020. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Bart Martel, die tevens loco advocaat Aube Wirtgen verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Karel Van Alsenoy, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, de tweede tussenkomende partij, advocaat Joris Claes, die loco advocaten Stijn Verbist en Lize Vandersteegen verschijnt voor de derde tussenkomende partij en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de vijfde tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari 1973. III. Decretaal kader 3.1.1. Bij decreet van 21 december 2007 ‘tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI ‘Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen’’ werd bij het Vlaams ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie een Milieuhandhavingscollege op- gericht als een administratief rechtscollege zoals bedoeld in artikel 161 van de Grondwet. IX-8772-3/43 Luidens het toen ingevoegde artikel 16.4.19, § 2, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ doet dit administratief rechtscollege uitspraak over “het beroep dat wordt ingesteld tegen een beslissing van de gewestelijke entiteit houdende de oplegging van een alter- natieve of een exclusieve bestuurlijke geldboete”. In artikel 16.4.21, §§ 1 en 2, van het decreet van 5 april 1995 werd bepaald dat het Milieuhandhavingscollege samengesteld was uit een voor- zitter en een ondervoorzitter en uit vier effectieve en vier plaatsvervangende bij- zitters. De voorzitter en de ondervoorzitter moesten minstens aan de volgende voorwaarden voldoen: 1° jurist zijn, 2° veertig jaar oud zijn op het ogenblik van hun benoeming en 3° een grondige kennis hebben van en tien jaar ervaring hebben in het domein van het Vlaamse milieurecht. De bijzitters moesten minstens aan de volgende voorwaarden voldoen: 1° veertig jaar oud zijn op het ogenblik van hun benoeming, 2° in het bezit zijn van een universitair diploma of een hiermee ge- lijkgesteld diploma en 3° tien jaar ervaring hebben in het domein van het Vlaamse milieubeleid of milieurecht. In artikel 16.4.21, § 4, van het decreet van 5 april 1995 werd bepaald dat de Vlaamse Regering de leden van het Milieuhandhavingscollege benoemde, alsook dat het mandaat van de leden een duur van zes jaar had en her- nieuwbaar was. 3.1.2. Bij het decreet van 23 december 2010 ‘houdende diverse bepa- lingen inzake leefmilieu en natuur’ werd artikel 16.4.21 van het decreet van 5 april 1995 vervangen. Het nieuwe artikel 16.4.21, § 10, luidde: “De Vlaamse Regering benoemt de bestuursrechters van het Milieuhandha- vingscollege, na advies van de Vlaamse Hoge Raad voor de Milieuhandhaving. Hun mandaat heeft een duur van zes jaar, en is hernieuwbaar. Uiterlijk negentig dagen voor hun mandaat verstreken is als bestuursrechter van het Milieuhandhavingscollege, kan de Vlaamse Regering beslissen om het mandaat van een bestuursrechter van het Milieuhandhavingscollege niet te verlengen. IX-8772-4/43 De beslissing mag niet indruisen tegen de onafhankelijkheid van het Milieuhandhavingscollege of van de individuele bestuursrechters ervan, noch betrekking hebben op de inhoudelijke aspecten van de door het Milieuhandhavingscollege genomen beslissingen. Als de Vlaamse Regering uiterlijk negentig dagen voor het mandaat ver- strijkt geen beslissing neemt om het mandaat niet te verlengen, wordt het mandaat stilzwijgend verlengd.” 3.2. Hoofdstuk VIII van Titel IV van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening betreft de Raad voor Vergunningsbetwistingen, een administratief rechtscollege opgericht bij decreet van 27 maart 2009 en onder meer bevoegd voor beroepen tot vernietiging van stedenbouwkundige vergunnings-, validerings- en registratiebeslissingen. Vóór de wijziging bij decreet van 4 april 2014 bestond deze Raad uit door de Vlaamse Regering voor het leven benoemde raadsleden onder wie een voorzitter. Deze Raad kon desgevallend worden bijgestaan door aanvullende raadsleden. Om tot raadslid te worden benoemd, diende aan de volgende voorwaarden te worden voldaan: 1° houder zijn van een masterdiploma in de rechten, 2° minstens zevenendertig jaar oud zijn op het ogenblik van de benoe- ming, 3° een grondige kennis hebben van en minstens tien jaar nuttige ervaring hebben in het domein van het Vlaamse recht betreffende de ruimtelijke ordening en 4° een grondige kennis hebben van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke aangelegenheden. 4. Bij decreet van 4 april 2014 worden “de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges” geregeld (BS 1 ok- tober 2014). Luidens de memorie van toelichting bij het ontwerp dat het decreet van 4 april 2014 is geworden, is het doel daarvan “om de bestaande en toekomstige Vlaamse bestuurlijke rechtscolleges die nu hun eigen manier van IX-8772-5/43 werken hebben met een eigen structuur, reglementering, procedure en personeel, te laten samenwerken om zo te komen tot een efficiënt geheel” (Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2383/1, 17). Artikel 66 van het decreet van 4 april 2014 heft het hiervóór vermelde artikel 16.4.21 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ op. Artikel 84 van hetzelfde decreet heft onder meer de bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening op met betrek- king tot de samenstelling van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. De artikelen 49 tot 63 van het decreet van 4 april 2014 regelen de rechtspositie van de bestuursrechters. Ze zijn in werking getreden op 1 november 2014. De Vlaamse Regering benoemt de effectieve bestuursrechters voor het leven bij een Vlaams bestuursrechtscollege op voordracht van de alge- mene vergadering van de Vlaamse bestuursrechtscolleges (artikel 49, § 1, eer- ste lid, van het decreet van 4 april 2014). De benoemingsvoorwaarden zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden besluiten minstens de volgende: 1° houder zijn van het diploma van licentiaat of master in de rechten, 2° een grondige kennis hebben van en min- stens tien jaar nuttige ervaring hebben in de domeinen van het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening en van het Vlaamse milieurecht en 3° een grondige kennis hebben van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke of rechter- lijke aangelegenheden (artikel 49, § 1, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014). Luidens de memorie van toelichting (Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2383/1, 17-18 en 49) zijn deze benoemingsvoorwaarden noodzakelijk om verschillende redenen: IX-8772-6/43 “- omwille van de multi-inzetbaarheid van de bestuursrechters in de ver- schillende domeinen waarvoor de Vlaamse bestuursrechtscolleges bevoegd zijn. Een bestuursrechter van een bepaald bestuursrechtscollege kan ter be- schikking van een ander bestuursrechtscollege worden gesteld (met uitzonde- ring van een aantal categorieën bestuursrechters); - omdat de bestuursrechter zeer goed in staat moet zijn om standpunten in te nemen of beslissingen te nemen inzake procedurebetwistingen aangezien hij vaak zal geconfronteerd worden met advocaten die proceduremiddelen zullen inroepen.” Artikel 91, § 1, van het decreet van 4 april 2014 voorziet in een overgangsregeling voor de bestuursrechters die op de datum van inwerkingtreding van het decreet zijn aangesteld bij het Milieuhandhavingscollege. Deze luidt op het ogenblik van het nemen van de bestreden besluiten als volgt: “De bestuursrechters die op de datum van inwerkingtreding van dit decreet aangesteld zijn bij het Milieuhandhavingscollege, blijven aangesteld als effec- tief of plaatsvervangend bestuursrechter bij hun rechtscollege met behoud van de mandaatregeling en de bezoldigingsregeling die ze genoten overeenkomstig de regeling die van toepassing was voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, totdat ze op rust worden gesteld, ontslag nemen of ontslag krijgen. Uiterlijk negentig dagen voor het mandaat van de bestuursrechters, vermeld in het eerste lid is verstreken, kan de Vlaamse Regering beslissen om het mandaat van bestuursrechter niet te verlengen. De beslissing mag niet indruisen tegen de onafhankelijkheid van het Milieuhandhavingscollege of van de individuele bestuursrechters ervan, noch betrekking hebben op de inhoudelijke aspecten van de door het Milieuhandhavingscollege genomen beslissingen. Als de Vlaamse Regering uiterlijk negentig dagen voor het mandaat van de bestuursrechters, vermeld in het eerste lid verstrijkt, geen beslissing neemt om het mandaat niet te verlengen, wordt het mandaat stilzwijgend verlengd.” 5. Vanaf 1 maart 2018 is de benaming ‘Milieuhandhavingscollege’ gewijzigd in ‘Handhavingscollege’ (artikelen 143 en 145 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning’). IX-8772-7/43 IV. Feiten 6.1. Verzoekster wordt bij besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 benoemd tot ondervoorzitter van het Milieuhandhavingscollege, met ingang van 1 september 2009 en voor een mandaat van zes jaar. 6.2. Op 8 mei 2015 beslist de Vlaamse Regering om de mandaten van de effectieve en plaatsvervangende bestuursrechters van het Milieuhandha- vingscollege niet te verlengen. Deze beslissing steunt in het bijzonder op de volgende motieven: “Gelet op het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 16.4.21, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en vervangen bij het decreet van 23 oktober 2010; Gelet op het decreet van 4 april 2015 [lees: 2014] betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, artikel 91, § 1; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 betreffende de benoeming van de leden van het Milieuhandhavingscollege, vermeld in ar- tikel 16.4.21 van het […] decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepa- lingen inzake milieubeleid; [...] Overwegende dat voormelde bestuursrechters, bij het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009, met toepassing van artikel 16.4.21, § 10, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inza- ke milieubeleid (hierna het ‘DABM’ te noemen), werden ‘benoemd’ in een mandaat met een duur van zes jaar, met ingang