id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.345 Rolnummer: A. 224256/XIV-37613 Zaak: Arrest 247345 - Wapens - 27/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-27 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-26 03:15 Fiche Arrest nr 247.345 van 27 maart 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.345 van 27 maart 2020 in de zaak A. 224.256/XIV-37.613 In zake : Mathieu DOLL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Berthe Vanormelingen kantoor houdend te 3700 Tongeren Henisstraat 15 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Limburg bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 18 januari 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 28 november 2017 waarbij de aanvraag van verzoeker tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van drie vuurwapens niet-ontvankelijk wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.613-1/15 Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 februari
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Berthe Vanormelingen, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 7 januari 2017 overlijdt verzoekers vader die, op het ogenblik van zijn overlijden, drie vuurwapens wettig voorhanden hield. 3.
- Op 31 juli 2017 dient verzoeker een aanvraag in tot het voorhanden hebben van drie vuurwapens “ingevolge erfenis” Het motief betreft het bezit zonder munitie. Bij de aanvraag is het gestandaardiseerd document van de aanvraag als volgt ingevuld: XIV-37.613-2/15 “Bij te voegen documenten en/of inlichtingen […]
- Uw motief is ‘bezit zonder munitie’ […] 8.A. u erft een legaal wapen, dan kan u binnen de twee maanden nadat u het wapen in bezit heeft gekregen een vergunning zonder munitie aanvragen. Bij de aanvraag voegt u: ° een document waaruit blijkt dat u het wapen in uw bezit kreeg, via erfenis (vb. testament, enige erfgenaam, akkoord van andere erfgenamen, enz.): schrijven mevr. DOLL [M.] (stuk 1)) ° een verklaring op eer waarin u aangeeft dat u het wapen minder dan twee maanden geleden in uw bezit heeft gekregen: verklaring dd 31/7/2017 (stuk 2) ° een kopie van de vergunning (model 4) (stuk 3) of het registratie-attest (model 9) van de overledene: + licentie (stuk 4)). […].” Het bijgevoegde stuk 1, ondertekend door M. Doll en gedateerd op 20 juni 2017, luidt: “Ik ondergetekende, Doll [M.] woonachtig te […], bevestig bij deze dat bij de verdeling van de inboedel na het overlijden van Doll [H.], ondergenoemde wapens werden toegewezen aan [verzoeker]. […].” Stuk 2, door verzoeker ondertekend en gedateerd op 31 juli 2017, luidt: “Verklaring op eer Ondergetekende, [verzoeker] verklaart per huidig schrijven op eer in het bezit te zijn gesteld van de wapens […] op 20.06.2017 ingevolgde het overlijden van vader […] waarbij een verdeling van de inboedel tussen de erfgenamen plaatsvond op 20.06.2017.” 3.
- Op 28 november 2017 verklaart de gouverneur van de provincie Limburg verzoekers aanvraag niet-ontvankelijk. De beslissing steunt op de volgende gronden: […] “Overwegende dat het motief van de aanvraag bezit zonder munitie is; Overwegende dat artikel 11/2 van de wapenwet bepaalt dat eenieder die een wapen voorhanden heeft, dat krachtens deze wet vergunningsplichtig is geworden en een in artikel 11/1 bedoelde vergunning wenst aan te vragen, de aanvraag binnen XIV-37.613-3/15 de twee maanden na de inwerkingtreding van dit artikel moet indienen. De erfgenaam die bewijst dat hij een wapen in zijn vermogen heeft ontvangen, kan, binnen twee maanden nadat hij het wapen in bezit heeft gekregen, een in artikel 11/1 bedoelde vergunning aanvragen. Overwegende dat deze bepaling werd ingevoerd door de wet van 25 juli 2008 (B.S. 22 augustus 2008). Overwegende dat de bovenvermelde vuurwapens voorheen in het bezit waren van de heer Doll Hubert. Dat de heer Doll Hubert overleed op 7 januari
- Dat de aanvraag tot het bekomen van een vergunning werd ingediend op 1 augustus
