← België

Arrest 247301 - Reglementen (economische zaken) - 12/03/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.301 Rolnummer: A. 222774/IX-9102 Zaak: Arrest 247301 - Reglementen (economische zaken) - 12/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-13 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-26 03:11 Fiche Arrest nr 247.301 van 12 maart 2020 Economische zaken - Reglementen (economische zaken) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 247.301 van 12 maart 2020 in de zaak A. 222.774/IX-9102 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Van Hyfte en Laurent Delmotte kantoor houdend te 1060 Brussel Gulden Vlieslaan 77 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de VZW FEDERDRIVE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean Laurent kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 250 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 27 juli 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen en het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, wat betreft de hervorming van de rijopleiding’. IX-9102-1/47 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 240.067 van 4 december 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 november
  3. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bart Van Hyfte, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Stéphanie Colella, die loco advocaat Jean Laurent verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. IX-9102-2/47 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Inhoud van het bestreden besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017
  5. Het met voorliggend beroep bestreden besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen en het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, wat betreft de hervorming van de rijopleiding’ (hierna: het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 ) is in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt op 29 juni
  6. Dat besluit voegt in het koninklijk besluit van 10 juli 2006 ‘betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B’ (hierna: koninklijk besluit rijbewijs B) een nieuw hoofdstuk III/1 in met als opschrift ‘Vorming voor begeleiders’ en bevattende de artikelen 9/1 tot 9/11 (artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017). Daarin wordt voorzien in een verplichting voor de kandidaat, houder van een voorlopig rijbewijs B met een begeleider, om een rijopleiding te volgen met een begeleider die een vorming heeft genoten en een attest heeft behaald. De verplichte vorming van de begeleider en het attest worden nader bepaald respectievelijk in dit hoofdstuk III/1 en in artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni
  7. In het verlengde hiervan wordt bij hetzelfde besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017, het koninklijk besluit van 11 mei 2004 ‘betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen’ gewijzigd. Zo wordt bepaald dat de vorming voor begeleiders (rijbewijs B) enkel mag worden gegeven door instructeurs van erkende rijscholen die daartoe een specifieke opleiding hebben gevolgd (artikelen 1 tot 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017). Tevens wordt die specifieke IX-9102-3/47 opleiding voor instructeurs geregeld (artikelen 5 en 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017) en wordt bepaald dat de rijschool een begeleidersattest dient te geven aan de begeleider die de verplichte vorming heeft gevolgd (artikelen 4 en 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017). Daarnaast wijzigt artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017, artikel 8, tweede lid, van het koninklijk besluit rijbewijs B waardoor de minimumduur voor het doorlopen van de rijopleiding van drie naar negen maanden wordt gebracht. Wat het toezicht op de naleving van de hiervóór vermelde nieuwe regeling betreft, bepaalt artikel 9/1, eerste lid, tweede zin, van het voornoemde koninklijk besluit rijbewijs B dat de gemeenten hierop toezicht dienen uit te oefenen. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  8. Bij brief van 9 juli 2018 heeft de tussenkomende partij aan de Raad van State meegedeeld dat zij afstand wenst te doen van haar tussenkomst. V. Onderzoek van het enige middel Enig middel
  9. Het enige middel is genomen uit machtsoverschrijding, meer bepaald de schending van de bevoegdheidverdelende regels en in het bijzonder van de federale bevoegdheden tot het aannemen van de regels van de algemene politie en de reglementering op het verkeer en vervoer (artikel 6, § 4, eerste lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’, hierna: BWHI), met inbegrip van de rijbewijzen en van de voorlopige rijbewijzen (artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI), van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van IX-9102-4/47 artikel 23 van de wet van 16 maart 1968 ‘betreffende de politie over het wegverkeer’ (hierna: Wegverkeerswet), en voor zover als nodig, in samenhang gelezen met het beginsel van de federale loyauteit (artikel 143, § 1, van de Grondwet) en het evenredigheidsbeginsel. Het middel telt drie onderdelen. A. Eerste middelonderdeel Standpunt van de partijen
  10. In het eerste middelonderdeel voert de verzoekende partij aan dat “[d]oor […] als nieuwe voorwaarde voor de uitreiking van het voorlopig rijbewijs door de gemeente te bepalen dat de kandidaat moet aantonen dat zijn begeleider beschikt over een begeleidersattest en door aldus als nieuwe voor- waarde voor de uitreiking van het rijbewijs door de gemeente te bepalen dat het voorlopig rijbewijs B of het getuigschrift van praktisch onderricht minstens negen maanden oud is, […] het bestreden besluit de federale bevoegdheid inzake de uitreiking van voorlopige rijbewijzen en rijbewijzen [artikel 6, § 1, XII, 6°, en § 4, eerste lid, 3°, BWHI en artikel 23 van de Wegverkeerswet schendt], alsmede het beginsel van de federale loyauteit, vervat in artikel 143, § 1 van de Grondwet en het evenredigheidsbeginsel”. De verzoekende partij stelt dat artikel 23, § 1, 2°, van de Wegverkeerswet aan de Koning, thans de Vlaamse Regering, enkel opdraagt om – naast de inrichting van het praktisch examen – de nadere regels inzake de scholing vast te stellen die moeten worden gevolgd in het kader van de voorbereiding voor het praktisch examen waarvoor een kandidaat moet slagen om een rijbewijs B te behalen. Zij benadrukt dat zij niet betwist dat in principe het invoeren van een verplichting tot het volgen van een vorming door begeleiders en het verlengen van de minimumduur van de rijopleiding ter voorbereiding van het praktisch examen tot de gewestelijke bevoegdheid inzake de scholing met het oog op het IX-9102-5/47 verkrijgen van het rijbewijs behoren, doch enkel voor zover hiermee nadere regels inzake die scholing zouden worden bepaald en niet in de mate dat hiermee bijkomende voorwaarden worden opgelegd voor de uitreiking van het voorlopig rijbewijs en het rijbewijs, hetgeen immers behoort tot de residuaire federale bevoegdheid inzake rijbewijzen. Dat het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 er wel degelijk toe strekt de uitreiking van het voorlopig rijbewijs en het rijbewijs zelf afhankelijk te stellen van de naleving van de nieuwe voorwaarden inzake de verplichte vorming voor begeleiders en de verlenging van de minimumduur van de rijopleiding, volgt volgens haar vooreerst uit de nieuwe bepaling van artikel 9/1, eerste lid, tweede zin, van het koninklijk besluit rijbewijs B, zoals ingevoegd bij artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017, in de mate dat die bepaling voorziet in een toezicht hierop door de Vlaamse gemeenten. Uit het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 en uit de nota aan de Vlaamse Regering bij dit besluit blijkt voorts dat hiermee aan de Vlaamse gemeenten wordt opgedragen om bij de afgifte van het voorlopig rijbewijs en van het rijbewijs na te gaan of de kandidaat aan deze nieuwe voorwaarden (respectievelijk inzake de verplichte vorming voor begeleiders en de verlenging van de minimumduur van de rijopleiding) voldoet en de afgifte desgevallend te weigeren indien dit niet het geval is. Dat blijkt volgens de verzoekende partij ten slotte ook uit de overgangsbepaling van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 dat bepaalt dat de nieuwe verplichtingen van toepassing zijn “op de kandidaat-bestuurders die vanaf 1 oktober 2017 een aanvraag indienen bij de gemeente om een voorlopig rijbewijs te verkrijgen”. Door aldus nieuwe voorwaarden voor de uitreiking van het voorlopig rijbewijs en het rijbewijs B te bepalen, schendt het besluit van de IX-9102-6/47 Vlaamse Regering van 9 juni 2017 de federale bevoegdheid inzake rijbewijzen en artikel 23 van de Wegverkeerswet. Dat standpunt vindt volgens de verzoekende partij ook steun in advies 61.343/VR van 29 mei 2017 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State bij een eerdere ontwerpversie van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 en in het bijzonder in het ontworpen artikel 3, § 2, f), van het koninklijk besluit rijbewijs B. In de uiteindelijke tekst werd het ontworpen artikel 3, § 2, f), niet opgenomen, maar uit de verplichte controle van de naleving van deze voorwaarde bij de uitreiking van het voorlopig rijbewijs waarin het nieuwe artikel 9/1 voorziet, zoals toegelicht in de nota aan de Vlaamse Regering bij het definitieve besluit, blijkt dat de naleving van de voorwaarde inzake de verplichte vorming voor begeleiders nog steeds als voorwaarde wordt aangezien voor de gemeenten om tot uitreiking van het voorlopig rijbewijs te mogen overgaan. Dat geldt volgens haar evenzeer voor wat betreft de verlenging van de minimumduur van de rijopleiding van drie maanden naar negen maanden. Door het toezicht hierop door de gemeenten wordt ook de verlenging van de minimumduur van de rijopleiding niet alleen als een voorwaarde voor de toelating tot het praktisch examen, doch daarenboven en bijkomend ook als een voorwaarde voor de uitreiking van het rijbewijs aangezien. Anders dan de verwerende partij aanvoert, moet de controle op de naleving van de verplichte vorming voor begeleiders niet noodzakelijk gebeuren op het ogenblik van de uitreiking van het voorlopig rijbewijs. Dit kan volgens de verzoekende partij evenzeer gebeuren op elk ogenblik van de rijopleiding, bijvoorbeeld door de politiediensten, of worden ingevoerd als toelatingsvoorwaarde voor het praktisch examen zoals ook de Raad van State in voormeld advies 61.343/VR reeds heeft opgemerkt. Evenmin is het toezicht door de gemeenten op de naleving van de nieuwe voorwaarde aangaande de minimumduur noodzakelijk nu deze controle IX-9102-7/47 reeds is opgenomen als toelatingsvoorwaarde voor het praktisch examen in artikel 8, tweede lid, van het koninklijk besluit rijbewijs B en de controle aldus gebeurt door het examencentrum waar de kandidaat zich aanbiedt.
