← België

Arrest 247264 - Varia (justitie) - 10/03/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.264 Rolnummer: A. 230371/XIV-38299 Zaak: Arrest 247264 - Varia (justitie) - 10/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-10 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-14 03:19 Fiche Arrest nr 247.264 van 10 maart 2020 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:NL ecli_prefixe ECLI ecli_pays NL ecli_cour ecli_annee ecli_ordre Ongeldig ECLI-nummer - 2 element (

  1. en)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:NL invalide Ongeldig ECLI-nummer - 2 element (
  2. en)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 247.264 van 10 maart 2020 in de zaak A. 230.371/XIV-38.299 In zake: Gjon MENGA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jorgen Van Laer kantoor houdend te 2000 Antwerpen Frankrijklei 104 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 5 maart 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Justitie van 12 februari 2020 waarbij de uitlevering van verzoeker aan de regering van Albanië wordt toegestaan. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-38.299-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020, om 10:00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sanne De Clerck, die loco advocaat Jorgen Van Laer verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat het bedrag van de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker maakt het voorwerp uit van een verzoek tot uitlevering van 22 juli 2019 van het Albanese ministerie van Justitie. Het verzoek tot uitlevering wordt gedaan met het oog op strafuitvoering. van een op tegenspraak gewezen vonnis van 27 september 2005 van de rechtbank van Kurbin (Albanië), waarbij verzoeker werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 25 jaar, die nog geheel moet worden uitgevoerd. De veroordeling is bevestigd door een arrest van 26 april 2006 van het hof van beroep van Tirana (Albanië). Het Hoogste Gerechtshof te Tirana (Albanië) verwierp bij arrest van 18 mei 2007 het (cassatie)beroep. Het vonnis is sinds 31 mei 2006 uitvoerbaar. XIV-38.299-2/16 De kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen verleent op 8 oktober 2019 een gunstig advies over het verzoek tot uitlevering. 3.2. Op 12 februari 2020 staat de minister van Justitie de uitlevering van verzoeker toe aan de regering van Albanië. Die beslissing steunt op de volgende motivering: “[…] 10. Gelet op de Europese Uitleveringsovereenkomst van de Raad van Europa van 13 december 1957, CETS nr. 024 en gelet op de uitleveringswetten van 1 oktober 1833 en 15 maart 1874 ; 11. Overwegende dat aan de voorwaarden m.b.t. de opgeëiste persoon is voldaan ; 12. Overwegende dat de feiten zowel naar Albanees als naar Belgisch recht strafbaar zijn gesteld en dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2§1 van voormelde uitleveringsovereenkomst ; 13. Overwegende dat de verjaring van de straf naar Albanees, noch naar Belgisch recht is bereikt. Naar Albanees recht (art. 68 Albanees Sw.) verjaart een straf met een duur van 20 tot 25 jaar na verloop van 20 jaar vanaf de veroordeling definitief is geworden (31.05.2006). Naar Belgisch recht verjaart de straf(uitvoering) na verloop van 20 jaar, te rekenen vanaf de veroordeling - in graad van hoger beroep - dd. 26.04.2006. De arrestatie / voorlopige aanhouding dd. 18.07.2019 is daarenboven een nuttige stuitingsdaad in de zin van art. 96 Sw. waardoor de straf pas op 18.07.2039 zal verjaren; 14. Overwegende dat de feiten geen politiek misdrijf of een daarmee samenhangend misdrijf uitmaken ; 15. Overwegende dat de verdediging in haar conclusie en ondersteund door stukken voorhoudt dat de uitlevering zou moeten worden geweigerd omwille van het bestaan van een ernstig risico op schending van art. 2 en 3 EVRM. Dit risico bestaat uit het gevaar voor de opgeëiste persoon het slachtoffer te worden van bloedwraak vanwege de familie(
