← België

Arrest 247317 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 13/03/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.317 Rolnummer: A. 224096/X-17091 Zaak: Arrest 247317 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 13/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-13 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-26 03:13 Fiche Arrest nr 247.317 van 13 maart 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 247.317 van 13 maart 2020 in de zaak A. 224.096/X-17.091 In zake :

  1. Brecht VANDECASTEELE
  2. Geert NAERT
  3. Benny VAN ISEGHEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Elias Gits kantoor houdend te 8500 Kortrijk President Kennedypark 31 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE INGELMUNSTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Verhamme kantoor houdend te 8870 Izegem Gentseheerweg 14 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA TILIAHOF die woonplaats kiest bij de cvba United Experts gevestigd te 8900 Ieper Ter Waarde 48 eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram Van den Bunder kantoor houdend te 8580 Avelgem Kasteelstraat 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 26 december 2017, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et besluit van de gemeenteraad d.d. 26 september 2017, waarbij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Zonevreemde Recreatie’ definitief werd vastgesteld”. X-17.091-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De bvba Tiliahof heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 21 maart
  6. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. Verzoekers en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 februari
  7. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter-Jan Van De Weyer, die loco advocaat Elias Gits verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Patrick Vanhamme, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. X-17.091-2/16 III. Feiten 3.
  9. Verzoekers wonen in de onmiddellijke nabijheid van de manege, gekend als het “Tiliahof”, gelegen aan de Bruggestraat 306/A te Ingelmunster. Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgesteld gewestplan Roeselare-Tielt is de site waarop deze manege zich bevindt voor een klein deel gelegen in woongebied met landelijk karakter en voor het overgrote deel in agrarisch gebied. 3.
  10. Op 27 april 2012 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ingelmunster aan de vorige uitbater van de manege, bvba ’t Oud Molenhof, een gedeeltelijk positief planologisch attest voor de terreinen, kadastraal gekend sectie B, nrs. 0011/f, 0014/b, 0015/a en 0021/a. 3.
  11. Om reden van de complexiteit van de site en de aanwezige hinder beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ingelmunster om een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken, waarin de randvoorwaarden worden gecreëerd voor het voortbestaan van een kleinschalige manege die in de onmiddellijke omgeving inpasbaar is. 3.
  12. Op 9 juli 2014 vindt een plenaire vergadering over het voorontwerp van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Zonevreemde recreatie’ (hierna: het gemeentelijk RUP) plaats. 3.
  13. Op basis van het screeningsdossier van de verwerende partij en de uitgebrachte adviezen concludeert de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid (hierna: de dienst Mer) op 20 juni 2016 “dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is”. X-17.091-3/16 3.
  14. Op 20 december 2016 stelt de gemeenteraad van de gemeente Ingelmunster het ontwerp van het gemeentelijk RUP voorlopig vast. Het plangebied is gelegen in het noorden van de gemeente Ingelmunster, op de grens met de gemeente Meulebeke. Het bevindt zich achter een bebouwingslint langs de Bruggestraat (N50, de verbindingsweg tussen Kortrijk en Brugge) en wordt ontsloten via een private erfdienstbaarheid van uitweg die aantakt op de Bruggestraat. Aan de andere kant van deze private weg is het aannemersbedrijf Naert-Defreyne gelegen, dat opgenomen is in het sectoraal RUP ‘Zonevreemde economische activiteiten’. Omtrent de (milieu)vergunningstoestand van de kwestieuze manege wordt in de toelichting bij het gemeentelijk RUP het volgende gesteld: “Op 12 december 2016 werd een milieuvergunning klasse 2 met bijkomende voorwaarden verleend voor het exploiteren van een paardenhouderij-manege. Deze vergunning werd verleend voor een termijn van 20 jaar. De uitbreiding van de manege en ruiterschool met 1 longeerpi[st]e en 1 stapmolen werd uit de vergunning gesloten. De bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning luiden als volgt: -De evenementen (wedstrijden, ...) worden beperkt tot 6 per jaar, waarbij maximum 1 evenement per maand mag doorgaan. 1 evenement mag maximaal 2 opeenvolgende kalenderdagen omvatten. Deze evenementen worden vooraf gemeld aan het college van burgemeester en schepenen. […]”. 3.
