id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.221 Rolnummer: A. 228960/VII-40620 Zaak: Arrest 247221 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-13 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-26 03:09 Fiche Arrest nr 247.221 van 5 maart 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.221 van 5 maart 2020 in de zaak A. 228.960/VII-40.620 In zake : de BVBA MEANDER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Socquet kantoor houdend te 3080 Tervuren Merenstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 29 augustus 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-S-1819-1257 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna : RvVb) van 30 juli 2019 in de zaak 1819- RvVb-0710-SA. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 18 september
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.620-1/8 Eerste auditeur An Van Den Broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 februari
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evi Mees, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Dany Socquet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van Den Broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Met een besluit van 24 januari 2019 weigert de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) aan de verzoekende partij een stedenbouwkundige vergunning te verlenen “voor het regulariseren/verbouwen van een woning met frituur”.
- Bij beschikking van 7 juni 2019 stelt de voorzitter van de RvVb dat de vordering van de verzoekende partij tot schorsing van voormelde vergunningsbeslissing geen effect heeft voor de verzoekende partij als aanvrager en oordeelt dat de eventuele schorsing van de bestreden vergunningsbeslissing niet tot gevolg heeft dat de deputatie verplicht wordt een nieuwe beslissing te nemen. VII-40.620-2/8
- De verzoekende partij betwist in haar verantwoordingsnota aan de RvVb de vaststelling in voormelde beschikking van de voorzitter van de RvVb en voert onder meer aan dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden vergunningsbeslissing, de deputatie ertoe kan aanzetten dan wel verplichten om de bestreden vergunningsbeslissing in te trekken en te heroverwegen.
- Het bestreden arrest verwerpt de visie van de verzoekende partij en besluit dat de vordering van de verzoekende partij “geen nuttig effect heeft voor de verzoekende partij als aanvrager zodat de vordering klaarblijkelijk doelloos is”. De vordering van de verzoekende partij wordt door de RvVb klaarblijkelijk onontvankelijk verklaard. IV. Onderzoek van het derde middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 59/1 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: procedurebesluit DBRC) en artikel 6 EVRM. Zij zet uiteen dat de RvVb ten onrechte oordeelt dat “de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing kan worden afgewikkeld via de vereenvoudigde procedure in zoverre de vordering klaarblijkelijk doelloos is” omdat de vereenvoudigde procedure “niet op wettige wijze [kan] aangewend worden ten aanzien van de schorsingsprocedure; […] In artikel 59/1 wordt […] enkel gesproken van het „beroep‟ of de „zaak‟. […] [A]rtikel 59/1 DBRC-besluit […] valt onder afdeling 2 „verkorte procedures‟, en [heeft] zodoende geen betrekking […] op enkel schorsingsvorderingen of enkel vernietigingsberoepen. Daaruit volgt dat de verwijzing naar „de zaak‟ niet kan geïnterpreteerd worden als hebbende betrekking op de schorsingsvordering alleen, a fortiori niet wanneer het vernietigingsberoep en de vordering tot schorsing in een uniek verzoekschrift worden opgenomen. […] [H]et begrip „zaak‟ [mag] niet beperkend […] worden geïnterpreteerd, hetgeen voor de toepassing van artikel 59/1 DBRC-besluit VII-40.620-3/8 wederom impliceert dat de mogelijkheid om gebruik te maken van de vereenvoudigde procedure moet beoordeeld worden in het licht van de „zaak‟ of het „beroep‟ in de ruimste zin van het woord, zijnde de hoofdvordering en alle accessoire vorderingen incluis, en dus niet enkel in het licht van de accessoire vordering. […] Wanneer er, zoals in casu, aldus een (uniek) „verzoek tot vernietiging met vordering tot schorsing‟ wordt ingediend, dan kan een verkorte procedure desgevallend alleen op dat verzoekschrift houdende vernietiging in hoofdberoep met accessoire vordering tot schorsing worden toegepast, en niet op de accessoire vordering tot schorsing alleen. Toegepast in casu impliceert het voorgaande dat enkel toepassing kan gemaakt worden van de vereenvoudigde procedure wanneer blijkt dat het „beroep‟ -lees: vernietigingsberoep met accessoire vordering tot schorsing- op het eerste gezicht doelloos is, klaarblijkelijk onontvankelijk is, klaarblijkelijk ongegrond is of de [RvVb] klaarblijkelijk onbevoegd is om daarvan kennis te nemen”. Beoordeling
- Luidens artikel 13 van procedurebesluit DBRC wordt het “beroep” bij verzoekschrift ingediend dat overeenkomstig artikel 15 van voormeld procedurebesluit het voorwerp van het beroep moet bevatten. Luidens artikel 54 van het Procedurebesluit DBRC is deel 3 „vergunningsbeslissingen‟ van toepassing op beroepen tegen onder meer vergunningsbeslissingen. Overeenkomstig artikel 55 van het procedurebesluit DBRC kan het verzoekschrift verschillende opschriften hebben, waaronder “verzoek tot vernietiging met vordering tot schorsing”. Luidens artikel 56, § 1 van het procedurebesluit moet het verzoekschrift tevens bevatten “als de verzoeker dat kent, het rolnummer waaronder het beroep is ingeschreven waarvan de vordering tot schorsing bij VII-40.620-4/8 hoogdringendheid of de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid het accessorium vormt”. Artikel 59 van het procedurebesluit DBRC, luidt: “De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter kan ambtshalve onderzoeken of het beroep volgens de vereenvoudigde procedure kan worden behandeld of alleen korte debatten vereist”. Artikel 59/1 van hetzelfde procedurebesluit DBRC luidt: “§