- Dat de termijn van 2 maanden aldus overschreden werd. De afwikkeling van een nalatenschap kan heel wat tijd in beslag nemen en het is niet wenselijk dat de erfgoederen in de tussentijd heerloos zouden blijven, zeker niet als het vuurwapens betreft. Om zulks tegen te gaan, voorziet de wet dan ook in twee erfregels: de saisine of het bezitsrecht enerzijds en de terugwerkende kracht van de aanvaarding en van de verdeling van de nalatenschap anderzijds (cf. art. 724, 774, 777 en 883 B.W.; H. DE PAGE en R. DEKKERS, Traité élémentaire de droit civil belge, IX, Les successions, Brussel, Bruylant, 1974, nr. 543; L. RAUCENT, Les successions, I, Louvain-la-neuve, Académia-Bruylant, 1988, nr. 459). De saisine vindt haar wettelijke basis in artikel 724 B.W.: ‘de erfgenamen treden van rechtswege in het bezit van de goederen, rechten en rechtsvorderingen van de overledene, onder verplichting om alle lasten van de nalatenschap te voldoen.’ M.a.w., de erfgenaam die de saisine geniet, zet vanaf het ogenblik van het overlijden van de erflater het bezit van de erflater voort met alle daaraan verbonden voor- en nadelen (R. DEKKERS, Handboek burgerlijk recht, III, Huwelijkstelsels – erfrecht – giften, Brussel, Bruylant, 1971, nr. 492). De saisine laat de erfgenaam toe om werkelijk bezit te nemen van de goederen en alle bezitsvorderingen in te leiden en te voeren, zonder dat hiertoe enige voorafgaande procedure van inbezitstelling nodig is (Cass. 3 november 1887, Pas. 1988, I, 13; Brussel 1 februari 1908, Pas. 1908, II, 274). Vermits de saisine tot continuïteit strekt in het bezit van de erfgoederen en elke erfgenaam in nuttige orde en graad individueel toekomt vanaf het overlijden van de erflater – zijnde het openvallen van de nalatenschap (art. 718 B.W.) – kan men aldus wettelijk gezien stellen dat een erfgenaam met saisine een eventueel wapen dat zich in de nalatenschap bevindt, ‘in diens bezit krijgt’ vanaf het openvallen van de nalatenschap. Vanaf dat tijdstip begint vervolgens de eerder vermelde termijn van twee maanden krachtens de Wapenwet te lopen. Deze stelling vindt bijkomende steun in het gegeven dat de saisine een bezitsverkrijging uit kracht van de wet is, die niet is onderworpen aan de vereiste van een feitelijke detentie (H. VUYE, Bezit en bezitsbescherming van onroerende goederen en onroerende rechten, Brugge, Die Keure, 1995, p. 630). Stel evenwel dat er tussen de erfgenamen betwisting is over de nalatenschap, dan poneren de voorbereidende werken van het genoemde artikel 11/2, tweede lid van de Wapenwet dat de termijn van twee maanden niet loopt op voorwaarde dat het wapen bij een notaris in een kluis is ondergebracht (Parl. St. Kamer, 52K0474/6, p. 26). Deze voorwaarde van bewaring in een notariële kluis die de wetgever poneert, is ingegeven vanuit de bezorgdheid van voor een langere tijd heerloze erfgoederen, inzonderheid vuurwapens. Wanneer er geen notariële tussenkomst is dan wordt bij het stellen van bepaalde handelingen, zoals het betalen van facturen van de erflater, de facto vermoed dat de erfenis aanvaard wordt. Hieruit blijkt dat de termijn van twee maanden waarover de XIV-37.613-4/15 erfgenaam beschikt om een vergunning voor het behoud van het wapen zonder munitie aan te vragen als een vervaltermijn dient te worden beschouwd, zodat een vergunningsaanvraag ingediend na het verstrijken van die termijn als onontvankelijk dient te worden verworpen ( Arr. Raad van State 17 januari 2013 nr.222.100) Mutatis mutandis en a contrario kan men poneren dat wanneer er geen betwisting over de nalatenschap is of wanneer het wapen niet bij een officiële derde in bewaring is gegeven, de termijn waarbinnen een erfgenaam luidens de Wapenwet moet reageren, steeds begint te lopen vanaf het openvallen van de nalatenschap. Anders interpreteren of toepassen zou immers vanuit voornoemde bekommernis van de wetgever een absurd gevolg aan artikel 11/2, tweede lid van de Wapenwet verlenen, hetgeen het Hof van Cassatie veroordeelt (cf. Cass. 9 februari 1925, Pas. 1925, I, 129; Cass. 29 oktober 1976, Arr. Cass. 1977, 253). De bovenvermelde wapens maakten niet het voorwerp uit van een betwisting noch was van een in bewaring geven van het wapen bij een derde sprake, zodat de wettelijke regel van de saisine kan worden ingeroepen en de termijn van twee maanden is gestart vanaf het openvallen van de nalatenschap. Gelet op artikel 11/2 van de wapenwet van 8 juni 2006”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van artikel 11/2, tweede lid, van de wapenwet. De in artikel 11/2, tweede lid, van de wapenwet voorziene termijn van twee maanden moet niet worden