  11. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat het eerste onderdeel van het enige middel niet gegrond is. De verzoekende partij betwist volgens haar niet dat het bepalen van de minimumduur van de rijopleiding en het opleggen van de verplichting om een vorming voor begeleiders te volgen, tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoren. Die bevoegdheid brengt met zich mee dat het Vlaamse Gewest eveneens bevoegd is om het toezicht op de naleving hiervan te regelen. Het regelen van het toezicht op de naleving is inherent aan het uitoefenen van de bevoegdheid zelf. Het Vlaamse Gewest beschikt krachtens het zogenaamde verticaliteits- beginsel immers over de bevoegdheid om het toezicht op de naleving van de eigen regels te verzekeren. Met het toekennen van een controletaak aan de Vlaamse gemeenten wordt volgens de verwerende partij overigens ook aansluiting gevonden bij de gewestbevoegdheid inzake de ondergeschikte besturen. Het zogenaamde exclusiviteitsbeginsel en het verticaliteits- beginsel – die beide basisbeginselen vormen van de bevoegdheidverdeling – brengen voorts met zich mee dat de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten hun bevoegdheden autonoom van elkaar uitoefenen. Het Vlaamse Gewest is exclusief bevoegd om de minimumduur van de rijopleiding te regelen en te voorzien in een verplichte vorming voor begeleiders en is bijgevolg ook exclusief bevoegd om te bepalen welke instantie belast wordt met de controle op de naleving van deze gewestelijke rijopleidingseisen. Voorts getuigt de keuze om het toezicht toe te kennen aan de gemeenten volgens de verwerende partij net van een loyale houding ten aanzien IX-9102-8/47 van de federale overheid. Door de controlebevoegdheid inzake de minimumduur van de rijopleiding en de verplichte vorming voor begeleiders toe te kennen aan de Vlaamse gemeenten, heeft het Vlaamse Gewest de eigen regelgeving immers afgestemd op de bestaande federale regelgeving inzake de uitreiking van het voorlopig rijbewijs en het rijbewijs. De federale regelgeving voorziet in dit verband immers dat de gemeenten het rijbewijs uitreiken (artikel 17, § 1, juncto artikel 7 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 ‘betreffende het rijbewijs’). De gemeente is volgens haar ook de meest aangewezen instantie om in een sluitende en effectieve controle op het volgen van het verplichte vormingsmoment door de begeleider en de naleving van de minimale duurtijd van de rijopleiding te voorzien. Wat het verplichte vormingsmoment voor begeleiders betreft, veronderstelt een effectieve controle dat wordt nagegaan of de begeleider het verplichte vormingsmoment heeft gevolgd voordat de kandidaat-bestuurder zich op de weg mag begeven met de begeleider. Zo niet, zou de kandidaat-bestuurder zich immers op de weg mogen begeven met een begeleider die niet de vereiste vorming daartoe heeft genoten. Dit is volgens haar ook de reden waarom de suggestie van de afdeling Wetgeving van de Raad van State in haar advies om de verplichte vorming van begeleiders in te schrijven als een toegangsvoorwaarde voor het praktisch examen, niet werd gevolgd. Wat het toezicht op de naleving van de minimumduur van de praktische rijopleiding van negen maanden betreft, wordt in een dubbel toezichtsmechanisme voorzien. Vooreerst dienen de Vlaamse examencentra in het kader van het praktisch examen na te gaan of de Vlaamse regels inzake de minimumduur gerespecteerd worden (artikel 8, tweede lid, van het koninklijk besluit rijbewijs B, zoals gewijzigd bij artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017). Aangezien de regels inzake de minimumduur vanuit territoriaal oogpunt enkel van toepassing zijn op de inwoners van het Vlaamse Gewest, dienen de Vlaamse examencentra enkel ten aanzien van die personen na te IX-9102-9/47 gaan of de minimumduur gerespecteerd is. Dit volgt volgens de verwerende partij uit de regels van de territoriale bevoegdheidsverdeling. Het vrije keuzerecht van de kandidaat-bestuurder om zich tot een rijschool of examencentrum in een ander gewest te wenden, betreft volgens de verwerende partij echter geen vrij keuzerecht ten aanzien van de verplichte vorming van begeleiders en de duurtijd van de rijopleiding. Teneinde de controle ook sluitend te maken ten aanzien van de Vlaamse ingezetenen – die dus onderworpen zijn aan de Vlaamse regels inzake de minimumduur van de rijopleiding – die hun praktisch examen afleggen in een examencentrum dat gelegen is in een ander gewest, bepaalt het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 in het nieuwe artikel 9/1 van het koninklijk besluit rijbewijs B, daarenboven dat de Vlaamse gemeenten toezicht hierop houden. Voorts argumenteert de verwerende partij dat de controletaak die aan de Vlaamse gemeenten wordt toebedeeld door artikel 9/1, eerste lid, tweede zin, van het koninklijk besluit rijbewijs B, overigens een algemene controlebevoegdheid betreft en dus niet beperkt is tot een controle op het ogenblik van het aanvragen van het voorlopig of definitief rijbewijs. De verzoekende partij kan volgens haar ook niet gevolgd worden waar zij stelt dat het Vlaamse Gewest met het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 uitreikingsvoorwaarden voor het voorlopig rijbewijs en het rijbewijs zou invoeren waarvoor de federale overheid bevoegd is gebleven. Vooreerst wijst zij erop dat de verplichte vorming voor begeleiders en de minimumduur van negen maanden op zichzelf bestaande rijopleidingsverplichtingen betreffen die van toepassing zijn op de kandidaat- bestuurders met woonplaats in het Vlaamse Gewest. Voorts herhaalt zij dat op grond van het exclusiviteitsbeginsel het Vlaamse Gewest exclusief bevoegd is om de minimumduur van de rijopleiding te regelen en te voorzien in een verplichte vorming voor begeleiders en bijgevolg IX-9102-10/47 ook exclusief bevoegd is om te bepalen welke instantie belast wordt met de controle op de naleving van deze gewestelijke rijopleidingseisen. In dat verband merkt zij ook op dat het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017, anders dan een vroegere ontwerpbepaling waarover de afdeling Wetgeving bevoegdheidsbezwaren geuit heeft, geen wijzigingen aanbrengt aan de bepalingen van hoofdstuk 2 ‘Het voorlopig rijbewijs B’ van het koninklijk besluit rijbewijs B. Daarnaast is de verwerende partij van oordeel dat de verzoekende partij er hoe dan ook een onjuiste lezing op nahoudt van de federale bevoegdheid inzake het voorlopig rijbewijs en het definitief rijbewijs. Aangezien de reglementering inzake de scholing krachtens artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI tot de bevoegdheid van de gewesten behoort, behoren de scholingsvereisten niet tot de federale bevoegdheid inzake het (voorlopig) rijbewijs. Volgens een vaste interpretatieregel dienen de aan de gewesten toegewezen bevoegdheden overigens zinvol geïnterpreteerd te worden en de uitzonderingen op de toegewezen bevoegdheden restrictief. De vermelding in de toelichting bij de bijzondere wet van 6 januari 2014 ‘met betrekking tot de Zesde Staatshervorming’ (hierna: bijzondere wet Zesde Staatshervorming) dat het rijbewijs en het voorlopig rijbewijs tot de federale bevoegdheid blijven behoren, kan volgens de verwerende partij niet zo gelezen worden dat ze ingaat tegen de duidelijke tekst van artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI waaruit blijkt dat de gewesten bevoegd zijn voor “de reglementering inzake de scholing” zonder dat hier enig voorbehoud op het vlak van het voorlopig rijbewijs wordt geformuleerd. Waar de toelichting bij de bijzondere wet Zesde Staatshervorming stelt dat de federale overheid bevoegd gebleven is voor het (voorlopig) rijbewijs, heeft de bijzondere wetgever volgens de verwerende partij enkel willen bevestigen dat de andere dan de scholingsgebonden aspecten van het voorlopig rijbewijs tot de bevoegdheid van de federale overheid behoren. Voorts dienen de bevoegdheidsoverdracht inzake de rijopleiding en de parlementaire voorbereiding hiervan volgens haar ook gelezen te worden in het licht van het voorstel van bijzondere wet ‘houdende institutionele maatregelen’ IX-9102-11/47 zoals dat in 2008 werd ingediend in de Senaat (Parl.St. Senaat 2007-08, 4-602/1) en zoals de Raad van State hierover advies 44.243/AV heeft uitgebracht. In dat advies heeft de Raad van State onder meer het volgende gesteld (Parl.St. Senaat 2007-08, 4-602/2, 8): “3.
  12. In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad zal de voorgestelde bevoegdheidsoverdracht tot gevolg hebben dat de gemeenschappen geen dwingende maatregelen kunnen nemen ten aanzien van (kandidaat-)bestuurders van motorvoertuigen of van rijscholen. Dat vormt op zich beschouwd geen bezwaar voor de werkzaamheid van de betrokken regelingen, aangezien het rijbewijs enkel wordt afgegeven aan de personen die voldoen aan de voorwaarden die voortaan ook ten dele door de gemeenschappen zullen worden vastgesteld.” Uit de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet Zesde Staatshervorming, ook gelezen in het licht van de voormelde geschiedenis van totstandkoming ervan, blijkt volgens de verwerende partij de duidelijke wil van de bijzondere wetgever om de gewesten integraal bevoegd te maken voor de scholingsgebonden voorwaarden. Zij benadrukt dat bevoegdheden dienen te worden opgevat als aangelegenheden, wat betekent dat de bevoegde overheid ook de nadere regels vermag vast te leggen zonder dat die keuze het beginsel van haar bevoegdheid in het gedrang kan brengen. Aangezien het Vlaamse Gewest bevoegd is om een verplichte vorming voor begeleiders en de verhoging van de minimumduur van de praktische rijopleiding van drie naar negen maanden in te voeren, behoort het ook tot zijn bevoegdheid om vast te stellen of het deze verplichting invoert als een toegangsvoorwaarde voor het praktisch examen, dan wel als een zelfstandige verplichting die de kandidaat-bestuurder moet naleven en die op sluitende wijze gecontroleerd wordt door de gemeente bij het uitreiken van het voorlopig rijbewijs (wat de verplichte vorming voor begeleiders betreft) en het definitief rijbewijs (wat de duurtijd betreft). Aannemen dat de federale overheid bevoegd is om de minimumduur en de verplichte vorming voor begeleiders in te voeren als een IX-9102-12/47 uitreikingsvoorwaarde van het voorlopig of definitief rijbewijs zou volgens de verwerende partij niet alleen haaks staan op de aan de gewesten door artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI uitdrukkelijk toegewezen bevoegdheid inzake de rijopleiding, maar ook op het gesloten karakter van het systeem van bevoegdheidverdeling en het exclusiviteitsbeginsel. Een dergelijke zienswijze zou volgens haar ook normenconflicten doen ontstaan. Zij benadrukt ook dat noch uit de tekst van artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI, noch uit de toelichting ervan, blijkt dat de gewestbevoegdheid beperkt is tot het invoeren van rijopleidingsvoorwaarden (zoals de verplichte vorming voor begeleiders en de minimumduur van de praktische rijopleiding) als toegangsvoorwaarde voor het examen. De bevoegdheid is immers algemeen geformuleerd en heeft betrekking op ‘de scholing’ zonder dat de uitoefening van de bevoegdheid inhoudelijk wordt beperkt. Het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 regelt ook geenszins “de kennis en de vaardigheden die nodig zijn voor het besturen van voertuigen”, wat krachtens artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI een bevoegdheid is die voorbehouden wordt aan de federale overheid. De verzoekende partij toont ten slotte niet aan op welke wijze artikel 23 van de Wegverkeerswet geschonden zou worden door dat besluit. De verzoekende partij beroept zich immers op de schending van de federale bevoegdheid inzake het rijbewijs en het voorlopig rijbewijs. Artikel 23 van de Wegverkeerswet is evenwel geen bepaling die de bevoegdheid verdeelt tussen de gewesten en de federale overheid, zodat het middel onontvankelijk, minstens ongegrond is, waar het een schending aanvoert van artikel 23 van de Wegverkeerswet. De toelichting bij de bijzondere wet Zesde Staatshervorming bevestigt volgens haar overigens specifiek in het licht van artikel 23 van de Wegverkeerswet dat de gewesten bevoegd geworden zijn voor “de nadere regelen inzake de scholing”, als voorwaarde voor het verkrijgen van een rijbewijs. IX-9102-13/47 8.
  13. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de kern van de bevoegdheidsdiscussie erin bestaat te vernemen of het Vlaamse Gewest met het nieuwe artikel 9/1, eerste lid, tweede zin, van het koninklijk besluit rijbewijs B bevoegd is om de Vlaamse gemeenten ermee te belasten toezicht te houden. Door de controlebevoegdheid bij de gemeenten te leggen, beoogt de verwerende partij een sluitende en effectieve controle op het volgen van het verplichte vormingsmoment door de begeleider en in de naleving van de minimale duurtijd van de rijopleiding te voorzien ten aanzien van alle inwoners van het Vlaamse Gewest. 8.