  15. Tijdens het openbaar onderzoek, dat van 30 januari 2017 tot en met 31 maart 2017 over het ontwerp van het gemeentelijk RUP wordt georganiseerd, dienen onder meer verzoekers een bezwaarschrift in. 3.
  16. In haar zitting van 27 juni 2017 bespreekt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de gemeente Ingelmunster (hierna: de Gecoro) de adviezen en bezwaren en adviseert zij gunstig. Als antwoord op verzoekers’ bezwaren stelt zij in dit advies onder meer: “Een beperking van het aantal wedstrijden/evenementen in combinatie met een goede opvolging, handhaving, evaluatie en indien noodzakelijk een X-17.091-4/16 bijsturing van het aantal wedstrijden/evenementen moet de hinder voor de aanpalenden beperken tot het aanvaardbare. De gecoro adviseert om de beperking van het aantal activiteiten zoals voorzien in de huidige milieuvergunning als uitgangspunt te nemen en bij te sturen indien nodig. De commissie is wel van oordeel dat omtrent het aantal activiteiten/evenementen in het RUP geen uitspraak moet gedaan worden. Er kan wel opgenomen worden dat het recreatieve moet primeren”. 3.
  17. In zitting van 26 september 2017 stelt de gemeenteraad van de gemeente Ingelmunster het gemeentelijk RUP definitief vast. Dit is het bestreden besluit. 3.
  18. De site waarop de manege zich bevindt, wordt herbestemd tot de zones ‘paardenmanege met nabestemming landbouw’ (artikel 1), ‘buiteninfrastructuur voor paardenmanege met nabestemming landbouw’ (artikel 2), ‘circulatie en parking’ (artikel 3) en ‘weiland’ (artikel 4). 3.
  19. Voor de zone ‘Paardenmanege met nabestemming landbouw’ (artikel 1, bruine kleur) gelden de volgende bestemmingsvoorschriften: “1.1 Bestemming Deze zone is bestemd voor de bestaande vergunde paardenmanege met bijhorende stallen en binnenpistes. De recreatieve functie moet primeren tegenover het aantal evenementen. Als nevenbestemming is een cafetaria toegestaan. Bij het stopzetten of verdwijnen van de manegefunctie, dit is bij het bekomen van een omgevingsvergunning voor een functiewijziging naar landbouw, dienen de gebouwen met de bijhorende percelen waarop de functiewijziging betrekking heeft, terug en onomkeerbaar gebruikt te worden voor landbouwactiviteiten. Deze nabestemming landbouw gaat in voor de volledige zone. In het kader van de landbouwactiviteiten is een bedrijfswoning toegelaten. In het kader van de manege-activiteiten is een bedrijfswoning niet toegelaten.” Voor de zone ‘Buiteninfrastructuur voor paardenmanege met nabestemming landbouw’ (artikel 2, gele kleur) gelden de volgende bestemmingsvoorschriften: X-17.091-5/16 “2.1 Bestemming Deze zone is bestemd voor de buiteninfrastructuur bij de paardenmanege, in het bijzonder het plaatsen van een buitenpiste(s), longeerpiste en stapmolen. De recreatieve functie moet primeren tegenover het aantal evenementen of wedstrijden. Geen nevenbestemming toegelaten. Bij het stopzetten of verdwijnen van de manegefunctie, dit is op het tijdstip van het bekomen van een uitvoerbare omgevingsvergunning voor een functiewijziging naar landbouw, dienen de gebouwen met de bijhorende percelen waarop de functiewijziging betrekking heeft, terug en onomkeerbaar gebruikt te worden voor landbouwactiviteiten. Deze nabestemming landbouw gaat op dat tijdstip in voor de volledige zone. In de deelzone voor groenbuffer moet een groenscherm aangelegd worden.” 3.
  20. Ter verduidelijking wordt hierna het grafisch plan met benaderende aanduidingen weergegeven. Paardenmanege met nabestemming landbouw (bruin) Woning tweede verzoeker Woning eerste verzoeker ✶ Woning derde verzoeker Buiteninfrastructuur voor paardenmanege met nabestemming landbouw (geel) X-17.091-6/16 IV. Ontvankelijkheid van het beroep - belang Standpunt van de partijen 4.