gerekend vanaf de datum van het overlijden van verzoekers vader (7 januari 2017), maar vanaf 20 juni 2017, zijnde de datum van verdeling van de goederen onder de erfgenamen. De termijn van twee maanden begint te lopen nadat verzoeker het wapen “in bezit” heeft gekregen. Voorafgaand aan de datum van 20 juni 2017 was verzoeker noch eigenaar noch bezitter en het is pas op 20 juni 2017 dat is komen vast te staan dat verzoeker de (enige) erfgenaam is wat de wapens betreft. Verzoeker verwijst voorts naar een omzendbrief van 25 oktober 2011 van de verwerende partij waarin is vermeld dat, “wanneer - in geval van aanvaarding van de erfopvolging - de inbezitneming en de verdeling van de goederen van de overledene een zekere tijd in beslag nemen, men elk document moet aanbrengen dat dat kan aantonen. Een notariële akte is niet vereist. Een brief van de erfgenamen kan als voldoende XIV-37.613-5/15 worden beschouwd. Indien dus bijvoorbeeld de akte van boedelverdeling van de roerende goederen pas enkele maanden na het overlijden wordt opgesteld, begint vanaf dan de termijn te lopen.” Verzoeker leidt hieruit af “dat de regelgeving soepel dient te worden geïnterpreteerd en dat de termijn niet begon te lopen vanaf datum van overlijden/openvallen van de nalatenschap, doch wel vanaf de verdeling van de inboedel, zijnde 20/6/17 zodat de aanvraag van 1/8/17 tijdig was en de aanvraag dus ontvankelijk was”. Verzoeker besluit dat het net de bedoeling van artikel 11/2, tweede lid van de wapenwet was om, ingeval er meerdere erfgenamen zijn en de nalatenschap nog niet is verdeeld, de erfgenaam de mogelijkheid te bieden aan te tonen dat hij niet eerder in het bezit van het wapen kon zijn. De twee maanden beginnen te lopen nadat verzoeker het wapen ‘in bezit’ heeft gekregen.
- In de memorie van antwoord leidt de verwerende partij vooreerst uit het door haar geciteerde arrest van de Raad van State nr. 222.100 van 17 januari 2013 af dat de Raad van State oordeelde dat de termijn van twee maanden waarover de erfgenaam beschikt om een vergunning voor het behoud van het wapen zonder munitie aan te vragen een vervaltermijn betreft. In het voormelde arrest werd uiteindelijk geoordeeld dat de termijn van twee maanden slechts begon te lopen vanaf het ogenblik dat de aangestelde notaris zijn werkzaamheden van vereffening en verdeling van de nalatenschap had afgesloten, omdat de erfgenaam tijdens die werkzaamheden van de notaris geen zekerheid had dat er geen betwistingen bestonden over de devolutie of de omvang van de nalatenschap. Volgens de verwerende partij, hierbij steunend op een citaat uit de parlementaire voorbereiding van de geschonden geachte bepaling, ontstaat bij het overlijden van een erflater voor diegenen die in aanmerking kunnen komen om te erven, een recht op bezit of een recht op eigendom, zodat de termijn in artikel 11/2 van de wapenwet vanaf dan begint te lopen. Vervolgens betoogt de verwerende partij dat uit het dossier en de uiteenzetting van verzoeker blijkt dat de nalatenschap van zijn vader en de drie wapens in het bijzonder, niet het voorwerp waren van betwistingen, noch dat er een notariële tussenkomst noodzakelijk was. Verzoeker blijkt zelf reeds over vergunde XIV-37.613-6/15 wapens te beschikken, zodat hij de regelgeving omtrent het wapenbezit kent. Uit het dossier blijkt niet dat andere erfgenamen ook wapenliefhebbers zijn zodat mag worden verondersteld dat de wapens voorbestemd waren om aan de verzoeker te worden toebedeeld. Tevens mag worden verondersteld dat de wapens niet onbeheerd zijn blijven liggen vanaf het overlijden van verzoekers vader tot aan de verdeling. Bijgevolg staat het vast dat de termijn van twee maanden begon te lopen vanaf het overlijden van de vader van verzoeker. Tot slot stelt de verwerende partij dat, mocht de vervaltermijn van twee maanden slechts beginnen te lopen vanaf een eenvoudige verklaring van de erfgenamen, zonder tussenkomst van een notaris of een verplichting tot in bewaargeving - zoals vermeld in de voorbereidende werkzaamheden - , dit er dan op neerkomt dat er in de praktijk geen sprake meer is van een termijn, wat tegen de intenties van de wetgever zou ingaan. Beoordeling
- Artikel 11/1 van de wapenwet luidt: “Art. 11/