  14. De verwerende partij is van oordeel dat de verzoekende partij er een onjuiste – en te ruime – lezing op nahoudt van de federale bevoegdheid inzake het voorlopig en het definitief rijbewijs. Met name gaat de verzoekende partij er verkeerdelijk van uit dat de niet-naleving van de scholingsvoorwaarden van het Vlaamse Gewest niet tot gevolg mag hebben dat de Vlaamse gemeenten de uitreiking van het (voorlopig) rijbewijs weigeren. Tevens gaat de verzoekende partij er verkeerdelijk van uit dat de niet-naleving van de rijopleidingseisen die het Vlaamse Gewest stelt, slechts gevolgen zou kunnen hebben op de uitreiking van het (voorlopig) rijbewijs na een tussenkomst van de federale regelgever waarbij deze zelf scholingseisen bepaalt. Deze ‘federale’ scholingseisen zijn dus niet noodzakelijk gelijklopend met de scholingseisen die de gewesten vaststellen op grond van de hun toegewezen autonomie. 8.
  15. De Vlaamse gemeenten zijn bevoegd om het rijbewijs uit te reiken ten aanzien van personen die ingeschreven zijn in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van die gemeente. Dit volgt uit artikel 10 van het koninklijk besluit rijbewijs B, juncto artikel 7, tweede lid, 1°, van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 ‘betreffende het rijbewijs’. Uit artikel 10 van het koninklijk besluit rijbewijs B, juncto artikel 7, tweede lid, 1°, van het voornoemde koninklijk besluit van 23 maart 1998, gelezen in samenhang met artikel 9/1, eerste lid, tweede zin, van het koninklijk IX-9102-14/47 besluit rijbewijs B volgt dat de Vlaamse gemeenten ten aanzien van alle personen die ingeschreven zijn in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van die gemeenten dienen na te gaan of de in het Vlaamse Gewest geldende verplichte vorming voor begeleiders en de minimumduur van de rijopleiding van negen maanden doorlopen werden. Het woonplaatscriterium is volgens de verwerende partij een relevant aanknopingspunt dat het mogelijk maakt de geregelde aangelegenheid uitsluitend binnen de territoriale bevoegdheidssfeer van het Vlaamse Gewest te brengen en op deze wijze wordt ook gewaarborgd dat alle inwoners van het Vlaamse Gewest aan dezelfde regels onderworpen zijn. Om de controle sluitend te maken ten aanzien van alle Vlaamse ingezetenen dienen deze voorwaarden niet alleen gecontroleerd te worden door de examencentra, maar ook door de Vlaamse gemeenten bij het uitreiken van een (voorlopig) rijbewijs door de Vlaamse gemeenten aan deze ingezetenen. De controle op de naleving van de verplichte vorming en de minimumduur die gebeurt samen met de afgifte van het (voorlopig) rijbewijs vormt dus het sluitstuk dat maakt dat de regeling op gelijke wijze van toepassing is ten aanzien van alle Vlaamse ingezetenen. Waar de verzoekende partij aldus bekritiseert dat het Vlaamse Gewest met het nieuwe artikel 9/1, eerste lid, tweede zin, van het koninklijk besluit rijbewijs B het toezicht opdraagt aan de gemeenten en de Vlaamse overheid de instructie geeft aan de Vlaamse gemeenten om zolang geen begeleidersattest wordt voorgelegd of de minimumscholingsduur van negen maanden niet doorlopen werd het (voorlopig) rijbewijs niet uit te reiken, gaat zij eraan voorbij dat het Vlaamse Gewest hiermee binnen de grenzen van zijn bevoegdheden blijft. 8.
  16. Voorts herinnert de verwerende partij eraan dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de bevoegdheidsoverdracht inzake de scholing van kandidaat-bestuurders blijkt dat deze in het geheel en exclusief een IX-9102-15/47 gewestbevoegdheid is geworden na de zesde staatshervorming en dat de federale overheid enkel bevoegd is gebleven ten aanzien van de niet-scholingsgebonden voorwaarden, namelijk de “overige aspecten met betrekking tot de voorwaarden voor het uitkeren van een rijbewijs”. Hieruit blijkt aldus de duidelijke wil van de bijzondere wetgever om de gewesten integraal bevoegd te maken voor de scholingsgebonden voorwaarden, wat dus ook gevolgen kan hebben op het vlak van de afgifte van het rijbewijs. 8.
  17. Door het toekennen van bevoegdheden wordt de bijzondere wetgever overigens geacht een homogeen bevoegdheidspakket te hebben overgedragen. De ruime interpretatie van de toegewezen bevoegdheden heeft tot gevolg dat de uitzonderingen op de gewestbevoegdheden limitatief en restrictief geïnterpreteerd moeten worden. Deze interpretatieregels gelden naar het oordeel van de verwerende partij in casu des te meer omdat de bevoegdheid inzake de scholing uitdrukkelijk toegewezen wordt aan de gewesten door artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI en de federale restbevoegdheid inzake het voorlopig en het definitief rijbewijs in de memorie van toelichting vermeld wordt. Deze laatste kan niet ingaan tegen de uitdrukkelijk door de BWHI toegewezen bevoegdheden en moet in samenhang hiermee gelezen worden. Het onderscheid dat door de verzoekende partij gemaakt wordt tussen de gewestbevoegdheid inzake de scholing enerzijds en de federale bevoegdheid om de gewestelijke scholingsvoorwaarden als een uitreikings- voorwaarde voor het (voorlopig) rijbewijs vast te stellen, zou de uitoefening van de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest inzake de scholing overigens aanzienlijk bemoeilijken. Het zou ook haaks staan op het exclusiviteitsbeginsel en de aan de gewesten toegekende autonomie om de rijopleidingseisen te bepalen. Het zou – zoals de verzoekende partij overigens zelf aangeeft in haar laatste memorie – betekenen dat om de gewestelijke regels inzake de scholing IX-9102-16/47 afdwingbaar te maken via het al dan niet uitreiken van het (voorlopig) rijbewijs, het Vlaamse Gewest aan de federale overheid moet vragen om de regeling inzake het rijbewijs in die zin te wijzigen (eventueel via de overlegprocedure van artikel 6, § 4, 3°, BWHI). Het zou er tevens op neerkomen dat de federale regelgever, niettegenstaande de uitdrukkelijke bevoegdheidsoverdracht aan de gewesten, zelf scholingseisen kan bepalen die niet noodzakelijk gelijklopend zijn met de scholingseisen die de gewesten vaststellen op grond van de hun toegewezen autonomie. De stelling van de verzoekende partij komt er immers op neer dat zowel de federale overheid (in het kader van de federale bevoegdheid inzake het rijbewijs) als de gewesten (in het kader van de gewestbevoegdheid inzake de rijopleiding) scholingseisen (bijvoorbeeld inzake de minimumduur) kunnen vaststellen. Deze scholingseisen kunnen met elkaar in strijd zijn. Indien de federale overheid bepaalt dat de minimumduur van de rijopleiding drie maanden bedraagt en een gewest bepaalt dat de minimumduur negen maanden bedraagt en beide regels behouden hun rechtskracht, dan komt dit er inderdaad op neer dat er andere regels bestaan inzake de minimumduur naargelang gekeken wordt naar de federale regels, dan wel de gewestelijke regels. Welnu, het autonomie- en het exclusiviteitsbeginsel verzetten zich tegen dergelijke tegenstrijdige regelgeving. Oordelen dat de federale overheid de door de gewesten opgelegde scholingsvoorwaarden moet overnemen in de federale regelgeving omtrent het rijbewijs, zou neerkomen op parallelle wetgeving. De uitvoering en handhaving van de uitoefening van de gewestelijke bevoegdheden inzake de IX-9102-17/47 rijopleiding – die op zich niet ter discussie staat – zou aldus afhankelijk zijn van de medewerking van de federale overheid en zou de autonomie grotendeels uithollen. Er bestaat bovendien geen enkele garantie dat de federale overheid de door de gewesten vastgestelde normen overneemt. Tot dusver houdt de federale overheid er overigens de visie op na dat zij weigert de gewestelijke normen over te nemen omdat zij van oordeel is dat de normen uniform moeten zijn voor heel België, wat aldus neerkomt op de negatie van de gewestelijke autonomie die toegekend werd met de zesde staatshervorming. De stelling van de verzoekende partij zou voorts neerkomen op een afwijking van het verticaliteitsbeginsel volgens hetwelk de gewesten binnen hun bevoegdheden over de volledige wetgevings-, uitvoerings-, controle- en financieringsbevoegdheid beschikken. Het verticaliteitsbeginsel is de logische gevolgtrekking van het autonomiebeginsel. Van het verticaliteitsbeginsel kan slechts afgeweken worden wanneer de Grondwet of de krachtens die Grondwet vastgestelde bijzondere wet, uitdrukkelijk anders bepaalt. Uit geen enkel element uit de tekst of de parlementaire voorbereidingen van de bijzondere wet Zesde Staatshervorming blijkt dat dit de bedoeling was van de bijzondere wetgever. Beoordeling
  18. In het eerste middelonderdeel voert de verzoekende partij aan dat door als nieuwe voorwaarde voor de uitreiking van het voorlopig rijbewijs door de gemeente te bepalen dat de kandidaat-bestuurder moet aantonen dat zijn begeleider beschikt over een begeleidersattest en door als nieuwe voorwaarde voor de uitreiking van het rijbewijs door de gemeente te bepalen dat het voorlopig rijbewijs B of het getuigschrift van praktisch onderricht minstens negen maanden oud is, het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 de federale bevoegdheid inzake de uitreiking van voorlopige rijbewijzen en rijbewijzen IX-9102-18/47 schendt, meer bepaald artikel 6, § 1, XII, 6°, en § 4, eerste lid, 3°, BWHI en artikel 23 van de Wegverkeerswet, alsmede het beginsel van de federale loyauteit, vervat in artikel 143, § 1, van de Grondwet en het evenredigheidsbeginsel. 10.
