id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.344 Rolnummer: A. 226708/XIV-37874 Zaak: Arrest 247344 - Penitentiair recht - 27/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-27 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-26 03:16 Fiche Arrest nr 247.344 van 27 maart 2020 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : heropening debatten Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 247.344 van 27 maart 2020 in de zaak A. 226.708/XIV-37.874 In zake : Marten HOEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te 3730 Hoeselt Tongersesteenweg 4 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie woonplaats kiezend te 1000 Brussel Waterloolaan 115 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 19 november 2018, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de gevangenisdirecteur van Turnhout van 19 september 2018 waarbij verzoeker een tuchtsanctie opgelegd kreeg van 4 dagen ATV van 20 september 2018 tot en met 23 september 2018.” II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. XIV-37.874-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 januari 2020, zitting waarop de zaak werd uitgesteld naar de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 maart
- Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Valerie Kruijen, die loco advocaat Jürgen Millen verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker verblijft op het ogenblik van de bestreden tuchtprocedure in de gevangenis van Turnhout. 3.
- Op 16 september 2018 wordt ten laste van verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld. Het niet-ondertekende rapport bevat de volgende observaties: “Zijn volgende feiten vastgesteld: Intercom is met tandpasta dichtgemaakt.” 3.
- Op 19 september 2018 vindt de tuchtrechtelijke hoorzitting plaats, waarbij verzoeker in aanwezigheid van zijn raadsman wordt gehoord. Nadat de directeur verzoeker herinnert aan de ten laste gelegde feiten, verklaart verzoeker: “Ged.: Dit was al zo toen ik op de cel aankwam. Ik heb het zelf nog extra proberen reinigen. XIV-37.874-2/6 Adv.: Mijn cliënt ontkent dat hij deze schade aanbracht.” 3.
- De directeur beslist vervolgens op 19 september 2018, met verwijzing naar de artikelen 130 en 132, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (hierna: de basiswet) om de tuchtsanctie van vier dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte (hierna ATV) van 20 tot en met 23 september 2018 op te leggen wegens het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. De motivering luidt: “Betrokkene maakt zich schuldig aan het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. Er werd vastgesteld dat op cel tandpasta in het rooster van de intercom is gesmeerd. Betrokkene en zijn celgenoot ontkennen dat zij hiervoor verantwoordelijk zijn.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Toepassing van de kortedebattenprocedure
- De kortedebattenprocedure van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) moet door de Raad van State met de nodige ernst en omzichtigheid worden toegepast en kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden gevolgd. De inwilliging van dit verzoek door de alleenrechtsprekende rechter doet immers afbreuk aan de algemene regel dat de kamer ten gronde terechtzitting houdt met drie leden, nadat de partijen de mogelijkheid hebben gehad schriftelijk hun standpunt uiteen te zetten. Een zaak is redelijkerwijze slechts vatbaar voor behandeling in korte debatten wanneer de gegevens zo duidelijk zijn dat het bij de eerste lezing, zonder diepgaand of omstandig onderzoek, meteen aannemelijk is dat daarop een nietigverklaring of een verwerping moet volgen, zonder dat een doorgedreven onderzoek van het middel noodzakelijk is. XIV-37.874-3/6
- In een enig middel voert verzoeker de schending aan van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld (in dubio pro reo). Het vermoeden van onschuld is een algemeen rechtsbeginsel waardoor de gevangenisdirecteur moet onderzoeken of verzoeker, die een cel met een tweede gedetineerde deelde, zich schuldig maakte aan het smeren van tandpasta op de intercom. De gevangenisdirecteur heeft evenwel geen onderzoek gedaan (bijvoorbeeld door na te kijken wanneer verzoeker en zijn celgenoot respectievelijk op deze cel werden geplaatst, of de cel voorafgaand aan deze plaatsing werd gecontroleerd op eventueel aangerichte schade, of verzoeker tandpasta bestelt via de gevangeniskantine of zijn celgenoot, ..) en heeft beslist dat verzoeker en zijn celgenoot verantwoordelijk zijn omdat ze op deze cel verbleven zodat in feite een collectieve tuchtsanctie werd uitgesproken. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat het opleggen van een tuchtsanctie vereist dat er geïndividualiseerd wordt, en concreet wordt gemotiveerd waarom verzoeker (mede) verantwoordelijk zou zijn voor het begaan van een tuchtrechtelijke inbreuk wat vereist dat de tuchtrechtelijke overheid onderzoek voert wanneer twee of meer personen van dezelfde tuchtrechtelijke inbreuk worden beschuldigd en waarbij (minstens) één van hen, te dezen verzoeker, de tuchtrechtelijke inbreuk betwist.
- De kern van het door verzoeker aangevoerde enig middel is gelegen in verzoekers grief dat te dezen door de verwerende partij een (verboden) collectieve tuchtstraf werd opgelegd waardoor het vermoeden van onschuld is geschonden. Het vermoeden van onschuld is een fundamenteel beginsel van het tuchtrecht. Het houdt in dat eenieder tegen wie een tuchtvervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. In dezelfde zin bepaalt artikel 144, § 6, tweede lid, van de basiswet dat “[d]e gedetineerde alleen schuldig kan worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het XIV-37.874-4/6 bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde schuldig acht”. Hieruit volgt niet alleen dat op de tuchtoverheid de bewijslast rust van het bewezen zijn van het ten laste gelegde tuchtvergrijp doch ook dat het tuchtfeit aan de tuchtrechtelijk vervolgde (individueel) kan worden toegerekend. Het belang van dat laatste voorschrift vindt nog steun in de parlementaire voorbereiding bij de basiswet waarin - naast onder meer het legaliteitsbeginsel, het non bis in idem-beginsel, het recht van verdediging, - het verbod van collectieve straffen wordt aangehaald als één van de beginselen die een correcte toepassing van het tuchtrecht in het gevangeniswezen behoren te garanderen (Parl. St. Kamer, 51-0231/1, 3 in fine en 50-1076/1, 187).
- Het antwoord op de vraag of te dezen al dan niet een collectieve tuchtstraf voorligt en of aldus hierdoor het vermoeden van onschuld is miskend, is bijgevolg een element dat ertoe strekt de beslechting van het geschil te beïnvloeden. Het auditoraat heeft zich hierover in zijn verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van de algemene procedureregeling niet uitgesproken. Te dezen is de vraag of genoegzaam is aangetoond dat het tuchtvergrijp individueel aan verzoeker kon worden toegerekend en of geen collectieve tuchtstraf voorligt, geen aangelegenheid die zo duidelijk is dat die bij de eerste lezing, zonder diepgaand of omstandig onderzoek, meteen aannemelijk maakt dat daarop een nietigverklaring of een verwerping moet volgen, zonder dat een doorgedreven onderzoek van het middel noodzakelijk is. In de huidige stand van het beroep is immers niet elke twijfel opgeheven betreffende de al dan niet individuele toerekening van het tuchtvergrijp aan verzoeker.
- De zaak kan niet met korte debatten worden beslecht. De zaak moet worden verwezen naar de gewone rechtspleging. XIV-37.874-5/6 BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- De zaak wordt verwezen naar de gewone rechtspleging. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-37.874-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.344 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.687 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div