  3. s)van het (
  4. de)slachtoffer(s). Zelfs in een Albanese gevangenis zou dit risico bestaan. Het risico op bloedwraak berust (mede) op het feit dat de ex-echtgenote en beide kinderen van de opgeëiste persoon net omwille van hun vrees voor bloedwraak t.a.v. de opgeëiste persoon, in België op 16.10.2008 (datum beslissing, op 11.12.2008 werden door het CGVS attesten afgeleverd) het vluchtelingenstatuut hebben verworven. De ex-echtgenote en beide kinderen verkregen op 02.05.2010 door naturalisatie de Belgische nationaliteit. In 2010 hebben de kinderen de familienaam van de moeder (Kaci) aangenomen - cf. K.B. 16.07.2010. De neergelegde stukken bestaan uit drie groepen :

(1)meerdere stukken over de asielverzoeken en de erkenningen als vluchtelingen van de (ex-)echtgenote en de twee kinderen van MENGA ;
(2)meerdere stukken over de nationaliteitsaanvragen en de naturalisaties van de ex-echtgenote en beide kinderen en de (familie)naamsveranderingen van beide kinderen en
(3)de Country Policy and Information Note van het Britse Home Office, Albania : Blood feuds, versie 3.0 van oktober 2018 (61 pp. inclusief bijlagen) over de problematiek van de bloedwraak in Albanië ;
  1. Overwegende dat de beoordeling van het bestaan van een vermeend risico op XIV-38.299-3/16 een schending van art. 2 en / of 3 EVRM naast algemene gegevens die ernstige structurele tekortkomingen in de verzoekende staat aantonen ook substantiële elementen die concreet en actueel zijn m.b.t. de situatie van de opgeëiste persoon vergt. Een loutere algemene mogelijkheid op een behandeling die in strijd zou (kunnen) zijn met art. 2 of 3 EVRM, is onvoldoende - zie om. EHRM Soering t. VK, 7 juli 1989, §90-91 ; Vilvarajah e.a. t. VK, nr. 13163/87, 13 oktober 1991, §103 ; Shamayev e.a. t. Georgië en Rusland, nr. 36378/02, 14 april 2005 en in het bijzonder over de vereiste minimale ernst van het risico in het licht van rapporten die de mensenrechtensituatie in de verzoekende staat beschrijven : Shakurov t. Rusland, nr. 5582/1, 05 juni 2012, §§121-
  2. Vgl. met het door de verdediging aangehaalde arrest EHRM, D.L. t. Oostenrijk, 34999/16, 7 december 2017, §56 & §§59-
  3. Zie voor de beoordeling door de Raad van State van de motivering van een Belgisch uitleveringsbesluit m.b.t. het risico op bloedwraak in Albanië : RvS 3 april 2009, nr. 192.204 ;
  4. De conclusie en de stukken, in het bijzonder de Country Policy and Information Note van het Britse Home Office geven echter slechts een algemeen beeld van de bloedwraakproblematiek. Nergens blijkt echter het bestaan van een ernstig, actueel en geïndividualiseerd risico. De Britse nota berust overigens in zeer grote mate op een studie van CEDOCA, de studie- en documentatiedienst van het Belgische Commissariaat voor Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) - zie de eerste vermelding onder 2.1.
  5. Het Belgische rapport werd mede op basis van een in maart 2017 in Albanië uitgevoerde fact finding mission gemaakt. Het Belgische rapport en bijgevolg ook de Britse informatienota geven duidelijk aan dat dat het in de Kanun gecodificeerde Albanese gewoonterecht in het algemeen en het fenomeen van de bloedwraak in het bijzonder, al vanaf de jaren ‘90, onder invloed van de sociaaleconomische ontwikkelingen in grote mate is teruggedrongen. Een vaststelling is nog dat Albanese NGOs en lokale besturen en politiediensten valse attesten afleveren die moeten kunnen aantonen dat bepaalde Albanese onderdanen, bv. bij het aanvragen van asiel in een ander land, c.q. ook België, zogezegd een risico op bloedwraak lopen. Dezelfde NGOs en lokale besturen manipuleren ook statistieken om de ernst van het fenomeen aan te dikken – zie Country Policy and Information Note, 2.1.
  6. en in detail : 4.
