← België

Arrest 247335 - Overheidsopdrachten - 26/03/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.335 Rolnummer: A. 230321/XII-8873 Zaak: Arrest 247335 - Overheidsopdrachten - 26/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-26 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-26 03:15 Fiche Arrest nr 247.335 van 26 maart 2020 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 247.335 van 26 maart 2020 in de zaak A. 230.321/XII-8873 In zake: de BV JACOBS DOUWE EGBERTS PRO BE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Youri Musschebroeck en Virginie Dor kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 178 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NV HAVENBEDRIJF ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe, Ian Arnouts en Daan Willems kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 26 februari 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de “beslissing d.d. 12 februari 2020 van Havenbedrijf Antwerpen om de opdracht met als voorwerp ‘Raamovereenkomst voor huur toestellen warme dranken en levering van toebehoren voor bemande dienstgebouwen verspreid in het Antwerpse havengebied’ niet te betekenen, de gunning te annuleren en deze opdracht later opnieuw aan te besteden en dit ingevolge een onvrijwillige administratieve onjuistheid in de procedure.”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. XII-8873-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020, om 10.30 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaat Anthony Poppe die, loco advocaten Virginie Dor en Youri Musschebroeck verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten David D’Hooghe en Daan Willems die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor leveringen uit voor een “[r]aamovereenkomst voor huur toestellen warme dranken en levering van toebehoren voor bemande dienstgebouwen verspreid in het Antwerpse havengebied”. De raamovereenkomst heeft een looptijd van vijf jaar. De opdracht wordt geplaatst met een onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging. 3.
  5. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen op 17 januari 2019 en in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie op 18 januari
  6. 3.
  7. Zes offertes worden ontvangen, onder wie deze van de bv Jacobs Douwe Egberts Pro BE en de nv Selecta Belgium. XII-8873-2/14 Vijf inschrijvers dienen een BAFO in. Enkel de nv Selecta Belgium dient geen BAFO in. 3.
  8. Op 26 november 2019 neemt de verwerende partij een gemotiveerde gunningsbeslissing die het gunningsverslag bevat. In deze beslissing wordt opgemerkt: “Wegens het niet verkrijgen van een BAFO dossier van de firma Selecta worden zij niet weerhouden bij de gunning, alsook onthouden van verdere evaluatie in dit gunningsverslag.” Na onderzoek van de vijf ingediende BAFO’s wordt er voorgesteld om de opdracht te gunnen aan de bv Jacobs Douwe Egberts Pro BE voor een bedrag van 138.505,20 euro per jaar, btw niet inbegrepen. 3.
  9. Met aangetekende brieven en e-mailberichten van 26 november 2019 geeft de verwerende partij kennis aan de bv Jacobs Douwe Egberts Pro BE dat de opdracht aan haar werd gegund, en aan de nv Selecta Belgium van het feit dat de opdracht aan een andere inschrijver werd gegund. 3.
  10. Met een aangetekend schrijven en een e-mailbericht van 3 december 2019 richten de raadslieden van de nv Selecta Belgium een ingebrekestelling aan de verwerende partij en vragen zij om de gunningsbeslissing in te trekken. Zij wijzen er op dat de nv Selecta Belgium “nooit een uitnodiging tot het indienen van een BAFO [heeft] gekregen, noch per mail, noch per (aangetekende) brief”. 3.
  11. De verwerende partij dient een klacht in bij Bpost, die deze kwestie onderzoekt. Bpost erkent vervolgens in een e-mailbericht van 5 december 2019 dat er een fout is begaan ten aanzien van de verwerende partij “bij de uitreiking van [haar] zendingen”. 3.