- Een vergunning tot het voorhanden hebben wordt ook afgegeven aan de personen die wensen een wapen in hun vermogen te behouden, waarvoor een vergunning was afgegeven of waarvoor geen vergunning vereist was voor de inwerkingtreding van deze wet. Deze vergunning is slechts geldig voor het eenvoudig voorhanden hebben van het wapen, met uitsluiting van munitie. Artikel 11, 4,§ 3, 6°, 7° en 9°, is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde personen.” Artikel 11/2, tweede lid van de wapenwet, in de versie van toepassing op het voorliggende geschil, bepaalt de termijn waarbinnen de aanvragen zoals bedoeld in het voornoemde artikel 11/1 moeten worden ingediend. Het luidt: “Art. 11/
- […]. De erfgenaam die bewijst dat hij een wapen in zijn vermogen heeft ontvangen, XIV-37.613-7/15 dat wettig voorhanden werd gehouden door de overledene, kan, binnen twee maanden nadat hij het wapen in bezit heeft gekregen, een in artikel 11/1 bedoelde vergunning aanvragen. […].” Artikel 11/2 is ingevoegd bij amendement nr. 8 bij het wetsvoorstel ‘tot wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (Parl. St. Kamer 2007-2008, nr. 52-0474/002, 6) . De verantwoording ervan luidt: “Dit amendement beoogt duidelijk te bepalen binnen welke termijn de aanvragen om vergunningen tot het voorhanden hebben zoals bedoeld in artikel 11/1 moeten worden ingediend. […]. .De personen die een wapen hebben verworven door erfenis, voor zover dit wapen wettig voorhanden was gehouden door de overledene, moeten de aanvraag indienen binnen twee maanden nadat ze het wapen in bezit hebben gekregen. De bewijslast voor deze erfenis en deze termijn ligt bij de aanvrager.” Voorts is inzake de parlementaire bespreking in de bevoegde commissie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers van het ontworpen artikel 11/2 het volgende te lezen (Parl. St. Kamer 2007-2008, nr. 52-0474/006, 26): “[…]. De heer Renaat Landuyt (sp.a+Vl.Pro) merkt op dat volgens artikel 11/2, tweede lid, de erfgenaam moet bewijzen dat hij een wapen in zijn vermogen heeft ontvangen. De bewijsregeling inzake rechtshandelingen zal hier van toepassing zijn. De heer Filiep Jodts, vertegenwoordiger van de minister van Justitie, verduidelijkt dat zolang er betwisting bestaat over de nalatenschap en het wapen bij een notaris in een kluis is ondergebracht, de termijn van twee maanden niet loopt. Eens de nalatenschap aanvaard wordt, vangt de termijn aan. Wanneer er geen notariële tussenkomst is dan wordt bij het stellen van bepaalde handelingen, zoals het betalen van facturen van de erflater, de facto vermoed dat de erfenis aanvaard wordt. De regels van het Burgerlijk Wetboek zijn dan van toepassing. De erfgenaam moet bewijzen dat hij het wapen uit een nalatenschap heeft bekomen. Dit kan bijvoorbeeld door het voorleggen van de vergunning van de erf-later. De heer Renaat Landuyt (sp.a+Vl.Pro) meent dat er zich toch wel enkele praktische problemen zullen voordoen. Wat als de erfgenamen het onderling niet eens geraken over wie het wapen zal bekomen en iemand van hen een vergunning aanvraagt? Hoe moet de gouverneur weten wie de echte erfgenaam van het wapen is? Mag de gouverneur dit beslechten? De erfgenaam moet immers bewijzen dat hij een wapen in zijn vermogen heeft. Het lid meent dat weinigen dit zullen kunnen doen. XIV-37.613-8/15 Mevrouw Carina Van Cauter (Open Vld) verduidelijkt dat moet bewezen worden dat het wapen afkomstig is uit een nalatenschap door bijvoorbeeld de voorlegging van de aangifte van nalatenschap, een testament, de vergunning, een akte van bekendheid, en dergelijke. […].” Ook moet worden gewezen op het feit dat de vergunning die kan worden aangevraagd een vergunning betreft tot het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het Grondwettelijk Hof, verwijzend naar de vroegere wetgevingen ter zake en naar de parlementaire voorbereiding van de wapenwet, heeft ter zake verduidelijkt dat de term “voorhanden hebben” in de gebruikelijke betekenis ervan dient te worden begrepen en derhalve het effectieve bezit aangeeft, ongeacht de juridische titel die daaraan ten grondslag ligt (GwH 19 december 2007, nr. 154/2007, punt B.27.7.). De voornoemde bepalingen van de wapenwet gelden derhalve enkel voor situaties waarin de aanvrager het “effectieve bezit” heeft van een wapen dat hij voorhanden wilt houden.