  19. Sinds de zesde staatshervorming zijn de gewesten wat het verkeersveiligheidsbeleid betreft, luidens artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI bevoegd voor: “de reglementering inzake de scholing en examens betreffende de kennis en de vaardigheid die nodig zijn voor het besturen van voertuigen van elke categorie, met inbegrip van de organisatie en erkenningsvoorwaarden van rijscholen en examencentra en met inbegrip van het toezicht op de rijgeschiktheid van de bestuurders en de kandidaat-bestuurders die lijden aan een vermindering van hun functionele vaardigheden, met uitzondering van de federale bevoegdheid inzake het bepalen van de kennis en de vaardigheden die nodig zijn voor het besturen van voertuigen, met dien verstande dat de inwoners van een gewest vrij zijn om een rijschool te kiezen die, of examen af te leggen in een centrum dat in een ander gewest is gelegen en met dien verstande dat een in een bepaald gewest erkende rijschool eveneens in de andere gewesten werkzaam mag zijn.” In de toelichting bij de bijzondere wet Zesde Staatshervorming, wordt omtrent de draagwijdte van die bevoegdheidsoverdracht het volgende uiteengezet: “
  20. Overheveling van de rijopleiding, de rijscholen en de examencentra naar de gewesten Deze overdracht volgt de logica van het voorstel van bijzondere wet ‘houdende institutionele maatregelen’ dat eerder in de Senaat werd ingediend (Parl. St., Senaat, zitting 2007-2008, nr. 4-602/1) en waarover de Raad van State een advies heeft uitgebracht op 10 april 2008 (advies nr. 44.234/AV). In tegenstelling tot het voornoemde voorstel voorziet het huidige voorstel echter in de overdracht van de rijopleiding, de rijscholen en de examencentra naar de gewesten, en niet naar de gemeenschappen, overeenkomstig het Institutioneel Akkoord voor de Zesde Staatshervorming van 11 oktober
  21. Dit voorstel van bijzondere wet voorziet dan ook in de toewijzing van de bevoegdheid met betrekking tot de reglementering inzake de scholing en examens met het oog op het verkrijgen van het rijbewijs, met inbegrip van de organisatie en erkenningsvoorwaarden van rijscholen en examencentra, aan de gewesten. Zo kan elke gewest, binnen het Europees regelgevend kader, een optimaal verkeersveiligheidsbeleid voeren. Artikel 23 van de gecoördineerde wet van 16 maart 1968 betreffende de IX-9102-19/47 politie over het wegverkeer bepaalt dat het Belgisch rijbewijs wordt afgegeven indien de verzoeker voldoet aan bepaalde voorwaarden, waaronder geslaagd zijn voor een theoretisch en praktisch examen. Artikel 23 bepaalt eveneens dat de Koning de nadere regels voor het onderricht bepaalt, dat wordt gevolgd ter voorbereiding op het examen. Het is deze laatste bevoegdheid die hier wordt bedoeld. Het bepalen van de kennis en de vaardigheden die nodig zijn voor het besturen van voertuigen blijft dus een federale bevoegdheid. Daarentegen wordt de wijze waarop deze kennis en vaardigheden worden verworven en nagegaan een gewestbevoegdheid. De bevoegdheid met betrekking tot het rijbewijs zelf blijft een federale bevoegdheid. In het kader van de bevoegdheidsoverdracht : - mag een rijschool die erkend is in een gewest eveneens in de andere gewesten werkzaam zijn; - doet de regionalisering van de rijopleiding geen afbreuk aan de initiatieven voor rijbewijslessen op school; - kan elke burger een rijopleiding in een rijschool van het gewest van zijn keuze volgen, ongeacht zijn verblijfplaats; - kan elke burger zijn examen in een examencentrum van het gewest van zijn keuze afleggen, ongeacht zijn verblijfplaats. Het spreekt voor zich dat wanneer specifieke bevoegdheden met betrekking tot de scholing, de examens en de rijscholen aan de gewesten worden overgedragen, de overige aspecten met betrekking tot de voorwaarden voor het uitkeren van een rijbewijs en voor het besturen van voertuigen tot de residuaire bevoegdheid van de federale overheid blijven horen. Het voorlopig rijbewijs, het rijbewijs met punten en de regels inzake verval blijven tot de federale bevoegdheid behoren. Wat betreft artikel 23, § 1, 2º en 4º, van de gecoördineerde wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, heeft de aan de gewesten over te dragen bevoegdheid betrekking op datgene wat deze bepalingen opdragen aan de Koning. Deze bepalingen stellen als voorwaarde voor het Belgisch rijbewijs : ‘2º geslaagd zijn voor een door de Koning in te richten praktisch examen betreffende de kennis en vaardigheid die nodig zijn voor het besturen van voertuigen van elke categorie, waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd. De Koning bepaalt de nadere regelen inzake scholing; [...] 4º geslaagd zijn voor een door de Koning in te richten examen over de kennis van de wetten en reglementen, het gedrag ter voorkoming van ongevallen, de voornaamste begrippen van mechaniek, alsook de eerste hulp bij ongevallen, betreffende het gebruik van de voertuigen van de categorie waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd; de Koning bepaalt de nadere regelen inzake het onderricht.’ Onder de gewestbevoegdheid ressorteert voortaan ook artikel 23bis van dezelfde gecoördineerde wetten. Deze bepaling is thans echter nog niet in werking getreden, en heeft betrekking op het volgen van lessen in het kader van het nog niet in werking getreden rijbewijs met punten (‘Art. 23bis. De houder van een Belgisch rijbewijs volgt lessen bij een centrum voor voortgezette rijopleiding volgens de nadere regels en in de gevallen door de Koning bepaald. IX-9102-20/47 Deze lessen beogen met name de bestuurders aan te zetten tot een niet-agressief en preventief rijgedrag en tot een betere controle van het voertuig, zodat ze geen gevaarlijke situaties creëren; ze moeten gevolgd worden in een centrum voor voortgezette rijopleiding, dat beantwoordt aan door de Koning bepaalde voorwaarden.’). Aangezien aldus verduidelijkt wordt dat de federale overheid bevoegd blijft om ‘de kennis en de vaardigheden te bepalen die nodig zijn voor het besturen’, staat vast dat artikel 23, § 1, 1º, en artikel 38, § 3, (die als voorwaarde bepalen dat bepaalde verklaringen, onderzoeken en examens dienen te worden afgelegd in het kader van verval van recht tot sturen), en artikel 23, § 1, 3º, van dezelfde gecoördineerde wetten (geneeskundig onderzoek) onder de federale bevoegdheid blijven. Artikel 23, § 2, van de gecoördineerde wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer regelt de gevallen van vrijstelling van examens. Artikel 23, § 2, luidt als volgt : ‘Art.
  22. §
  23. Van de examens, bedoeld bij § 1, 2º, 3º en 4º, is vrijgesteld de verzoeker die overlegt : 1º ofwel een geldig nationaal buitenlands rijbewijs dat is afgegeven overeenkomstig de voorwaarden die inzake internationaal wegverkeer van toepassing zijn of waarvan de geldigheid is erkend krachtens door de Koning afgesloten akkoorden; de Koning kan deze vrijstelling afhankelijk maken van voorwaarden inzake het verblijf van de verzoeker in de Staat die het rijbewijs heeft aangegeven; 2º ofwel een getuigschrift dat is afgegeven door een overheidsorgaan dat door de Koning is aangewezen en waarin bevestigd wordt dat hij geslaagd is voor een gelijkwaardig geoordeeld examen.’ Binnen dit artikel dient een onderscheid te worden gemaakt. De vrijstelling voor de houders van buitenlandse rijbewijzen (artikel 23, § 2, 1º) hangt samen met de federale bevoegdheid inzake het rijbewijs, en blijft dus federaal. De vrijstelling voor de houders van een getuigschrift na een gelijkwaardig geoordeeld examen (artikel 23, § 2, 2º) hangt samen met de bevoegdheid voor de scholing en de examens die, op grond van artikel 25 van dit voorstel van bijzondere wet, aan de gewesten toekomt (artikel 6, § 1, XII, 6º, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen). De vrijstellingen bedoeld in de artikelen 27 tot 29 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs zijn gelinkt aan de federale bevoegdheid inzake het rijbewijs en blijven een federale bevoegdheid. Ten slotte moet worden verduidelijkt dat met de termen ‘de organisatie en erkenningsvoorwaarden van rijscholen’ in de nieuw voorgestelde bepaling de regels worden bedoeld die de Koning op heden vaststelt zoals voorzien in artikel 23, § 3, van de voormelde wet : ‘§
  24. De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de scholen voor het besturen van motorvoertuigen moeten voldoen met het oog op het vervullen van de taken die Hij vaststelt.” 10.2.
  25. Uit de hiervóór aangehaalde parlementaire voorbereiding (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, 145-148) blijkt dat de in artikel 6, § 1, XII, IX-9102-21/47 6°, BWHI aan de gewesten overgedragen bevoegdheden betrekking hebben op, onder meer, de in artikel 23, § 1, 2º, van de Wegverkeerswet vermelde “nadere regelen inzake scholing” en op het bepalen van de voorwaarden om te mogen deel- nemen aan het praktisch examen, namelijk “het onderricht […] dat wordt gevolgd ter voorbereiding op het examen” of “de wijze waarop [de] kennis en vaardigheden [die nodig zijn voor het besturen van voertuigen] worden verworven en nagegaan”. Er mag worden aangenomen dat het bepalen van de duurtijd van de rijopleiding, alsook het voorzien in een opleiding voor begeleiders van kandidaat-bestuurders die een rijopleiding met vrije begeleiding volgen en voor de rijinstructeurs die een dergelijke vorming geven, behoren tot de in artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI aan de gewesten overgedragen bevoegdheden inzake de scholing, de examens en de erkenningsvoorwaarden van rijscholen. Dat wordt door de verzoekende partij uitdrukkelijk niet betwist. 10.2.
  26. De gewesten moeten echter bij de uitoefening van die bevoegdheid de aan de federale overheid voorbehouden bevoegdheden in acht nemen, met name haar bevoegdheid met betrekking tot het rijbewijs – met inbegrip van het voorlopig rijbewijs. Zo is de federale overheid in dat kader bevoegd om de voorwaarden vast te stellen voor de afgifte van het voorlopig rijbewijs en om de geldigheidsduur van dat voorlopig rijbewijs vast te stellen. 10.3.
  27. In casu rijst bijgevolg de vraag of, door het toezicht op de naleving van de in het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 opgenomen bepalingen inzake de verplichte vorming van de begeleider en de minimumduur van de rijopleiding, toe te vertrouwen aan de gemeenten ter gelegenheid van de uitreiking van het voorlopig rijbewijs B en het rijbewijs B en waarbij de gemeenten de uitreiking van die rijbewijzen dienen te weigeren als IX-9102-22/47 voornoemde voorwaarden niet zijn nageleefd, het Vlaamse Gewest zijn bevoegdheid overschrijdt. 10.3.
  28. Artikel 9/1, eerste lid, van het koninklijk besluit rijbewijs B, zoals ingevoegd door het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017, luidt als volgt: “De kandidaat, houder van een voorlopig rijbewijs B met een begeleider, dient een rijopleiding te volgen met een begeleider die de vorming vermeld in dit hoofdstuk en in bijlage 7 heeft gevolgd. De Vlaamse gemeenten houden toezicht hierop, alsook op de naleving van artikel 8, tweede lid.” Artikel 8, tweede lid, van het koninklijk besluit rijbewijs B, zoals gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017, luidt als volgt: “De kandidaat legt een geldig voorlopig rijbewijs B waarvan hij sinds minstens negen maanden houder is of een getuigschrift van praktisch onderricht afgegeven door een rijschool voor ten bewijs dat de lessen bedoeld in het artikel 5/1, § 1 werden gevolgd; in dat laatste geval, legt hij een attest voor, afgegeven door de overheid bedoeld in artikel 10 waaruit blijkt dat hij een scholing van ten minste negen maanden heeft gevolgd onder dekking van een voorlopig rijbewijs B.” 10.3.
  29. Zoals artikel 9/1, eerste lid, van het koninklijk besluit rijbewijs B is geredigeerd, blijkt daaruit dat de houder van een voorlopig rijbewijs B met een begeleider, een rijopleiding dient te volgen met een begeleider die de voorgeschreven vorming heeft gevolgd en dat de Vlaamse gemeenten hierop toezicht moeten houden. In voornoemd artikel 9/1, eerste lid, wordt niet uitdrukkelijk bepaald dat dit een voorwaarde is voor de uitreiking van het voorlopig rijbewijs of, anders gezegd, dat de gemeente het rijbewijs moet weigeren uit te reiken als zij vaststelt dat voormeld voorschrift niet is nageleefd. IX-9102-23/47 Hetzelfde geldt wat de afgifte van het rijbewijs B betreft, voor het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van het koninklijk besluit rijbewijs B inzake de minimumduur van de rijopleiding voor deelname aan het praktisch examen. 10.3.