  7. Analoge vaststellingen zijn o.a. te lezen in de oudere aanbevelingen van het VN mensenrechtencomité - CCPR/C/ALB/2004/1 - dd. 16.02.2004 : ‘
  8. Tout en se félicitant des progrès accomplis par l’État partie dans ses efforts pour mettre un terme aux querelles meurtrières entre familles et à des situations où les victimes potentielles, y compris des enfants, ne peuvent plus sortir de chez elles, le Comité est préoccupé par ces phénomènes et par l’absence d’informations détaillées à propos des infractions liées au droit coutumier et aux codes traditionnels (art. 6 et 7).’ (onze nadruk). In het opvolgingsrapport uit 2011 van het VN mensenrechtencomité - Consideration of reports submitted by States parties under article 40 of the Covenant : International Covenant on Civil and Political Rights : 2nd periodic reports of States parties: Albania, dd. 17.11.2011 - stelde het comité opnieuw vast dat het bloedwraakfenomeen zeer sterk is teruggedrongen. De verdere initiatieven die Albanië sinds 2004 heeft gerealiseerd zijn in dit verslag in detail beschreven. De statistieken laten bv. zien dat in 2008 nog slechts 1 enkele moord aan bloedwraak was toe te schrijven - m.n. randnrs. 647-
  9. Zie voor de recentere cijfers de Britse Country Policy and Information Note, met verwijzing naar het CEDOCA-verslag, 4.3.
  10. Het aangehaalde arrest EHRM, D.L. t. Oostenrijk is niet relevant omdat deze zaak een door Oostenrijk toegestane uitlevering van een Servisch onderdaan aan Kosovo betrof. Het Hof heeft daarenboven unaniem geconcludeerd dat de uitlevering van XIV-38.299-4/16 D.L. géén schending van art. 2 of 3 EVRM met zich zou brengen omdat het vermeende risico voor D.L. om het slachtoffer te worden van bloedwraak vanwege de familie van het slachtoffer op grond van de beschikbare rapporten over de bloedwraakproblematiek in Kosovo niet ernstig is. De Oostenrijkse overheid had het bloedwraakrisico voldoende grondig onderzocht en correct ingeschat. Ook de niet nader genoemde “Nederlandse rechtspraak” die besloten zou hebben uitleveringen aan Albanië te weigeren omwille van de bloedwraakproblematiek is niet relevant. Los van de vaagheid van deze loutere vermelding, hebben buitenlandse gerechtelijke of administratieve beslissingen in uitleveringszaken geen gezag van gewijsde t.a.v. België. Ook inhoudelijk snijdt dit argument geen hout, immers : uit het arrest Gerechtshof Den Haag (hoger beroep kort geding) dd. 12.02.2019 blijkt dat het door de opgeëiste persoon opgeworpen bloedwraakargument juist géén grond tot weigering van de uitlevering aan Albanië is geweest. De uitlevering diende wel te worden geweigerd omwille van het (andere) aangevoerde middel over de uitvoering van levenslange straffen in het licht van art. 3 EVRM en de rechtspraak van het EHRM en van de Hoge Raad - cf. ECLI:NL: GHDHA:2019:272, www.rechtspraak.nl. Het feit dat de ex-echtgenote en beide kinderen in 2008 het vluchtelingenstatuut hebben verworven en in 2010 de Belgische nationaliteit hebben verkregen, vormt geen reden om aan te nemen dat de opgeëiste persoon in Albanië zou blootgesteld worden aan eventuele bloedwraak. In dat verband valt ook te verwijzen naar het hierboven door CEDOCA vastgestelde probleem van de onbetrouwbare Albanese attesten ;
  11. Overwegende dat uit het voorgaande niet is gebleken dat het verzoek tot uitlevering dat op een misdrijf van gemeen recht berust, is ingegeven om de opgeëiste persoon wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke gezindheid te vervolgen of te straffen, noch dat zijn positie om een van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed ; Overwegende dat evenmin blijkt dat er concrete en actuele elementen voorhanden zijn die toelaten aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering een ernstig risico zou lopen om in de verzoekende Staat te worden onderworpen aan flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke of onterende behandelingen of straffen ;
  12. Overwegende dat, gelet op supra, nr. 6, het specialiteitsbeginsel van toepassing is. De opgeëiste persoon is hierdoor beschermd tegen vervolging wegens andere feiten dan deze waarvoor de uitlevering werd verzocht en is toegestaan. Het specialiteitsbeginsel is vervat in art. 14 van de Europese uitleveringsovereenkomst ;
  13. Overwegende dat bijgevolg aan de voorwaarden en de formaliteiten inzake de uitlevering is voldaan.” Dit is de bestreden beslissing. 3.
  14. De uitlevering is gepland op 30 maart
  15. 3.