- Artikel 11/2 van de wapenwet betreft “de erfgenaam die bewijst dat hij een wapen in zijn vermogen heeft ontvangen” Ook uit artikel 11/1 van de wapenwet blijkt dat de vergunning kan worden verkregen door “de personen die wensen een wapen in hun vermogen te behouden” (art. 11/1, eerste lid, wapenwet), zijnde te dezen de erfgenaam. Essentieel is derhalve dat de erfgenaam het wapen “in zijn vermogen heeft ontvangen”. Dat vermogen betreft het persoonlijke vermogen van de aanvrager. Voorts blijkt uit artikel 11/2, tweede lid, van de wapenwet dat de erfgenaam-aanvrager de bewijslast draagt van het feit dat hij het (geërfde) wapen in zijn vermogen heeft ontvangen, alsook dat de termijn van twee maanden niet is verstreken sinds hij het wapen in bezit heeft gekregen. Aangezien de wapenwet niet voorziet in een specifieke bewijsregeling, kan zulks met alle middelen van recht.
- Te deze is de nalatenschap opengevallen op 7 januari 2017, zijnde de datum van overlijden van verzoekers vader. Verzoeker legt, zoals XIV-37.613-9/15 voorgeschreven in het door hem gehanteerde gestandaardiseerd model van de aanvraag tot de vergunning bedoeld in artikel 11/1 van de wapenwet, een eigen verklaring op eer voor waaruit blijkt dat de boedelverdeling onder de erfgenamen plaatsvond op 20 juni 2017 (zie supra, punt 3.2), alsook een verklaring door de andere erfgename dat de betrokken wapens bij de boedelverdeling werden toegewezen aan verzoeker (zie supra, punt 3.2). Uit deze verklaringen blijkt dat de vereffening en verdeling van de nalatenschap van verzoekers vader op 20 juni 2017 werd gesloten. Hieruit volgt dat ingevolge het aanwijzend karakter van die (vrijwillige) boedelverdeling de betrokken vuurwapens geacht worden in verzoekers kavel te zijn begrepen (cfr. art. 883 van het Burgerlijk Wetboek). De bestreden beslissing gaat uit van het standpunt dat, gelet op het feit dat de betrokken wapens niet het voorwerp uitmaakten van een betwisting, noch van een bewaring ervan bij een derde, de wettelijke regel van de saisine kan worden ingeroepen, zodat de in artikel 11/2, tweede lid van de wapenwet bepaalde termijn van twee maanden is gestart vanaf het openvallen van de erfenis. De verwerende partij neemt aldus aan dat verzoeker de betrokken wapens “in bezit heeft gekregen” vanaf het openvallen van de erfenis. Krachtens artikel 718 van het Burgerlijk Wetboek vallen erfenissen open door de dood. Krachtens artikel 724 van hetzelfde wetboek treden de erfgenamen van rechtswege in het bezit van de goederen van de overledene. Beide voornoemde bepalingen maken deel uit van Hoofdstuk I “Openvallen van erfenissen en bezit van de erfgenamen” van Titel I “Erfenissen” van Boek III van het voornoemde wetboek. In dezelfde Titel I “Erfenissen” regelt Hoofdstuk V de “Aanvaarding en verwerping van nalatenschappen” (artikel 774 tot en met artikel 814) en Hoofdstuk VI de “Verdeling en inbreng” (artikel 815 tot en met artikel 892). De saisine of het bezitsrecht is het wettig verlenen van het bezit van de nalatenschap, na het loutere feit van het overlijden. Het gaat louter om het bezit in rechte, dat de