← België

Arrest 247261 - Penitentiair recht - 09/03/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.261 Rolnummer: A. 222598/XIV-37460 Zaak: Arrest 247261 - Penitentiair recht - 09/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-13 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-26 03:09 Fiche Arrest nr 247.261 van 9 maart 2020 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.261 van 9 maart 2020 in de zaak A. 222.598/XIV-37.460 In zake : Ali Ekber IPEKCI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te 3730 Hoeselt Tongersesteenweg 4/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie woonplaats kiezend te 1000 Brussel Waterloolaan 115 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 8 juli 2017, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de gevangenisdirecteur van Hasselt van 9 mei 2017 waardoor verzoeker voor het tuchtrapport van 6 mei 2017 een tuchtsanctie van 21 dagen individueel regime (ATV) opgelegd kreeg van 10 mei 2017 tot en met 30 mei 2017”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. XIV-37.460-1/12 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 februari
  3. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jürgen Millen die verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker verblijft op het ogenblik van de bestreden beslissing in de gevangenis van Hasselt. 3.
  6. Op 6 mei 2017 wordt er ten laste van verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld. Dit rapport, opgesteld door penitentiair beambte [E.V.], bevat onder meer de volgende observaties : “Tijdens het toezicht van wandeling A zag ik gedetineerden [R.A.A.] en [A.B.] beurtelings iets aan een koord gaan vastmaken. Deze koord werd vervolgens binnengetrokken op cel 2305 bij gedetineerde [B.H.]. De pba’s van sectie 23 zijn telkens gaan kijken op cel 2305 en konden zo 4 keer een ‘vislijn’ gemaakt van draad en gescheurde lakens ontnemen van [B.H.]. Net voor het einde van de wandeling zag ik gedetineerde [R.A.A.] 2 bolletjes substantie, die eerder tijdens die wandeling ingepakt/toegebrand werden, in ontvangst nemen van 2324 [verzoeker]. [Verzoeker] verdeelde deze bolletjes gedurende deze wandeling. XIV-37.460-2/12 Vervolgens ging [R.A.A.] samen met [A.B.] deze bolletjes aan de laatste ‘vislijn’ vastknopen.” 3.
  7. Op 8 mei 2017 wordt aan verzoeker meegedeeld dat tegen hem een tuchtprocedure wordt opgestart en dat hij daartoe op 9 mei 2017 zal worden gehoord. 3.
  8. Op 9 mei 2017 vindt de tuchtrechtelijke hoorzitting plaats, waarbij verzoeker met bijstand van een advocaat wordt gehoord. In het verslag van de hoorzitting wordt onder meer het volgende weergegeven: “De directeur herinnert de gedetineerde aan de ten laste gelegde feiten. […] Hij geeft het woord aan de gedetineerde/ aan zijn advocaat, die verklaart: Ged: ze pesten mij. Adv.: ik heb reeds een mail gedaan voor de camerabeelden te bekijken in deze zaak. Ik overhandig u ook hierbij mijn besluiten. Cliënt zegt formeel niets te hebben doorgeven. Als men zegt iets gezien te hebben via de camerabeelden. De beelden kunnen dan ook bekeken worden. Het is al de tweede keer dat de cipier in kwestie een tuchtrapport opmaakt tegen cliënt. In het verslag staan ook geen getuigen. Ze zegt dat er gevist wordt. De persoon zit lijnrecht tegenover de cel van cliënt, waarom zou hij iets doorgeven op de wandeling. De voorwerpen worden ook niet voorgelegd. Hing er iets aan de vislijn? Het is ook niet duidelijk wat er nadien gebeurde. Daar wordt verder niet over gesproken in het verslag. Cliënt zegt duidelijk met niks bezig te zijn geweest dit kan bevestigd worden door de camerabeelden te bekijken. De handelingen worden vastgesteld op de wandeling vanuit de derde verdieping dit lijkt mij toch een afstand om dingen goed te kunnen waarnemen. Cliënt wordt beschuldigd op basis van één verklaring en zonder voorwerpen te kunnen voorleggen. Er is geen fouille geweest er werd