  12. Op 6 december 2019 beslist de verwerende partij om de gunningsbeslissing in te trekken. Deze intrekking wordt onder meer als volgt gemotiveerd: XII-8873-3/14 “Bij besluit nr. 191631 van het directiecomité van 26 november 2019 werd de opdracht gegund aan de firma Jacobs Douwe Egberts. De brieven niet-gunning en de brief informatie gunning werden op 26 november 2019 aan de inschrijvers verzonden. De stand still periode loopt tot 13 december
  13. Op 3 december 2019 wordt er een brief ontvangen van Advocatenbureau Equator, zij treden op in naam van de firma Selecta Belgium NV. In deze brief wordt meegedeeld dat de firma de vraag tot indienen van een BAFO niet had ontvangen en er wordt ook meegedeeld dat men de intentie heeft een verzoekschrift bij de Raad van State in te dienen om zich te verzetten tegen de gunning. De situatie werd onderzocht en er is onder meer gebleken dat de aangetekende zending met de vraag tot BAFO bij Bpost verloren is gegaan. Er werd, in overleg met CA/LA, advies ingewonnen bij advocatenkantoor Stibbe. Teneinde een procedure voor de Raad van State te vermijden, is het aangewezen de huidige gunningsbeslissing op heel korte termijn in te trekken en ons vervolgens te beraden hoe het traject kan worden verder gezet, al dan niet binnen dezelfde aanbesteding.” 3.
  14. Met een aangetekend schrijven en een e-mailbericht van 6 december 2019 deelt de verwerende partij mee aan de bv Jacobs Douwe Egberts Pro BE dat de gunningsbeslissing werd ingetrokken “gezien het Havenbedrijf Antwerpen tijdens de stand still periode gewezen werd op een onvrijwillige administratieve onjuistheid”. 3.
  15. Op 12 februari 2020 beslist de verwerende partij om de plaatsingsprocedure stop te zetten. Deze stopzettingsbeslissing wordt onder meer als volgt gemotiveerd: “Bij besluit nr. 191631 werd deze opdracht op 26 november 2019 gegund aan de firma Jacobs Douwe Egberts en ging de stand still periode in (deze liep tot 13 december 2019). De brieven niet-gunning en de brief informatie-gunning werden op 26 november 2019 aan de inschrijvers verzonden. Op 3 december 2019 werd er een brief ontvangen van het Advocatenbureau Equator, zij traden op in naam van de firma Selecta Belgium NV. In deze brief wordt meegedeeld dat de firma de vraag tot indienen van een BAFO niet had ontvangen en er wordt ook meegedeeld dat men de intentie heeft een verzoekschrift bij de Raad van State in te dienen om zich te verzetten tegen de gunning. Teneinde een procedure voor de Raad van State te vermijden, werd op 6 december 2019 beslist om de gunningsbeslissing in te trekken (zie dc-besluit nr. 191809). Op 6 december 2019 werden de inschrijvers formeel in kennis gesteld dat de gunningsbeslissing werd ingetrokken. XII-8873-4/14 Het verdere verloop van de procedure werd intern uitvoerig besproken. Tevens werd er advies ingewonnen bij advocatenkantoor Stibbe. Ingevolge de onvrijwillige administratieve onjuistheid in deze procedure is het Havenbedrijf Antwerpen van oordeel dat de aanbestedingsprocedure dient te worden stopgezet.” Dit is de thans bestreden beslissing. 3.
  16. Met een aangetekend schrijven en een e-mailbericht van 12 februari 2020 geeft de verwerende partij de verzoekende partij kennis van het volgende: “Hiermee melden wij u dat wij uw offerte niet weerhouden, aangezien ons bestuur op 12 februari 2020 besliste de opdracht met als voorwerp ‘Raamovereenkomst voor huur toestellen warme dranken en levering van toebehoren voor bemande dienstgebouwen verspreid in het Antwerpse havengebied’ niet te betekenen, de gunning te annuleren en deze opdracht later opnieuw aan te besteden en dit ingevolge een onvrijwillige administratieve onjuistheid in de procedure.” IV. Regelmatigheid van de rechtspleging 4.
  17. Op 11 maart 2020, daags vóór de terechtzitting, legt de verzoekende partij een brief en aanvullende stukken neer in repliek op de nota met opmerkingen. 4.