feitelijke inbezitneming voorafgaat. Ze laat de erfgerechtigde toe om de goederen van de gehele nalatenschap in bezit te nemen met het oog op hun bewaring en hun voorlopig beheer, alsook dat het juridisch bezit van de erflater XIV-37.613-10/15 niet wordt onderbroken, ook al heeft de erfgerechtigde de feitelijke macht (nog) niet over de goederen van de erflater. Voorts is ze ondeelbaar en slaat ze op de gehele nalatenschap. De aanvaarding van de nalatenschap– hetzij impliciet, hetzij uitdrukkelijk, hetzij onder voorrecht van boedelbeschrijving - werkt terug tot de dag dat de erfenis is opengevallen (art. 777 Burgerlijk Wetboek). De aanvaarding verschaft (onverdeelde) eigendom van de (gehele) nalatenschap: alle erfgenamen zijn derhalve vanaf hun aanvaarding van de nalatenschap, van rechtswege in onverdeeldheid wat de erfgoederen betreft en waartoe ook de betrokken vuurwapens behoren. Als onverdeeld eigenaar van de nalatenschap is verzoeker derhalve slechts gerechtigd op een breukdeel in die onverdeeldheid en dus niet op specifieke of concrete goederen (zoals de betrokken wapens) uit die onverdeeldheid. De saisine noch de terugwerking van de aanvaarding van de erfenis tot de dag dat de erfenis is opengevallen (art. 777 Burgerlijk Wetboek) houden evenwel op zich in dat verzoeker, als erfgenaam, de betrokken wapens vanaf het openvallen van de erfenis in zijn persoonlijk vermogen heeft ontvangen en in bezit heeft gekregen in de zin als is bedoeld in artikel 11/2 van de wapenwet. Geen van beide wettelijke regels laat immers op zich toe te bepalen dat de betrokken wapens het specifieke bezit (of eigendom) zijn van verzoeker. Hoogstens kan worden gesteld dat verzoeker, als erfgenaam, in zijn persoonlijk vermogen een breukdeel in de onverdeelde nalatenschap heeft ontvangen, zonder dat kan worden gesteld dat hem een bepaald goed zoals de betrokken wapens uit die onverdeeldheid toekomt. Het is immers pas wanneer de werkzaamheden van de vrijwillige dan wel de gerechtelijke vereffening en de verdeling van de nalatenschap zijn afgesloten dat er, zoals blijkt uit artikel 883 van het Burgerlijk Wetboek, zekerheid bestaat omtrent het feit dat de betrokken wapens in verzoekers kavel zijn begrepen en verzoeker aldus die wapens in zijn persoonlijk vermogen heeft ontvangen. Hieruit volgt dat het enkele criterium dat de nalatenschap is opengevallen en dat verzoeker de erfenis heeft aanvaard - hetzij impliciet, hetzij XIV-37.613-11/15 uitdrukkelijk, hetzij onder voorrecht van boedelbeschrijving - op zich niet tot gevolg heeft dat verzoeker als erfgenaam, op het ogenblik van het openvallen van de erfenis de betrokken wapens in zijn bezit heeft gekregen. De inbezitneming en verdeling ingeval van een aanvaarding van de erfopvolging en de verdeling van de goederen van de overledene kan immers een zekere tijd in beslag nemen, gedurende dewelke de in artikel 11/2 van de wapenwet bepaalde termijn niet kan ingaan. De Raad van State bemerkt overigens dat dit standpunt ook wordt gedeeld in de door verzoeker overgelegde omzendbrief van 25 oktober 2011 over de toepassing van de wapenwetgeving.