geen voorlopige maatregel opgelegd, derde keer dat dezelfde beambte een verslag opstelt, geen getuigen en geen bevestigingen. Ik zie geen redenen om cliënt te sanctioneren. Ik vraag u om rekening te houden met de notulen die ik neerleg en hiermee rekening te houden bij uw motivering van de eventuele sanctie. Ged: Waarom zetten jullie die [B.H.] recht tegenover mijn cel. Dat wordt expres gedaan. Ze doen dat allemaal met een reden. Welke bollen hebben ze het over, wat voor bollen zijn het? Ik weet wel wat jullie willen, jullie willen vermoedens wekken dat het over drugs gaat omdat jullie bij mij nog niets gevonden hebben en daar kunnen jullie niet tegen. Ik geef op de wandeling tabak, blaadjes en een aansteker door aan medegedetineerden die niks hebben en komen bedelen voor een sigaret. Waarom hebben ze geen naaktfouille gedaan? Dir.: U mag niets doorgeven, ook geen tabak en dergelijke. Ik weet niet waarom er op dat ogenblik geen naaktfouille werd gevraagd, maar zou het zin hebben als u toch alles al had doorgegeven op de wandeling? De bewijslast zoals u vraagt mr. Millen kan niet worden voorgelegd daar dit werd ingeslikt door de persoon voor wie het bestemd was. En wat de ‘vislijnen’ betreft, deze zijn geen bewijslast voor het aandeel van betrokkene in de feiten. Het gaat er hier over dat er vastgesteld is dat XIV-37.460-3/12 betrokkene twee bollen heeft doorgegeven. Er staat nergens dat hij iets met de ‘vislijnen’ te maken heeft. Adv.: wie heeft dat ingeslikt? Dir.: dat doet er hier niet toe. Er is duidelijk vastgesteld door een PBA dat [verzoeker] twee bollen doorgaf.” 3.
  9. Op 9 mei 2017 wordt aan verzoeker de tuchtsanctie opgelegd van “de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte voor de duur van 21 dagen van 10/05/2017 tem 30/05/2017” wegens “bolletjes substantie doorgeven op de wandeling”. De motivering luidt: “Betrokkene ontkent de feiten. Hij verklaart dat de penitentiair bewakingsassistent hem viseert. Het tuchtrapport is duidelijk, er zijn geen redenen om te twijfelen aan de vaststellingen van het personeelslid. Het bewijs waar naar gevraagd wordt door bovengenoemde en zijn advocaat werd ingeslikt door een medegedetineerde. De andere zaken waarnaar gevraagd wordt (‘vislijnen’) voegen niets toe aan de vaststellingen waar het enkel gaat om ‘bollen’ die doorgegeven werden. Betrokkene verblijft al enkele jaren in de gevangenis en kent de regelgeving, er mag niets worden doorgeven aan medegedetineerden. De bolletjes waarvan sprake doen vermoeden naar een handel in verboden substanties. Dit ten strengste verboden is in de gevangenis. Een sanctie dringt zich op.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  10. In zijn verzoekschrift, wat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt, voert verzoeker een eerste middel aan ontleend aan de schending van het algemeen rechtsbeginsel van een onafhankelijke en onpartijdige rechter zoals dat ook is gewaarborgd door artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: het EVRM), artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 (hierna: het IVBRP) en de artikelen 4, lid 3 en 6, lid 2, van het Verdrag van 7 februari 1992 ‘betreffende de Europese Unie’ (hierna: XIV-37.460-4/12 het VEU), alsook van het algemeen rechtsbeginsel dat niemand in dezelfde zaak rechter en partij kan zijn en “beoordeling bewijs tuchtrechtelijke inbreuk”. Verzoeker zet in essentie uiteen dat er geen twijfel over kan bestaan dat de gevangenisdirecteur bij het beoordelen van een tuchtrapport niet beschouwd kan worden als een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat zich over een (vermeende) tuchtrechtelijke inbreuk van verzoeker dient uit te spreken en dat garant staat voor een eerlijk proces van verzoeker. Doordat de gevangenisdirecteur tevens aan het hoofd staat van de gevangenis staat hij onder druk om een tuchtstraf op te leggen aan verzoeker teneinde zo zijn personeel te