  16. Ter terechtzitting stelt de verwerende partij dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij arrest van 19 december 2019 verzoekers verzoek tot internationale bescherming heeft verworpen. XIV-38.299-5/16 IV. De schorsingsvoorwaarden
  17. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Ernst van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  18. Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 2 en 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: het EVRM). Wat de schending betreft van het voornoemde artikel 2, voert hij aan dat hij reeds bij de onderzoeksrechter had opgemerkt dat de kans reëel is dat hij ook binnen de gevangenismuren zeer snel van het leven zal worden beroofd indien hij uitgeleverd wordt aan Albanië. Volgens hem kan zijn veiligheid binnen de Albanese gevangenismuren niet worden gegarandeerd. Het is volgens hem namelijk mogelijk dat hij door scherpschutters, geïnstrueerd door de familie van het slachtoffer of deel uitmakend van deze familie, neergeschoten wordt in de gevangenis. Daarnaast is het volgens hem ook mogelijk dat hij in de gevangenis om het leven gebracht wordt door medegedetineerden en/of cipiers. Volgens verzoeker is ten slotte de vrees voor de schending van het recht op leven niet uit de lucht gevallen. Hij merkt op dat zowel zijn gewezen echtgenote als hun twee kinderen als vluchteling zijn erkend omwille van de bloedvete, hetgeen volgens verzoeker blijkt uit het verhoor dat zijn gewezen echtgenote aflegde in het kader XIV-38.299-6/16 van de asielprocedure. Aldus erkende de Belgische Staat reeds dat zijn gewezen echtgenote en zijn kinderen in Albanië gevaar liepen omdat zij mogelijks vermoord zouden kunnen worden in het kader van een bloedvete. Aldus meent verzoeker dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat een uitlevering een schending van artikel 2 van het EVRM tot gevolg zou hebben. Wat de schending van artikel 3 van het EVRM betreft, stelt verzoeker dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat het fenomeen van de bloedvete nog steeds heerst in Albanië, zij het in mindere mate. Bovendien blijkt uit de asielaanvraag van zijn gewezen echtgenote dat het risico op het slachtoffer worden van een moord in het kader van een bloedvete reeds door de Belgische Staat werd aanvaard gelet op de erkenning als vluchteling van zijn gewezen echtgenote en de beide kinderen omwille van de bloedvete. Aldus, stelt verzoeker, heeft hij het risico op een aan een bloedvete gerelateerde afrekening afdoende aannemelijk gemaakt. Er is volgens hem immers geen reden voorhanden om af te wijken van een eerdere aanvaarding van de aanwezigheid van het risico op een dergelijke afrekening in hoofde van verzoeker en zijn familie. Hij wijst voorts naar zijn verklaring tijdens het verhoor voor de onderzoeksrechter en op het feit dat hij geenszins veilig zou zijn gedurende zijn detentie in een Albanese gevangenis. Voorts verwijst verzoeker naar “de vaststaande rechtspraak van de Nederlandse gerechtelijke autoriteiten met betrekking tot de uitlevering naar Albanië”, waarbij volgens hem “de Nederlandse rechtbanken […] consequent weigeren personen uit te leveren naar Albanië met het oog op de uitvoering van een (levenslange) gevangenisstraf.” Bovendien, stelt verzoeker, “erkenden de Nederlandse gerechtelijke autoriteiten, middels hun adviezen aan de minister van Justitie, reeds verscheidene keren dat het fenomeen van de bloedvete nog steeds heerst in Albanië” en dat de gerechtelijke autoriteiten “reeds enkele malen een negatief advies [verleenden] nadat een persoon aannemelijk kon maken dat er sprake zou zijn van een risico op een aan een bloedvete gerelateerde afrekening in Albanië, waarna de gerechtelijke autoriteiten stelden dat artikel 2 en 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens geschonden zouden worden in geval van uitlevering.” Tot slot wenst verzoeker op te merken dat “hoewel er door het XIV-38.299-7/16 Nederlands Gerechtshof Den Haag inderdaad geoordeeld werd dat een andere grond geleid heeft tot de weigering van de uitlevering, datzelfde Gerechtshof eveneens stelt dat de eerste voorzieningenrechter niet aan de andere gronden is toegekomen, en niet stelt dat die voormelde gronden op zich geen grond tot weigering van de uitlevering uitmaakten.” Beoordeling