  21. In hun verzoekschrift stellen verzoekers, wat hun belang betreft, dat zij allen rond de manege “Tiliahof” woonachtig zijn, waarvan de exploitatie al jarenlang hoogst problematisch is, en waarvoor het bestreden gemeentelijk RUP in een bestendiging met mogelijkheid tot uitbreiding voorziet. Zij wijzen op “geluidshinder ingevolge allerlei wedstrijden en feestjes allerhande – zowel binnen als buiten”, “een toevloed van verkeer”, “overlast van het gebruik van de op de manege aanwezige bar met bijhorend terras”, en “het voortdurend geroep, eigen aan het mennen van paarden en het geklop van wachtende paarden in de trailers”. 4.
  22. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord het belang van verzoekers. Zij werpt tegen dat verzoekers zich op hinder ten gevolge van de bestaande situatie beroepen, terwijl het gemeentelijk RUP geen bijkomende hinder zal genereren maar deze zelfs zal verkleinen, onder meer door een herinrichting van de site. Zij preciseert dat de uitbreidingswensen enkel op het plaatsen van kwalitatieve paardenboxen en de opslag van voeder, hooi en stro slaan, wat volgens haar bezwaarlijk als een uitbreiding van de manegeactiviteiten kan beschouwd worden. Met betrekking tot tweede verzoeker voert de verwerende partij bijkomend aan dat hij de vaste vertegenwoordiger en zaakvoerder van de algemene bouwonderneming bvba Naert-Defreyne is, die haar uitbreidingswensen middels een sectoraal RUP beantwoord zag, en voor de nodige mobiliteitsdruk zorgt. Deze partij heeft geen belang bij het beroep, minstens niet bij de middelen die met betrekking tot de mobiliteit opgeworpen worden. X-17.091-7/16 Eerste en derde verzoeker leveren volgens de verwerende partij evenmin het bewijs dat zij door de exploitatie persoonlijk gehinderd worden. Zij mogen geen actio popularis instellen. 4.
  23. Verzoekers benadrukken in hun memorie van wederantwoord onder meer dat het gemeentelijk RUP een bestendiging van de, in belangrijke mate onvergunde, manege inhoudt en een kader biedt voor de verderzetting van manegeactiviteiten waarvan zij menen dat de hinder ervan onvoldoende wordt beperkt. Het enkele feit dat het bedrijf van tweede verzoeker haar uitbreidingswensen met een sectoraal RUP beantwoord zag, ontneemt deze partij niet het belang om tegen het bestreden gemeentelijk RUP ten persoonlijken titel op te komen. Ten slotte wijzen zij erop dat alle verzoekers zich in het verleden al over de door de manege veroorzaakte hinder hebben beklaagd. Beoordeling 5.
  24. Verzoekers wonen in de onmiddellijke omgeving van het plangebied en hebben zich in het verleden over de door de kwestieuze manege veroorzaakte hinder beklaagd. Verzoekers hebben er belang bij om het gemeentelijk RUP, dat die manege “verdere bestaansmogelijkheden” wil bieden, hetgeen een negatieve invloed op hun leefomgeving kan hebben, in rechte te bestrijden. 5.
  25. Dat tweede verzoeker zaakvoerder is van een bedrijf waarvoor middels een ander RUP uitbreidingsmogelijkheden toegelaten worden, vermag aan zijn belang om het gemeentelijk RUP ten persoonlijken titel te bestrijden geen afbreuk te doen. 5.
  26. De exceptie is ongegrond. X-17.091-8/16 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 6.
  27. Verzoekers roepen in een eerste middel de schending in van “artikel 1.1.4 VCRO; miskenning van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Zij voeren onder meer aan dat de bestemmingsvoorschriften dat “de recreatieve functie moet primeren tegenover het aantal evenementen” (artikel 1) en dat “de recreatieve functie moet primeren tegenover het aantal evenementen of wedstrijden” (artikel 2) “hopeloos onduidelijk” zijn en niet “de minste garantie/houvast voor de omwonenden” biedt. Wat met “evenementen” precies bedoeld wordt, wordt niet uitgelegd. Daarenboven behoren wedstrijden, en mogelijks ook de bedoelde “evenementen” volgens verzoekers “alvast ook tot de functiecategorie ‘recreatie’, zodat […] niet […] goed in te zien valt hoe deze bepalingen moeten of zelfs maar kunnen begrepen worden”. De kwestieuze bepalingen leggen volgens hen niet in het minst uit hoe, en volgens welke criteria, “de oefening” dat “de recreatieve functie moet primeren” moet gemaakt worden. 6.
