← België

Arrest 247341 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/03/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.341 Rolnummer: A. 226318/XIV-37832 Zaak: Arrest 247341 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-27 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-26 03:16 Fiche Arrest nr 247.341 van 27 maart 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.341 van 27 maart 2020 in de zaak A. 226.318/XIV-37.832 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Hardy kantoor houdend te 1400 Nijvel rue des Brasseurs 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carmenta Decordier en Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A alwaar woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 28 september 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 208.359 van 28 augustus 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 13.085 van 6 december
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.832-1/6 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 januari
  4. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marie-El-Khoury, die loco advocaat Julien Hardy verschijnt voor verzoekster, en advocaat Emeline Willems, die loco advocaten Carmenta Decordier en Tine Bricout verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Verzoekster dient op 28 augustus 2017 een aanvraag in voor een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie, met name in functie van haar Belgisch minderjarig kind. XIV-37.832-2/6 Op 16 februari 2018 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie in hoofde van verzoekster een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden zonder bevel om het grondgebied te verlaten. Tegen die beslissing stelt verzoekster op 27 maart 2018 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 28 augustus 2018 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring. Dit is het bestreden arrest. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging – pleitnota
  7. Met een faxbericht van 16 januari 2020 wil verzoekster “schriftelijk meedelen wat er werd gepleit”. Zij beschouwt dit als een “pleitnota”. Daargelaten de vaststelling dat het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ niet voorziet in de mogelijkheid om een pleitnota als een processtuk neer te leggen, heeft verzoekster dit stuk slechts ingediend na het sluiten van het debat en het in beraad nemen van de zaak. Het vormt enkel de neerslag van verzoeksters mondelinge uiteenzetting ter terechtzitting. Bijgevolg wordt dit stuk uit het debat geweerd. V. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep – belang.
  8. Met een brief van haar raadsman van 11 december 2019 deelt de verwerende partij aan de Raad van State mee dat verzoekster op 24 april 2019 in het bezit werd gesteld van een F-kaart, geldig tot 12 april
  9. Volgens de verwerende partij beschikt verzoekster daarom niet langer over een actueel belang bij het huidige cassatieberoep. XIV-37.832-3/6 Op de ter terechtzitting gestelde vraag naar verzoeksters actueel belang, verklaart haar raadsman dat verzoekster nog steeds over het vereiste belang beschikt vermits de erkenning van haar verblijfsrecht thans geldt vanaf het indienen van haar laatste aanvraag en niet vanaf haar eerste aanvraag. Zij acht dit van belang omdat de mogelijkheid om in de toekomst de erkenning van een duurzaam verblijfsrecht of de Belgische nationaliteit te verwerven mede afhangt van de duur van haar wettig verblijf op het grondgebied. Indien haar verblijf pas wettig is vanaf een latere datum dan de eerste aanvraag, zal zij langer moeten wachten alvorens aanspraak te kunnen maken op een duurzaam verblijfsrecht of de Belgische nationaliteit. Verzoekster verwijst naar het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 212.980 van 27 november
  10. Zij besluit dat na een gebeurlijke cassatie van het bestreden arrest, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aanvankelijk bestreden beslissing zal kunnen vernietigen, waarna de verwerende partij alsnog zal moeten beslissen over verzoeksters eerste aanvraag.
  11. De voorwaarde van het belang bij een administratief cassatieberoep bestaat hierin dat een verzoeker, na een gebeurlijke vernietiging van de door hem bestreden jurisdictionele beslissing, enig voordeel moet kunnen putten uit een gebeurlijk nieuw onderzoek van de zaak door het administratief rechtscollege. Het belang bij een cassatieberoep voor de Raad van State moet niet enkel bestaan bij het instellen van dat beroep maar ook gedurende de gehele procedure, tot op het ogenblik van de uitspraak. Het kan teloorgaan door omstandigheden die zich in de loop van het geding voordoen.
  12. Vermits verzoekster te dezen het beoogde verblijfsrecht voor onbeperkte duur heeft verkregen, geeft zij geen blijk van een actueel belang bij de cassatie van het bestreden arrest, waarmee haar vordering tot schorsing en haar beroep tot nietigverklaring tegen de aanvankelijk bestreden beslissing werden XIV-37.832-4/6 verworpen. Na een eventuele cassatie zou verzoekster immers geen voordeel kunnen putten uit een nieuw onderzoek van de wettigheid van de weigering van haar eerste aanvraag, vermits zij inmiddels op grond van een tweede aanvraag werd toegelaten tot het oorspronkelijk gevraagde verblijf voor onbepaalde duur. Het feit dat verzoeksters verblijfsrecht met de tweede aanvraag werd erkend vanaf een latere datum dan met de eerste aanvraag het geval zou zijn geweest, doet geen afbreuk aan het voorgaande. De partijen betwisten niet dat verzoeksters tweede aanvraag hetzelfde voorwerp had als haar eerste aanvraag. Een verblijfsrecht dat is erkend en waarvoor een verblijfskaart is afgegeven, kan geen tweede maal worden erkend en er kan evenmin een tweede verblijfskaart voor worden gegeven. Verzoekster heeft er zelf voor gekozen een tweede aanvraag in te dienen en niet de uitkomst van de door haar ingestelde rechtsmiddelen met betrekking tot de weigering van de eerste aanvraag af te wachten. De aanvankelijk bestreden beslissing betreft ook niet de intrekking of beëindiging van een reeds toegelaten verblijf. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het door verzoekster aangehaalde arrest tot behoud van het belang heeft besloten, vormt geen bindend precedent, a fortiori niet voor de Raad van State. Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk. VI. Kosten van het geding – begroting van de rechtsplegingsvergoeding
  13. Vermits de toelating tot verblijf niet werd verkregen op grond van de aanvraag die tot het bestreden arrest heeft geleid, dienen de kosten ten laste van verzoekster te worden gelegd. De door de verwerende partij gevorderde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro wordt met toepassing van artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State herleid tot 140 euro. XIV-37.832-5/6 BESLISSING
  14. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  15. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.832-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.341 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.