  19. Artikel 3 van het EVRM bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft herhaaldelijk bevestigd dat de uitlevering naar een daartoe verzoekende staat een probleem ten aanzien van artikel 3 van het EVRM kan opleveren, en dus de uitleverende staat verantwoordelijk kan stellen, wanneer er ernstige en bewezen motieven bestaan om aan te nemen dat de betrokkene in de verzoekende staat een reëel gevaar loopt om te worden onderworpen aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM (zie onder meer EHRM 7 juli 1989, Soering/Verenigd Koninkrijk, punten 88 en 91; EHRM [G.K.] 15 november 1996, Chahal/Verenigd Koninkrijk, punt 74; EHRM 4 februari 2005, Mamatkulov en Askolov/Turkije, punt 74 en EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België, punt 87). Om het bestaan van dergelijk gevaar voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM te onderzoeken, moet volgens het EHRM rekening worden gehouden met de algemene situatie in het land van bestemming en met de omstandigheden eigen aan het geval van de betrokkene (zie onder meer EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België, punt 89 en EHRM 28 februari 2008, Saadi/Italië, punt 130). Het EHRM hecht wat het onderzoek van de algemene situatie in XIV-38.299-8/16 een land betreft, vaak belang aan informatie vervat in recente verslagen, afkomstig van onafhankelijke internationale organisaties voor de verdediging van de rechten van de mens zoals Amnesty International en regeringsbronnen (zie bijvoorbeeld EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België, punt 90 en EHRM 28 februari 2008, Saadi/Italië, punt 131). Wanneer de beschikbare bronnen enkel op de algemene situatie betrekking hebben, moeten de specifieke beweringen van de betrokkene door andere elementen worden bevestigd (zie onder meer EHRM 4 december 2008, Y./Rusland, punt 79; EHRM 28 februari 2008, Saadi/Italië, punt 131 en EHRM 4 februari 2005, Mamatkulov en Askarov/Turkije, punt 73). Het komt in principe de betrokkene toe om de nodige elementen bij te brengen ter staving van het voorgehouden werkelijk risico op een gevaar voor behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM (zie bijvoorbeeld EHRM 28 februari 2008, Saadi/Italië, punt 129; EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België, punt 91 en EHRM 2 juni 2015, Quabour/België, punt 65).
  20. Artikel 2, lid 1 van het EVRM bepaalt dat het recht van een ieder op leven wordt beschermd door de wet en dat niemand opzettelijk van het leven mag worden beroofd, behoudens door de tenuitvoerlegging van een gerechtelijk vonnis. Artikel 2 van het EVRM verbiedt de uitlevering naar een andere staat wanneer er ernstige en bewezen motieven bestaan om aan te nemen dat de betrokkene in de verzoekende staat een reëel gevaar loopt om te worden onderworpen aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 2 van het EVRM (zie mutatis mutandis in die zin EHRM 24 juli 2014, Al Nashiri/ Polen, punt 576 en EHRM [G.K.] 23 maart 2016, F.G./Zweden, punt 110).
  21. In het kader van een uitlevering, wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de betrokkene bij de uitlevering een reëel gevaar loopt om te worden onderworpen aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 2 en/of 3 van het EVRM in de verzoekende staat, impliceren beide bepalingen dat het Koninkrijk België deze persoon niet mag uitleveren. Omdat in het geval van een uitlevering, de relevante beginselen dezelfde zijn voor de beoordeling van zowel XIV-38.299-9/16 artikel 2 als van artikel 3 EVRM, neemt de Raad van State de werkwijze die het EHRM ter zake hanteert (zie bijvoorbeeld EHRM [G.K.] 23 maart 2016, F.G./Zweden, punt 110 en EHRM [GK] 17 september 2014, Mocanu e.a./Roemenië, punt 314) over en onderzoekt hij in de voorliggende zaak daarom beide artikelen samen.
  22. Verzoeker brengt ter adstructie van zijn grief afgeleid uit de artikelen 2 en 3 van het EVRM, de navolgende argumenten aan betrokken op enerzijds de algemene situatie in Albanië wat het bestaan van het fenomeen van de bloedwraak betreft en anderzijds op omstandigheden eigen aan het geval van verzoeker. De Raad van State stelt vast dat het dezelfde argumenten en stukken betreffen als die welke door verzoeker in de loop van de administratieve procedure die leidde tot de bestreden beslissing, werden voorgelegd en dat verzoeker geen nieuwe bewijselementen aan de Raad van State voorlegt. De door verzoeker aldus aangevoerde argumenten en bewijselementen worden hierna op hun merites onderzocht en getoetst aan de criteria van de artikelen 2 en 3 van het EVRM.
