id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.294 Rolnummer: A. 226881/VII-40449 Zaak: Arrest 247294 - Dierenwelzijn - 12/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-16 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-26 03:11 Fiche Arrest nr 247.294 van 12 maart 2020 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.294 van 12 maart 2020 in de zaak A. 226.881/VII-40.449 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten René Van Leeuwen en Reile Braeken kantoor houdend te 3650 Dilsen-Stokkem Rijksweg 384 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Joy Moens kantoor houdend te 1180 Brussel Bosveldweg 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ontvangen ter griffie van de Raad van State op 6 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de Vlaamse Overheid, afdeling strategie, internationaal beleid en dierenwelzijn, inspectie dierenwelzijn, dd. 08 oktober 2018, waarbij werd beslist dat de dieren, in toepassing van artikel 42 §2 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, op bevel van de dienst dierenwelzijn, definitief in volle eigendom worden gegeven aan het erkende opvangcentrum, dat daarmee instemt”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.449-1/9 Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 februari
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Florentina Alimusaj, die loco advocaten René Van Leeuwen en Reile Braeken verschijnt voor verzoeker, en advocaat Joy Moens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 14 februari 2018 stelt de inspectie Dierenwelzijn ten laste van verzoeker proces-verbaal op wegens overtredingen op de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: wet van 14 augustus 1986). 3.
- Met een visitatiemachtiging toegekend door de politierechtbank te Maaseik, stelt de inspectie Dierenwelzijn op 12 maart 2018 bijkomende overtredingen vast op de wet van 14 augustus
- VII-40.449-2/9 3.
- De inspectie Dierenwelzijn doet met een nieuwe visitatiemachtiging op 11 september 2018 aanvullende vaststellingen van overtredingen op dezelfde wet. Zij beslist om de dieren in beslag te nemen. 3.
- Op 19 september 2018 wordt verzoeker verhoord. 3.
- De inspectie Dierenwelzijn beslist op 8 oktober 2018 om de dieren, in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986, definitief in volle eigendom te geven aan een erkend opvangcentrum dat hiermee instemt. Dit is de bestreden beslissing die als volgt wordt gemotiveerd: “Gelet op de vaststellingen in PV G-18-383b/DWZ/KRH namelijk: - Gebrek aan hygiëne: vuile verblijven, dieren zitten in hun uitwerpselen, hebben geen droge ligplaats. - Vuil drinkwater/vuile drinkbakken. - Niet alle dieren beschikken over drinkwater. - Onaangepaste drinkwatervoorziening bij de konijnen (drinkbakken waaraan ze zich kunnen kwetsen). - Kippen/hanen houden in draadkooien zonder mogelijkheid om te scharrelen. - Kippen/hanen houden in kooien zonder zitstokken. - Kippen houden in draadkooien zonder nestmogelijkheid. - Konijnen houden in draadkooien. Nog niet alle kooien zijn voorzien van comfortmatjes. - Geen hooi/knaagmateriaal bij de konijnen. - Onvoldoende beschutting tegen alle weersomstandigheden. - Aanwezigheid van magere dieren; aanwezigheid van onverzorgde, zieke of dode dieren die nog niet werden opgemerkt of behandeld (snot, abces, apathie, dode kuikens, aangekoekte mest, kale plekken, klitten,..). Dit wijst op onvoldoende toezicht. wat erop wijst dat de dieren niet werden gehouden volgens hun ethologische en fysiologische behoeften, Gelet op de historiek: - Vaststellingen op 22/1/18 en 7/2/18 (PV G-18-383/DWZ/KRH): • Gebrek aan hygiëne: vuile verblijven, dieren zitten in hun uitwerpselen, hebben geen droge ligplaats. • Niet alle dieren beschikken over water. Aanwezigheid van vuil/bevroren drinkwater in vuile recipiënten. Vuile eetbakjes. • Kippen/hanen houden in draadkooien zonder mogelijkheid om te scharrelen. • Kippen/hanen houden in kooien zonder zitstokken. VII-40.449-3/9 • Konijnen houden in draadkooien. • Niet alle konijnen beschikken over hooi en knaagmateriaal. • Onvoldoende beschutting tegen alle weersomstandigheden. • Onvoldoende toezicht. - vaststellingen op 12/3/18 (PV G-18-383a/DWZ/KRH): • Gebrek aan hygiëne: vuile verblijven, dieren zitten in hun uitwerpselen, hebben geen droge ligplaats. • Vuil drinkwater/vuile drinkbakken. • Onaangepaste drinkwatervoorziening bij de konijnen. • Kippen/hanen houden in draadkooien zonder mogelijkheid om te scharrelen. • Kippen/hanen houden in kooien zonder zitstokken. • Konijnen