← België

Arrest 247296 - Milieuvergunningen - 12/03/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.296 Rolnummer: A. 220518/VII-39815 Zaak: Arrest 247296 - Milieuvergunningen - 12/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-16 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-26 03:11 Fiche Arrest nr 247.296 van 12 maart 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 247.296 van 12 maart 2020 in de zaak A. 220.518/VII-39.815 In zake: de GEMEENTE KORTESSEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristof Hermans kantoor houdend te 3600 Genk Europalaan 50 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de LV HAESEN Bart bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te 9860 Oosterzele Kwaadbeek 47A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 17 oktober 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 17 augustus 2016 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 28 maart 2013, houdende weigering van een milieuvergunning aan de LV Haesen Bart voor het exploiteren van een VII-39.815-1/4 pluimveehouderij, gelegen aan de Gulmerstraat te Kortessem, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de vergunning onder voorwaarden wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 3 januari
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. Dat verslag werd aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 10 december
  4. Op 4 februari 2020 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verzoekende partij heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. VII-39.815-2/4 III. Beoordeling
  6. In het auditoraatsverslag wordt de verwerping van het beroep voorgesteld. Naar luid van artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag. De verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend.
  7. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepassing. BESLISSING
  8. De Raad van State spreekt de afstand van geding uit.
  9. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-39.815-3/4 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.815-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.296 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.