  30. De vraag rijst evenwel hoe de bepaling “[d]e Vlaamse gemeenten houden toezicht hierop” in artikel 9/1, eerste lid, tweede zin, van het koninklijk besluit rijbewijs B dan wel volgens de bedoeling van de regelgever moet worden begrepen en hoever het erin bedoelde toezicht strekt. Uit de nota aan de Vlaamse Regering blijkt dat “bij het afleveren van het voorlopig rijbewijs [het gemeentebestuur] nagaat of aan de opgelegde voorwaarden voldaan is”, “dat de gemeente dient na te gaan of de begeleider de verplichte vorming heeft gevolgd, wat dus zal gebeuren samen met het afleveren van het voorlopig rijbewijs” en dat “[t]evens […] de gemeente [wordt] aangewezen als instantie die op het ogenblik van het toekennen van het definitief rijbewijs dient na te gaan of de kandidaat-bestuurder de minimumduur van de rijopleiding van 9 maanden heeft doorlopen”. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij in dat verband dat zij en zij alleen bevoegd is op grond van de haar toegewezen bevoegdheid inzake scholing om de verplichte vorming van begeleiders en de verhoging van de minimumduur van de praktische opleiding van drie naar negen maanden in te voeren als toegangsvoorwaarden voor het praktisch examen, dan wel als een zelfstandige verplichtingen die de kandidaat-bestuurder moet naleven. Het naleven van die voorwaarden zal volgens haar op sluitende wijze worden gecontroleerd door de gemeente bij het uitreiken van het voorlopig rijbewijs (wat de verplichte vorming van begeleiders betreft) en het definitief rijbewijs (wat de duurtijd betreft), alsook daarna. Zij stelt daarbij dat de federale overheid immers enkel bevoegd is gebleven ten aanzien van de niet-scholingsgebonden voorwaarden – te weten de “overige aspecten met betrekking tot de voorwaarden voor het uitreiken van een rijbewijs” – voor het uitreiken van een (voorlopig) rijbewijs. IX-9102-24/47 In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de scholingsvoorwaarden tot het verkrijgen van een rijbewijs tot de exclusieve bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoren en tot gevolg kunnen hebben dat de Vlaamse gemeenten in de uitoefening van de toezichtstaak die hen opgedragen is bij artikel 9/1, eerste lid, tweede zin, van het koninklijk besluit rijbewijs B, het rijbewijs niet mogen uitreiken aan de persoon die niet voldoet aan de gewestelijke scholingsgebonden voorwaarden voor het uitreiken van een (voorlopig) rijbewijs. Zij voegt daaraan toe dat, waar de verzoekende partij aldus bekritiseert dat het Vlaamse Gewest met het nieuwe artikel 9/1, eerste lid, tweede zin, van het koninklijk besluit rijbewijs B het toezicht opdraagt aan de gemeenten en dat de Vlaamse overheid de instructie geeft aan de Vlaamse gemeenten om zolang geen begeleidersattest wordt voorgelegd of de minimumscholingsduur van negen maanden niet doorlopen werd, het (voorlopig) rijbewijs niet uit te reiken, zij eraan voorbijgaat dat het Vlaamse Gewest hiermee binnen de grenzen van zijn bevoegdheden blijft. Zij wijst ook op haar bevoegdheid met betrekking tot de lokale besturen. Uit dat alles blijkt dat de verwerende partij de bepaling “[d]e Vlaamse gemeenten houden toezicht hierop” in artikel 9/1, eerste lid, tweede zin, van het koninklijk besluit rijbewijs B zo begrijpt en heeft opgevat, dat ze de gemeenten machtigt de uitreiking van het (voorlopig) rijbewijs te weigeren wanneer geen begeleidersattest wordt voorgelegd of de minimumscholingsduur van negen maanden niet doorlopen werd. Zij maakt op die wijze de uitreiking van het voorlopig rijbewijs of het rijbewijs, hetgeen een federale bevoegdheid is, afhankelijk van de naleving van de voormelde scholingsvoorwaarden. Door dat zo op te vatten, legt de verwerende partij aan de gemeenten een verplichting op die niet kan worden ingepast in de bij artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI aan de gewesten toegekende bevoegdheid en overschrijdt de verwerende partij haar bevoegdheid. Echter, ook indien artikel 9/1, eerste lid, tweede zin, van het koninklijk besluit rijbewijs B zo zou worden geïnterpreteerd dat het de gemeenten enkel zou belasten met een controletaak zonder hieraan een weigering tot afgifte IX-9102-25/47 van het (voorlopig) rijbewijs te koppelen, rijst er, zoals hierna zal blijken, een bevoegdheidsprobleem van een andere aard. 10.4.
  31. De verzoekende partij voert in het eerste middelonderdeel immers ook de schending aan van artikel 23, § 1, 2°, van de Wegverkeerswet. Zij stelt dat de gewesten met toepassing van voornoemd artikel 23, § 1, 2°, overeenkomstig artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI bevoegd zijn om de toelatingsvoorwaarden te bepalen voor het praktisch examen, maar op grond van artikel 23, § 1, 2°, niet de uitreiking van het voorlopig rijbewijs of het rijbewijs afhankelijk kunnen maken van de naleving van de voornoemde scholingsvoorwaarden en de bevoegdheid om dit te beoordelen, niet kunnen toevertrouwen aan de gemeenten. 10.4.
  32. In zoverre de schending van artikel 23, § 1, 2°, van de Wegverkeerswet wordt aangevoerd, moet dit middelonderdeel zo worden begrepen dat dit artikel de gewesten niet toelaat om bijkomende eisen te stellen voor de afgifte van het voorlopig rijbewijs of het rijbewijs, of anders gezegd, dat die bepaling geen rechtsgrond biedt aan artikel 9/1, eerste lid, tweede zin, van het koninklijk besluit rijbewijs B geïnterpreteerd in die zin en evenmin toelaat om aan de gemeenten in het kader van de controle op de naleving van de scholingsvoorwaarden opdrachten te geven. Uit de aanhef van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017, blijkt dat de rechtsgrond voor artikel 9/1, eerste lid, tweede zin, van het koninklijk besluit rijbewijs B wordt gezocht in artikel 23, § 1, 2°, van de Wegverkeerswet. Artikel 23, § 1, van de Wegverkeerswet luidt als volgt: “Het Belgisch rijbewijs wordt afgegeven indien de verzoeker aan de volgende voorwaarden voldoet: 1° een verklaring hebben ondertekend, waarin bevestigd wordt dat hij niet vervallen is van het recht om voertuigen te besturen van de categorie waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd; de verzoeker moet voldaan hebben aan het onderzoek, hem eventueel opgelegd krachtens artikel 38, § 3, voor het besturen van een voertuig van de categorie waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd; 2° geslaagd zijn voor een door de Koning in te richten praktisch examen IX-9102-26/47 betreffende de kennis en vaardigheid die nodig zijn voor het besturen van voertuigen van elke categorie, waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd. De Koning bepaalt de nadere regelen inzake scholing; 3° een verklaring hebben ondertekend waarin bevestigd wordt dat hij niet lijdt aan een van de lichaamsgebreken en aandoeningen bepaald door de Koning. De Koning kan deze verklaring aanvullen met of vervangen door de verplichting om zich aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen; 4° geslaagd zijn voor een door de Koning in te richten examen over de kennis van de wetten en reglementen, het gedrag ter voorkoming van ongevallen, de voornaamste begrippen van mechaniek, alsook de eerste hulp bij ongevallen, betreffende het gebruik van de voertuigen van de categorie waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd; de Koning bepaalt de nadere regelen inzake het onderricht.” Uit de in artikel 23, § 1, 2°, van de Wegverkeerswet aan de koning, thans de Vlaamse Regering, gegeven bevoegdheid blijkt dat die bevoegdheid dient te worden uitgeoefend in het kader van de scholing met het oog op de deelname aan het praktisch examen betreffende de kennis en vaardigheid die nodig zijn voor het besturen van voertuigen van elke categorie, waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd. De Vlaamse Regering vermocht aldus op grond van die wettelijke bepaling, de voornoemde scholingsvoorwaarden bepalen voor de kandidaten die de opleiding in het Vlaamse Gewest volgen of het examen afleggen in het Vlaamse Gewest. Artikel 23, § 1, 2°, van de Wegverkeerswet verleent evenwel niet de bevoegdheid aan de Vlaamse Regering om bijkomende eisen te stellen voor de afgifte van het voorlopig rijbewijs en de gemeenten in het kader van het medebewind in dat verband met een opdracht te belasten, die erop neerkomt dat ze de uitreiking van het voorlopig rijbewijs en het rijbewijs moeten weigeren als aan de voormelde scholingsvoorwaarden niet is voldaan. Bij ontstentenis van een uitdrukkelijke wetskrachtige bepaling in die zin – onverminderd de vaststelling hiervóór dat de gewesten hoe dan ook niet bevoegd zijn om bijkomende eisen te stellen voor de afgifte van het (voorlopig) rijbewijs – moet derhalve worden vastgesteld dat de Vlaamse Regering niet de IX-9102-27/47 bevoegdheid had om aan de gemeentelijke overheden enige controletaak op te dragen. 10.4.
  33. In de mate dat de verwerende partij nog benadrukt dat het vrije keuzerecht vervat in artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI niet geldt ten aanzien van de verplichte vorming van begeleiders en de duurtijd van de rijopleiding, en dat om een sluitende controle mogelijk te maken ten aanzien van de inwoners van het Vlaamse Gewest die hun praktisch examen afleggen in een examencentrum in een ander gewest, daardoor de Vlaamse gemeenten hierop toezicht moeten houden, volgt uit wat hiervóór is gesteld, dat de gemeenten niet met die opdracht kunnen worden belast. In zoverre de verwerende partij betoogt dat het vrije keuzerecht vervat in artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI niet geldt ten aanzien van de verplichte vorming van begeleiders en de duurtijd van de rijopleiding, kan worden verwezen naar de beoordeling van het tweede onderdeel van het enige middel.