  18. In een dergelijke brief en het indienen van aanvullende stukken door de verzoekende partij is in beginsel niet voorzien in de procedureregeling. De betrokken stukken kunnen dan ook enkel als inlichting in aanmerking worden genomen, in zoverre zij de neerslag vormen van een mondelinge argumentatie ter terechtzitting. De Raad van State neemt er akte van dat de verwerende partij zich ter terechtzitting niet verzet tegen de neerlegging van de aanvullende stukken. XII-8873-5/14 V. Schorsingsvoorwaarden 5.
  19. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 5.
  20. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ van toepassing (hierna: de wet van 17 juni 2013). Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. VI. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  21. De verzoekende partij voert in het verzoekschrift in een enig middel de schending aan van artikel 153, 4°, tezamen genomen met artikel 85, van XII-8873-6/14 de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), alsook van artikel 13 van dezelfde wet, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “inzonderheid het redelijkheidsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het mededingingsbeginsel, de materiële en formelemotiveringsplicht”, en van de artikelen 4, 9º, 5, 10º en 8, van de wet van 17 juni
  22. Zij vat het middel zelf als volgt samen: “Doordat Havenbedrijf Antwerpen besliste om de opdracht met als voorwerp ‘Raamovereenkomst voor huur toestellen warme dranken en levering van toebehoren voor bemande dienstgebouwen verspreid in het Antwerpse havengebied’, ‘niet te betekenen, de gunning te annuleren en deze opdracht later opnieuw aan te besteden en dit ingevolge een onvrijwillige administratieve onjuistheid in de procedure’; dat deze beslissing verband zou houden met het feit dat Selecta een eerste offerte heeft ingediend, maar geen BAFO. Terwijl (eerste onderdeel) de beslissing om af te zien van de plaatsing van een opdracht gebaseerd moet zijn op werkelijke en wettelijk aanvaardbare redenen; dat een ‘administratieve onjuistheid’ geen deugdelijk motief is op basis waarvan de procedure kan worden stopgezet; dat een dergelijke beslissing ook de grenzen van de redelijkheid en de proportionaliteit overschrijdt, aangezien de concurrenten van [de verzoekende partij] via het gunningsrapport kennis hebben kunnen nemen van de door [de verzoekende partij] ingediende prijzen; dat er ook sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel en het mededingingsbeginsel, aangezien ook Selecta, hoewel zij geen BAFO heeft neergelegd, via het gunningsrapport kennis heeft kunnen nemen van de door [de verzoekende partij] in haar BAFO aangeboden prijzen, terwijl [de verzoekende partij] geen kennis heeft van de prijzen die Selecta zou hebben aangeboden in een BAFO (indien zij een BAFO had neergelegd). Terwijl (tweede onderdeel) de beslissing om af te zien van de plaatsing van een opdracht de juridische en feitelijke motieven van de beslissing van de aanbestedende instantie moet bevatten; dat het in deze zaak niet duidelijk is waarom het Havenbedrijf Antwerpen exact afziet van de plaatsing van de opdracht; dat een ‘administratieve onjuistheid’ weinig betekenisvol is en niet toelaat te begrijpen welke motieven de beslissing eigenlijk zouden moeten schragen. Zodat de beslissing van 12 februari 2020 de bovenvermelde bepalingen schendt.” XII-8873-7/14 Beoordeling
  23. In de twee onderdelen van het enig middel betwist de verzoekende partij de rechtsgeldigheid van de beslissing tot stopzetting van de plaatsingsprocedure.
  24. Overeenkomstig artikel 85 van de wet overheidsopdrachten 2016 houdt het volgen van een plaatsingsprocedure geen verplichting in tot het gunnen of het sluiten van de opdracht. De aanbestedende overheid kan zowel afzien van het gunnen of het sluiten van de opdracht als de procedure herbeginnen, desnoods op een andere wijze.