  28. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat het voorschrift dat de recreatieve functie tegenover het aantal evenementen of wedstrijden moet primeren, niet onduidelijk is. Niet elk gehanteerd begrip moet volgens haar gedefinieerd worden. Dat de begrippen “evenement” en “wedstrijd” niet toegelicht worden, zorgt er niet voor dat verzoekers in het ongewisse zouden gelaten worden “aangaande de bestemming en de algemene lijnen inzake de inrichting”. De verwerende partij wijst erop dat op de percelen maar twee hoofdactiviteiten mogelijk zijn: “ofwel een manege, ofwel nadien opnieuw landbouw”. Zij betoogt dat het net in antwoord op de bezwaren van onder meer X-17.091-9/16 verzoekers is dat de Gecoro heeft geadviseerd om in het gemeentelijk RUP op te nemen “dat het recreatieve moet primeren”. Verzoekers “lijken” volgens haar de bekritiseerde “noties” “afzonderlijk te willen beoordelen”, terwijl deze “natuurlijk in de totaliteit van de stedenbouwkundige voorschriften [kaderen]”. Dat in artikel 2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk RUP sprake is van “evenementen of wedstrijden” en in artikel 1 ervan alleen van “evenementen”, maakt deze voorschriften niet onwettig. De verwerende partij betoogt dat het niet nodig is om bij zaken die duidelijk zijn, toelichting te geven. Met de bekritiseerde “noties” wordt volgens de verwerende partij duidelijk aangegeven “dat de dagdagelijkse manegeactiviteiten altijd moeten primeren op het organiseren van evenementen en wedstrijden op de manege”. Dit blijkt volgens haar “overduidelijk uit zowel de bestreden beslissing als het bijhorende administratief dossier”. Zij besluit dat het “finaal de vergunningverlenende overheid [is] die moet beslissen hoeveel en hoe evenementen op de manege aanvaardbaar en verenigbaar zijn met mens en milieu”, wat met de exploitatievergunning van 16 december 2016 ook is gebeurd. 6.
  29. Verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord dat een gemeentelijk RUP in een afdoende, rechtszekere oplossing voor de vastgestelde en erkende problemen moet voorzien. Wat volgens hen niet kan, is dat het plan “geen of minstens kennelijk onafdoende en/of onduidelijke maatregelen inschrijft om de hinder/het bestemmingsconflict opgelost te zien (en/of de beoordeling dienaangaande zomaar naar het vergunningenluik doorschuift)”. Volgens verzoekers kan de verwerende partij “nog steeds niet uitleggen wat met ‘evenementen’ bedoeld wordt (schijnbaar gaat dit over iets anders dan de hinderlijke wedstrijden ?), laat staan dat zij kan uitleggen hoe het primaat van ‘het recreatieve’ opzichtens de ‘evenementen’ en wedstrijden zal moeten bepaald worden”. 6.
  30. In hun laatste memorie doen verzoekers nog gelden dat het gemeentelijk RUP niet in halfslachtige, weinig concrete en niet-rechtszekere voorschriften mag voorzien. Zij betogen dat de Gecoro wel degelijk een X-17.091-10/16 kwantitatieve beperking van de wedstrijden en evenementen noodzakelijk heeft geacht. Beoordeling 7.
  31. Het rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. Dit impliceert dat de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP op voldoende duidelijke wijze moeten geformuleerd zijn. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat de overheid haar besluiten op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden door de relevante gegevens en de op het spel staande belangen te inventariseren en deze gegevens en belangen tegen elkaar af te wegen in het licht van het doel van het besluit. Van een zorgvuldig handelende plannende overheid kan worden verwacht dat zij een rechtszekere oplossing biedt voor een door haar erkend probleem. Het kan niet worden aanvaard dat de plannende overheid een aspect dat ze zelf als een belangrijk aandachtspunt heeft erkend, onttrekt aan het besluitvormingsproces dat door de decreetgever voor een ruimtelijk uitvoeringsplan is geconcipieerd en bijvoorbeeld verschuift naar een later, onbepaald tijdstip of naar het vergunningenniveau. 7.