  34. Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middelonderdeel in de besproken mate gegrond is. B. Tweede middelonderdeel Standpunt van de partijen
  35. In een tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 de territoriale gewestelijke bevoegdheid inzake de scholing en examens betreffende de kennis en vaardigheid die nodig zijn voor het besturen van voertuigen schendt. Zij erkent dat de nieuwe voorwaarden inzake de verplichte vorming voor begeleiders en inzake de minimumduur van de rijopleiding door de gewesten wel als voorwaarden voor de toelating tot het praktisch examen kunnen IX-9102-28/47 worden opgelegd. Dit is overigens reeds het geval voor de toelatingsvoorwaarde tot het praktisch examen inzake de minimumduur in het huidige artikel 8, tweede lid, van het koninklijk besluit rijbewijs B. Door deze voorwaarden enkel op te leggen als toelatingsvoorwaarden tot het praktisch examen zou het vrije keuzerecht van de kandidaat, zoals bepaald in artikel 6, §1, XII, 6°, BWHI wel gewaarborgd zijn. Indien de kandidaat ervoor kiest om zich voor te bereiden op het praktisch rijexamen in een examencentrum in het Vlaamse Gewest en zijn praktisch examen daar aflegt, weet hij dat zijn begeleider moet beschikken over een begeleidersattest en dat hij de minimumduur van negen maanden rijopleiding zal moeten respecteren. Door deze voorwaarden met het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 echter ook op te leggen als voorwaarden voor de uitreiking van het voorlopig rijbewijs en het rijbewijs door de gemeenten aan kandidaten die ervoor kiezen om hun praktisch rijexamen af te leggen in een ander gewest, schendt dit besluit volgens de verzoekende partij het vrije keuzerecht in artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI en de aldaar bepaalde bevoegdheidverdelende regel, evenals het beginsel van de federale loyauteit en het evenredigheidsbeginsel. Alle inwoners van het Vlaamse Gewest die kandidaat zijn voor het verkrijgen van het rijbewijs B dienen, indien zij kiezen voor de rijopleiding met begeleider, een begeleider te hebben die beschikt over het begeleidersattest, ook als zij zich voorbereiden op het praktisch examen in een examencentrum gelegen in een ander gewest. Deze voorwaarde wordt opgelegd als voorwaarde voor de uitreiking van het voorlopig rijbewijs, wat behoort tot de bevoegdheid van de federale overheid. Evenzeer dienen volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 alle inwoners van het Vlaamse Gewest die kandidaat zijn voor het verkrijgen van het rijbewijs B, de minimumduur van de rijopleiding van negen IX-9102-29/47 maanden te respecteren alvorens te worden toegelaten tot het praktisch examen, ook als zij het praktisch examen afleggen in een examencentrum in een ander gewest. Aldus wordt dat examencentrum dat in een ander gewest is gelegen en dat ertoe gehouden is de door dat gewest uitgevaardigde regelgeving toe te passen, gedwongen om ook de Vlaamse voorwaarden inzake de minimumduur van negen maanden van de rijopleiding en inzake het begeleidersattest toe te passen, wat in strijd is met de bevoegdheidverdelende regels. De verzoekende partij wijst erop dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State dit dan ook reeds terecht in voornoemd advies 61.343/VR heeft opgemerkt. 13.
  36. In haar memorie van antwoord bij het tweede onderdeel van het enige middel werpt de verwerende partij vooreerst twee excepties op. 13.
  37. In een eerste exceptie werpt zij op dat de verzoekende partij niet beschikt over het vereiste belang om een schending van het door artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI gewaarborgde keuzerecht in te roepen zodat het middelonderdeel in die mate onontvankelijk is. Volgens de verwerende partij betreft het immers een keuzerecht in hoofde van de kandidaat-bestuurder en dus niet in hoofde van een institutionele partij zoals de verzoekende partij. De verzoekende partij is evenmin een rijschool of examencentrum tot wie deze kandidaat-bestuurder zich kan richten. Aangezien de verzoekende partij geen drager is van het voormelde keuzerecht, kan zij zich ook niet beroepen op een schending ervan. Bovendien kan zij zich ter ondersteuning van haar belang niet beroepen op (vermeende) gevolgen die het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 zou hebben voor derden. De aangevoerde schending van het vrije keuzerecht benadeelt de verzoekende partij aldus niet persoonlijk. IX-9102-30/47 Voorts heeft het vrije keuzerecht betrekking op een keuze van rijschool en examencentrum gelegen in een ander gewest en vallend onder de bevoegdheid van dat gewest. Het vrije keuzerecht strekt er aldus toe het vrij verkeer tussen de gewesten onderling te verzekeren. Het aangevoerde middel betreft aldus geen schending van een federale bevoegdheidsmaterie. De verwerende partij wijst erop dat het voornoemde besluit ook op geen enkele wijze afbreuk doet aan het feit dat een in een bepaald gewest erkende rijschool ook werkzaam mag zijn in een ander gewest (artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI). Ook benadrukt zij dat het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de meest gerede partijen zijn om een schending aan te voeren van het territorialiteitsbeginsel, doch dat zij geen beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij merkt op dat de drie gewesten overigens dezelfde principes hanteren op het vlak van de territoriale geldingskracht. Ook hier dient volgens de verwerende partij vastgesteld te worden dat de aangevoerde schending geen schending betreft van een federale bevoegdheidsmaterie zodat de federale overheid geen belang heeft bij het middelonderdeel. In zoverre de verzoekende partij in het tweede onderdeel van het enige middel een schending zou aanvoeren van de federale materiële bevoegdheid inzake het voorlopig rijbewijs en het definitief rijbewijs, verwijst zij naar haar uiteenzetting bij het eerste onderdeel. 13.
  38. In een tweede exceptie werpt de verwerende partij op dat het tweede onderdeel van het enige middel zich niet richt tegen een administratieve rechtshandeling in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, maar tegen een mogelijke toekomstige uitvoeringswijze ervan door de Vlaamse gemeenten, zodat het middelonderdeel onontvankelijk is. IX-9102-31/47 Het vermeende nadeel is volgens de verwerende partij niet het gevolg van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni
  39. Aangezien dit besluit geen bepalingen bevat die aangeven ten aanzien van welke personen het besluit van toepassing is en dus geen bepalingen bevat die de territoriale geldingskracht ervan regelen, valt volgens de verwerende partij ook niet in te zien hoe het besluit het territorialiteitsbeginsel zou kunnen schenden. Het tweede middelonderdeel heeft betrekking op een verschil in interpretatie omtrent het territorialiteitsbeginsel en het vrije keuzerecht in de gewestbevoegdheid inzake “de reglementering inzake de scholing en examens” (artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI) zoals afgeleid uit de artikelen 5, 39 en 134 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 19, § 3, BWHI. Kort samengevat is de verzoekende partij van oordeel dat dit in de Grondwet en de BWHI gewaarborgde territorialiteitsbeginsel in de gewestelijke materie tot gevolg heeft dat de regels inzake de gewijzigde minimumduur van de rijopleiding en de verplichte vorming voor begeleiders van toepassing zijn op kandidaat-bestuurders die hun examen afleggen in het Vlaamse Gewest (ongeacht hun woonplaats), terwijl het Vlaamse Gewest van oordeel is dat het gebruikelijke criterium, namelijk de woonplaats, hier geldt. De verzoekende partij bestrijdt met het tweede onderdeel van het enige middel aldus geen onwettigheid van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 als zodanig, maar viseert in werkelijkheid een mogelijke materiële uitvoeringswijze door de Vlaamse gemeenten waarbij de regels inzake de gewijzigde minimumduur van de rijopleiding en de verplichte vorming voor begeleiders zonder onderscheid toegepast worden ten aanzien van kandidaat-bestuurders met woonplaats in het Vlaamse Gewest. 13.
  40. In ondergeschikte orde, voor zover de Raad van State het tweede onderdeel van het enige middel alsnog ontvankelijk zou verklaren, stelt de verwerende partij dat de interpretatie die de verzoekende partij erop nahoudt van het territorialiteitsbeginsel en het vrije keuzerecht “om een rijschool te kiezen die, IX-9102-32/47 of examen af te leggen in een centrum dat in een ander gewest is gelegen” (artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI) hoe dan ook niet strookt met de artikelen 5, 39 en 134 van de Grondwet gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 19, § 3, BWHI (wat het territorialiteitsbeginsel betreft) en artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI (wat het vrije keuzerecht betreft). Daarbij gaat zij vooreerst in op de draagwijdte van het territorialiteitsbeginsel in de gewestelijke bevoegdheid inzake de reglementering betreffende de scholing inzake de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor het besturen van voertuigen en de toepassing ervan. Wat betreft de gewestbevoegdheid inzake de scholing en examens betreffende de kennis en de vaardigheden die nodig zijn voor het besturen van voertuigen worden in de bijzondere wet Zesde Staatshervorming geen nadere indicaties gegeven omtrent het territoriale toepassingsgebied. Aldus dient volgens haar gekeken te worden naar de aard, het voorwerp en het doel van de materiële bevoegdheid. Wanneer de gewesten dwingende bepalingen ten aanzien van kandidaat-bestuurders opleggen in het kader van de gewestbevoegdheid inzake de rijopleiding, is volgens de verwerende partij, gelet op de aard, het voorwerp en het doel van de overgedragen materie, de woonplaats het relevante territoriale aanknopingspunt. Zij wijst er daarbij ook op dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State in advies 62.178/3 van 23 oktober 2017 bij het ontwerp dat later het decreet van 9 maart 2018 ‘houdende het terugkommoment in het kader van de rijopleiding categorie B’ is geworden, uitdrukkelijk heeft bevestigd dat het Vlaamse Gewest bevoegd is om bij de uitoefening van de gewestbevoegdheid inzake de rijopleiding dwingende eisen op te leggen die op territoriaal gebied gelden ten aanzien van personen met woonplaats in het Vlaamse Gewest. Het valt volgens de verwerende partij niet in te zien waarom ditzelfde criterium niet zou gelden ten aanzien van andere rijopleidingseisen, zoals de verplichte vorming van begeleiders en de minimale duurtijd van de rijopleiding. Het gebruik van de woonplaats als territoriaal aanknopingspunt verzekert volgens de verwerende partij ook dat de hervormde rijopleiding IX-9102-33/47 dwingend van toepassing is op alle kandidaat-bestuurders met woonplaats in het Vlaamse Gewest. Aldus wordt vermeden dat de kandidaat-bestuurders met woonplaats in het Vlaamse Gewest zich aan de in het Vlaamse Gewest toepasselijke regels inzake de rijopleiding zouden kunnen onttrekken en zich op basis van vrijwilligheid zouden kunnen onderwerpen aan de rijopleiding van het gewest van hun keuze. Dat het logisch is dat de dwingende rijopleidingsvereisten die een gewest oplegt ten aanzien van kandidaat-bestuurders – zoals de minimumduurtijd van de rijopleiding en de verplichte vorming van begeleiders – gelden ten aanzien van de kandidaat-bestuurders die in dat gewest wonen, blijkt volgens haar ook uit het feit dat het voorlopig rijbewijs en het definitief rijbewijs worden uitgereikt door de gemeente van de woonplaats van de kandidaat-bestuurder. Vervolgens gaat de verwerende partij in op de draagwijdte van het vrije keuzerecht bedoeld in artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI. Deze beginselen van vrij verkeer bepalen mede hoe de gewesten de bevoegdheden die hen materieel en territoriaal zijn toegewezen, moeten uitoefenen, maar doen op zich geen afbreuk aan de bevoegdheden die materieel en territoriaal zijn toegewezen. Het vrije keuzerecht om zich tot een rijschool en examencentrum gelegen in een ander gewest te wenden, dient bijgevolg begrepen te worden als een specifieke en concrete veruitwendiging van het beginsel van het vrij verkeer van personen tussen de gewesten en dit specifiek voor wat betreft de keuze van de rijschool en de keuze van het examencentrum. Het betreft aldus geen afwijking van de territoriale bevoegdheidverdeling zoals die afgeleid wordt uit de artikelen 5, 39 en 134 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 19, § 3, BWHI en met de artikelen 2, § 1, en 7 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 ‘met betrekking tot de Brusselse instellingen’. Het voormelde vrije keuzerecht betreft aldus een keuzerecht van rijschool en examencentrum (ten aanzien waarvan dus de regels van het gewest IX-9102-34/47 waar de rijschool of het examencentrum is gelegen toegepast worden), maar geen vrij keuzerecht om zich al dan niet te onderwerpen aan de andere scholingsaspecten van de rijopleiding dan de rijlessen bij de rijscholen en de examens bij de examencentra. Zo bestaat er geen vrij keuzerecht ten aanzien van de verplichte vorming van begeleiders of de duurtijd van de rijopleiding. Dit blijkt volgens de verwerende partij duidelijk uit de tekst van artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI waar het vrije keuzerecht beperkt wordt tot het recht “om een rijschool te kiezen” en “examen af te leggen in een centrum”. Voorts wijst zij erop dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State in voornoemd advies inzake het terugkommoment eveneens bevestigd heeft dat de omstandigheid dat de regeling verschilt van gewest tot gewest geen afbreuk doet aan het vrije keuzerecht om zich tot een rijschool in een ander gewest te wenden. De door de afdeling Wetgeving gehanteerde redenering gaat volgens haar mutatis mutandis ook op in de voorliggende zaak met betrekking tot de gewijzigde duurtijd van de rijopleiding en de verplichte vorming voor begeleiders. In de mate dat de verzoekende partij ter ondersteuning van haar stelling inzake het vrije keuzerecht en het territoriale toepassingsgebied nog verwijst naar advies 61.343/VR van 29 mei 2017, wijst de verwerende partij erop dat dit advies betrekking had op artikel 1 van het ontwerp van besluit dat een regeling inzake het territoriale toepassingsgebied bevatte en niet werd behouden in het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 en dat in de nota aan de Vlaamse Regering uitvoerig wordt ingegaan op het advies van de Raad van State en toegelicht wordt waarom het initiële artikel 1 niet wordt behouden. Wat ten slotte de drie door de verzoekende partij aangehaalde voorbeelden van grensoverschrijdende situaties betreft, repliceert de verwerende partij dat het inherent is aan de overheveling van de bevoegdheid inzake de scholing en examens van de federale overheid naar de gewesten, dat elk van de gewesten een eigen regelgeving kan uitvaardigen en dat de voorbeelden in geen enkel opzicht aangeven waarom het Vlaamse Gewest de bevoegdheid van de IX-9102-35/47 federale overheid zou schenden. De voorbeelden gaan volgens haar ook uit van een verkeerde interpretatie van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni
  41. Beoordeling a. Eerste exceptie
  42. In de eerste exceptie werpt de verwerende partij op dat de verzoekende partij niet beschikt over het vereiste belang om een schending van het door artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI gewaarborgde keuzerecht in te roepen zodat het middel in die mate onontvankelijk is.