  23. Vooreerst doet verzoeker inzake de algemene situatie in Albanië gelden dat het fenomeen van de bloedvete nog steeds heerst in Albanië, zij het in mindere mate. Ter terechtzitting beaamt verzoeker dat hij ter adstructie van dat standpunt steunt op hetgeen hij in het verzoekschrift onder het kopje “moeilijk te herstellen ernstig nadeel ten gevolge van onmiddellijke tenuitvoerlegging bestreden beslissing” heeft vermeld, met name: “De statistieken tonen aan dat het fenomeen op heden nog steeds actueel is. In 2018 nog, werd een man, die een tijd lang in het buitenland geleefd had omwille van een bloedvete, vermoord nadat hij terugkeerde naar Albanië. Daarnaast zijn er verschillende statistieken beschikbaar met betrekking tot het aantal moorden in 2013, 2014, 2015 en 2016 die gerelateerd zijn aan een bloedvete maar evenzeer tonen die gegevens aan dat de gewoonte nog steeds voorkomt […] in Albanië, in tegenstelling tot datgeen waar verwerende partij op lijkt te alluderen in XIV-38.299-10/16 [haar] uitleveringsbesluit. Met andere woorden, het gevaar dat een persoon in Albanië blootgesteld wordt aan het risico vermoord te worden tem gevolge van een bloedvete is aldus zeker niet uitgesloten.” Verzoeker verwijst hierbij naar een persartikel van 6 september 2018 dat verslag zou geven over één moord die volgens verzoeker als bloedwraak moet worden gecatalogeerd en naar het Country Policy and information note Albania: Blood feuds van het Home office. Verzoeker verzuimt deze stukken neer te leggen, maar beaamt ter terechtzitting dat het voormelde rapport het stuk betreft dat hij heeft neergelegd in het raam van de voorgaande administratieve procedure en dat de verwerende partij heeft gevoegd bij het administratief dossier. Uit de hiervoor weergegeven formele motivering van de bestreden beslissing (zie supra, punt 3.2.) blijkt dat de verwerende partij de door verzoeker in de loop van de procedure neergelegde stukken heeft onderzocht waaronder het door verzoeker geciteerde Britse rapport. Zij concludeert uit dat rapport en het Belgische CEDOCA-rapport - zijnde regeringsbronnen in de zin als hiervoor is bedoeld (supra, punt 6) - dat “het in de Kanun gecodificeerde Albanese gewoonterecht in het algemeen en het fenomeen van de bloedwraak in het bijzonder, al vanaf de jaren ’90, onder invloed van de sociaaleconomische ontwikkelingen in grote mate is teruggedrongen”. Dit feit vindt prima facie steun in het voornoemde Britse rapport en de verwijzingen aldaar. Voorts wijst de verwerende partij er in haar nota op dat het fenomeen van de bloedwraak zich enkel voordeed in het noorden van Albanië en dan vooral in de meer afgelegen rurale gebieden - hetgeen steun lijkt te vinden in het voornoemde rapport - en dat Kurbin een stad in Albanië is die meer centraal is gelegen. Voorts wijst de verwerende partij in haar nota erop dat de geciteerde rapporten concrete cijfers bevatten inzake de problematiek van de bloedwraak: volgens het aangehaalde CEDOCA-rapport 2017 daalde het aantal bloedwraakmoorden stelselmatig van 3 (in 2013), 1 (in 2014), 0 (in 2015), 1 (in 2016) en 0 (tot maart 2017). Voorts wordt in de bestreden beslissing verwezen naar analoge vaststellingen te lezen in oudere aanbevelingen van het VN Mensenrechtencomité uit 2004 en
  24. Tot slot stelt de XIV-38.299-11/16 verwerende partij in haar nota inzake de actuele situatie betreffende de Albanese bloedwraakproblematiek het volgende: “3.3.