ondersteunen. Te dezen is het tuchtrapport opgesteld door één penitentiair beambte zonder dat er één of meer beambten getuigen waren en zonder dat nadien andere beambten verhoord werden die in een cel controle zouden gedaan hebben naar visdraden en zonder dat de vislijn waarvan sprake wordt voorgelegd. Bovendien weigert de gevangenis- directeur de camerabeelden voor te leggen terwijl er slechts sprake is van een vermoeden van het doorgeven van een verboden substantie, dat de vaststellingen slechts werden gedaan door één beambte en dat er geen stukken zijn die de vaststellingen kunnen bewijzen. Hieruit en uit het feit dat de gevangenisdirecteur het vermoeden van onschuld heeft miskend, blijkt dat deze niet onpartijdig was. Voorts stelt verzoeker nog dat de concrete uiteenzetting van de feiten, de opeenvolgende stappen in het kader van de tuchtprocedure waarin de gevangenisdirecteur beslist om een tuchtprocedure op te starten, vervolgens beslist om de bewijzen niet voor te leggen, vervolgens beslist dat louter op basis van een verklaring van één penitentiair beambte gesanctioneerd wordt, meebrengt dat verzoeker van oordeel is dat de gevangenisdirecteur in voorliggende zaak in het bijzonder onmogelijk onpartijdig en onafhankelijk kan zijn. In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker wat hij in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet. Volgens hem rijst de vraag of één getuige volstaat als bewijsminimum wanneer andere bewijsmiddelen (camerabeelden) kunnen worden aangewend, wat niet is gebeurd. Hij meent dat wanneer de gevangenisdirecteur, die zetelt als een tuchtrechter, wordt verzocht om XIV-37.460-5/12 camerabeelden te bekijken omdat de gedetineerde de vaststelling van één beambte betwist, deze ertoe is gehouden om deze beelden te bekijken. Beoordeling
  11. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen: “De schending van het onpartijdigheidsbeginsel 4.
  12. Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de personeelsleden en de leden van bestuurlijke organen die mede een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die personeelsleden en bestuurlijke organen op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen. In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat de directeur van de gevangenis geen ‘onafhankelijk en onpartijdig rechter’ is bij de beoordeling van het tuchtrapport, op grond van het feit dat hij meerdere functies binnen een gevangenis cumuleert, gaat het om de functionele of structurele onpartijdigheid van de gevangenisdirecteur. De onpartijdigheid van de gevangenisdirecteur dient alzo vanuit een objectief oogpunt te worden beoordeeld. In dit verband moet er op worden gewezen dat het onpartijdigheidsbeginsel slechts van toepassing is op organen van actief bestuur zoals de gevangenisdirecteur, indien de toepassing ervan verenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid de eigen structuur van het bestuur. Zo mag de toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel er niet toe leiden dat het nemen van een regelmatige beslissing onmogelijk wordt, met name doordat dit beginsel het optreden van het bevoegde orgaan onmogelijk zou maken. Het enkele gegeven dat de gevangenisdirecteur is belast met het lokaal bestuur van een gevangenis en dat er derhalve een hiërarchische verhouding bestaat tussen de gevangenisdirecteur en de penitentiaire beambten, en dat het hem toekomt de bewijswaarde van een tuchtverslag van een penitentiair beambte te beoordelen, volstaat niet om te doen veronderstellen dat de gevangenisdirecteur bij de uitoefening van de in artikel 127, § 1, van de basiswet bepaalde bevoegdheid tot het opleggen van tuchtsancties, niet meer met de vereiste afstandelijkheid en onpartijdigheid over het tuchtvergrijp kan oordelen. Een louter subjectieve indruk van partijdigheid volstaat bijgevolg niet om de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk te maken. 4.