van 1 september 2009; Overwegende dat de huidige bestuursrechters van het MHHC derhalve zijn aangesteld in een mandaat, dat verstrijkt op 31 augustus 2015; Overwegende dat het decreet van 4 april 2015 [lees: 2014] betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna het ‘DBRC-decreet’ te noemen), in werking is getreden op 1 novem- ber 2014; Overwegende dat artikel 91, § 1, eerste lid van het DBRC-decreet, bepaalt dat de bestuursrechters die op de datum van inwerkingtreding van dit decreet aangesteld zijn bij het MHHC, aangesteld blijven als effectief of plaatsver- vangend bestuursrechter bij hun rechtscollege met behoud van onder meer de mandaatregeling die ze genoten overeenkomstig de regeling die van toepassing was voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, totdat ze op rust worden gesteld, ontslag nemen of ontslag krijgen; Overwegende dat artikel 91, § 1, tweede en derde lid, van het DBRC-decreet, bepaalt dat de Vlaamse regering uiterlijk negentig dagen voor het verstrijken IX-8772-8/43 van het mandaat van de bestuursrechters bij het MHHC, kan beslissen om het huidig mandaat van bestuursrechter niet te verlengen voor zover de beslissing tot niet verlenging niet indruist tegen de onafhankelijkheid van het MHHC of van de individuele bestuursrechters, noch betrekking heeft op de inhoudelijke aspecten van de voor het MHHC genomen beslissingen; dat, als de Vlaamse regering uiterlijk negentig dagen voor het mandaat van de bestuursrechters verstrijkt geen beslissing neemt om het mandaat niet te verlengen, het mandaat stilzwijgend wordt verlengd; dat, bijgevolg, de beslissing om het mandaat van een bestuursrechter bij het MHHC niet te verlengen, uitdrukkelijk moet worden genomen; Overwegende dat artikel 16.4.21, § 10, tweede en derde lid, DABM, een regeling voorschrijft die identiek is aan de voormelde regeling van artikel 91, § 1, tweede en derde lid, van het DBRC-decreet; dat die regeling krachtens ar- tikel 91, § 1, eerste lid, DBRC-decreet overigens toepasselijk is gebleven op het mandaat van de voormelde effectieve en plaatsvervangende bestuursrechters bij het MHHC; Overwegende dat de Vlaamse Regering bij besluiten van 28 september 2012 heeft beslist de heer [L.J.] en de heer [J.N.], bestuursrechters bij het MHHC, verder in dienst te houden na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar; dat de voormelde bestuursrechters, met toepassing van artikel 16.4.21, § 11, tweede lid, DABM, in dienst kunnen blijven tot maximaal de einddatum van het lo- pende mandaat; dat hun mandaat bijgevolg zal verstrijken op 31 augustus 2015; Overwegende dat met het DBRC-decreet werd beoogd om tot een eenvor- mige regeling te komen voor de Vlaamse bestuursrechtscolleges (waaronder het MHHC en de Raad voor Vergunningsbetwistingen (‘RvVb’)), opdat deze op het vlak van, onder meer, hun organisatie, werking en (de rechtspositie van) hun personeel, zo veel als mogelijk op elkaar zouden worden afgestemd; dat het- zelfde geldt voor de rechtspositieregeling van de bestuursrechters; dat de decreetgever zodoende beoogde te komen tot een daadwerkelijke verhoging van de efficiëntie en effectieve rechtspraak; dat hij aldus wenste te remediëren aan de onoverzichtelijkheid op vlak van organisatie en procedures die aanlei- ding geven tot rechtsonzekerheid bij de burger; dat de beoogde eenvormigheid ertoe strekt de rechtsbescherming te verhogen; Overwegende dat de decreetgever onder meer beoogde de rechtspositie- regeling van de bestuursrechters van het MHHC en de RvVb, die op heden onderling zeer divers zijn, te vervangen door een uniforme rechtspositieregeling voor de bestuursrechters van het MHHC en de RvVb; Overwegende dat de decreetgever er aldus onder meer in heeft voorzien dat voortaan alle bestuursrechters bij deze twee Vlaamse bestuursrechtscolleges, dus ook bij het MHHC, voor het leven worden benoemd, naar analogie met de regeling die op vandaag ook geldt voor de rechters van de rechterlijke orde (cf. artikel 152 van de Grondwet); dat die wijziging ertoe strekt de onafhankelijk- heid van de bestuursrechters nog beter te waarborgen; Overwegende dat de decreetgever erin heeft voorzien dat de bestuursrechters die voortaan bij het MHHC of de RvVb benoemd kunnen worden, zullen moeten kunnen aantonen dat zij beschikken over een ‘voldoende expertise’ in verschillende domeinen, meer bepaald in de domeinen van het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening en van het Vlaamse milieurecht, en de procesvoe- IX-8772-9/43 ring en rechtsbescherming in bestuurlijke of rechterlijke aangelegenheden; dat met die vereiste van ‘voldoende expertise’ in verschillende domeinen, de de- creetgever vooreerst wenste te anticiperen op de ruimere bevoegdheden die in de toekomst zullen worden toegekend aan het MHHC en de RvVb; dat, immers, met de inwerkingtreding van het Decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna het ‘Omgevingsvergunningsdecreet’ te noemen), de RvVb bevoegd zal worden voor het omgevingsvergunningscontentieux; dat met de inwerkingtreding van het Decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning (hierna het ‘Handhavingsdecreet’ te noemen) het MHHC tot het zgn. ‘Handhavingscollege’ zal worden hervormd, nu het uitspraak zal moeten doen over de exclusieve en alternatieve bestuurlijke geldboetes en voordeelontnemingen, zowel deze als vermeld in Titel XVI, Hoofdstuk IV, Afdeling IV van het DABM, als deze vermeld in de artike- len 6.2.2, 6.2.6 en 6.2.11, § 4, VCRO; dat de Vlaamse regering bijgevolg, in navolging van de decreetgever, het nodige moet doen om te garanderen dat de ‘voldoende expertise’ die de MHHC (en de RvVb) moet kenmerken opdat dit (deze) Vlaamse bestuursrechtscollege(

  1. s)beschouwd kan (kunnen) worden als noodzakelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Vlaamse Ge- meenschap en het Vlaamse Gewest, structureel gewaarborgd is; Overwegende dat de decreetgever, met deze vereiste van ‘voldoende exper- tise’ in de verschillende domeinen, ook beoogde om efficiëntiewinsten op te tekenen in de Vlaamse bestuursrechtscolleges, aangezien de bestuursrechters inzetbaar zullen zijn bij zowel de RvVb als het (M)HHC; dat hiervoor in voorkomend geval wel de in het DBRC-decreet voorziene regeling van de terbeschikkingstelling van bestuursrechters in acht moet worden genomen; dat dit onder meer veronderstelt dat de bestuursrechter over voldoende kennis be- schikt in de domeinen waarvoor het Vlaams bestuursrechtscollege, waaraan hij ter beschikking wordt gesteld, bevoegd is. Overwegende dat op 31 augustus 2015, het lopende mandaat van twee be- stuursrechters bij het MHHC verstrijkt, omdat zij, gezien hun leeftijd, op rust zijn gesteld; dat de Vlaamse regering op 24 april 2015 heeft beslist twee func- ties van bestuursrechter bij de RvVb vacant te verklaren opdat de totale dos- sierinstroom bij de RvVb op een kwalitatieve manier en binnen een redelijke termijn kan worden verwerkt, Overwegende, in het licht van al wat voorafgaat en gelet op het verstrijken van de mandaten van de voormelde effectieve en plaatsvervangende bestuurs- rechters bij het MHHC op 31 augustus 2015, dat de Vlaamse regering de door [de] decreetgever beoogde uniformiteit van de rechtspositieregeling van de bestuursrechters bij de Vlaamse bestuursrechtscolleges vermag na te streven zowel tussen die Vlaamse bestuursrechtscolleges onderling als a fortiori binnen eenzelfde Vlaams bestuursrechtscollege; dat zij, bijgevolg, kan besluiten om de mandaten van de effectieve en plaatsvervangende bestuursrechters bij het MHHC, bij het verstrijken ervan, niet te verlengen. Overwegende dat de beslissing om de mandaten van de effectieve en plaatsvervangende bestuursrechters bij het MHHC niet te verlengen bij het verstrijken ervan, mede steunt op de uitdrukkelijke wil van de decreetgever om – gezien de hervorming van de Vlaamse bestuursrechtscolleges en om de IX-8772-10/43 onafhankelijkheid van de bestuursrechters te versterken – de functie van be- stuursrechter te laten invullen middels een benoeming voor het leven; Overwegende dat het voorgaande des te meer geldt, nu de opdracht van de bestuursrechters bij het MHHC in de nabije toekomst zal wijzigen en verbreden in vergelijking met de huidige opdracht, gelet op de uitbreiding van de be- voegdheid van het MHHC; dat de decreetgever uitdrukkelijk voorgeschreven heeft dat ook de bestuursrechters bij het MHHC over een ‘voldoende expertise’ dienen te beschikken in de domeinen van het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening en van het Vlaamse milieurecht, en de procesvoering en rechtsbe- scherming in bestuurlijke of rechterlijke aangelegenheden; dat niet al de voormelde effectieve en plaatsvervangende bestuursrechters bij het MHHC hebben moeten aantonen over ‘voldoende expertise’ in al die domeinen te be- schikken; Overwegende dat de Vlaamse regering bij het nemen van een beslissing om de mandaten van de bestuursrechters bij het MHHC, bij het verstrijken ervan, al dan niet (en al dan niet stilzwijgend) te verlengen en die functies – desgevallend zonder vacantverklaring en open oproep – al dan niet opnieuw in te laten vullen door (desgevallend stilzwijgende) verlengingen van de mandaten van de man- daathoudende bestuursrechters bij het MHHC, rekening vermag te houden met de artikelen 10, 11, 13 en 161 van de Grondwet en artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen; dat het in artikel 10 en 11 van de Grondwet vervatte gelijkheidsbeginsel en het verbod van discrimi- natie immers vereisen dat aan eenieder een gelijke toegang tot het openbaar ambt wordt gewaarborgd; dat dit beginsel de overheid niet alleen verplicht verschillende kandidaten objectief te vergelijken en voorrang te geven aan de meest geschikte kandidaat maar bovendien verplicht deze kandidaten aan te wijzen na daartoe een behoorlijke oproep te hebben gedaan met inachtneming van het transparantiebeginsel; dat het, gelet op de uitbreiding van de bevoegd- heden van het MHHC en de door de decreetgever in functie daarvan gestelde vereisten inzake ‘voldoende expertise’ in verschillende domeinen, derhalve, teneinde het gelijkheidsbeginsel te waarborgen en teneinde structureel te ver- zekeren dat het MHHC over het hoogst mogelijke niveau van ‘voldoende ex- pertise’ beschikt dat de MHHC moet kenmerken, past om de mandaten van de voormelde effectieve en plaatsvervangende bestuursrechters, bij het verstrijken ervan, niet opnieuw voor een termijn van zes jaar te verlengen; Overwegende dat de functies van drie effectieve bestuursrechters bij het Milieuhandhavingscollege vacant kunnen worden verklaard; dat er vervolgens een oproep tot kandidaat-bestuursrechters en selectie kan plaatsvinden; Overwegende dat, overeenkomstig artikel 16.4.21, § 11, vierde lid, DABM, de effectieve en plaatsvervangende bestuursrechters hun functie blijven uitoe- fenen, totdat in hun vervanging is voorzien.” Deze beslissing, die onder meer het mandaat van verzoekster van effectieve bestuursrechter bij het Milieuhandhavingscollege niet verlengt, wordt door verzoekster niet met een beroep tot nietigverklaring bestreden. IX-8772-11/43 6.3. In het Belgisch Staatsblad van 29 april 2015 wordt een bericht bekendgemaakt betreffende een oproep tot kandidaatstelling voor twee functies van bestuursrechter bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. In het Belgisch Staatsblad van 13 mei 2015 wordt een bericht bekendgemaakt betreffende een oproep tot kandidaatstelling voor drie functies van bestuursrechter bij het Milieuhandhavingscollege. 