  43. De bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten raakt de openbare orde en bij uitstek de bevoegdheid van de steller van de akte. Daaruit volgt dat de verzoekende partij geen belang moet aantonen bij het onderdeel dat de schending inroept van de bevoegdheidverdelende regels. Het volstaat dat zij belang heeft bij haar beroep zelf. De eerste exceptie dient te worden verworpen. b. Tweede exceptie
  44. In een tweede exceptie betoogt de verwerende partij dat het tweede onderdeel van het enige middel zich niet richt tegen een administratieve rechtshandeling in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, maar tegen een mogelijke toekomstige uitvoeringswijze ervan door de Vlaamse gemeenten, zodat het middelonderdeel onontvankelijk is.
  45. In casu wordt in het tweede middelonderdeel aangevoerd dat het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 een werking heeft die niet bestaanbaar is met de bevoegdheidverdelende regels. Er dient dan ook te worden IX-9102-36/47 vastgesteld dat deze exceptie de grond van de zaak raakt, hetgeen volstaat om ook deze tweede exceptie te verwerpen. c. Ten gronde 18.
  46. Door aan alle inwoners van het Vlaamse Gewest als voorwaarde voor de uitreiking van het voorlopig rijbewijs en van het rijbewijs door de gemeenten de verplichting op te leggen om een rijopleiding te volgen met een minimumduur van negen maanden, en aan alle inwoners van het Vlaamse Gewest die een rijopleiding volgen met een begeleider, de verplichting op te leggen om te kiezen voor een begeleider die de verplichte vorming heeft gevolgd en een begeleidersattest heeft behaald, ongeacht het gewest waar zij het praktisch rijexamen zullen afleggen, gekoppeld aan de verplichting voor de Vlaamse gemeenten om de uitreiking van het voorlopig rijbewijs en het rijbewijs te weigeren indien niet aan deze voorwaarden is voldaan, schendt volgens de verzoekende partij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 de principiële vrijheid van keuze van de kandidaat-bestuurder vervat in artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI. 18.
  47. Hoewel het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 geen expliciete bepaling bevat met betrekking tot het toepassingsgebied ervan, blijkt uit de nota aan de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 bij dit besluit, dat het besluit van toepassing is op alle inwoners van het Vlaamse Gewest, ook zij die gebruik wensen te maken van het vrije keuzerecht vervat in artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI. In die nota wordt dit besluit, wat de werking ervan betreft, als volgt toegelicht: “Artikel 6, §1, XII, 6° BWHI voorziet ten aanzien van de gewest- bevoegdheid inzake de rijopleiding, de rijscholen en de examencentra ‘dat de inwoners van een gewest vrij zijn om een rijschool te kiezen die, of examen af te leggen in een centrum dat in een ander gewest is gelegen’. Deze bepaling houdt in dat wanneer een inwoner van een gewest ervoor opteert om rijlessen te volgen in een rijschool in een ander gewest of ervoor opteert om het theoretisch en praktisch examen af te leggen in een examencentrum in een ander gewest, de gemeente die het voorlopig rijbewijs en IX-9102-37/47 het definitief rijbewijs uitreikt de gevolgde rijlessen en de afgelegde examens in het ander gewest volgens de aldaar geldende regels in aanmerking moet nemen. Of anders gesteld: een Vlaamse gemeente kan niet weigeren om het voorlopig rijbewijs of het definitief rijbewijs af te leveren omdat de rijlessen en het theoretisch en praktisch examen niet werden afgelegd in een rijschool of examencentrum in het Vlaamse gewest volgens de regels die gelden voor de rijscholen of examens in het Vlaamse gewest (bv. inzake de af te leggen manoeuvers, bv. inzake quotering, etc.). Concreet betekent dit dus dat het attest dat afgeleverd is door de Waalse of Brusselse rijschool of het Waalse of Brusselse examencentrum zijn rechtskracht behoudt in Vlaanderen (en vice versa). Door te voorzien dat personen zich vrij naar een rijschool of examencentrum in het ander gewest kunnen begeven, waarborgt het voormelde keuzerecht aldus het vrij verkeer van personen binnen de Belgische Economische en Monetaire Unie. Het ontwerp houdt ten volle rekening met dit vrij keuzerecht. Zowel de mogelijkheid om zich voor het theoretisch en praktisch examen naar een examencentrum in een ander gewest te begeven, als de mogelijkheid om zich voor het volgen van rijlessen tot een rijschool in een ander gewest te wenden, blijft onverkort bestaan. Het voormelde vrij keuzerecht betreft overigens een keuzerecht van rijschool en examencentrum (ten aanzien waarvan dus de regels van het gewest waar de rijschool of het examencentrum is gelegen toegepast worden), maar geen vrij keuzerecht tot het zich al dan niet onderwerpen van de andere scholingsaspecten van de rijopleiding dan de rijlessen bij de rijscholen en examens bij de examencentra. Zo bestaat er geen vrij keuzerecht ten aanzien van de verplichte vorming van begeleiders, het volgen van een terugkommoment, de duurtijd van de rijopleiding etc. Dit blijkt duidelijk uit de tekst van artikel 6, § 1, XII, 6° BWHI waar het vrij keuzerecht beperkt wordt tot het recht ‘om een rijschool te kiezen’ en ‘examen af te leggen in een centrum’, maar waar geen melding wordt gemaakt van een vrij keuzerecht om zich vrijwillig te onderwerpen aan de overige scholingsvoorwaarden van de rijopleiding (zoals de vorming voor begeleiders, de duurtijd van de rijopleiding, het terugkommoment, etc.), wat ook volkomen logisch is. Ten aanzien van deze laatste aspecten van de rijopleiding geldt dus de regeling van het gewest waar de betrokkene woont. Dit blijkt overigens uit het feit dat de gewestbevoegdheid inzake de rijopleiding ondergebracht is onder het punt XII van artikel 6, § 1 BWHI dat betrekking heeft op de gewest- bevoegdheden inzake ‘het verkeersveiligheidsbeleid’. Met de overdracht van de bevoegdheid inzake de rijopleiding werd de mogelijkheid gegeven aan de gewesten om een eigen rijopleiding in te richten die rekening houdt met de concrete wensen en noden op het vlak van het verkeersveiligheidsbeleid in dat gewest. Het is precies dat wat het ontwerp beoogt met de verhoging van de minimumduur van de rijopleiding en de verplichte vorming voor de begeleiders. Oordelen dat een vrij keuzerecht zou bestaan op het vlak van de minimumduur en de verplichting tot het volgen van een vorming voor begeleiders, zou overigens compleet absurd zijn en de mogelijkheid bieden aan inwoners van het Vlaamse Gewest om zich te onttrekken aan de strengere in het Vlaamse Gewest geldende regels. Het zou aldus haaks staan op de overdracht IX-9102-38/47 van de bevoegdheid van de rijopleiding aan de gewesten die er net toe strekt elk gewest de mogelijkheid te bieden een rijopleiding te ontwikkelen op maat van het verkeersveiligheidsbeleid op de wegen binnen het gewest (en dit onverminderd het vrije keuzerecht om zich tot een rijschool of examencentrum in het ander gewest te begeven).” Volgens de verwerende partij houdt het vrije keuzerecht vervat in artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI in dat, wanneer een inwoner van een gewest ervoor opteert om rijlessen te volgen in een rijschool in een ander gewest of ervoor opteert om het theoretisch en het praktisch examen af te leggen in een examencentrum in een ander gewest, de gemeente die het voorlopig rijbewijs en het definitief rijbewijs uitreikt de gevolgde rijlessen en de afgelegde examens in het ander gewest volgens de daar geldende regels in aanmerking moet nemen. Met andere woorden, een Vlaamse gemeente kan volgens de verwerende partij niet weigeren om het voorlopig rijbewijs of het definitief rijbewijs uit te reiken omdat de rijlessen of het theoretisch en praktisch examen niet werden gevolgd of afgelegd in een rijschool of examencentrum in het Vlaamse Gewest volgens de regels die gelden voor de rijscholen of examens in het Vlaamse Gewest. Concreet betekent dit dus volgens haar dat het attest dat uitgereikt is door de Waalse of Brusselse rijschool of het Waalse of Brusselse examencentrum zijn rechtskracht behoudt in Vlaanderen. De Raad van State kan met dit standpunt instemmen. Volgens de verwerende partij is echter het vrije keuzerecht slechts een keuzerecht van rijschool en examencentrum (ten aanzien waarvan dus de regels van het gewest waar de rijschool of het examencentrum is gelegen toegepast worden), maar geen vrij keuzerecht om zich al dan niet te onderwerpen aan de andere scholingsaspecten van de rijopleiding dan de rijlessen bij de rijscholen en de examens bij de examencentra. Zo bestaat er volgens haar geen vrij keuzerecht ten aanzien van de verplichte vorming van begeleiders en de duurtijd van de rijopleiding, welke volgens haar een zelfstandige verplichting uitmaken. Zelfs als zij hun rijopleiding volgen in een ander gewest en hun praktisch examen daar afleggen, blijven zij onderworpen aan de bepalingen inzake de verplichte vorming voor begeleiders en de verlenging van de minimumduur van de rijopleiding. IX-9102-39/47 18.3.