houden in draadkooien. • Geen hooi/knaagmateriaal bij de konijnen. • Onvoldoende beschutting tegen alle weersomstandigheden. wat erop wijst dat reeds in het verleden de dieren niet volgens hun ethologische en fysiologische behoeften werden gehouden, Gelet op het feit dat reeds eerder volgende maatregelen werden opgelegd: - Alle verblijven moeten grondig gereinigd worden en voorzien worden van proper strooisel. Uitwerpselen verwijderen van de bodem onder en rond de verblijven. Dit moet frequenter gebeuren. - Drink- en eetbakken grondig reinigen. Dit moet frequenter gebeuren. - Alle dieren moeten steeds beschikken over proper water in propere recipiënten. - Het pluimvee moet beschikken over een zone waarop ze gelijktijdig kunnen scharrelen. Het pluimvee moet beschikken over zitstokken op hoogte. - De konijnen moeten steeds beschikken over hooi en knaagmateriaal/kooiverrijking. - De konijnen moeten beschikken over een comfortzone die niet bestaat uit draadgaas (bv. vaste bodem, voetmatjes,..). - Zorgen dat de kooien buiten beter beschut zijn tegen alle weersomstandigheden: voldoende proper strooisel voorzien, schuilhokjes voorzien, beschutting tegen de wind,... - Kapotte onderdelen van hokken repareren. Indien hokken worden vervangen maakt u bij voorkeur gebruik van materiaal dat makkelijk te reinigen is. - Verslag van de dierenarts bezorgen ivm onderzoek van de zieke dieren. - Aantal dieren afbouwen als dat nodig is om aan deze maatregelen te kunnen voldoen. Gelet op het feit dat dus meermaals dezelfde overtredingen werden vastgesteld, Gelet op het feit dat er onvoldoende werd ondernomen om aan deze overtredingen een einde te stellen; er werd geen of onvoldoende gevolg gegeven aan eerder opgelegde maatregelen, Gelet op de huidige vaststellingen waaruit blijkt dat betrokkene ofwel nog steeds niet beseft wat een passende verzorging van de dieren inhoudt en/of deze verzorging niet kan of wil bieden, Gelet op het feit dat de herhaalde vaststellingen duiden op een structureel probleem van langere duur, VII-40.449-4/9 Gelet op het verhoor van Dhr. XXXX door de dienst inspectie dierenwelzijn op 19/9/18 waaruit blijkt - dat hij een aantal zieke dieren niet had opgemerkt, - dat hij niet inziet dat hij niet (voldoende) heeft voldaan aan de opgelegde maatregelen om het dierenwelzijn te verbeteren, - dat hij de oorzaak van bepaalde vaststellingen buiten zichzelf legt (bij derden; bij de omstandigheden (bv. vogelpest); bij de inspectiedienst nl. ongeschikt moment van controle, onterechte vaststellingen) en dus niet zelf de verantwoordelijkheid neemt voor deze feiten, - dat hij wel minder of helemaal geen dieren wilt houden, maar geen dieren wenst af te staan, Gelet op het feit dat het om deze redenen onverantwoord zou zijn om de dieren te laten terugkeren naar betrokkene, gezien er geen garanties zijn dat hun welzijn kan verzekerd worden in de toekomst, Gelet op het feit dat de kosten voor opvang en verzorging blijven oplopen, Gelet op het feit dat de dieren geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde hebben die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig hun ethologische en fysiologische behoeften”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoeker
- In een eerste middel roept verzoeker de schending in van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel, inzonderheid de behoorlijke en correcte feitenvinding, de deskundige voorlichting en de informatieplicht en de volledigheid van het dossier”. Hij betoogt dat voornoemde beginselen werden geschonden: “Doordat de bestreden beslissing niet is gebaseerd op een behoorlijke en correcte feitenvinding en dus gebaseerd is op lasterlijke onwaarheden. Terwijl iedere administratieve overheid beslissingen dient te steunen op een in feite en in rechte aanvaardbare en correcte grondslag”. VII-40.449-5/9 Verzoeker licht toe dat het bestreden besluit werd genomen op basis van een aantal vaststellingen in drie processen-verbaal, die hij formeel betwist. Hij verwijst naar een proces-verbaal opgesteld door gerechtsdeurwaarders op 18 september 2018, waaruit volgens hem blijkt dat hij wel degelijk de nodige maatregelen heeft genomen en dat de stallen wel degelijk schoon zijn en voldoen aan alle normen. Met deze vaststellingen zou door de verwerende partij geheel geen rekening zijn gehouden. Hij is dan ook van oordeel dat bij de totstandkoming van de bestreden beslissing niet aan correcte feitenvinding werd gedaan en dat de verwerende partij onzorgvuldig tewerk is gegaan bij het nemen van de bestreden beslissing.