6.4. Op 4 mei 2015 stelt de algemene vergadering van de Vlaamse bestuursrechtscolleges de samenstelling vast van de selectiecommissie voor de selectie van bestuursrechters bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Voorts neemt de algemene vergadering een selectiereglement aan. Dit selectiereglement bepaalt met betrekking tot de selectieprocedure onder meer het volgende: “De selectiecommissie vergelijkt de kandidaten op basis van de drie vol- gende inhoudelijke selectiecriteria: 1° een grondige kennis hebben van de domeinen van het Vlaamse recht in- zake ruimtelijke ordening en van het Vlaamse milieurecht, gewogen aan de hand van een factor 0,4; 2° een grondige kennis hebben van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke of rechterlijke aangelegenheden, gewogen aan de hand van een factor 0,4; 3° het beschikken over de noodzakelijke gedragsgerichte competenties, gewogen aan de hand van een factor 0,2. Alleen de kandidaten die in totaal minstens 60% behalen, zijn geslaagd en de selectiecommissie zal alleen deze kandidaten ‘geschikt bevinden’, als ‘batig’ beoordelen en rangschikken. Daarnaast moet elke kandidatuur voldoen aan de decretale ontvankelijk- heidsvoorwaarden. De selectiecommissie selecteert de kandidaten op voormelde selectiecriteria door organisatie van de hiernavolgende selectieproef.” De selectieproef, waarvan sprake, omvat luidens het selectie- reglement een cv-screening, een schriftelijke proef met inbegrip van een prak- tijkgerichte case, een “psychologische proef - assessment”, een jurygesprek en een interview met de algemene vergadering van de Vlaamse bestuursrechtscolleges. IX-8772-12/43 Het tijdspad voor deze selectieproef wordt eveneens vastgesteld. 6.5. Op 21 mei 2015 stelt de algemene vergadering van de Vlaamse bestuursrechtscolleges ook de samenstelling vast van de selectiecommissie voor de selectie van bestuursrechters bij het Milieuhandhavingscollege. Het aangenomen selectiereglement bepaalt met betrekking tot de selectieprocedure en de selectie- proef wezenlijk hetzelfde als hetgeen hiervóór sub 6.4 is vermeld. Er wordt tevens een tijdspad voor de selectieproef vastgesteld en het eerder vastgestelde tijdspad voor de selectie van bestuursrechters bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen wordt daaraan aangepast. 6.6. Met brieven van 25 mei 2015 stelt verzoekster zich kandidaat voor de functie van bestuursrechter bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, alsook bij het Milieuhandhavingscollege. 6.7. Met een e-mail van 12 juni 2015 wordt verzoekster door de beheerder van de dienst van de bestuursrechtscolleges ervan in kennis gesteld dat de selectiecommissie heeft aangenomen dat haar kandidaatstelling voor de functie van bestuursrechter bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden. Verzoekster wordt uitgenodigd voor de schrifte- lijke proef die zal plaatsvinden op 23 juni 2015. Met een e-mail van 16 juni 2015 wordt de voormelde uitnodi- ging bevestigd en wordt gepreciseerd dat verzoekster zich ten laatste om 9.00 uur dient aan te melden. 6.8. Eveneens met een e-mail van 16 juni 2015 wordt verzoekster door de voornoemde beheerder ervan in kennis gesteld dat de selectiecommissie heeft aangenomen dat haar kandidaatstelling voor de functie van bestuursrechter bij het Milieuhandhavingscollege voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden. IX-8772-13/43 Verzoekster wordt uitgenodigd voor de schriftelijke proef op 23 juni 2015 om 9.00 uur. 6.9. Op 23 juni 2015 heeft één schriftelijke proef plaats voor de selectie van bestuursrechters. 6.10. Met brieven van 3 juli 2015 stelt de voorzitter van de selectie- commissies verzoekster ervan in kennis dat zij geen 60% van de punten behaalde op de schriftelijke proef, zodat zij niet kan worden toegelaten tot het vervolg van de selectieprocedure, noch voor de selectie van bestuursrechters bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, noch voor de selectie van bestuursrechters bij het Mi- lieuhandhavingscollege. Verzoekster bestrijdt de desbetreffende beslissingen, alsook de dan nog niet genomen “navolgende beslissingen waarbij tot benoeming zou wor- den overgegaan in de vacante functies van bestuursrechter in de Raad voor Ver- gunningsbetwistingen en het Milieuhandhavingscollege” met een op 31 augustus 2015 ingesteld beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing bij de Raad van State (zaak A. 216.831/IX-8701). De vordering tot schorsing is bij arrest nr. 234.394 van 14 april 2016 van de Raad van State ver- worpen. Bij arrest nr. 247.203 van heden verwerpt de Raad van State ook het beroep tot nietigverklaring. 6.11. Na het jurygesprek beslissen de selectiecommissies op 2 sep- tember 2015 om niet af te wijken van “de quoteringen, per selectiecriterium en in totaliteit, die zijn toegekend aan de kandidaten doorheen de selectieproef”. Zij verklaren de hierna vermelde kandidaten die in totaal minstens 60% hebben be- haald, als “geslaagd voor de selectieproef”. Zij bevinden “enkel deze kandidaten als geschikt en als batig beoordeeld” en zij stellen hun rangschikking als volgt vast: - voor de functie van bestuursrechter bij het Milieuhandhavingscollege: IX-8772-14/43 1. Pieter Jan Vervoort; 2. Pascal Louage; 3. Geert De Wolf; 4. Marc Van Asch; - voor de functie van bestuursrechter bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen: 1. Pieter Jan Vervoort; 2. Karin De Roo; 3. Pascal Louage; 4. Geert De Wolf; 5. Marc Van Asch. 6.12. Op 10 september 2015 heeft het interview plaats met de alge- mene vergadering van de Vlaamse bestuursrechtscolleges. Op 16 september 2015 beslist de algemene vergadering in beide selectieprocedures niet af te wijken van “de gemotiveerde beoordeling, quotering en rangschikking van de kandidaten door de selectiecommissie”. Op 24 september 2015 draagt zij Pascal Louage, Geert De Wolf en Marc Van Asch voor – in die volgorde – ten aanzien van de drie openstaande functies van effectieve bestuursrechter bij het Milieuhandhavingscollege en Pieter Jan Vervoort en Karin De Roo – eveneens in die volgorde – ten aanzien van de twee openstaande functies van effectieve bestuursrechter bij de Raad voor Ver- gunningsbetwistingen. 6.13. Bij besluit van de Vlaamse Regering van 9 oktober 2015 worden Pascal Louage, Geert De Wolf en Marc Van Asch benoemd tot effectieve be- stuursrechters bij het Milieuhandhavingscollege (thans: Handhavingscollege). Bij besluit van de Vlaamse Regering van dezelfde datum worden Pieter Jan Vervoort en Karin De Roo benoemd tot effectieve bestuursrechters bij IX-8772-15/43 de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Pascal Louage, Geert De Wolf en Marc Van Asch worden als “geschikt bevonden, maar niet benoemde, kandidaten” op- genomen in een wervingsreserve voor de duur van twee jaar. Deze besluiten maken respectievelijk het eerste en het tweede voorwerp uit van het voorliggende beroep. V. Verzoek tot samenvoeging 7. Verzoekster merkt op dat het voorwerp van het voorliggende beroep “reeds deel uit[maakt]” van het beroep in de zaak A. 216.831/IX-8701. Zij suggereert dat beide zaken samen kunnen worden behandeld. 8. In zijn arrest nr. 247.203 van heden over de zaak A. 216.831/IX-8701 heeft de Raad van State vastgesteld dat het in die zaak voor- liggende beroep voorbarig en bijgevolg onontvankelijk is voor zover het gericht is tegen de “navolgende beslissingen” tot benoeming van bestuursrechters bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Milieuhandhavingscollege, zodat de door verzoekster aangevoerde reden om de samenvoeging van de zaken te sug- gereren niet opgaat. Hoe dan ook is de genoemde zaak op dezelfde terechtzitting behandeld als de thans voorliggende zaak en vergt een goede rechtsbedeling geen samenvoeging van beide zaken. VI. Ontvankelijkheid Excepties 9.1. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van gedeeltelijke onontvankelijkheid van het beroep op “bij gebrek aan samenhang van de onderscheiden vorderingen”. IX-8772-16/43 Zij stelt vast dat het beroep gericht is tegen twee onderscheiden besluiten, waarvan verzoekster niet beweert dat ze zouden samenhangen en a fortiori niet uiteenzet waaruit die samenhang dan wel zou bestaan. De samen- hang die vereist is opdat die besluiten met één verzoekschrift bij de Raad van State zouden kunnen worden bestreden, is volgens de verwerende partij ook kennelijk niet voorhanden. Immers zijn vooreerst niet alle aangevoerde middelen gericht tegen zowel het eerste als het tweede bestreden besluit. Bovendien vloeien het eerste en het tweede bestreden besluit voort uit onderscheiden vacantverklaringen en selectieprocedures en zijn ze genomen op grond van onderscheiden selectie- reglementen, voor onderscheiden mandaten in onderscheiden rechtscolleges, waarvoor onderscheiden personen zich kandidaat hebben gesteld. Overigens zou de nietigverklaring van het eerste bestreden besluit niet leiden tot de nietigverkla- ring van het tweede bestreden besluit, noch omgekeerd. Het louter feitelijke verband tussen de bestreden besluiten, dat erin bestaat dat voor beide selectieprocedures een identieke schriftelijke proef werd georganiseerd, volstaat volgens de verwerende partij niet opdat beide be- sluiten met één en hetzelfde verzoekschrift zouden kunnen worden aangevochten. Weliswaar mag worden aangenomen dat verzoekster zich gegriefd kan voelen door de organisatie van één schriftelijke proef voor de onderscheiden te begeven func- ties, maar uit de uiteenzetting van de aangevoerde middelen blijkt dat zij zich enkel gegriefd voelt in de mate dat ook de kandidaten voor de functie van bestuursrechter in het Milieuhandhavingscollege aan die schriftelijke proef werden onderworpen. De verwerende partij besluit dat het beroep bij gebrek aan sa- menhang tussen de bestreden besluiten enkel ontvankelijk is voor zover het gericht is tegen het eerste bestreden besluit. De vierde en vijfde tussenkomende partij werpen in hun respec- tieve memories eenzelfde exceptie op. IX-8772-17/43 9.2. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat het ver- keerd is te beweren dat verzoekster in alle middelen opkomt tegen alle bestreden besluiten. Volgens haar zet verzoekster nergens uiteen, noch maakt zij aannemelijk dat zij door de identieke vraagstelling in de beide selectieprocedures gegriefd is bij de selectie van bestuursrechters voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Zij benadrukt voorts nogmaals dat de beide bestreden besluiten het eindresultaat zijn van onderscheiden selectieprocedures en dus niet van één gemeenschappelijke selectieprocedure. Het is niet omdat de schriftelijke proef, indien ze al onwettig zou zijn, een weerslag zou hebben op de uitsluiting van verzoekster van verdere deelname aan de selectie van bestuursrechters voor het Milieuhandhavingscollege, dat ze ook enige weerslag zou hebben op de uitsluiting van verzoekster van verdere deelname aan de selectie van bestuursrechters voor de Raad voor Vergunnings- betwistingen. De vereiste samenhang, zo vervolgt de verwerende partij, vloeit niet voort uit de overzichtelijkheid van de rechtsstrijd, noch uit het feit dat er “waar- schijnlijk” een weerslag zou zijn. Het valt voor haar niet in te zien dat verzoekster haar kritieken niet zou hebben kunnen ontwikkelen in beroepen tot nietigverkla- ring gericht tegen elk van de bestreden besluiten afzonderlijk. 10. De vierde tussenkomende partij werpt in haar memorie voorts op dat verzoekster geen belang heeft bij haar beroep “wat betreft de vernietiging van het tweede bestreden besluit”. Zij betoogt dat verzoeksters middelen “bijna volle- dig” gericht zijn op het feit dat ze niet benoemd is in het Milieuhandhavingscol- lege. Volgens de vierde tussenkomende partij kan verzoekster zich tegen het tweede bestreden besluit slechts op een zeer beperkte ervaring beroepen en voert zij niet aan zodanig gespecialiseerd te zijn in de materies die tot de bevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen behoren, dat zij ten onrechte niet geslaagd zou zijn voor de schriftelijke proef “wat een mogelijke benoeming als bestuursrechter bij de [Raad voor Vergunningsbetwistingen] betreft”. IX-8772-18/43 Beoordeling 11. Meerdere vorderingen kunnen slechts bij uitzondering ontvan- kelijk in één enkel verzoekschrift worden aangevochten, namelijk indien de goede rechtsbedeling daardoor wordt bevorderd en meer bepaald indien dergelijke vor- deringen, wat hun voorwerp of grondslag betreft, zo nauw samenhangen dat het als waarschijnlijk voorkomt dat vaststellingen gedaan of beslissingen genomen met betrekking tot de ene vordering, een weerslag zullen hebben op de uitkomst van de andere vordering. In dit geval betwist verzoekster in haar middelen de regelma- tigheid van de selectieprocedure voor bestuursrechters van het Milieuhandha- vingscollege en de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Zij voert onder meer aan dat niet wettig kon worden beslist om een gemeenschappelijke schriftelijke proef voor de selectie van deze bestuursrechters te organiseren. Die aangevoerde onre- gelmatigheid tast het door verzoekster behaalde resultaat op die schriftelijke proef aan, zowel voor zover dat resultaat geldt in het kader van de selectie van be- stuursrechters voor het Milieuhandhavingscollege als voor zover dat resultaat geldt in het kader van de selectie van bestuursrechters voor de Raad voor Vergun- ningsbetwistingen. In beide selectieprocedures heeft dat resultaat geleid tot de uitsluiting van verzoekster van verdere deelname aan de selectie. Indien zou blijken dat de selectieprocedure onwettig is in de zin zoals door verzoekster wordt aangevoerd, heeft dit een weerslag zowel op de wettigheid van het eerste bestreden besluit als op de wettigheid van het tweede bestreden besluit. Aldus is de vereiste samenhang aanwezig opdat beide besluiten ontvankelijk in één verzoekschrift kunnen worden bestreden. Om dezelfde reden heeft verzoekster ook belang bij een vernie- tiging van de beide bestreden besluiten. In het kader van het rechtsherstel na een IX-8772-19/43 eventueel vernietigingsarrest op grond van verzoeksters voormelde grief, zou de organisatie van een afzonderlijke schriftelijke proef voor de selectie van be- stuursrechters voor het Handhavingscollege en voor de Raad voor Vergunnings- betwistingen immers tot een ander, voor verzoekster gunstig resultaat kunnen leiden. De beide opgeworpen excepties zijn dan ook ongegrond. VII. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 12. Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van artikel 49, § 4, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: het decreet van 4 april 2014) en van de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 april 2015 en 8 mei 2015 waarbij respectievelijk twee functies van bestuursrechter bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en drie functies van bestuursrechter bij het Milieuhandhavingscollege vacant zijn verklaard, alsook de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de algemene beginselen van behoorlijk be- stuur, meer bepaald het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel, en het algemeen rechtsbeginsel patere leqem quam ipse fecisti. In een eerste onderdeel van dit middel doet verzoekster gelden dat “[u]it het gegeven dat de Vlaamse Regering uitdrukkelijk heeft beslist tot twee onderscheiden vacantverklaringen en selectieprocedures volgt dat de selectie- commissies, respectievelijk de algemene vergadering van de Vlaamse Bestuurs- rechtscolleges niet daarmee in tegenspraak kunnen/mogen handelen en alsnog één IX-8772-20/43 gemeenschappelijke selectieprocedure, waaronder één gemeenschappelijke eli- minerende schriftelijke proef, voeren voor alle functies van bestuursrechter”. In een tweede onderdeel van het middel stelt verzoekster “[o]ndergeschikt”, in de veronderstelling dat toch één gemeenschappelijke selec- tieprocedure zou kunnen worden gevoerd voor alle functies van bestuursrechter, dat de selectiecommissies daartoe nooit uitdrukkelijk hebben beslist en evenmin daarover uitdrukkelijk hebben gecommuniceerd aan de kandidaten. De verwe- rende partij heeft ten aanzien van de kandidaten nochtans rechtmatige verwach- tingen gewekt van het voeren van twee gescheiden selectieprocedures. De orga- nisatie van één gemeenschappelijke selectieproef is niet vermeld in de bekend- gemaakte selectiereglementen en is al evenmin goedgekeurd door de algemene vergadering van de Vlaamse bestuursrechtscolleges. Voorafgaandelijk werden namens de selectiecommissies stelselmatig aparte mededelingen gedaan. Het wij- zigen en het gelijkzetten van het tijdspad van de twee selectieprocedures kan, aldus verzoekster, in geen geval worden gelijkgesteld met het organiseren van één ge- meenschappelijke selectieprocedure. “[G]ezien de andere functiecontext van res- pectievelijk de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Milieuhandhavings- college” geldt dit ook voor de gelijklopende omschrijving van de selectieproeven in het selectiereglement. Verzoekster verwijst tevens naar haar uiteenzetting van het tweede middel betreffende “het noodzakelijk specifiek karakter van de selec- tieprocedure om grondwettigheidsbezwaren te vermijden”. Minstens beschikken de selectiecommissies volgens verzoekster niet over het vereiste mandaat voor hun handelwijze. Verzoekster stelt “bijkomend” vast dat de algemene vergadering van de Vlaamse bestuursrechtscolleges niet heeft beslist, noch heeft bekrachtigd welke één of meerdere externe deskundigen aan de selectiecommissies worden toege- voegd, terwijl dit nochtans “een belangrijk bestanddeel van de selectieprocedures” uitmaakt. Ten slotte wijst verzoekster erop dat uit de processen-verbaal van de vergaderingen van de selectiecommissies van 1 juli 2015 blijkt dat het concept van de schriftelijke proef – reeds afgenomen op 23 juni 2015 – pas dan is meegedeeld en gevalideerd. Zo heeft “de selectiecommissie” vooraf geen enkele zeggenschap IX-8772-21/43 gekregen over de wijze waarop de schriftelijke proef werd georganiseerd. Volgens verzoekster verandert de laattijdige validering niets daaraan. 