  48. Luidens artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI zijn de gewesten wat het verkeersveiligheidsbeleid betreft, bevoegd voor “de reglementering inzake de scholing en examens betreffende de kennis en de vaardigheid die nodig zijn voor het besturen van voertuigen van elke categorie, met inbegrip van de organisatie en erkenningsvoorwaarden van rijscholen en examencentra en met inbegrip van het toezicht op de rijgeschiktheid van de bestuurders en de kandidaat-bestuurders die lijden aan een vermindering van hun functionele vaardigheden, met uitzondering van de federale bevoegdheid inzake het bepalen van de kennis en de vaardigheden die nodig zijn voor het besturen van voertuigen, met dien verstande dat de inwoners van een gewest vrij zijn om een rijschool te kiezen die, of examen af te leggen in een centrum dat in een ander gewest is gelegen en met dien verstande dat een in een bepaald gewest erkende rijschool eveneens in de andere gewesten werkzaam mag zijn”. In de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet Zesde Staatshervorming die artikel 6, § 1, XII, 6°, in de BWHI heeft ingevoegd, wordt deze laatste zinsnede inzake het vrije keuzerecht toegelicht als volgt (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, 146): “In het kader van de bevoegdheidsoverdracht: - mag een rijschool die erkend is in een gewest eveneens in de andere gewesten werkzaam zijn; - […] - kan elke burger een rijopleiding in een rijschool van het gewest van zijn keuze volgen, ongeacht zijn verblijfplaats; - kan elke burger zijn examen in een examencentrum van het gewest van zijn keuze afleggen, ongeacht zijn verblijfplaats.” 18.3.
  49. Zoals bij de beoordeling van het eerste middelonderdeel reeds is vastgesteld, wordt de rechtsgrond voor de verplichte vorming voor begeleiders en de verlenging van de minimumduur van de rijopleiding geboden door artikel 23, § 1, 2°, van de Wegverkeerswet. Uit de in dit artikel 23, § 1, 2°, aan de koning, thans de Vlaamse Regering, gegeven bevoegdheid blijkt dat die bevoegdheid dient te worden uitgeoefend in het kader van de scholing met het oog op de deelname aan het praktisch examen betreffende de kennis en vaardigheid die nodig zijn voor het IX-9102-40/47 besturen van voertuigen van elke categorie, waarvoor het rijbewijs wordt aangevraagd. De door de Vlaamse Regering aangenomen bepalingen moeten dan ook in het licht hiervan worden begrepen. De verplichte vorming voor begeleiders en de verlenging van de minimumduur van de rijopleiding, moeten worden geacht deel te zijn van de verplichtingen die een kandidaat moet naleven in het kader van zijn rijopleiding ter voorbereiding van het examen. Ze kunnen dan ook niet los worden gezien van dit examen. De Vlaamse Regering vermocht aldus op grond van die wettelijke bepaling, de voornoemde scholingsvoorwaarden bepalen voor de kandidaten die de opleiding in het Vlaamse Gewest volgen of daar het examen afleggen. Op grond van het vrije keuzerecht zoals gewaarborgd in artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI, mag evenwel een inwoner van het Vlaamse Gewest een rijopleiding volgen in een rijschool in een ander gewest, ongeacht zijn verblijfplaats, en mag diezelfde inwoner zijn examen afleggen in een examencentrum in een ander gewest. Wanneer die inwoner zijn rijopleiding heeft gevolgd in een ander gewest en zijn praktisch rijexamen heeft afgelegd in een ander gewest overeenkomstig de in dat gewest bepaalde voorwaarden, kunnen aan die inwoner van het Vlaamse Gewest geen andere verplichtingen meer worden opgelegd in het kader van zijn rijopleiding met het oog op de uitreiking van zijn rijbewijs. Zo zal bijvoorbeeld een inwoner van het Vlaamse Gewest die zijn voorlopig rijbewijs heeft behaald en voldoet aan de voorwaarden om het praktisch examen te mogen afleggen in het Waalse Gewest, in de huidige stand van de regelgeving reeds na drie maanden (zie artikel 8 van het koninklijk besluit rijbewijs B zoals van toepassing in het Waalse Gewest) – in plaats van pas na negen maanden (zie artikel 8, tweede lid, van het koninklijk besluit rijbewijs B zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest) – het praktisch rijexamen mogen afleggen in een examencentrum in het Waalse Gewest. IX-9102-41/47 In de mate dat het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 de verplichte vorming voor begeleiders en de verlenging van de minimumduur van de rijopleiding ook oplegt aan een inwoner van het Vlaamse Gewest die gebruik wenst te maken van het vrije keuzerecht, schendt dit besluit artikel 6, § 1, XII, 6°, BWHI.
  50. Het tweede onderdeel van het enige middel is in de aangegeven mate gegrond. De gegrondheid van het tweede onderdeel verantwoordt de vernietiging van het hele bestreden besluit. C. Derde middelonderdeel Standpunt van de partijen
  51. In het derde onderdeel van het enige middel voert de verzoekende partij aan dat het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Volgens de verzoekende partij moeten de kandidaten voor een rijbewijs B, die in het Vlaamse Gewest wonen en die kiezen voor een rijopleiding met begeleider (overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit rijbewijs B) beschikken over een begeleider die de verplichte vorming voor begeleiders heeft gevolgd en een begeleidersattest heeft verkregen bij een erkende rijschool, noodzakelijkerwijze gelegen in het Vlaamse Gewest, of bij een door het Vlaamse Gewest erkende instructeur, overeenkomstig de voorwaarden van het nieuwe hoofdstuk III/1 van het koninklijk besluit rijbewijs B, dit als voorwaarde voor de uitreiking van het voorlopig rijbewijs door de gemeente – waarvoor de federale overheid bevoegd is – terwijl dezelfde kandidaten voor een rijbewijs B die kiezen voor een rijopleiding zonder begeleider, met praktisch rijonderricht in een rijschool (overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit rijbewijs B), vrij IX-9102-42/47 kunnen kiezen voor rijonderricht in een rijschool gelegen in en erkend door een ander gewest. Hoewel zij zich bijgevolg voorbereiden op hetzelfde praktisch rijexamen, met het oog op de uitreiking van hetzelfde rijbewijs, kunnen de kandidaten voor het rijbewijs B, die in het Vlaamse Gewest wonen en die dit doen zonder begeleider vrij kiezen om dit te doen door het volgen van het vereiste praktische rijonderricht in een rijschool erkend door en gelegen in een ander gewest, terwijl dezelfde kandidaten, die dit doen met een begeleider verplicht zijn om te beschikken over een begeleider die een verplichte vorming moet volgen en een begeleidersattest moet behalen in een door het Vlaamse Gewest erkende rijschool of bij een door het Vlaamse Gewest erkende instructeur ingevolge de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni
  52. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij wat het derde middelonderdeel betreft, een exceptie op wegens gebrek aan belang. Volgens de verwerende partij is de verzoekende partij een institutionele partij die nooit de hoedanigheid van kandidaat-bestuurder of begeleider kan verwerven en die dus tot geen van de voormelde categorieën van personen behoort. De verzoekende partij is in het licht van het aangevoerde verschil in behandeling volgens haar geen houder van de waarborgen die het gelijkheidsbeginsel biedt en zij beschikt bijgevolg niet over het vereiste belang om het middelonderdeel aan te voeren.
  53. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij met verwijzing naar arrest nr. 216.703 van 6 december 2011, dat de verwerende partij ten onrechte ervan uitgaat dat zij zich niet zou kunnen beroepen op het gelijkheidsbeginsel omwille van het loutere feit dat zij tot geen van de categorieën zou behoren tussen dewelke het verschil in behandeling wordt aangevoerd. IX-9102-43/47 Voorts betoogt zij dat het gelijkheidsbeginsel moet worden beschouwd als een basisregel in een democratische rechtsstaat en als één van de fundamenten van de maatschappelijke ordening, zodat het niet louter geldt ter bescherming van de individuele burger. De toepassing ervan en de rechterlijke controle erop kunnen mogelijk niet ambtshalve gebeuren gelet op de algemene formulering ervan, doch in casu heeft de verzoekende partij bij de uiteenzetting van het middel in detail verduidelijkt in welke mate het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 het gelijkheidsbeginsel schendt. Het belang van de verzoekende partij bij het respecteren van het gelijkheidsbeginsel bestaat des te meer nu de verwerende partij met het bestreden besluit opdraagt aan de Vlaamse gemeenten om de naleving ervan te controleren bij de uitreiking van de voorlopige rijbewijzen en de rijbewijzen, zijnde een bevoegdheid dewelke deze gemeenten uitoefenen namens de federale overheid in het kader van het medebewind. De verzoekende partij stelt dat zij dan ook wel degelijk een afdoende belang heeft bij de toetsing van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 aan het gelijkheidsbeginsel. Ten slotte is dit des te meer aangezien dit middelonderdeel gelezen dient te worden in samenhang met de andere in het middel aangevoerde wetsschendingen. De verzoekende partij bekritiseert in dit middel de ongelijkheid die wordt gecreëerd door het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 tussen kandidaat-bestuurders die zich in een vergelijkbare situatie bevinden en dit ingevolge de territoriale werking van dit besluit, wat een territoriale bevoegdheidsoverschrijding uitmaakt, zoals aangetoond in het tweede middelonderdeel. IX-9102-44/47 Daar is ook aangetoond dat de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en de gewesten, met inbegrip van deze tussen de gewesten onderling, de openbare orde raakt en de verzoekende partij dan ook geen belang bij het middel moet aantonen. Beoordeling
  54. In het derde middelonderdeel voert de verzoekende partij de schending aan van het gelijkheidsbeginsel. Volgens haar wordt er een verschil in behandeling ingevoerd tussen twee categorieën van personen met woonplaats in het Vlaamse Gewest. De verzoekende partij kan de vermeende ongelijkheid niet dienstig inroepen aangezien ze in haar geval niet van toepassing is, zodat ze haar ook niet kan hebben gegriefd. Met de verwerende partij mag worden aangenomen dat zij nooit de hoedanigheid van kandidaat-bestuurder of begeleider kan verwerven. De verwijzing door de verzoekende partij naar arrest nr. 216.703 van 6 december 2011 is niet van aard om anders te oordelen nu in die zaak werd aangenomen dat de bestreden bepalingen, door de weerslag ervan op de categorie rechtzoekenden waarvoor verzoeker regelmatig optreedt, op een ongunstige wijze de marktvoorwaarden beïnvloeden waarin verzoeker zijn beroepsactiviteiten uitoefent. Een vergelijkbare doorwerking wordt door de verzoekende partij niet aangevoerd, laat staan aangetoond. Daarnaast kan nog erop worden gewezen dat anders dan de verzoekende partij dit bepleit, een schending van het gelijkheidsbeginsel de openbare orde niet raakt.
  55. Het derde middelonderdeel is niet ontvankelijk. IX-9102-45/47 VI. Handhaving van de gevolgen
  56. De Raad van State bedenkt dat de hierna uit te spreken nietigverklaring voor de betrokken rijscholen, examencentra, begeleiders en kandidaat-bestuurders een weerslag kan hebben die in bepaalde mate een handhaving van de gevolgen zou kunnen verantwoorden. De wetgever heeft echter blijkens de vervanging van artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bij artikel 3 van de wet van 20 januari 2014 ‘houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State’, uitdrukkelijk gewenst dat dit uitsluitend op verzoek van de verwerende (of tussenkomende) partij kan worden toegestaan. De verwerende partij heeft een verzoek daartoe niet geformuleerd. BESLISSING
  57. De Raad van State verleent akte van de afstand van de tussenkomst.
  58. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2017 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen en het koninklijk besluit van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, wat betreft de hervorming van de rijopleiding’.
  59. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  60. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. IX-9102-46/47 De vzw Federdrive wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9102-47/47 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.301 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.067 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.