  32. In antwoord op een bezwaar van verzoekers, stelt de Gecoro in haar advies “[e]en beperking van het aantal wedstrijden/evenementen in combinatie met een goede opvolging, handhaving, evaluatie en indien noodzakelijk bijsturing van het aantal wedstrijden/evenementen” voorop. Dit moet volgens de Gecoro “de hinder voor de aanpalenden beperken tot het aanvaardbare”. De Gecoro adviseert vervolgens om “de beperking van het aantal activiteiten zoals voorzien in de huidige milieuvergunning als uitgangspunt te X-17.091-11/16 nemen en bij te sturen indien nodig”. Zij is evenwel “van oordeel dat omtrent het aantal activiteiten/evenementen in het RUP geen uitspraak moet gedaan worden”, maar dat ermee kan volstaan worden in de stedenbouwkundige voorschriften op te nemen “dat het recreatieve moet primeren”. 7.
  33. Gevolg gevend aan voormeld advies heeft de plannende overheid in artikel 1.1 van de stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften van het gemeentelijk RUP voor de zone ‘Paardenmanege met nabestemming landbouw’ bepaald dat “[d]e recreatieve functie moet primeren tegenover het aantal evenementen”. Voor de zone ‘Buiteninfrastructuur voor paardenmanege met nabestemming landbouw’ heeft zij in artikel 2.1 bepaald dat “[d]e recreatieve functie moet primeren tegenover het aantal evenementen of wedstrijden” (zie randnummer 3.11). 7.
  34. Vastgesteld moet derhalve worden dat de plannende overheid, in navolging van de Gecoro, een beperking van het aantal wedstrijden/evenementen, teneinde de hinder voor de aanpalenden tot het aanvaardbare te beperken, als een belangrijk aandachtspunt heeft erkend. Anders dan de verwerende partij dit ziet, maken de onder randnummer 7.3 geciteerde stedenbouwkundige voorschriften geenszins een rechtszekere en zorgvuldige oplossing voor die vastgestelde problematiek uit. Met verzoekers moet immers vastgesteld worden dat niet duidelijk is hoe moet uitgemaakt worden of de recreatieve functie primeert, en of het in dit verband bijvoorbeeld volstaat dat er meer dagen zonder dan met evenementen/wedstrijden zijn, dan wel of een en ander “ruimtegewijs” of zelfs “omzetsgewijs” moet bepaald worden. Bovendien is niet duidelijk wat onder het begrip “evenementen” moet verstaan worden, noch hoe de activiteiten “evenementen” en “wedstrijden” van de “recreatieve functie” kunnen onderscheiden worden. Dit laatste klemt nog meer nu volgens de toelichting bij het gemeentelijk RUP de zones ‘paardenmanege met nabestemming landbouw’ (artikel 1) en ‘buiteninfrastructuur voor paardenmanege met nabestemming landbouw (artikel 2), in hun geheel – en dus ook wat de evenementen en wedstrijden betreft – onder de categorie ‘recreatie’ vallen. X-17.091-12/16 7.
  35. Het betoog in de memorie van antwoord van de verwerende partij dat de geviseerde stedenbouwkundige voorschriften duidelijk aangeven “dat de dagdagelijkse manegeactiviteiten altijd moeten primeren op het organiseren van evenementen en wedstrijden op de manege”, doet niet anders besluiten. Voorts vermag verweersters betoog dat het “finaal de vergunningverlenende overheid [is] die moet beslissen hoeveel en hoe evenementen op de manege aanvaardbaar en verenigbaar zijn met mens en milieu”, evenmin de onduidelijkheid van de geviseerde voorschriften te verhelpen. Zoals gezien (randnummer 7.1) mag de oplossing voor een door de plannende overheid zelf vastgestelde problematiek bovendien niet naar het vergunningenniveau doorgeschoven worden. 7.
  36. Gezien het voormelde moet een schending van het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel aangenomen worden. 7.
  37. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 8.