  13. De elementen die de verzoekende partij te dezen in concreto aanhaalt om de partijdigheid van de directeur aan te tonen, afgezien van de functionele partijdigheid door het combineren van de functie van tuchtoverheid en personeelsdirecteur, overtuigen niet. Wat betreft de opmerking dat het rapport slechts door één beambte werd opgesteld zonder dat er getuigen worden vermeld, toont de verzoeker niet aan waarom op grond hiervan niet anders kan worden aangenomen dan dat de directeur partijdig zou zijn door zijn beslissing te steunen op de feiten vermeld in dit rapport. Het gegeven dat de directeur geen verdere beambten zou hebben gehoord inzake de vaststellingen met betrekking tot de visdraden, wijst evenmin op een partijdige XIV-37.460-6/12 houding van de directeur nu de directeur reeds op de hoorzitting heeft aangegeven dat verzoeker niet zelf rechtstreeks betrokken was bij de vislijnen zodat de vaststellingen daaromtrent niet relevant waren voor de tenlastelegging ten aanzien van verzoeker. Wat betreft de opmerking dat ondanks zijn vraag daartoe de directeur de camerabeelden niet heeft voorgelegd tijdens de tuchtprocedure, kan worden opgemerkt dat de verzoeker tijdens de hoorzitting zelf toegaf zaken door te geven tijdens de wandeling, zoals tabak, blaadjes en een aansteker. In die omstandigheden toont de verzoeker niet aan waarom de directeur niet kon voorbijgaan aan het verzoek tot het bekijken van camerabeelden aangezien het doorgeven van iets op zich door verzoeker dus niet werd betwist. De verzoeker maakt niet aannemelijk dat het bekijken van camerabeelden uitsluitsel had kunnen geven over wat er precies werd doorgegeven aangezien het, of het nu over tabak dan wel over de vermoede verboden substantie gaat, het in ieder geval over kleine voorwerpen gaat, zodat niet valt in te zien hoe camerabeelden van de wandeling uitsluitsel konden geven over de substantie die in de bollen zat. In de bestreden beslissing kon dan ook terecht worden overwogen ‘Het bewijs waarnaar gevraagd wordt door bovengenoemde en zijn advocaat werd ingeslikt door een medegedetineerde. De andere zaken waarnaar gevraagd wordt (‘vislijnen’) voegen niets toe aan de vaststellingen waar het enkel gaat om ‘bollen’ die doorgegeven werden.’ In de mate er voorts in de bestreden beslissing sprake is van een ‘vermoeden’ naar een handel in verboden substanties, kan genoegzaam worden aangenomen dat het vermoeden niet slaat op het feit of er door verzoeker iets werd doorgegeven, maar op het feit of het om een verboden substantie gaat. Dit vermoeden kon door de directeur echter niet verder worden uitgeklaard aangezien de persoon voor wie de bollen bestemd waren deze reeds had ingeslikt, zoals vermeld in de bestreden beslissing. Het middel is in die mate ongegrond. De schending van de overige aangevoerde bepalingen 4.
