id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.260 Rolnummer: A. 222718/XIV-37475 Zaak: Arrest 247260 - Penitentiair recht - 09/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-13 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-26 03:09 Fiche Arrest nr 247.260 van 9 maart 2020 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.260 van 9 maart 2020 in de zaak A. 222.718/XIV-37.475 In zake : Abdessamad BELHADJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te 3730 Hoeselt Tongersesteenweg 4/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie woonplaats kiezend te 1000 Brussel Waterloolaan 115 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 juli 2017, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de gevangenisdirecteur van Beveren van 22 mei 2017 waarbij verzoeker een tuchtsanctie opgelegd kreeg van 14 dagen ATV van 21 mei 2017 tot en met 4 juni 2017 en 14 dagen ATV voorwaardelijke gedurende één maand”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld. XIV-37.475-1/12 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 februari
- Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jürgen Millen die verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker verblijft op het ogenblik van de betreden beslissing in de gevangenis te Beveren. 3.
- Op 21 mei 2017 wordt er ten laste van verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld. Dit rapport bevat onder meer de volgende observaties : “Om 8 u 02 kwam [verzoeker] terug binnen van PV. Op dat moment waren de controles van gebouw A net afgerond. De vingerafdrukken van [verzoeker] werden gecontroleerd alsmede zijn documenten. Daarop begaf hij zich naar een locker om wat spullen in op te bergen gezien hij de dag nadien terug vertrok. Op dat moment zijn twee collega ‘s bij hem komen staan voor de mdp controles. Hij stond klaar aan de mdp toen het hem inviel dat hij een riem aanhad die niet op zijn kledijlijst stond. Hij is die riem dan gaan opbergen in de locker die hij reeds in gebruik had genomen. Hierop is hij nog kort naar het locket van inschrijvingen gegaan om onbekende redenen. Dit werd opgemerkt door een collega. Daarna is hij door de MDP portiek gegaan en zijn alle nodige controles gebeurd. Pas nadat [verzoeker] mee naar binnen is gegaan met de collega onthaal werd in de schuif van inschrijvingen waar XIV-37.475-2/12 hij voorheen had gestaan een bol met onbekende bruine substantie en één pil gevonden.” 3.
- Van deze vondst wordt ook een administratief verslag inzake verdovende middelen opgesteld. 3.
- Op 22 mei 2017 vindt de tuchtrechtelijke hoorzitting plaats, waarbij verzoeker wordt gehoord in aanwezigheid van zijn advocaat. 3.
- Vervolgens wordt op 22 mei 2017 aan verzoeker de tuchtsanctie van afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte (hierna: ATV) voor 14 dagen opgelegd (van 21 mei 2017 tot en met 4 juni 2017) en 14 dagen ATV voorwaardelijk gedurende één maand wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. De motivering luidt: “Bij het controleren van de schuif van de inschrijvingen aan de portier werd een bruin brokje en een pilletje gevonden. Dit gebeurde net nadat betrokkene zich had aangeboden na zijn Penitentiair Verlof. De beelden werden bekeken, samen met zijn advocaat. Betrokkene ontkent de feiten, doch leveren de materiële aanwijzingen en/of getuigenverklaringen voldoende bewijs op”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In zijn verzoekschrift voert verzoeker een eerste middel aan ontleend aan de schending van het onpartijdigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel en dat ook is gewaarborgd door artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: het EVRM), artikel 14 van het XIV-37.475-3/12 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 (hierna: het IVBRP) en de artikelen 4, lid 3 en 6, lid 2, van het Verdrag van 7 februari 1992 ‘betreffende de Europese Unie’ (hierna: het VEU). Verzoeker zet uiteen dat er geen twijfel over kan bestaan dat de gevangenisdirecteur bij het beoordelen van een tuchtrapport niet beschouwd kan worden als een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat zich over een (vermeende) tuchtrechtelijke inbreuk van verzoeker dient uit te spreken en dat garant staat voor een eerlijk proces van verzoeker. Het gegeven dat de gevangenisdirecteur eerst moet beslissen of verzoeker voor een tuchtcollege moet verschijnen om vervolgens, als gevangenisdirecteur, dit tuchtcollege voor te gaan zitten en te beslissen over het opleggen van een sanctie maakt dat een gevangenisdirecteur én de hoedanigheid van vervolgende partij en de hoedanigheid van rechter heeft. Verzoeker werpt de vraag op of dit “geen schending [vormt] van het algemeen rechtsbeginsel nemo iudex causa sua?” In het kader van de voorliggende zaak moet volgens verzoeker worden vastgesteld dat de gevangenisdirecteur bij aanvang van het tuchtcollege stelt dat hij de camerabeelden reeds had bekeken en dat gezien werd dat een pakje door verzoeker in de lade van het loket van de inschrijvingen werd geworpen, daar waar - na het bekijken van de camerabeelden met verzoeker -, wordt gesteld dat de gevangenisdirecteur overtuigd is dat verzoeker een kleine hoeveelheid heeft laten vallen, wat zeker niet gelijklopend is. In het kader van de motivering gaat de gevangenisdirecteur het vervolgens nog anders formuleren. Daarbij wordt volgens verzoeker niet meer gesproken over camerabeelden of de inhoud van camerabeelden maar wordt gesteld dat “er materiële aanwijzingen zijn en / of (?) getuigenverklaringen zijn (die niet gevoegd zijn aan het tuchtdossier).” Het is volgens verzoeker klaar en duidelijk “dat de directeur hier zijn voorafgaand aan het tuchtcollege gevormde zienswijze wil betrachten te behouden door uiteenlopende, tegenstrijdige opmerkingen, conclusies daar waar van een onafhankelijk en onpartijdig rechter verwacht mag worden dat deze niet voorafgaand aan de tuchtzitting zijn mening heeft gevormd en dat, ondanks de camerabeelden die geen bewijs opleveren en die bekeken werden om uitsluitsel te XIV-37.475-4/12 geven, er geen sluitend bewijs van de schuld van verzoeker vaststond waardoor, minstens op grond van twijfel, verzoeker geen tuchtsanctie opgelegd kon worden.”. In zoverre er toch enige twijfel zou ontstaan, is verzoeker van oordeel dat in toepassing van artikel 267 van het Verdrag van 25 maart 1957 ‘betreffende de werking van de Europese Unie’ (hierna: het VWEU) dat het Hof van Justitie over wat volgt moet worden bevraagd: “Wordt het art. 4, 3 en 6, 3 van het verdrag betreffende de Europese Unie en het art. 6 EVRM geschonden wanneer een gevangenisdirecteur, als hoofd van de penitentiaire beambten van een gevangenis, zich moet uitspreken over een tuchtrapport dat door een penitentiaire beambte is opgesteld tegen een gedetineerde die in deze gevangenis verblijft?” In zijn memorie van wederantwoord voert verzoeker nog aan dat zijn recht op een eerlijk proces in het kader van de procedure voor de Raad van State zou worden geschonden doordat de verwerende partij de camerabeelden niet heeft neergelegd als onderdeel van het administratief dossier en verzoekt hij de Raad om, alvorens recht te doen, te oordelen dat de verwerende partij de camerabeelden dient bij te brengen. In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker wat hij in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet en handhaaft hij zijn verzoek om het Hof van Justitie prejudicieel te bevragen omdat “[d]e toetsing van artikel 6 EVRM precies een toetsing van artikel 4 lid 3 en 6 VEU [is]”. Hij beklaagt er zich over dat in de tuchtprocedures dit middel herhaaldelijk wordt aangevoerd omdat dit gebrek aan onafhankelijkheid van de gevangenisdirecteur door de gedetineerden zo wordt ervaren “wanneer een tuchtrapport tegen hen wordt opgesteld en (vaak) dezelfde gevangenisdirecteur beslist of de gedetineerde voor de gevangenisdirecteur dient te verschijnen in het kader van een tuchtprocedure en dit één en dezelfde directeur is.” XIV-37.475-5/12 Beoordeling De schending van het onpartijdigheidsbeginsel
- Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de personeelsleden en de leden van bestuurlijke organen die mede een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die personeelsleden en bestuurlijke organen op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen. In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat de directeur van de gevangenis geen “onafhankelijk en onpartijdig rechter” is bij de beoordeling van het tuchtrapport, op grond van het feit dat hij aan het hoofd staat van de gevangenis en dus het hoofd is van de penitentiaire beambten, gaat het in de eerste plaats om de functionele of structurele onpartijdigheid van de gevangenisdirecteur. De onpartijdigheid van de gevangenisdirecteur dient alzo vanuit een objectief oogpunt te worden beoordeeld. In dit verband moet erop worden gewezen dat het onpartijdigheidsbeginsel slechts van toepassing is op organen van actief bestuur zoals de gevangenisdirecteur, indien de toepassing ervan verenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid de eigen structuur van het bestuur. Zo mag de toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel er niet toe leiden dat het nemen van een regelmatige beslissing onmogelijk wordt, met name doordat dit beginsel het optreden van het bevoegde orgaan onmogelijk zou maken. Het enkele gegeven dat de gevangenisdirecteur is belast met het lokaal bestuur van een gevangenis en dat er derhalve een hiërarchische verhouding bestaat tussen de gevangenisdirecteur en de penitentiaire beambten, en dat het hem toekomt de bewijswaarde van een tuchtverslag van een penitentiair beambte te beoordelen, volstaat niet om te doen veronderstellen dat de gevangenisdirecteur bij XIV-37.475-6/12 de uitoefening van de in artikel 127, § 1, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (hierna: de basiswet) bepaalde bevoegdheid tot het opleggen van tuchtsancties, niet meer met de vereiste afstandelijkheid en onpartijdigheid over het tuchtvergrijp kan oordelen. Hetzelfde geldt wat verzoekers kritiek betreft dat de gevangenisdirecteur op grond van artikel 144 van de basiswet zowel de tuchtvervolging instelt, als beslist over de tuchtfeiten. Een louter subjectieve indruk van partijdigheid - die verzoeker ontwaart in het feit dat de gevangenisdirecteur in eenzelfde procedure zowel een “vervolgende” als “rechtsprekende” functie bekleedt en hierbij volgens hem het vermoeden van onschuld miskent - volstaat bijgevolg niet om de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk te maken. Verzoeker laat te dezen na om met precieze gegevens aan te tonen dat er een redelijke twijfel bestaat betreffende de onpartijdigheid van de directeur. Hij toont niet aan dat de directeur een rechtstreeks en persoonlijk belang zou hebben bij de zaak. Ook de vermeende tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van de gevangenisdirecteur zoals deze blijken uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting, evenals tussen de motivering opgenomen in de bestreden beslissing en het verslag van de hoorzitting waarnaar verzoeker verwijst, zijn niet van aard om een redelijke twijfel te doen bestaan betreffende de onpartijdigheid van de directeur die de bestreden tuchtbeslissing heeft genomen. Het is voorts onduidelijk waar verzoeker een “discrepantie” of “tegenstrijdigheid” ziet tussen beide overtuigingen van de directeur zoals opgenomen in het verslag. Immers onder “iets laten vallen” kan ook “iets laten vallen in de lade van het loket” worden begrepen. Verder wordt in de motivering van de bestreden beslissing duidelijk vermeld dat de camerabeelden tegensprekelijk werden bekeken in het bijzijn van verzoeker en diens raadsman zodat mag worden aangenomen dat het begrip “materiële aanwijzingen” in de bestreden beslissing ook slaat op die camerabeelden. Het begrip “materieel” wordt in Van Dale omschreven als “op het stoffelijke betrekking hebbend”. Camerabeelden bevinden zich op een drager en vallen dan ook onder deze definitie. Dat in de bestreden beslissing niet meer wordt verwezen naar die camerabeelden of de inhoud ervan, berust dan ook op een XIV-37.475-7/12 verkeerde lezing van de bestreden beslissing. Het feit tot slot dat de beelden de initiële overtuiging van de directeur, gelet op de vaststellingen in het rapport aan de directeur, bevestigden, heeft geenszins tot gevolg redelijke twijfel te doen ontstaan betreffende de onpartijdigheid van de directeur.