  25. Uit de voorliggende en andere documenten blijkt de actuele situatie m.b.t. de Albanese bloedwraakproblematiek : Statistische gegevens tonen aan dat het aantal moorden die het gevolg zijn van bloedwraak, sterk zijn gedaald en verder blijven dalen. Bloedwraakmoorden zijn in het noorden van Albanië - de enige regio waar de Kanun, althans versies van de Kanun die bloedwraak voorschrijven, nog enige (morele) autoriteit geniet - een marginaal fenomeen geworden. Krachtens het Albanese strafwetboek is elke moord strafbaar, ongeacht het motief, en wordt dienovereenkomstig vervolgd. Buitengerechtelijke moorden zijn in geen enkel opzicht gerechtvaardigd, wel integendeel: het Albanese strafwetboek voorziet zelfs in verzwarende omstandigheden indien de moord omwille van weerwraak blijkt te zijn gepleegd. Artikel 78 Albanees strafwetboek voorziet in een strafmaat van 20 jaar tot levenslange opsluiting voor moord gepleegd uit wraak / bloedwraak. Om het fenomeen van uit (bloed)wraak gepleegde geweldsmisdrijven verder in te dijken zijn de artikelen 83/a en 93/b in het Albanese Strafwetboek ingevoerd. Deze bepalingen stellen het bedreigen van personen met (bloed)wraak strafbaar met een gevangenisstraf tot 3 jaar en / of een geldboete. Deze strafbaarstelling beoogt de mogelijke slachtoffers tegen dreigende (bloed)wraak te beschermen. De Albanese overheid creëerde al in 2005 de Coördinerende Raad voor de strijd tegen de bloedwraak (wet nr. 9389 van 04 mei 2005). Dit instituut verenigt wetenschappelijke, sociale, religieuze e.a. instellingen en neemt een breed palet aan maatregelen om bloedwraak te voorkomen en te bestrijden en tekent een langetermijnstrategie uit ter bestrijding van dit fenomeen. Tal van NGO’s bemiddelen tussen families om bloedwraak te voorkomen. Het CEDOCA rapport en de Britse informatienota geven aan dat Albanese NGO’s zeer vaak valse attesten afgeven die moeten aantonen dat bepaalde personen het voorwerp (zouden) kunnen uitmaken van bloedwraak. NGO’s blazen ook bewust de statistieken op om het fenomeen erger voor te stellen.” Verzoeker beperkt zich in zijn kritiek ter zake tot enkele algemeenheden en tot zijn persoonlijke stelling dat het risico op bloedwraak niet is uitgesloten, doch zulks volstaat op het eerste gezicht niet. Gelet op de hiervoor nader bepaalde bewijslast in hoofde van verzoeker, volstaat immers een enkele verwijzing naar de algemene situatie in de verzoekende staat of het opwerpen van een loutere mogelijkheid van een behandeling in strijd met de artikelen 2 en 3 van het EVRM op het eerste gezicht niet om een schending van die bepalingen als zodanig vast te stellen (zie bijvoorbeeld EHRM 2 juni 2015, Quabour/België, punt 65). In het licht van de voorgaande vaststellingen inzake de algemene actuele situatie in Albanië betreffende het fenomeen van de bloedwraak - die op het eerste XIV-38.299-12/16 gezicht blijkt uit de voornoemde convergerende inhoudelijke elementen die de verwerende partij in het kader van haar onderzoeksplicht heeft betrokken - en die verzoeker in de huidige stand van zaken niet met concrete en precieze elementen in het verzoekschrift betwist, lijkt de verwerende partij haar appreciatieruimte niet te buiten zijn gegaan door op grond van haar onderzoek van de actuele situatie inzake het fenomeen van de bloedwraak in Albanië, aan te nemen dat het te verwachten gevolg van verzoekers uitlevering niet zal inhouden dat er voor verzoeker een werkelijk risico is op een gevaar voor behandeling in strijd met de artikelen 2 en 3 van het EVRM.