  14. Verzoeker voert ook de schending aan van artikel 6 van het EVRM, 14 van het BUPO-verdrag en artikelen 4 en 6, lid 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Inzake die overige door verzoeker in het middel aangevoerde en geschonden geachte bepalingen wordt geen specifieke argumentatie opgebouwd zodat deze geacht moeten worden ofwel samen te vallen met wat hiervoor al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. Zoals de Raad van State reeds eerder heeft geoordeeld moet daarbij dan niet worden onderzocht of de penitentiaire tuchtprocedure ratione materiae binnen een van de door verzoeker geschonden geachte internationale en Europese bepalingen lijkt te vallen noch of die door verzoeker geschonden geachte internationale en Europese bepalingen wel kunnen worden betrokken op een handeling van een orgaan van het actief bestuur nu ze de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter betreffen. Voor wat betreft de aangevoerde schending van artikel 6 EVRM kan daarbij voor de volledigheid ook het volgende worden opgemerkt: nog afgezien van de vaste rechtspraak van de Raad van State met betrekking tot tuchtbeslissingen in de context van het gevangeniswezen waarbij de Raad steevast oordeelde dat het hoe dan ook volstaat dat uiteindelijk een beroep mogelijk is bij een rechterlijke instantie met volle rechtsmacht die aan de bij artikel 6 van het EVRM gestelde waarborgen voldoet, zoals het annulatieberoep bij de Raad van State dient ook gewezen te worden op de recentere rechtspraak van de Raad van State met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 6 EVRM op tuchtbeslissingen in de context van het gevangeniswezen. Zo oordeelde de Raad reeds dat het opleggen van een tuchtstraf van opsluiting in een strafcel gedurende zeven dagen aan de hand van de ‘Engel-criteria’ zoals toegepast in de context van het gevangeniswezen XIV-37.460-7/12 gekwalificeerd dient te worden als een sanctie van tuchtrechtelijke aard die niet binnen de werkingssfeer van het penale luik van artikel 6 EVRM valt. Getoetst aan diezelfde criteria geldt dit eveneens voor een tuchtsanctie waarbij de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte gedurende 21 dagen wordt opgelegd met recht op individuele wandeling.”
  15. Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft verzoeker immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog inhoudelijk te reageren op de beoordeling door het auditoraat. Het volstaat daartoe niet de vraag op te werpen of één getuige volstaat als bewijsminimum wanneer andere bewijsmiddelen (camerabeelden) kunnen worden aangewend of te stellen dat “vermoedens verder moesten worden uitgeklaard”. Zoals in het auditoraatsverslag is vastgesteld, gaf verzoeker tijdens de hoorzitting zelf toe zaken door te geven tijdens de wandeling zodat niet aangetoond is wat het bekijken van camerabeelden op dat punt kon bijbrengen. Verzoeker maakt evenmin in zijn laatste memorie aannemelijk dat het bekijken van camerabeelden uitsluitsel had kunnen geven over wat werd doorgegeven, namelijk of het tabak dan wel verboden substantie betrof. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  16. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van het zorgvuldigheidsbeginsel, het fair play-beginsel en de schending van het vermoeden van onschuld. Verzoeker bekritiseert opnieuw het feit dat de directeur de camerabeelden niet heeft bekeken ondanks dat hij hierom heeft verzocht. Voorts meent verzoeker dat de gevangenisdirecteur met overdreven spoed de tuchtprocedure heeft gevoerd waardoor onvoldoende onderzoek werd gevoerd naar de correcte feiten en verzoeker zo snel mogelijk voor het tuchtcollege werd XIV-37.460-8/12 gebracht met miskenning van het vermoeden van onschuld. Hoewel de gevangenisdirecteur vanaf de inbreuk over een termijn van 7 dagen beschikt, vond de zitting reeds plaats op 9 mei 2017 oftewel 3 dagen na het opgestelde tuchtrapport. Opdat beoordeeld kon worden of verzoeker een inbreuk heeft begaan, dienden de camerabeelden te worden bekeken. Door deze niet te bekijken en in het kader van de motivatie van de sanctie ook geen redenen aan te geven waarom deze niet werden bekeken, ging de directeur de grenzen van de redelijkheid te buiten en werd verzoeker ten onrechte gesanctioneerd. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker nog dat uit de memorie van antwoord blijkt dat de beoordeling van het tuchtrapport van verzoeker werd gekoppeld aan de rapporten van medegedetineerden die in het tuchtrapport worden genoemd terwijl verzoeker geen kennis heeft kunnen nemen van die rapporten of verhoren wat bijkomend het fair play-beginsel ondergraaft. In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker zijn eerdere uiteenzettingen. Hij benadrukt dat de gevangenisdirecteur minstens zal motiveren waarom ze de camerabeelden niet heeft bekeken (willen bekijken), en, zoals gezegd, hierdoor verzoeker ten onrechte werd gesanctioneerd en een zware tuchtstraf kreeg die niet in verhouding staat met het argument dat verzoeker tabak, blaadjes en een aansteker deelde op de wandeling daar waar nu het vermoeden van handel in een verboden substantie in hoofde van verzoeker wordt aangenomen. Beoordeling