13. In haar laatste memorie benadrukt verzoekster dat de organisatie van één gemeenschappelijke eliminerende schriftelijke proef geen rekening houdt met de functiespecifieke context van de te begeven functies bij de twee te onder- scheiden Vlaamse bestuursrechtscolleges. Aangezien de identieke selectieproef “uitsluitend” werkt voor het vervolg van de selectieprocedure, is wat tijdens die latere fases van de selectieprocedure nog gebeurt, volgens haar niet meer relevant voor de kandidaten die, zoals zijzelf, reeds zijn uitgesloten. Het identieke karakter van de benoemingsvoorwaarden verantwoordt niet dat een gemeenschappelijke selectieproef wordt afgenomen waarbij eenzijdig wordt gefocust op de Raad voor Vergunningsbetwistingen en niet op het Milieuhandhavingscollege. Verzoekster volhardt in haar standpunt dat de gevolgde werkwijze ingaat tegen de beslissingen van de Vlaamse Regering tot vacantverklaring. Indien de Vlaamse Regering ge- meenschappelijke selectieproeven had gewenst, dan had zij zelf in die zin moeten beslissen. Nog volgens verzoekster volstaat de omstandigheid dat in de selectiereglementen in het onderdeel over het gesprek met de jury melding wordt gemaakt van “externe deskundigen” niet om aan te nemen dat werd beslist of bekrachtigd dat één of meerdere externe deskundigen aan de selectiecommissies werden toegevoegd en mee zouden instaan voor de verbetering van de schriftelijke proeven. Beoordeling van het eerste en het tweede middelonderdeel ge- zamenlijk 14. Anders dan de verwerende partij in haar memorie van antwoord opwerpt, blijkt uit de uiteenzetting van het middel voldoende duidelijk dat ver- zoekster artikel 49, § 4, van het decreet van 4 april 2014, de ingeroepen beginselen van behoorlijk bestuur en het beginsel patere legem quam ipse fecisti geschonden IX-8772-22/43 acht, doordat “één gemeenschappelijke selectieprocedure” werd georganiseerd voor de vacante functies van bestuursrechter bij de Raad voor Vergunningsbe- twistingen en het Milieuhandhavingscollege. De exceptie van de verwerende partij dat het middel niet ont- vankelijk is voor zover het de schending van de voormelde decretale bepaling en van de voormelde beginselen inroept, is derhalve niet gegrond. 15. Artikel 49, § 4, van het decreet van 4 april 2014 bepaalt met betrekking tot de selectie van bestuursrechters voor een Vlaams bestuursrechts- college: “De kandidaten worden geselecteerd door een selectiecommissie. De selectie beoogt de bekwaamheid die vereist is voor de uitoefening van het ambt van bestuursrechter te beoordelen. De algemene vergadering bepaalt de samenstel- ling van de selectiecommissie. De selectiecommissie stelt het programma van de selectieproef vast en legt dat ter bekrachtiging voor aan de algemene ver- gadering. De algemene vergadering brengt op grond van de beoordeling van de kan- didaten een gemotiveerde voordracht uit aan de Vlaamse Regering, nadat ze de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten, die geslaagd zijn voor de selectieproef, vermeld in het eerste lid, heeft vergeleken, aangevuld met een interview met de batig gerangschikte kandidaten.” 16. De Vlaamse Regering verklaart respectievelijk op 24 april 2015 en 8 mei 2015 twee betrekkingen van bestuursrechter bij de Raad voor Vergun- ningsbetwistingen en drie betrekkingen van bestuursrechter bij het Milieuhand- havingscollege vacant. Op 4 en 21 mei 2015 stelt de algemene vergadering van de Vlaamse bestuursrechtscolleges de samenstelling van de respectieve selectie- commissies voor deze selectieprocedures vast en neemt zij de onderscheiden se- lectiereglementen aan. Deze selectiereglementen voorzien beide in een selectieproef die een cv-screening omvat, een schriftelijke proef met inbegrip van een praktijkge- richte case, een “psychologische proef – assessment”, een jurygesprek en een interview met de algemene vergadering van de Vlaamse bestuursrechtscolleges. IX-8772-23/43 Met betrekking tot de schriftelijke proef is telkens bepaald: “Onder meer ter beoordeling van hun grondige kennis in de domeinen van het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening en van het Vlaamse milieurecht en hun grondige kennis van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke of rechterlijke aangelegenheden, organiseert de selectiecommissie, bijgestaan door één of meerdere externe deskundigen, een schriftelijke proef. Om de schriftelijke proef af te leggen beschikken de kandidaten over 3 uur tijd die ingaat op het tijdstip bepaald in de oproepingsbrief van de selectie- commissie. De kandidaten krijgen gedurende de schriftelijke proef alle noodzakelijke documentatie […] ter beschikking, die nodig is om de schriftelijke proef af te leggen. Het is niet toegelaten andere informatiebronnen te raadplegen dan de do- cumentatie die de selectiecommissie ter beschikking stelt. Alleen kandidaten die voor de schriftelijke proef minstens 60% behalen, worden toegelaten tot het vervolg van de selectieprocedure.” 17. De enkele omstandigheid dat de schriftelijke proef gemeen- schappelijk werd georganiseerd voor de selectie van bestuursrechters voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen en voor de selectie van bestuursrechters voor het Milieuhandhavingscollege, betekent niet dat de selectieprocedure in haar geheel genomen gemeenschappelijk was. Voor zover het middel van het tegendeel uitgaat, faalt het in feite. 18. Voorts stonden de in het middel aangevoerde rechtsregels en beginselen er niet aan in de weg dat de schriftelijke proef voor de functie van bestuursrechter bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en de schriftelijke proef voor de functie van bestuursrechter bij het Milieuhandhavingscollege, die in de respectieve selectiereglementen zoals ze werden bekrachtigd door de algemene vergadering van de Vlaamse bestuursrechtscolleges precies dezelfde inhoud heb- ben gekregen, gemeenschappelijk werden georganiseerd. Die gemeenschappelijke organisatie betreft louter de materiële uitvoering van de selectieverrichtingen en behoefde aldus, anders dan verzoekster IX-8772-24/43 aanvoert, geen voorafgaande, uitdrukkelijke beslissing van de Vlaamse Regering, die dan nog aan de kandidaten ter kennis diende te worden gebracht. Verzoekster toont bovendien niet aan dat die gemeenschappe- lijke organisatie niet bestaanbaar zou zijn geweest met de door de algemene ver- gadering van de Vlaamse bestuursrechtscolleges bekrachtigde selectiereglemen- ten. Dienvolgens blijkt ook niet dat de kandidaten in hun verwachtingen zouden zijn verschalkt, noch dat de respectieve selectiecommissies, door ervan uit te gaan dat de schriftelijke proef regelmatig is verlopen, hun bevoegdheid zouden hebben overschreden. Overigens valt het niet in te zien en toont verzoekster niet aan hoe de gemeenschappelijke organisatie van de schriftelijke proef op zich – los van de inhoudelijke grieven die verzoekster in haar tweede middel aanvoert – tekort- gedaan zou hebben aan haar belangen als kandidaat. 19. Voor zover verzoekster doet gelden dat de algemene vergadering van de Vlaamse bestuursrechtscolleges niet heeft beslist, noch heeft bekrachtigd dat één of meerdere externe deskundigen aan de selectiecommissies werden toe- gevoegd, moet met de verwerende partij worden vastgesteld dat de selectieregle- menten die wel door de algemene vergadering werden bekrachtigd, de samenstel- ling van de selectiecommissies bepalen en erin voorzien dat deze commissies worden bijgestaan door externe deskundigen, óók voor de organisatie van de schriftelijke proef (zie hiervóór sub 16). Verzoekster wijst geen normatieve bepa- ling of beginsel aan op grond waarvan de individuele aanwijzing van die deskun- digen door de algemene vergadering zelf had moeten gebeuren. 20. Het eerste middel is in geen van zijn onderdelen gegrond. IX-8772-25/43 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 21.1. Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instel- lingen’ (BWHI), artikel 49, § 1, van het decreet van 4 april 2014, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsook de schending van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het materieel motiverings- beginsel en het transparantiebeginsel”. 21.2. In een eerste onderdeel van dit middel doet zij gelden dat de “de facto organisatie van één gemeenschappelijke selectieprocedure […] ook inhou- delijk fundamenteel als onregelmatig moet worden beschouwd”. Zij betoogt dat het beginsel van de gelijke toegang van de bur- gers tot het openbaar ambt, dat zijn grondslag vindt in het grondwettelijk gelijk- heidsbeginsel, vereist dat de benoemende overheid, wanneer zij over een discre- tionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt, haar benoemingsbeslissing steunt op een zorgvuldig uitgevoerde vergelijking van de aanspraken en verdiensten van de in aanmerking komende kandidaten op basis van objectieve en pertinente criteria die in verband staan met de te begeven betrekking. In dit geval, zo vervolgt verzoekster, hebben twee onderscheiden oproepen tot kandidaatstelling plaatsgevonden, waarbij “een functiecontext [is] geschetst die specifiek is en toegespitst op de respectievelijk door het Milieu- handhavingscollege en de Raad voor Vergunningsbetwistingen te behandelen materies” en waarbij “aanvullend [is] gewezen op hun plaats binnen de dienst Bestuursrechtscolleges”. Het selectiereglement heeft het functiespecifieke karakter bevestigd en de nadruk gelegd op “inhoudelijk kwaliteitsvolle uitspraken” en “het IX-8772-26/43 nemen van gespecialiseerde beslissingen”. Verzoekster leidt daaruit af dat “[d]e noodzaak aan gespecialiseerde beslissingen op grond van expertise en bijgevolg ook een selectieprocedure die rekening houdt met deze eigenheid van het specifiek Vlaams Bestuursrechtscollege [...] essentieel [is]”. Zij wijst in dit verband op de keuze van de decreetgever voor het behoud van onderscheiden bestuursrechtscol- leges en zij zoekt tevens bevestiging in advies 53.941/AV/3 van 17 oktober 2013 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State over het voorontwerp van de- creet ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse be- stuursrechtscolleges’ dat het decreet van 4 april 2014 is geworden. Verzoekster argumenteert voorts dat “[n]aar aanleiding van de goedkeuring van het Omge- vingsvergunningendecreet alsook het Decreet Handhaving Omgevingsvergunning […] in de parlementaire voorbereiding evenzeer herhaaldelijk [is] gewezen op de toepassingsvoorwaarden van artikel 10, BWHI en de specificiteit van de noodza- kelijke expertise”. Het spreekt voor zich, zo stelt verzoekster, dat deze expertise afdoende moest worden getoetst, temeer daar alle oorspronkelijk benoemde be- stuursrechters van het Milieuhandhavingscollege ofwel decretaal waren