  38. Verzoekers roepen in een tweede middel de schending in van artikel 4.2.3 van het decreet algemene bepalingen milieubeleid (hierna: DABM), alsook van het materiëlemotiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij zetten onder meer uiteen dat de in de planmilieueffecterapportscreening (hierna: de plan-MER-screening) vooropgestelde beperking van een maximum van zes evenementen per jaar, met een maximum van één evenement per maand, in de stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk RUP geen vertaling vindt. Zoals in het eerste middel uiteengezet, komt de plannende overheid niet verder dan het voorschrift dat “de recreatieve functie moet primeren op het aantal X-17.091-13/16 evenementen/wedstrijden”. Van een maximaal aantal “evenementen” “per jaar/per maand is uiteindelijk geen sprake. Dit werd finaal ogenschijnlijk niet opportuun geacht”. Volgens verzoekers ligt dan ook geen afdoende plan-MER- screening voor: “de screening dekt de lading van het uiteindelijk RUP niet”. 8.
  39. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat verzoekers de inhoud van de plan-MER-screening en de ontheffingsbeslissing van de dienst Mer niet betwisten, zodat onduidelijk is hoe artikel 4.2.3 DABM zou geschonden zijn. Verzoekers gaan er voorts ten onrechte van uit dat de plan- MER-screeningsnota milderende maatregelen oplegt die in de stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk RUP niet zijn doorvertaald. Voormelde nota stelt volgens de verwerende partij ook niet dat “de grote evenementen” tot zes per jaar moeten beperkt worden, maar wel dat in het kader van het gemeentelijk RUP geen uitspraak moet worden gedaan over het aantal toegestane evenementen. Het is aan de vergunningverlenende overheid om een inrichting op haar “verenigbaarheid met de ruimtelijke draagkracht” te beoordelen, hetgeen ook de mening van de Gecoro was. 8.
  40. Verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord en laatste memorie nog dat het onderzoek van de milieueffecten en de daarop gebaseerde ontheffing de lading niet dekt. Beoordeling 8.
  41. De verwerende partij geeft in haar memorie van antwoord zelf aan dat de plan-MER-screeningsnota met betrekking tot de beoordeling van de discipline mobiliteit onderzoek heeft gevoerd naar een exploitatie waarbij “[t]ijdens bepaalde weekends (ca. 6 weekends per jaar) […] zo’n 150 à 200 bezoekers per dag naar de manege [komen]”. Wat de discipline “licht en geluid” betreft, is er in de plan-MER-screeningsnota rekening mee gehouden dat “[z]esmaal per jaar, met maximum van één per maand, een groter evenement (horseball, jumping,...) [wordt] georganiseerd”. Bij de beoordeling van de “mogelijke aanzienlijke milieueffecten” blijkt de plan-MER-screeningsnota er X-17.091-14/16 derhalve van uit te gaan dat jaarlijks niet meer dan zes evenementen zullen plaatsvinden. Mede op grond van deze kwantitatieve beperking besluit de plan- MER-screeningsnota, wat de aspecten “mobiliteit” en “licht en geluid” betreft, tot een “gering effect” en concludeert zij finaal “dat er weinig tot geen relevante effecten zijn beschreven”. 8.
  42. De voormelde kwantitatieve beperking, waar de plan-MER- screeningsnota met betrekking tot de disciplines “mobiliteit” en “licht en geluid” van uitgaat, is niet voorzien in de stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften van het gemeentelijk RUP. Deze vereisen enkel dat “[d]e recreatieve functie moet primeren tegenover het aantal evenementen” (artikel 1.1) en dat “[d]e recreatieve functie moet primeren tegenover het aantal evenementen of wedstrijden” (artikel 1.2). 8.
  43. Het besluit is dat er een essentieel verschil bestaat tussen de artikelen 1.1 en 1.2 van de stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften van het gemeentelijk RUP en de kwantitatieve beperking waar de plan-MER- screeningsnota en de daarop gebaseerde ontheffingsbeslissing van de dienst Mer van uitgaan. Het wijst uit dat de plannende overheid de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht geschonden heeft. 8.
  44. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  45. De Raad van State vernietigt het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Ingelmunster van 26 september 2017 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Zonevreemde Recreatie’.
  46. Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. X-17.091-15/16
  47. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan verzoekers. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.091-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.317 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.