  17. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen. Zoals reeds gebleken is bij de beoordeling van het eerste middel heeft de gevangenisdirectie zich voor het vaststellen van de tuchtrechtelijke feiten gesteund op het rapport aan de directeur waarin werd vastgesteld dat verzoeker aan het einde van de wandeling twee bolletjes doorgaf aan een medegedetineerde. Het voormelde tuchtrapport werd aan tegenspraak onderworpen tijdens de hoorzitting. XIV-37.460-9/12 Vooreerst moet worden opgemerkt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de tuchtprocedure met overdreven spoed werd afgehandeld. De vastgestelde feiten zijn niet van een dergelijke complexiteit dat zij een meer uitgebreid onderzoek vereisen dan te dezen werd gevoerd. Het gaat om de enkele vaststelling dat verzoeker op wandeling bolletjes heeft doorgegeven waarvan kan worden vermoed dat het om een verboden substantie gaat. Zoals reeds is gebleken, toont verzoeker niet aan dat de gevangenisdirectie te dezen buiten alle redelijkheid oordeelde door de feiten bewezen te achten op grond van het tuchtrapport en geen verdere onderzoekdaden te stellen. Zo bleek reeds op de hoorzitting dat verzoeker bevestigde dat hij zaken doorgeeft op wandeling, namelijk tabak, blaadjes en aansteker. De verwerende partij wees er tijdens de hoorzitting op dat ook dit niet toegelaten is. Voorts blijkt uit geen enkel gegeven in het dossier dat de penitentiair beambte die het rapport opstelde, zou getwijfeld hebben aan zijn vaststellingen. Wat het gevraagde nader onderzoek van de vislijnen betreft, werd bij de beoordeling van het eerste middel aangegeven dat dit niet relevant was voor het beoordelen van de tenlastelegging van verzoeker aangezien hij niet betrokken was bij het aanknopen van de bolletjes aan de vislijn. Evenmin kon de doorgegeven substantie nog worden onderzocht aangezien de medegedetineerde deze reeds had ingeslikt. Wat tot slot de camerabeelden betreft, toont verzoeker niet aan wat deze nog als essentieel element konden bijbrengen aan het onderzoek aangezien hij reeds toegaf zaken door te geven op wandeling en hij niet aannemelijk maakt dat door middel van camerabeelden van de wandeling uitsluitsel zou kunnen worden gegeven over wat er precies werd doorgegeven aangezien het om kleine voorwerpen gaat. Minstens toont hij niet aan dat de gevangenisdirectie in de gegeven context buiten alle redelijkheid handelde door niet op dit verzoek in te gaan. Verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij het vermoeden van onschuld zou hebben geschonden door de feiten vermeld in het rapport aan de directeur als bewezen te beschouwen, noch dat het zorgvuldigheidsbeginsel zou zijn geschonden bij de feitenvinding en de beoordeling ervan.
  18. Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij immers niet de gelegenheid benut die een XIV-37.460-10/12 laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. In de mate verzoeker in zijn laatste memorie nog benadrukt dat uit de tuchtbeslissing moet blijken waarom de camerabeelden niet werden geraadpleegd, gaat hij eraan voorbij dat uit de bestreden beslissing uitdrukkelijk blijkt dat de gevangenisdirecteur het tuchtrapport duidelijk beoordeelde en er geen redenen zijn om te twijfelen aan de vaststellingen van de betrokken penitentiaire beambte die het tuchtrapport heeft opgesteld waarmee zij onmiskenbaar aangeeft dat het raadplegen van de camerabeelden niet was vereist. Bij de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat verzoeker er niet in slaagt aannemelijk te maken dat de gevangenisdirectie te dezen buiten alle redelijkheid oordeelde door de feiten bewezen te achten op grond van het tuchtrapport en geen verdere onderzoekdaden te stellen. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. BESLISSING
  19. De Raad van State verwerpt het beroep.
  20. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-37.460-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen maart tweeduizend twintig , door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.460-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.261 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.