- Een beroep kan worden behandeld volgens de vereenvoudigde procedure als: 1° het beroep doelloos is; 2° het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is; 3° het College klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen; 4° het beroep klaarblijkelijk ongegrond is. §
- De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter stelt bij beschikking vast dat op het eerste gezicht het beroep doelloos is, het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is, het College klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen of het beroep klaarblijkelijk ongegrond is. De griffier betekent de beschikking aan de verzoeker. De verzoeker kan een verantwoordingsnota en overtuigingsstukken, die beide beperkt zijn tot de in de beschikking gedane vaststellingen, indienen binnen een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de betekening van de beschikking. §
- Nadat de termijn voor het indienen van een verantwoordingsnota is verstreken, kan de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter de zaak zonder verdere rechtspleging in beraad nemen. Als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter niet besluit dat het beroep doelloos is, dat het beroep klaarblijkelijk onontvankelijk is, dat het College klaarblijkelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen of dat het beroep klaarblijkelijk ongegrond is, dan wordt de procedure voortgezet volgens de gewone rechtspleging, vermeld in dit besluit. “ Het procedurebesluit DBRC geeft geen definitie van de term “beroep”. VII-40.620-5/8
- Voormelde artikelen 59 en 59/1 van het procedurebesluit DBRC vinden rechtsgrond in artikel 19 van het DBRC, dat bepaalt dat de Vlaamse Regering regels kan vaststellen voor de behandeling van verzoekschriften die in aanmerking komen voor een verkorte procedure. In de nota aan de Vlaamse regering betreffende het ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat de optimalisatie van de organisatie en de rechtspleging van de Vlaamse bestuursrechtscolleges betreft, wordt gesteld: "De nieuwe afdeling „Verkorte procedures‟ geeft uitvoering aan artikel 19 DBRC Decreet dat bepaalt dat de Vlaamse Regering regels kan vaststellen voor de behandeling van verzoekschriften die in aanmerking komen voor een verkorte procedure. De oude afdeling „Vereenvoudigde procedure‟ wordt herschreven en verduidelijkt. In de artikelen 26, 26/1 en 26/2 Procedurebesluit worden de verkorte procedures voor het Milieuhandhavingscollege uitgewerkt. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen twee soorten verkorte procedures, enerzijds de vereenvoudigde procedure, anderzijds de korte debatten (die beiden reeds bestonden in oud artikel 26 Procedurebesluit). Voor elk van deze verkorte procedures worden echter de voorwaarden en het procedureverloop beter uitgewerkt. Deze wijziging wordt ook doorgevoerd voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen in de artikelen 59, 59/1 en 59/2 Procedurebesluit via artikel 27 van dit ontwerp, om identieke redenen."
- Uit het voorgaande volgt dat de term „beroep‟ in artikel 59/1 van het procedurebesluit DBRC verwijst naar het geheel van de vorderingen dat met één verzoekschrift wordt ingediend.
- Het bestreden arrest dat in de aanhef stelt dat de verzoekende partij “de schorsing van de tenuitvoerlegging en de vernietiging van de beslissing van de [deputatie] van 24 januari 2019” vordert, besluit tot de kennelijke onontvankelijkheid van de vordering van de verzoekende partij tot schorsing van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden vergunningsbeslissing. VII-40.620-6/8
- Het bestreden arrest dat voormeld besluit noodzakelijk steunt op het oordeel dat artikel 59/1 van het procedurebesluit DBRC “zowel op de vernietigingsberoepen als de daarmee samenhangende schorsingsvorderingen afzonderlijk” slaat, “zich niet [verzet] tegen de toepassing ervan uitsluitend op een schorsingsvordering als accessorium van de samenhangende vordering tot vernietiging” en “van toepassing [is] op alle vorderingen (beroepen) die bij de [RvVb] worden ingesteld”, beschouwt de van “het verzoek tot vernietiging” afgezonderde “vordering tot schorsing” als een “beroep” in artikel 59/1 van het procedurebesluit DBRC en schendt zodoende artikel 59/1 van het procedurebesluit DBRC.
- Het derde middel is gegrond.
- Er is geen grond om de overige middelen te onderzoeken aangezien ze niet tot een ruimere vernietiging of een vernietiging zonder verwijzing kunnen leiden. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-S-1819-1257 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 30 juli 2019 in de zaak 1819-RvVb-0710- SA.
- Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Raad en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
- De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen. VII-40.620-7/8
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.620-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.221 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div