← België

Arrest 247342 - Penitentiair recht - 27/03/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.342 Rolnummer: A. 229614/XIV-38200 Zaak: Arrest 247342 - Penitentiair recht - 27/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-27 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-26 03:16 Fiche Arrest nr 247.342 van 27 maart 2020 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 247.342 van 27 maart 2020 in de zaak A. 229.614 /XIV-38.200 In zake: Bart PICKEUR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Helena Severijns kantoor houdend te 3001 Heverlee Tervuursesteenweg 133 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie woonplaats kiezend te 1000 Brussel Waterloolaan 115 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 22 november 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de “tuchtbeslissing van 5 november 2019 waarbij verzoeker als tuchtsanctie en 15 dagen afzondering kreeg opgelegd van 06.11.2019 tot 20.11.2019 […] en als gevolg van deze tuchtbeslissing vanaf 21.11.2019 drie maanden in het tussenregime zal moeten verblijven […].” II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. XIV-38.200-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 maart
  3. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Helena Severijns, die verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, geco- ördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker verblijft in de gevangenis van Leuven Centraal. 3.
  6. Op 3 november 2019 wordt ten aanzien van verzoeker een ob- servatienota geschreven. Volgens die nota liep verzoeker instabiel, had de neiging omver te vallen en probeerde zich staande te houden aan de trapleuning. Over- eenkomstig de vaststellingen van het bewakingspersoneel gaf verzoeker de indruk onder invloed te zijn. 3.
  7. De volgende dag, op 4 november 2019, wordt een nieuwe ob- servatienota geschreven. Deze vermeldt dat verzoeker die zich op de rechtbank moest aanmelden, om 08.00 uur nog moest worden gewekt en zich in een roes leek te bevinden. De observatienota heeft het verder over groot openstaande pupillen en veel grootspraak. XIV-38.200-2/7 3.
  8. Er wordt aan verzoeker meegedeeld dat een tuchtprocedure wordt opgestart na onderzoek van het rapport dat op 3 november 2019 lastens verzoeker werd opgesteld en dat hij op 5 november zal worden gehoord. Er wordt geen melding gemaakt van de observatienota van 4 november
  9. Verzoeker wenst geen beroep te doen op een advocaat. 3.
  10. Op 5 november 2019 wordt de tuchtrechtelijke hoorzitting ge- organiseerd. 3.
  11. Diezelfde dag wordt verzoeker een tuchtsanctie opgelegd van 15 dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte (hierna: ATV), dit van 6 tot en met 20 november 2019 wegens het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen. Nog diezelfde dag wordt door de gevangenisdirectie aan verzoeker meegedeeld dat als gevolg van deze sanctie hem tien punten worden toegekend in het kader van het tussenregime, waardoor zich een tijdelijk verblijf van drie maanden in dit tussenregime opdringt. IV. Schorsingsvoorwaarden
  12. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting
  13. Verzoeker zet onder het kopje “Feiten en gegevens die de schorsing verantwoorden” wat volgt uiteen: XIV-38.200-3/7 “
  14. In gevolg van deze tuchtsanctie werden 10 punten bijgeteld met betrekking tot het tussenregime. Een saldo van 10 punten heeft een verblijf van drie maanden in het tussenregime tot gevolg. Het verblijf in het tussenregime nam een aanvang op 21.11.
  15. Cliënt heeft er dus belang bij dat de beslissing geschorst wordt zodat hij terug naar het opendeurenregime kan.” Beoordeling
  16. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter onder- steuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in arti- kel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
  17. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze re- geling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan af- wachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevin- den met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). XIV-38.200-4/7 Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
  18. Te dezen beperkt verzoeker zich onder het kopje “Feiten en gegevens die de schorsing verantwoorden” tot de vaststelling dat “in gevolg van deze (bestreden) tuchtsanctie 10 punten [werden] bijgeteld met betrekking tot het tussenregime. Een saldo van 10 punten heeft een verblijf van drie maanden in het tussenregime tot gevolg”. Verzoeker heeft er “dus belang bij dat de beslissing wordt geschorst zodat hij terug naar het opendeurenregime kan.” Zoals uit punt 6 is gebleken, komt het er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annula- tieberoep te kunnen afwachten op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om aan haar zaak eigen en specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuit- voerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatie- procedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. Het volstaat dan ook niet zoals verzoeker te dezen doet, om te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieperiode te lang duurt of dat het resul- taat van een annulatieberoep niet kan worden afgewacht. Verzoeker zet op geen enkele wijze uiteen welke onherroepelijke schadelijke gevolgen hij zal ondergaan indien de bestreden beslissing niet wordt geschorst en hij in het tussenregime XIV-38.200-5/7 wordt geplaatst. Verzoeker geeft geen informatie over de impact van het “tussen- regime” op zijn penitentiaire toestand. Verder ontbreekt ook een uiteenzetting van eigen en specifieke gegevens die in concreto aantonen waarom de nadelige ge- volgen die een tenuitvoerlegging van de beslissing voor verzoeker persoonlijk veroorzaakt niet kunnen worden gedragen gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Bij gebrek aan uiteenzetting van feiten die de spoedeisendheid kunnen verantwoorden is de voorwaarde van de spoedeisendheid niet vervuld, hetgeen volstaat om het verzoek tot schorsing af te wijzen.
  19. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumula- tief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VI. Kosten
  20. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsple- gingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-38.200-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-38.200-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.342 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.688 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.