  26. Wat het onderzoek van de omstandigheden eigen aan verzoekers geval betreft, maakt verzoeker evenmin aannemelijk dat het door hem ingeroepen risico voldoende concreet en aantoonbaar is derwijze dat het een individueel karakter heeft. Waar verzoeker aangeeft dat zijn veiligheid binnen de Albanese gevangenis niet kan worden gegarandeerd en dat de mogelijkheid bestaat dat hij om het leven zal worden gebracht op grond van bloedwraak, beperkt hij zich tot een blote bewering of een eenvoudige vrees voor een behandeling in strijd met artikel 2 van het EVRM, zonder dat hij voor deze bewering of vrees enig begin van bewijs aanreikt. Een eventualiteit dat die verdragsbepaling wordt geschonden volstaat op zich niet. Hoe dan ook laat verzoeker na te preciseren of aannemelijk te maken dat hij, in het kader van het fenomeen van de bloedwraak zoals die hiervoor is onderzocht, als gevangene verstoken zou blijven van bescherming en ondersteuning vanwege zijn nationale overheden in het algemeen en van de gevangenisautoriteiten in het bijzonder onder wiens toezicht en bescherming hij als gevangene zal staan. In dat verband wordt overigens bemerkt dat Albanië is opgenomen op de lijst van veilige landen bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 december 2019 ‘tot uitvoering van het artikel 57/6/1, § 3, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, houdende de vastlegging van de lijst van veilige landen van herkomst’ en in werking getreden op 3 februari 2020 en XIV-38.299-13/16 op het feit dat, hoewel de verzoekende staat verplicht is doeltreffende bescherming aan zijn burgers te bieden, die verplichting niet absoluut is. Evenmin doet prima facie verzoekers argument dat zijn gewezen echtgenote en de beide kinderen als vluchteling werden erkend en nadien een andere familienaam verkregen, blijken dat verzoeker in het land waarnaar hij wordt uitgeleverd, een ernstig en reëel risico loopt om te worden blootgesteld aan een behandeling die strijdt met de artikelen 2 en 3 van het EVRM. Los van de vaststelling dat uit de beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus noch uit de beslissing tot familienaamswijziging op het eerste gezicht blijkt op grond waarvan hen deze status werd verleend of die naamwijziging werd toegestaan, dateren deze beslissingen van respectievelijk 16 oktober 2008 en 16 juli
  27. Verzoeker toont niet aan dat deze gegevens nog actualiteitswaarde bezitten en dit in het licht van de voormelde algemene actuele situatie in Albanië, ten aanzien van de situatie ten tijde van de erkenning van verzoekers gewezen vrouw en kinderen en hun familienaamswijziging. In dat verband wordt overigens bemerkt dat ter terechtzitting door de verwerende partij is bevestigd dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met een arrest van 19 december 2019 verzoekers beroep heeft verworpen tegen de weigering door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van internationale bescherming aan verzoeker. Uit wat voorafgaat volgt dat op het eerste gezicht de verwerende partij derhalve haar appreciatieruimte niet te buiten is gegaan door inzake dit argument te oordelen dat het geen reden vormt om aan te nemen dat verzoeker in Albanië zou worden blootgesteld aan eventuele bloedwraak. Inzake verzoekers algemene verwijzing naar “Nederlandse rechtspraak”, verzuimt verzoeker die over te leggen aan de Raad van State. Los van de vaststelling dat elke precedentenwerking of gezag van gewijsde aan vreemde rechtspraak wordt ontzegd, houdt verzoekers verzuim in dat dit argument door de Raad van State niet op zijn merites kan worden getoetst en dat het om die reden alleen al niet kan worden bijgevallen. In de mate dat verzoeker kritiek uit op de overweging in de bestreden beslissing inzake de beoordeling van het arrest van het XIV-38.299-14/16 Gerechtshof Den Haag van 12 februari 2019, toont verzoeker op het eerste gezicht met zijn argument niet aan dat de vaststelling in de bestreden beslissing dat uit dat arrest blijkt dat de uitlevering niet werd geweigerd omwille van de opgeworpen bloedwraak, maar omwille van een ander aangevoerd middel, onjuist zou zijn. Tot slot verwijst verzoeker in brede zin naar het arrest EHRM van 7 december 2017 inzake D./L v. Oostenrijk, maar hij zet niet uiteen waarom dit arrest - dat op het eerste gezicht betrekking heeft op de uitlevering van een Servisch onderdaan aan Kosovo - te dezen zou doen blijken van een schending van de artikelen 2 en 3 van het EVRM.
  28. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij door zijn uitlevering naar Albanië een ernstig en reëel gevaar loopt te worden blootgesteld aan een behandeling die strijdt met de artikelen 2 en 3 van het EVRM.
  29. Het enige middel is niet ernstig. VI. Conclusie
  30. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. XIV-38.299-15/16 BESLISSING
  31. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
  32. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.299-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.264 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:NL:GHDHA:2019:272 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.