- In zijn memorie van wederantwoord voegt verzoeker toe dat de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder aan de verwerende partij ter kennis werden gebracht met een e-mail van 9 november
- Hij betwist formeel dat er sprake zou zijn van verwaarlozing van dieren. Uit de bijgebrachte verklaring van een dierenarts blijkt volgens hem zeer duidelijk dat hij erg begaan is met zijn dieren en dat er geen bewijzen van verwaarlozing zijn terug te vinden. Beoordeling
- Met een verwijzing naar de latere vaststellingen in het proces-verbaal van een gerechtsdeurwaarder van 18 september 2018, waarin niet wordt vermeld dat verzoeker “voldoe[t] aan alle normen”, toont verzoeker niet aan dat de overtredingen die door de inspectie Dierenwelzijn op 22 januari, 7 februari, 12 maart en 11 september 2018 werden vastgesteld geen behoorlijke en correcte feitenvinding inhouden, ook al zouden die vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder zijn bezorgd aan de verwerende partij, wat deze laatste betwist. Verzoeker legt een afschrift van het verzendingsbericht per e-mail voor, dat aantoont dat een e-mail ter zake werd verstuurd op 9 november
- De bestreden beslissing dateert evenwel van 8 oktober 2018, waardoor de verwerende partij evident met dat bericht geen rekening kon houden. VII-40.449-6/9 Zelfs indien wordt aangenomen dat de stukken die verzoeker bijkomend met zijn memorie van wederantwoord neerlegt, nog ontvankelijk in het debat kunnen worden betrokken, stelt de Raad vast dat met het niet-gedagtekende verslag van de dierenarts van verzoeker, waarin wordt gesteld dat hij geen bewijzen van dierenverwaarlozing kon vinden, niet is aangetoond dat de vaststellingen gedaan door de inspectie Dierenwelzijn ondeugdelijk zijn. De dierenarts erkent dat hij “nooit bij meneer XXXX op huisbezoek geweest” is. De consultatieverslagen gehecht aan het verslag dateren bovendien van 16 juli 2016 en 23 augustus 2016, dit is geruime tijd vóór de voormelde vaststellingen. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van verzoeker
- In een tweede middel roept verzoeker de schending in van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de redelijkheidsnorm, en het evenredigheidsbeginsel. Volgens verzoeker zou geen enkele andere redelijke overheid op basis van de voorliggende feiten tot een dergelijke beslissing zijn gekomen en beslist hebben dat alle dieren definitief in volle eigendom worden gegeven aan een erkend opvangcentrum. Hij licht toe dat de inspectiedienst een andere bestemming van de dieren die in beslag waren genomen had kunnen bepalen, zoals het al dan niet tegen waarborgsom teruggeven ervan aan de verantwoordelijke, maar dat de “verwerende partij evenwel heeft beslist tot een zwaardere straf, waarbij de dieren definitief in volle eigendom worden gegeven aan een erkend opvangcentrum”. Hij merkt daarbij op dat het pluimvee een waarde vertegenwoordigt van ongeveer “70 à 80 euro per kip, hetgeen neerkomt op een VII-40.449-7/9 bedrag van 200 stuks x 75 euro (gemiddeld) per kip = 15.000,00 euro”, dat hij met dit pluimvee deelneemt aan wedstrijden en is aangesloten bij de Landsbond van fokkers van neerhofdieren, en dat de genomen maatregel dan ook een aanzienlijk verlies van inkomsten betekent. Beoordeling
- Het evenredigheidsbeginsel kan slechts geschonden worden bevonden wanneer een beslissing die steunt op deugdelijke en dus afdoende bewezen motieven, een maatregel oplegt die niet in een redelijk verband van evenredigheid staat tot die motieven. De motieven opgenomen in de bestreden beslissing die betrekking hebben op de slechte toestand van de dieren, volstaan om te oordelen dat de verwerende partij de perken van de redelijkheid niet te buiten is gegaan. Nadat verscheidene processen-verbaal waren opgesteld en verzoeker de kans had gekregen zich in regel te stellen maar die kans niet heeft aangewend, werden de dieren in volle eigendom gegeven aan een opvangcentrum dat daarmee instemt, wat één van de bestemmingsmogelijkheden is die mag worden gekozen door de verwerende partij. Het tweede middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-40.449-8/9
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.449-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.294 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.