uitgeslo- ten van herbenoeming, ofwel opnieuw moesten deelnemen aan een selectiepro- cedure en de bestaande expertise aldus volledig verloren ging. Volgens haar is er niettemin “klaarblijkelijk wederrechtelijk” voor geopteerd om slechts één selec- tieprocedure te organiseren, waarbij in elk geval de eliminerende schriftelijke selectieproef voor beide onderscheiden functies van bestuursrechter identiek de- zelfde is. De wenselijkheid om de organisatie, de werking en de rechtspositie- regeling van de bestuursrechters van de Vlaamse bestuursrechtscolleges zo veel als mogelijk op elkaar af te stemmen, vormt in elk geval geen deugdelijke verant- woording voor het organiseren van één volledig identieke selectieproef. De ge- volgde selectieprocedure komt niet tegemoet aan het vereiste functiespecifieke karakter, zeker niet wanneer rekening wordt gehouden met de inhoudelijke selec- tiecriteria die zijn vastgesteld. Voor zover in artikel 49 van het decreet van 4 april 2014 een noodzaak dan wel een rechtvaardiging zou worden gelezen om over te gaan tot één gemeenschappelijke selectieprocedure voor de functies van bestuursrechter bij de IX-8772-27/43 Vlaamse bestuursrechtscolleges, zonder enig onderscheid volgens hun specifieke aard, acht verzoekster het wenselijk de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt artikel 49, Decr. Vl. Parl. 04 april 2014 betreffende de organisatie en rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges, rekening hou- dend met artikel 5, tweede tot vierde lid, van hetzelfde decreet, de artikelen 10 en 11, van de Grondwet en artikel 10, Bijzondere Wet 08 augustus 1980 tot hervorming der instellingen samengelezen met de artikelen 145, 146 en 161 van de Grondwet wanneer daarin een noodzaak dan wel rechtvaardiging wordt ge- lezen om de bestuursrechters in de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Milieuhandhavingscollege middels één gemeenschappelijke selectieprocedure met inhoudelijk identieke selectieproeven aan te werven zonder enige rekening te houden met de noodzakelijkerwijs specifieke aard van respectievelijk de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Milieuhandhavingscollege en waarbij de vraagstelling voor 90% is gericht op de bevoegdheden van de Raad voor Vergunningsbetwistingen?” 21.3. In een tweede onderdeel van het middel stelt verzoekster dat er een “kennelijk onredelijk onevenwicht” is gecreëerd bij de vraagstelling van de schriftelijke proef. Zij overloopt de verschillende onderdelen van die schriftelijke proef en zij besluit dat 90% betrekking heeft op het contentieux van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en slechts 10% op de specifieke materie van de hand- having die in het Milieuhandhavingscollege wordt behandeld. Een dergelijke scheeftrekking acht zij volkomen onregelmatig en niet te verantwoorden. Volgens verzoekster kan de vraag naar een bredere inzetbaarheid van de bestuursrechter desgevallend een verantwoording vormen voor het niet al te eenzijdig toespitsen van de selectieproeven op de functiespecifieke materies die in de regel door de functiehouder binnen het specifieke Vlaamse bestuursrechtscol- lege worden behandeld. Artikel 49, § 1, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 komt daaraan tegemoet door als gemeenschappelijke (minimale) benoemings- voorwaarde onder meer te vereisen dat de kandidaat-bestuursrechter een grondige kennis heeft van het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening en het Vlaamse milieurecht en in die materies minstens ook tien jaar nuttige ervaring heeft. Deze bepaling, aldus verzoekster, verantwoordt evenwel niet dat de (schriftelijke) se- lectieproeven al te eenzijdig worden toegespitst op de materies die in de regel niet IX-8772-28/43 worden behandeld door de functiehouder binnen het specifieke Vlaamse be- stuursrechtscollege. Het is volgens haar onaanvaardbaar dat in hoofdorde niet wordt ingegaan op de functiespecifieke materies die door de functiehouder binnen het specifieke Vlaamse bestuursrechtscollege moeten worden behandeld. Verzoekster vervolgt dat “[d]e wijze waarop de schriftelijke selectieproef thans is georganiseerd [...] kennelijk de kandidaten met een (nog) ruime(
  2. re)achtergrond inzake ruimtelijke ordening en vergunningen [heeft] be- voordeeld ten nadele van de kandidaten met een ruimere achtergrond inzake handhaving en milieurecht”. Dit heeft bovendien gevolgen gehad voor “de tijds- besteding van de respectieve kandidaten tijdens de schriftelijke selectieproef en hun (on)mogelijkheid om de vragen tijdig en afdoende te beantwoorden”. “Voor de goede orde” maakt verzoekster “een bijkomend gede- tailleerde analyse [...] van de getoetste parate kennis en expertise waaruit [volgens haar] des te meer blijkt dat haar kritiek ernstig en gegrond is” (blz. 50 tot 52 van het inleidend verzoekschrift). 21.4. In een derde onderdeel van het middel voert verzoekster aan dat zij is misleid, vooreerst omdat geen mededeling werd gedaan dat één enkele ge- meenschappelijke schriftelijke proef zou worden georganiseerd. Het gebrek aan communicatie daarover heeft haar geschaad, aangezien zij zich daarop niet aan- gepast heeft kunnen voorbereiden. Voorts is zij misleid door de onzorgvuldige wijze waarop de schriftelijke proef de kandidaten heeft geïnformeerd met betrek- king tot de puntenverdeling tussen de verschillende subvragen. Verzoekster stelt dat zij is uitgegaan van een evenredige verdeling van de in het totaal toe te kennen punten tussen de diverse subvragen, maar dat zij nu heeft moeten vaststellen dat de eerste subvraag van vraag 3 – de enige die zij onbeantwoord heeft gelaten – een onevenredige puntenbedeling heeft gekregen. Indien zij daarvan kennis had gehad, dan had zij, gezien de tijdsdruk, haar werkvolgorde gewijzigd en prioriteit gegeven aan het beantwoorden van die subvraag, die klaarblijkelijk dubbel zo zwaar doorwoog als alle andere subvragen. IX-8772-29/43 22. In haar memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster nog dat “[d]e […] schriftelijke proef [...] allesbepalend [is] en [...] niet functiespecifiek afgenomen”. En voorts heeft volgens haar slechts een “globale” beoordeling van de kandidaten plaatsgehad, geen functiespecifieke. Verzoekster herhaalt dat de verwerende partij het functiespeci- fieke karakter helemaal negeert en blijk geeft van “een eenzijdige en niet weder- kerige kijk op de voorgehouden ‘multi-inzetbaarheid’ en ‘uitwisselbaarheid’”. Er wordt eenzijdig gefocust op de Raad voor Vergunningsbetwistingen en geheel niet op het Milieuhandhavingscollege. Deze onwettigheid tast volgens haar evenzeer de selectie aan van de bestuursrechters voor de Raad voor Vergunningsbetwis- tingen. Er kan immers in de door haar aangeklaagde omstandigheden bezwaarlijk worden voorgehouden dat de “multi-inzetbaarheid” en “uitwisselbaarheid” van de kandidaten voor de functie van bestuursrechter van de Raad voor Vergunnings- betwistingen afdoende zijn getoetst aan de bevoegdheden van het Milieuhandha- vingscollege. Verzoekster houdt ook staande dat zij rechtmatig mocht uitgaan van een evenredige verdeling van de punten en dat zij bij een dergelijke punten- verdeling niet zo sterk benadeeld zou zijn geworden. 23. In haar laatste memorie betoogt verzoekster nog dat de vereiste grondige kennis van het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening en het Vlaamse milieurecht op een redelijke en zorgvuldige wijze moest worden beoordeeld in de schriftelijke proef. Het is daarbij de logica zelf, zo stelt verzoekster, dat “in eerste instantie de nadruk ligt op de kennis die vereist is voor de specifieke functie, wars van de grondige kennis die de kandidaat in beide materies behoort te hebben”. Verzoekster herhaalt dat het manifest onredelijk is om slechts bij 10% van de vragen aandacht te besteden aan de vereiste specifieke kennis voor de functie van bestuursrechter bij het Milieuhandhavingscollege. Volgens haar gaat het niet op dat de verwerende partij met haar keuze voor de organisatie van een gemeen- schappelijke proef, een vrijgeleide zou hebben om de facto enkel een schriftelijke IX-8772-30/43 proef af te nemen voor de functie van bestuursrechter bij de Raad voor Vergun- ningsbetwistingen. De omstandigheid dat artikel 5 van het decreet van 4 april 2014 de mogelijkheid biedt om tijdens de schriftelijke proef vragen te stellen die peilen naar de grondige kennis van het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening en het Vlaamse milieurecht, is evenmin een vrijgeleide om de functiespecifieke aard van de kandidaatstelling te negeren. Voor zover in artikel 49 van het decreet van 4 april 2014 een noodzaak dan wel een rechtvaardiging wordt gelezen voor het organiseren van één gemeenschappelijke selectieprocedure voor de functies van bestuursrechter van de Vlaamse bestuursrechtscolleges, houdt verzoekster staande dat het aangewezen is de door haar gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Zij handhaaft haar verzoek in dit verband, ongeacht “of er nu sprake is van een gemeenschappelijke selectieprocedure dan wel van één uitsluitende gemeenschappelijke schriftelijke proef”. Verzoekster doet ten slotte nog gelden dat voor zover de verwerende partij niet ertoe verplicht was om vooraf de puntenverdeling te communiceren, dit niet betekent dat zij de kandidaten zou mogen verschalken. Bij gebrek aan een specifieke aanduiding meent zij te hebben mogen uitgaan van een evenredige puntenverdeling. Beoordeling van het eerste, tweede en derde middelonderdeel gezamenlijk 24. Artikel 49, § 1, van het decreet van 4 april 2014, zoals het luidde op het ogenblik van het nemen van de bestreden besluiten, bepaalt dat de Vlaamse Regering de effectieve bestuursrechters bij een Vlaams bestuursrechtscollege voor het leven benoemt op voordracht van de algemene vergadering van de Vlaamse bestuursrechtscolleges. Zij moeten daartoe minstens aan de volgende benoe- mingsvoorwaarden voldoen:

(1)houder zijn van het diploma van licentiaat of master in de rechten,