- In de mate dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord in het kader van dit middel nog opwerpt dat er sprake zou zijn van een schending van zijn recht van verdediging gelet op de afwezigheid van camerabeelden in het administratief dossier, bedenkt de Raad van State dat het eerste middel zoals het in het verzoekschrift is uiteengezet betrekking heeft op de vermeende partijdigheid van de gevangenisdirecteur. Hoewel verzoeker in de mogelijkheid was om aangaande het bewijs van de tuchtrechtelijke inbreuk en de camerabeelden in het bijzonder, grieven op te werpen in het verzoekschrift, heeft hij dit niet gedaan. Evenmin ontleent hij aan de camerabeelden op zich een concrete schending van het onpartijdigheidsbeginsel. Het bijkomend opvragen van de camerabeelden is dan ook niet vereist voor de oplossing van het geschil, noch vereist in het kader van het recht op een eerlijk proces. Bovendien blijkt uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting dat verzoeker de camerabeelden in het bijzijn van zijn advocaat heeft bekeken zodat zij aan tegenspraak zijn onderworpen. Dat verzoeker in zijn laatste memorie nog aanvoert dat het gebrek aan partijdigheid van de gevangenisdirecteur door de gedetineerden zo wordt aangevoeld omdat de gevangenisdirecteur, orgaan van het actief bestuur, in eenzelfde tuchtprocedure zowel beslist over de tuchtrechtelijke vervolging als de tuchtbeslissing, doet er niet aan af dat hij in de procedure voor de administratieve rechter met concrete en precieze gegevens moet aantonen - minstens redelijkerwijze aannemelijk maken - dat een redelijke twijfel betreffende de onpartijdigheid van de directeur voorhanden is, wat zoals hiervoor is gebleken, te dezen niet het geval is. Het middel is in de aangegeven mate ongegrond. XIV-37.475-8/12 De schending van de overige aangehaalde bepalingen
- Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of de penitentiaire tuchtprocedure ratione materiae binnen een van de door verzoeker geschonden geachte internationale en Europese bepalingen valt en los van de vraag of die door verzoeker geschonden geachte internationale en Europese bepalingen kunnen worden betrokken op een handeling van een orgaan van het actief bestuur - ze betreffen immers de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter -, dient vastgesteld dat er inzake die overige door verzoeker in het middel aangevoerde en geschonden geachte bepalingen, geen specifieke argumentatie wordt opgebouwd, zodat deze grieven geacht moeten worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. Het stellen van een prejudiciële vraag omtrent de uitlegging van artikel 6 van het EVRM is dan ook niet dienstig, daargelaten nog of het te dezen mogelijk zou zijn daaromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie in toepassing van artikel 267 van het VWEU nu niet blijkt - wat de aangevoerde schending van de artikelen 4, lid 3 en 6, lid 3 van het VEU betreft -, dat er een aanknopingspunt bestaat van verzoekers situatie met de tenuitvoerlegging van het recht van de Europese Unie. In zijn laatste memorie verzuimt verzoeker evenzeer aan te tonen of aannemelijk te maken dat zijn situatie niet louter internrechtelijk zou zijn of dat er enig aanknopingspunt bestaat van verzoekers situatie met de tenuitvoerlegging van het recht van de Europese Unie, wat volstaat om de aangevoerde schending te verwerpen alsook het verzoek tot het stellen van een vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
- Het eerste middel is ongegrond. XIV-37.475-9/12 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens verzoeker moet worden vastgesteld dat de gevangenisdirecteur bij aanvang van de hoorzitting respectievelijk, na het bekijken van de camerabeelden en tenslotte bij het motiveren van zijn beslissing opeenvolgende, tegenstrijdige standpunten heeft ingenomen. Volgens hem is er te dezen geen sprake van een correcte feitenvinding door de gevangenisdirecteur en kan er evenmin sprake zijn van een zorgvuldige voorbereiding van de bestreden beslissing, te meer gezien de tuchtrechtelijke beslissing reeds onmiddellijk werd gegeven ter zitting van het tuchtcollege zelf waarna nog hoger vermelde motivatie werd geformuleerd in deze tuchtrechtelijke beslissing. In de memorie van wederantwoord wijst verzoeker ook in het kader van dit middel op het ontbreken van de camerabeelden in het administratief dossier. Beoordeling
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen. “
- Ook het tweede middel vertrekt van het verkeerd uitgangspunt dat er sprake zou zijn van tegenstrijdige motieven.
- Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt dat de gevangenis- directeur bij aanvang van de hoorzitting en voor het tegensprekelijk bekijken van de camerabeelden, opmerkt: ‘Dir.: Wij zijn hier vandaag in het kader van een tuchtprocedure. Er is door het parket ook een voorlopig bevel tot aanhouding opgesteld. U bent teruggekomen uit PV om 8u
- Toen u op weg was naar het onthaal is er in de lade van het loket van de inschrijvingen een bruin blokje en een pilletje gevonden. De politie is dat al komen ophalen. Wij zijn ervan overtuigd dat het hasj is. Ged.: (…) XIV-37.475-10/12 Dir.: U ontkent dus formeel. Omdat wij een vermoeden hadden hebben we de beelden al bekeken, we hebben het vertraagd gekeken en hebben gezien dat het pakje erin geworpen werd door u. (…)’ Na het opnieuw bekijken van de camerabeelden in het bijzijn van verzoeker en zijn raadsman, wordt het volgende gesteld door de directeur: ‘Dir.: Mijn standpunt blijft hetzelfde, ik ben ervan overtuigd dat u een kleine hoeveelheid heeft laten vallen, omdat u benauwd was voor controle van de beambten die toekwamen.’ De motivering van de bestreden beslissing luidt vervolgens als volgt: ‘Bij het controleren van de schuif van de inschrijvingen aan de portier werd een bruin brokje en een pilletje gevonden. Dit gebeurde net nadat betrokkene zich had aangeboden na zijn Penitentiair Verlof. De beelden werden bekeken, samen met zijn advocaat. Betrokkene ontkent de feiten, doch leveren de materiële aanwijzingen en / of getuigenverklaringen voldoende bewijs op.’
- Zoals hoger reeds werd opgemerkt bij de beoordeling van het eerste middel dient met de verwerende partij te worden vastgesteld dat het niet duidelijk is waar de verzoeker een discrepantie ziet tussen beide overtuigingen van de directeur zoals opgenomen in het verslag. Aangenomen dient te worden dat onder ‘iets laten vallen’ ook ‘iets laten vallen in de lade van het loket’ kan worden begrepen. Verder wordt in de motivering van de bestreden beslissing duidelijk vermeld dat de camerabeelden tegensprekelijk werden bekeken in het bijzijn van verzoeker en diens raadsman. Aangenomen dient dan ook te worden dat het begrip ‘materiële aanwijzingen’ ook slaat op die camerabeelden. Het begrip ‘materieel’ wordt in Van Dale omschreven als ‘op het stoffelijke betrekking hebbend’. Camerabeelden bevinden zich op een drager en vallen dan ook onder deze definitie. Dat in de bestreden beslissing niet meer gesproken zou worden over de camerabeelden of de inhoud ervan, berust dan ook op een verkeerde lezing van de bestreden beslissing.
- Ook het feit dat de tuchtrechtelijke beslissing werd genomen op dezelfde dag als de tuchtrechtelijke hoorzitting toont op zich niet aan dat de verwerende partij zou hebben gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
- In de mate dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord in het kader van dit middel evenzeer wijst op het ontbreken van de camerabeelden in het administratief dossier, valt op te merken dat het tweede middel slechts betrekking heeft op de vermeende schending van het zorgvuldigheidsbeginsel die verzoeker afleidt uit het feit dat de gevangenisdirecteur respectievelijk bij aanvang van de hoorzitting, na het bekijken van de camerabeelden en ten slotte bij het motiveren van zijn beslissing opeenvolgende, tegenstrijdige standpunten zou hebben ingenomen. Verzoeker was in de mogelijkheid om aangaande het bewijs van de tuchtrechtelijke inbreuk en de camerabeelden in het bijzonder grieven op te werpen in het verzoekschrift, hetgeen hij echter niet heeft gedaan. Hij ontleent aan de camerabeelden op zich ook geen concrete schending van het zorgvuldig- heidsbeginsel. Het bijkomend opvragen van de camerabeelden is m.i. dan ook niet nodig voor de oplossing van het geschil, noch vereist in het kader van het recht op een eerlijk proces. Hoe dan ook blijkt uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting dat verzoeker de camerabeelden in het bijzijn van zijn advocaat heeft bekeken zodat zij aan tegenspraak zijn onderworpen.” XIV-37.475-11/12
- Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt er zich toe te herhalen wat hij in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.475-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.260 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div