  25. De plaatsing van een overheidsopdracht strekt ertoe te voldoen aan de behoeften van de aanbestedende overheid. Er dient dan ook te worden verondersteld dat de aanbestedende overheid in principe over een aanzienlijke beoordelingsruimte beschikt bij het nemen van een beslissing om een plaatsingsprocedure stop te zetten. De Raad van State mag zich niet in de plaats stellen van de aanbestedende overheid maar mag desgevraagd wel nagaan of die beslissing met de vereiste zorgvuldigheid is gebeurd en berust op voldoende veruitwendigde en draagkrachtige motieven. Eerste middelonderdeel
  26. In het eerste middelonderdeel bekritiseert de verzoekende partij in de eerste plaats het materiële motief waarop de stopzettingsbeslissing berust. Volgens de verzoekende partij kan een ‘administratieve onjuistheid’ geen deugdelijk motief vormen om de plaatsingsprocedure stop te zetten.
  27. Te dezen lijkt uit het administratief dossier te kunnen worden afgeleid dat de stopzettingsbeslissing steunt op het feit dat Bpost erin heeft gefaald om aan één van de inschrijvers die een offerte had ingediend, de aangetekende zending te bezorgen met daarin de uitnodiging om een BAFO in te dienen. Aldus heeft deze inschrijver, geheel tegen de bedoeling van de aanbestedende overheid XII-8873-8/14 in, niet de kans gekregen om een BAFO in te dienen tijdens het geijkte verloop van de plaatsingsprocedure. Door deze “administratieve onjuistheid” werd de door artikel 4 van de wet overheidsopdrachten 2016 opgelegde gelijke en niet-discriminerende behandeling van de inschrijvers onherroepelijk en onherstelbaar verbroken. De beslissing om de aldus gebrekkig geworden plaatsingsprocedure stop te zetten en een nieuwe plaatsingsprocedure te organiseren voor de betrokken opdracht, vormt reeds op het eerste gezicht – en anders dan de verzoekende partij het ziet – geen maatregel die in strijd is met de geschonden geachte beginselen van redelijkheid, proportionaliteit, gelijkheid en mededinging. De verwerende partij moet worden bijgevallen waar zij in haar nota betoogt dat zij te dezen geen andere keuze had dan de plaatsingsprocedure stop te zetten. De verzoekende partij maakt alleszins niet aannemelijk in haar betoog welke opties er nog open stonden aan de aanbestedende overheid behalve het herbeginnen van de plaatsingsprocedure. Het lijkt aldus niet dat het betrokken motief de stopzettingsbeslissing niet in rechte of in feite zou kunnen dragen. Het feit dat door een omstandigheid buiten de wil van de aanbestedende overheid de gelijkheid onder de inschrijvers werd verbroken en dat de aanbestedende overheid deze ongelijkheid wil herstellen, lijkt wel degelijk een goede grond te kunnen vormen om een plaatsingsprocedure stop te zetten en te herbeginnen.
  28. De argumentatie van de verzoekende partij gesteund op het feit dat de inschrijvers, ingevolge de kennisgeving van de aanvankelijke gunningsbeslissing met daarin het gunningsverslag, te dezen kennis hebben gekregen van elkaars prijzen, lijkt geen afbreuk te doen aan het voorgaande. De betrokken mogelijke concurrentieverstoring lijkt geen euvel dat de bestreden beslissing in haar rechtmatigheid kan hebben aangetast, nu dat gegeven in voorkomend geval slechts pertinent kan worden in een volgende plaatsingsprocedure. XII-8873-9/14
  29. De aanvullende stukken die de verzoekende partij in de namiddag voor de terechtzitting neerlegt, lijken niet relevant en leiden prima facie niet tot een ander besluit. Het betreffen e-mailberichten door de verwerende partij gericht aan de verzoekende partij, met addenda op het bestek en concrete vragen over haar offerte.