(2)een grondige kennis hebben van en minstens tien jaar nuttige ervaring hebben in de domeinen van het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening en van het Vlaamse milieurecht en
(3)een grondige kennis hebben van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke of rechterlijke aangelegen- heden. IX-8772-31/43 Artikel 5 van het decreet van 4 april 2014 bepaalt: “De Vlaamse bestuursrechtscolleges bestaan uit ten minste acht bestuurs- rechters, onder wie een eerste voorzitter, voorzitters en kamervoorzitters. Bestuursrechters die benoemd of aangesteld zijn bij een Vlaams bestuurs- rechtscollege, kunnen door de eerste voorzitter ten behoeve van de goede wer- king van de Vlaamse bestuursrechtscolleges ter beschikking gesteld worden van een ander Vlaams bestuursrechtscollege. Indien een bestuursrechter overeenkomstig het tweede lid wordt ter be- schikking gesteld, hoort de eerste voorzitter de betrokken bestuursrechter en motiveert hij zijn beslissing. De terbeschikkingstelling van een bestuursrechter aan een Vlaams be- stuursrechtscollege kan enkel voor zover de bestuursrechter over voldoende kennis beschikt in de domeinen waarvoor dat Vlaams bestuursrechtscollege bevoegd is. [...].” 25. In de mate dat verzoekster in de uiteenzetting van het middel ervan uitgaat dat er één gemeenschappelijke selectieprocedure werd georganiseerd voor bestuursrechters in de Raad voor Vergunningsbetwistingen en voor be- stuursrechters in het Milieuhandhavingscollege, kan worden verwezen naar de beoordeling van het eerste middel, waaruit blijkt dat het middel in zoverre feite- lijke grondslag mist. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt immers alleen dat de schriftelijke proef voor de selectie van bestuursrechters in de Raad voor Vergunningsbetwistingen en in het Milieuhandhavingscollege gemeenschappelijk werd georganiseerd. Daarnaast omvatten beide onderscheiden selectieprocedures nog een “psychologische proef-assessment”, een jurygesprek en een interview met de algemene vergadering. 26. Uit het zo-even vermelde artikel 49, § 1, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 blijkt dat één van de benoemingsvoorwaarden erin bestaat te beschikken over “een grondige kennis [...] van en minstens tien jaar nuttige ervaring [...] in de domeinen van het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening en van het Vlaamse milieurecht”. IX-8772-32/43 In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat het decreet van 4 april 2014 is geworden, wordt gesteld dat die voorwaarde noodzakelijk is om verschillende redenen. Zo wordt er onder meer gewezen op “de mul- ti-inzetbaarheid van de bestuursrechters in de verschillende domeinen waarvoor de Vlaamse bestuursrechtscolleges bevoegd zijn”. Het vereiste van grondige kennis van en nuttige ervaring in beide voornoemde domeinen van het recht strekt er precies toe tegemoet te komen aan de bekommernis die de afdeling Wetgeving van de Raad van State in haar advies 53.941/AV/3 van 17 oktober 2013, waarnaar verzoekster verwijst, dienaangaande had verwoord (Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. 2383/1, 49). Terecht stellen de verwerende partij en de tussenkomende par- tijen dat de decretaal vereiste kennis van en ervaring in het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening en het Vlaamse milieurecht “cumulatief” is geformuleerd. Er dient immers voldoende expertise (of grondige kennis) van beide materies aan- wezig te zijn om effectief lid te kunnen worden van het specifieke bestuurs- rechtscollege en dit geldt zowel voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen als voor het Milieuhandhavingscollege. Uit niets blijkt dat die vereiste bijzondere expertise of grondige kennis voor de kandidaten van de selectie van bestuursrechters voor het Milieu- handhavingscollege minder mocht zijn wat het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening betreft dan wat het Vlaamse milieurecht betreft of dat die expertise of kennis voor de kandidaten van de selectie van bestuursrechters voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen minder mocht zijn wat het Vlaamse milieurecht betreft dan wat het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening betreft. 27. Verzoekster meent evenwel dat de schriftelijke proef eenzijdig de kennis van het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening heeft getoetst, nu slechts 10% van de vragen betrekking had op de specifieke materie van de hand- having. IX-8772-33/43 De processen-verbaal van de selectiecommissies van 1 juli 2015 over de schriftelijke proef vermelden in dit verband: “40% van de inhoud van de schriftelijke proef (en dus gequoteerd op /40) heeft betrekking op het domein van het Vlaamse recht inzake ruimtelijke or- dening (de stedenbouwkundige vergunningsprocedure, (planologische) be- stemmingsvoorschriften en afwijkingsmogelijkheden, de directwerkende nor- men, enz.). Het betreft de vraag 1
  1. b)(15 punten), vraag 2
  2. a)(10 punten), vraag 2
  3. b)(10 punten) en vraag 3
  4. a)(5 punten). 40% van de inhoud van de schriftelijke proef (en dus gequoteerd op /40) heeft betrekking op het domein van het Vlaamse milieurecht, inzonderheid het milieuhandhavingsrecht, het milieuvergunningsrecht en het (Europees) na- tuurbehoudsrecht. Het betreft de vraag 1
  5. b)(15 punten), vraag 3
  6. a)(15 punten) en vraag 4 (10 punten). 20% van de inhoud van de schriftelijke proef (en dus gequoteerd op /20) heeft betrekking op het domein van het Vlaamse recht inzake procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke of rechterlijke aangelegenheden. Het betreft de vragen 1
  7. a)(10 punten) en 3
  8. b)(10 punten).” Verzoekster weerlegt deze verdeling, die getuigt van een redelijk evenwicht tussen de te toetsen kennisgebieden, als zodanig niet. Het loutere feit dat alleen de vierde vraag specifiek betrekking zou hebben op de bestuurlijke handhaving, zoals verzoekster beweert, laat nog niet toe te besluiten tot een onredelijk onevenwicht in de vraagstelling, aangezien vanuit het oogpunt van de kennis die artikel 49, § 1, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 vergt van de kandidaat-bestuursrechters, ook een grondige kennis mag worden verwacht van het Vlaamse (materiële) milieurecht en van het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening. Derhalve kan verzoeksters standpunt met betrekking tot de on- evenwichtigheid en eenzijdigheid van de selectieproef niet worden bijgevallen. 28. Uit wat voorafgaat blijkt dat de door verzoekster voorgestelde vraag aan het Grondwettelijk Hof niet alleen verkeerdelijk ervan uitgaat dat de gehele selectieprocedure voor bestuursrechters bij de Raad voor Vergunningsbe- IX-8772-34/43 twistingen en het Milieuhandhavingscollege gemeenschappelijk werd georgani- seerd, maar bovendien evenzeer ten onrechte steunt op de foutieve veronderstel- ling dat geen rekening is gehouden met “de noodzakelijkerwijs specifieke aard van respectievelijk de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Milieuhandha- vingscollege” en dat de vraagstelling van de schriftelijke proef getuigt van on- evenwichtigheid en eenzijdigheid. De voorgestelde vraag is dan ook niet prejudicieel en dient niet aan het Grondwettelijk Hof te worden gesteld. 29. Voor zover verzoekster ten slotte doet gelden dat zij verschalkt is door de puntenverdeling tussen de gestelde vragen, dient erop te worden gewezen dat verzoekster geen rechtsregel of rechtsbeginsel aanwijst waardoor de selectie- commissie ertoe verplicht zou zijn om de deelnemers aan de schriftelijke selec- tieproef vooraf in kennis te stellen van de puntenverdeling tussen de gestelde (sub)vragen. Indien verzoekster zich daardoor verschalkt voelt, is dat geheel ten onrechte. Ten slotte beweert verzoekster slechts, maar toont zij niet aan dat vraag 3
  9. a)van de schriftelijke proef onevenredig met punten is bedeeld. 30. Daargelaten of het tweede middel ontvankelijk is, wat door de verwerende partij en de tussenkomende partijen uitvoerig wordt betwist, is het alleszins in geen van zijn onderdelen gegrond. IX-8772-35/43 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 31. Verzoekster voert in een derde middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke moti- vering van de bestuurshandelingen’, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheidsbe- ginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel. In een eerste onderdeel van dit middel doet zij gelden dat de schriftelijke proef niet als een kennisexamen kan worden gekwalificeerd, zodat “een motivering aan de hand van een puntenscore niet [volstaat]”. Dat er in dit geval geen sprake is van een loutere kennisproef blijkt volgens verzoekster uit “de wezenlijke verschillen inzake de kwestieuze quoteringen van de verschillende correctoren”. De schriftelijke proef peilt bovendien niet enkel naar de kennis van de te kennen materies en de toepassing ervan in praktijkgevallen. Geen van de gestelde vragen heeft immers één vooraf bepaald antwoord en er zijn hoogstens “vooraf bepaalbare onderdelen van antwoord”. Dit geldt volgens verzoekster des te meer omdat de schriftelijke proef geen betrekking had op een vooraf gedoceerde cursus voor een homogene groep van geëxamineerden, maar zich richtte tot spe- cialisten met jarenlang opgebouwde kennis en ervaringen vanuit diverse profes- sionele invalshoeken en ze manifest een hoge tijdsdruk impliceerde, zodat des te sneller uit dergelijke eigen ervaringen en kennisaccenten moest worden geput. Dat de schriftelijke proef geen loutere kennisproef is, wordt volgens verzoekster ove- rigens uitdrukkelijk erkend in het stuk betreffende de modelantwoorden dat deze antwoorden als “richtinggevend” bestempelt. In een tweede onderdeel van het middel betoogt verzoekster dat de verwerende partij in gebreke blijft de stukken van het selectiedossier voor te leggen aan de hand waarvan zij zou kunnen achterhalen welke overwegingen haar uitsluiting van verdere deelname verantwoorden. De deugdelijkheid van de toe- IX-8772-36/43 gekende punten betreft, aldus verzoekster, de materiëlemotiveringsplicht. Ver- zoekster stelt dat er manifeste beoordelingsfouten zijn gemaakt bij de verbetering van haar antwoorden en dat zij zulks aannemelijk maakt “bij de […] bekritisering van de haar toegekende beoordeling op diverse (sub)vragen”. Verzoekster stelt voorts de deskundigheid van de selectiecom- missies in vraag. De afwezigheid van enige afdoende vraagstelling met betrekking tot de specifieke materies inzake handhaving vindt volgens haar weerspiegeling in de afwezigheid van specifieke deskundigheid dienaangaande in de selectiecom- missies. Het is volgens verzoekster ten zeerste onduidelijk in welke mate de leden van de selectiecommissies afdoende als deskundig kunnen worden beschouwd op het vlak van het milieurecht en de bestuurlijke handhaving, terwijl de externe deskundigen overwegend tot uitsluitend expertise toevoegen op het vlak van pro- cesvoering, rechtsbescherming en ruimtelijke ordening. Verzoekster maakt voorts gewag van een “[g]ebrek aan deugde- lijk richtinggevend modelantwoord ‘examen bestuursrechter’”. Zij betoogt dat een “richtinggevend” modelantwoord werd opgesteld door de voorzitter van de selec- tiecommissies en het hoofd van het coördinatiebureau van de dienst van de be- stuursrechtscolleges, maar dat een dergelijk antwoord gezamenlijk door alle cor- rectoren had moeten worden opgesteld en niet slechts door één van hen. Alleen dan immers zou de expertise van de correctoren samengebracht en gevaloriseerd zijn. Het modelantwoord bevat bovendien geen suggesties wat het toekennen van scores betreft. Dit gebrek aan objectiviteit en zorgvuldigheid, aldus verzoekster, heeft geleid tot grote verschillen bij de puntentoekenning, wat impliceert dat geen af- doende verantwoording kan worden gevonden in de quoteringen op zich. Verzoekster formuleert vervolgens per vraag schematisch kritiek op het modelantwoord (blz. 59 tot 64 van het inleidend verzoekschrift). Ten slotte voert zij nog een gebrek aan zorgvuldigheid en objectiviteit aan, alsook de kenne- lijke onredelijkheid van de haar toegekende scores waarvoor zij over geen enkele deugdelijke verantwoording beschikt. Zij vergelijkt de haar toegekende scores met IX-8772-37/43 die van een andere kandidaat en zij gaat in op de toegekende scores in het algemeen (blz. 64 tot 65 van het inleidend verzoekschrift) en specifiek per (sub)vraag (blz. 65 tot 73 van het inleidend verzoekschrift). Zij besluit dat zij erin slaagt aan te tonen dat er sprake is van manifeste beoordelingsfouten bij de verbetering van haar antwoorden. 32. In haar memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster dat als een selectieproef een loutere kennisproef zou zijn, de verschillende beoorde- lingen minstens heel dicht bij elkaar zouden moeten liggen, wat in dit geval niet zo is. Het gebrek aan een modelantwoord versterkt haar stelling, aldus verzoekster, temeer daar slechts een “richtinggevend” antwoord wordt aangeleverd. Gelet op de uiteenlopende scores is het antwoord niet “[h]eel precies richtinggevend” geweest. Volgens verzoekster kan “[a]lle elementen samengenomen” niet worden betwist dat het om meer gaat dan om een louter kennisexamen. Zij herhaalt voorts haar kritiek op het “richtinggevend” antwoord en de haar toegekende scores. Beoordeling 33. Luidens de selectiereglementen voor de selectie van bestuurs- rechters, respectievelijk bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en bij het Milieuhandhavingscollege, zoals die werden vastgesteld door de respectieve se- lectiecommissies en bekrachtigd door de algemene vergadering van de Vlaamse bestuursrechtscolleges, strekt de schriftelijke proef tot “[de] beoordeling van [de] grondige kennis [van de kandidaten] in de domeinen van het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening en van het Vlaamse milieurecht en hun grondige kennis van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke of rechterlijke aangelegen- heden”. De schriftelijke proef beoogt aldus de kennis van de kandidaten in de genoemde rechtsdomeinen te toetsen. Dit oogmerk beantwoordt aan de be- IX-8772-38/43 noemingsvoorwaarden die zijn bepaald in artikel 49, § 1, tweede lid, 2° en 3°, van het decreet van 4 april 2014, namelijk “een grondige kennis hebben van en min- stens tien jaar nuttige ervaring hebben in de domeinen van het Vlaamse recht inzake ruimtelijke ordening en van het Vlaamse milieurecht” en “een grondige kennis hebben van procesvoering en rechtsbescherming in bestuurlijke of rechter- lijke aangelegenheden”. De schriftelijke proef is derhalve alvast naar haar oogmerk een louter kennisexamen. Verzoekster toont niet aan dat de proef door de aard van de gestelde vragen de facto geen dergelijk examen zou zijn. De omstandigheid dat er verschillende scores zijn toegekend door de onderscheiden correctoren toont helemaal niet aan dat het niet om een kennisproef zou gaan. De aangetoonde kennis van de kandidaten kan door de verschillende correctoren immers, afhankelijk van de gestrengheid van hun oor- deel, anders worden gewaardeerd. Het valt binnen de marges van de redelijkheid dat voor het bepalen van de eindscore van de kandidaten, zoals in casu is gebeurd, het gemiddelde wordt genomen van alle toegekende scores. Ook de vaststelling dat er slechts een “richtinggevend” model- antwoord werd opgesteld, ontkracht de aard van het kennisexamen niet, aangezien het veeleer voor de hand ligt dat de kennis die de voormelde proef beoogt te toetsen op verschillende wijzen, die niet noodzakelijk overeenstemmen met het vooraf opgestelde modelantwoord, door de kandidaten tot uiting kan worden gebracht. Dat aan de schriftelijke proef geen “gedoceerde cursus” is voorafgegaan, maar ze zich richt tot specialisten “met een jarenlang opgebouwde kennis vanuit diverse professionele invalshoeken”, is voor de kwalificatie van de proef als een kennisexamen evenmin van enig belang. IX-8772-39/43 Aangezien derhalve mag worden aangenomen dat de schrifte- lijke proef een kennisexamen betrof, volstaan de aan verzoekster toegekende punten als formele motivering van haar niet slagen voor deze proef. Het eerste onderdeel van het derde middel is niet gegrond. 34. Voor zover verzoekster in het tweede middelonderdeel ander- maal aanvoert dat de selectiecommissie de redenen moet doen blijken die haar ertoe hebben gebracht een bepaalde score toe te kennen, dient erop te worden gewezen dat bij de beoordeling van het eerste middelonderdeel reeds is vastgesteld dat het vanuit het oogpunt van de formelemotiveringsplicht volstond dat aan ver- zoekster de door haar behaalde punten zijn meegedeeld. Vanzelfsprekend moeten die toegekende punten een deugdelijke materiële grondslag hebben die blijkt uit het dossier. Verzoekster toont evenwel het aangevoerde gemis aan een deugdelijke materiële grondslag niet aan. Vooreerst stelt zij tevergeefs de deskundigheid van de selectie- commissies op het vlak van “de specifieke materies inzake handhaving” in vraag. Haar zienswijze, die niet meer is dan een loutere bewering, kan niet worden bij- gevallen. Met de verwerende partij moet immers worden vastgesteld dat de ei- genlijke leden van de selectiecommissies allen bestuursrechter zijn bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en dat de externe deskundigen, die de selectie- commissies hebben bijgestaan, academische of praktijkervaring hebben in één of meerdere van de kennisdomeinen waarover in de schriftelijke proef werd onder- vraagd. Het vermoeden van deskundigheid van deze leden, gezamenlijk optredend als selectiecommissie, óók met betrekking tot de aangelegenheid van de handha- ving wordt door verzoekster geenszins ontkracht. IX-8772-40/43 De selectiecommissies, waarvan de deskundigheid aldus wordt vermoed en niet is weerlegd, beschikken over een ruime discretionaire beoorde- lingsmarge bij de verbetering van de schriftelijke proef. Met haar uitvoerige, schematische kritiek op het door de selectiecommissies aangewende model- antwoord nodigt verzoekster de Raad van State als het ware uit zich in de plaats van de selectiecommissies te stellen. Die bevoegdheid valt de Raad van State evenwel niet toe. Haar kritiek overtuigt de Raad van State er alvast niet van dat de selectiecommissies de redelijke grenzen van hun discretionaire beoordelingsbe- voegdheid hebben overschreden. Hetzelfde dient te worden opgemerkt ten aanzien van verzoek- sters kritiek op de haar toegekende punten, die zij een “[g]ebrek aan zorgvuldig- heid, objectiviteit en kennelijke onredelijkheid [verwijt]”. De enkele omstandig- heid dat de puntentoekenning van de individuele correctoren verschillen vertoont, kan van het aangevoerde gebrek alvast niet overtuigen. De vraag rijst overigens of haar eigen voorstel van puntentoekenning, waarbij zij zichzelf punten toekent die telkens hoger liggen dan of gelijk zijn aan de hoogst toegekende score van de vijf correctoren, zich niet daaraan bezondigt. Daarbij merkt de Raad van State op dat verzoekster eraan voorbijgaat dat zij vraag 3
  10. a)van de schriftelijke proef waarop 20 van de 100 punten konden worden verdiend, niet heeft beantwoord. Ten slotte valt helemaal niet in te zien hoe de omstandigheid dat het “richtinggevend” modelantwoord door één lid van de selectiecommissies zou zijn voorbereid, maar klaarblijkelijk door de andere verbeteraars van de schrifte- lijke proef is bijgevallen, dat antwoord ondeugdelijk zou maken en aldus de wet- tigheid van de bestreden besluiten zou aantasten. Het tweede onderdeel van het derde middel is evenmin gegrond. 35. Het derde middel is in geen van zijn onderdelen gegrond. IX-8772-41/43 VIII. Anonimisering 36. Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt verzoekster dat bij de publicatie van het arrest haar identiteit niet wordt opgenomen. Dit verzoek wordt ingewilligd. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussen- komsten, begroot op 750 euro, elk voor één vijfde. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-8772-42/43 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-8772-43/43 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.204 Gerelateerde publicatie(
  11. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.234.890 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.