  30. Ter terechtzitting erkent de verwerende partij dat de uitnodiging om een BAFO in te dienen ook per e-mailbericht werd verzonden aan de nv Selecta Belgium, maar wel aan een verkeerd e-mailadres. De verwerende partij legt een afschrift voor van de betrokken e-mailberichten. Hieruit blijkt dat de verwerende partij zelfs een volledig verschillend e-mailadres heeft gebruikt dan datgene, opgegeven in de offerte van de nv Selecta Belgium, een adres dat zelfs niet behoort tot de domeinnaam van de betrokken onderneming. Daargelaten de vraag of de betrokken toezending louter per e-mailbericht te dezen had volstaan, lijkt de verwerende partij zich aldus zelf ook aan een administratieve vergissing te hebben bezondigd. In dit verband mag er op worden gewezen dat zowel de stukken van de verzoekende partij als de stukken van de verwerende partij in elk geval louter een toezending ter informatie per e-mailbericht betreffen van een brief die in de eerste plaats per aangetekend schrijven aan de verzoekende partij en de nv Selecta Belgium werd toegezonden. De aanvullende stukken ondermijnen dan ook niet, minstens niet prima facie, dat de uitnodiging van de inschrijvers voor het indienen van een BAFO te dezen primair per aangetekende brief lijkt te zijn gebeurd. Uit het administratief dossier mag alleszins niet worden besloten dat de nv Selecta Belgium de uitnodiging zou hebben ontvangen om een BAFO in te dienen.
  31. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen. XII-8873-10/14 Tweede middelonderdeel
  32. In het tweede middelonderdeel bekritiseert de verzoekende partij de formele motivering van de stopzettingsbeslissing, volgens de verzoekende partij volstaat een verwijzing naar een “administratieve onjuistheid” niet. Er dient te worden opgemerkt dat de verzoekende partij in het verzoekschrift louter de kennisgeving van de bestreden beslissing blijkt te bekritiseren, en niet de eigenlijke bestreden beslissing zelf. Het stuk dat zij bij het verzoekschrift voegt als bestreden beslissing betreft inderdaad reeds op het eerste gezicht slechts de kennisgevingsbrief. In die kennisgeving is inderdaad enkel sprake van een stopzetten en het herbeginnen van de plaatsingsprocedure “ingevolge een onvrijwillige administratieve onjuistheid in de procedure”. Dat lijkt op het eerste gezicht geen afdoende motivering. Die formulering is reeds prima facie te vaag om betekenisvol te zijn en daarmee kan in principe zelfs om het even welk gebrek in de plaatsingsprocedure worden bedoeld. De bestreden stopzettingsbeslissing zelf blijkt daarentegen de volgende – veel uitvoerigere – motivering te bevatten: “Bij besluit nr. 191631 werd deze opdracht op 26 november 2019 gegund aan de firma Jacobs Douwe Egberts en ging de stand still periode in (deze liep tot 13 december 2019). De brieven niet-gunning en de brief informatie-gunning werden op 26 november 2019 aan de inschrijvers verzonden. Op 3 december 2019 werd er een brief ontvangen van het Advocatenbureau Equator, zij traden op in naam van de firma Selecta Belgium NV. In deze brief wordt meegedeeld dat de firma de vraag tot indienen van een BAFO niet had ontvangen en er wordt ook meegedeeld dat men de intentie heeft een verzoekschrift bij de Raad van State in te dienen om zich te verzetten tegen de gunning. Teneinde een procedure voor de Raad van State te vermijden, werd op 6 december 2019 beslist om de gunningsbeslissing in te trekken (zie dc-besluit nr. 191809). Op 6 december 2019 werden de inschrijvers formeel in kennis gesteld dat de gunningsbeslissing werd ingetrokken. XII-8873-11/14 Het verdere verloop van de procedure werd intern uitvoerig besproken. Tevens werd er advies ingewonnen bij advocatenkantoor Stibbe. Ingevolge de onvrijwillige administratieve onjuistheid in deze procedure is het Havenbedrijf Antwerpen van oordeel dat de aanbestedingsprocedure dient te worden stopgezet.” Aldus blijkt de bestreden beslissing zelf uitdrukkelijk te verwijzen naar het feit dat volgens de nv Selecta Belgium, zij de vraag tot het indienen van een BAFO niet had ontvangen en dat dit feit de onvrijwillige administratieve onjuistheid is die aan de stopzetting van de plaatsingsprocedure ten grondslag ligt. Er wordt in de bestreden beslissing overigens uitdrukkelijk verwezen naar de eerder genomen intrekkingsbeslissing, in welke beslissing er nog nader wordt uiteengezet dat “[d]e situatie werd onderzocht en er […] onder meer [is] gebleken dat de aangetekende zending met de vraag tot BAFO bij Bpost verloren is gegaan”. De in de bestreden beslissing uitgedrukte motivering lijkt reeds op het eerste gezicht wel degelijk te volstaan om de stopzetting van de plaatsingsprocedure zowel in rechte als in feite te dragen. In zoverre het middel betrekking heeft op het ontoereikend zijn van de in de kennisgeving uitgedrukte motieven, betreft het een onvolkomenheid in de handelwijze van de verwerende partij na het nemen van de bestreden beslissing, die niet tot het vaststellen van de onwettigheid van de bestreden beslissing zelf kan leiden. Zoals hierna nog zal blijken, lijkt deze tekortkoming door de aanbestedende overheid wel nog relevant voor het bepalen en het ten laste leggen van de kosten van het geding.
  33. De nieuwe invulling, ter terechtzitting, van het tweede middelonderdeel – schorsing om tot een beter gemotiveerde stopzettingsbeslissing te komen – lijkt prima facie niet ontvankelijk. De verzoekende partij heeft immers in het kader van de huidige procedure kennis kunnen nemen van de relevante stukken van het administratief dossier en de achterliggende beweegreden van de XII-8873-12/14 stopzetting. Er blijkt niet hoe een beter uitgeschreven stopzettingsbeslissing de verzoekende partij een stap dichter zou brengen bij het zelf mogen uitvoeren van de betrokken opdracht, wat toch mag worden geacht haar uiteindelijke einddoel met de voorliggende vordering te zijn.
  34. Het tweede middelonderdeel wordt verworpen als niet ernstig. VII. Besluit
  35. Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen. VIII. Kosten
  36. Er dient te worden vastgesteld dat overeenkomstig artikel 9 van de wet van 17 juni 2013, de aanbestedende overheid ertoe gehouden is onmiddellijk na het nemen van de beslissing om af te zien van het plaatsen van de opdracht en, in voorkomend geval, een nieuwe plaatsingsprocedure uit te schrijven, de gemotiveerde beslissing mee te delen aan de betrokken kandidaten, deelnemers en inschrijvers. Het lijkt niet dat de aanbestedende overheid zulks te dezen heeft gedaan. Er werd wel niet aangetoond dat de motivering in de bestreden beslissing zelf niet afdoende zou zijn, maar deze beslissing werd niet onmiddellijk meegedeeld aan de verzoekende partij, op de wijze zoals vereist door de wet. Aldus blijkt de verzoekende partij de vordering te hebben moeten instellen op zicht van de kennisgeving en de daarin uitgedrukte motivering, die, zoals reeds opgemerkt, niet lijkt te volstaan om haar afdoende te informeren over de concrete beweegredenen achter de stopzetting. In dat licht is het passend om de kosten van het geding te dezen ten laste van de verwerende partij te leggen. XII-8873-13/14
  37. Beide partijen vragen om hun een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. Er werd vastgesteld dat er geen grond is om de bestreden beslissing in haar tenuitvoerlegging te schorsen. Aldus lijkt de verzoekende partij te dezen niet als in het gelijk gesteld te mogen worden beschouwd. Gelet op haar tekortkoming om de bestreden beslissing op de wettelijk voorgeschreven wijze mee te delen, kan de verwerende partij te dezen evenmin als een in het gelijk gestelde partij in de zin van artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, worden beschouwd, zodat er ook geen grond is om aan haar een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. BESLISSING
  38. De Raad van State verwerpt de vordering.
  39. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een bijdrage van 20 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-8873-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.335 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.