- De omstandigheid dat, naar de verwerende partij stelt, de betrokken wapens niet het voorwerp uitmaakten van een betwisting over de nalatenschap noch van een inbewaringgeving bij een derde, doet geen afbreuk aan het gegeven dat, ook indien er geen enkele betwisting is over de nalatenschap of dat de wapens niet in bewaring zijn gegeven, er een zekere tijd overheen gaat tussen de (retroactief werkende) aanvaarding en de opneming ingevolge de vereffening-verdeling ervan in zijn kavel. Hetzelfde geldt voor het feitelijk gegeven dat er geen notariële tussenkomst was: de verwerende partij doet niet blijken dat in de voorliggende vrijwillige vereffening en verdeling een dergelijke tussenkomst van een instrumenterende ambtenaar wettelijk vereist was, zodat uit het feit dat er geen tussenkomst was niet kan worden afgeleid dat de termijn vroeger inging. De omstandigheid dat het standpunt van de verwerende partij, naar zij stelt, steun vindt in de wetsgeschiedenis staat er niet aan in de weg dat de teleologische of doelgerichte interpretatiemethode niet mag inhouden dat aldus een eigen interpretatie wordt gegeven van de wettelijke begrippen “saisine” en “aanvaarding” die immers niet het voorwerp uitmaakten van de ontworpen regelgeving. Evenmin leiden de bespiegelingen van de verwerende partij in de memorie van antwoord dat er “mag verondersteld worden dat de wapens voorbestemd waren om aan verzoeker te worden toebedeeld” en dat “tevens mag verondersteld worden dat de wapens niet onbeheerd zijn blijven liggen vanaf het XIV-37.613-12/15 overlijden van [verzoekers] vader tot aan de verdeling” tot een andere conclusie. Te dezen voegt verzoeker ter voldoening aan zijn bewijslast ter zake, verklaringen bij die volgens hem aantonen dat de inbezitneming van de betrokken wapens pas is gebeurd bij de vrijwillige vereffening en verdeling van de nalatenschap op 20 juni
- De verwerende partij vermag weliswaar deze overgelegde bewijzen waarderen en op hun merites te toetsen, doch te dezen beperkt zij zich tot de voornoemde blote veronderstellingen die geen steun vinden in de door de partijen aan de Raad van State overgelegde stukken. De omstandigheid dat anders redeneren een absurd gevolg aan artikel 11/2, tweede lid van de wapenwet zou verlenen en dat de wapens in de tussentijd “heerloos” zouden blijven, gaat voorbij aan het gegeven dat desgevallend de bevoegde overheden in deze tussenperiode de in artikel 28 van de wapenwet bepaalde preventieve maatregelen kunnen toepassen. Evenmin houdt hetgeen hiervoor is gesteld in dat er “in de praktijk geen sprake meer is van een termijn, wat tegen de intenties van de wetgever zou ingaan”, vermits wat voorafgaat geen afbreuk doet aan de eis dat de erfgenaam de bewijslast draagt van het feit dat hij een wapen in zijn vermogen heeft ontvangen en van het tijdstip daarvan. Aldus wordt geen “absurd gevolg” gegeven aan artikel 11/2, tweede lid, van de wapenwet. Overigens bemerkt de Raad van State dat de door de verwerende partij aangehouden interpretatie zou inhouden dat de aanvraag die binnen de twee maanden na het openvallen van de nalatenschap zou worden ingediend zonder dat er reeds ingevolge een vereffening of verdeling zekerheid is of de wapens in de kavel van de aanvrager zijn begrepen, slechts een voorwaardelijk karakter zou hebben omdat alsnog de aanvrager naderhand bij de vereffeningsverdeling niet in het bezit kan worden gesteld van de wapens, hetgeen op zijn beurt zou inhouden dat een eventuele navolgende vergunning zonder voorwerp zou geworden. Eenzelfde rechtsgevolg zou zich ook voordoen indien alle erfgenamen vooraleer een vereffening-verdeling plaatvond, voor het onverdeeld aandeel in de nalatenschap dat de betrokken wapens vormen, een XIV-37.613-13/15 aanvraag zouden indienen. Ook dan zou, na de vereffening-verdeling de aanvraag en de vergunning voor een aantal onder hen zonder voorwerp worden, los van de vraag of de wapenwet de wettelijke mogelijkheid kent van een meerhoofdige vergunning voor een individueel wapen in onverdeeldheid. In de lezing van de verwerende partij zou in beide hypotheses de aanvraag tijdig zijn, maar niet werkdadig.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het in de bestreden beslissing ingenomen standpunt dat de in artikel 11/2, tweede lid van de wapenwet voorziene termijn van twee maanden moet worden gerekend vanaf de datum van het overlijden van verzoekers vader (7 januari 2017), faalt naar recht.
- Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de vernietiging van de bestreden beslissing. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 28 november
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventwintig maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, XIV-37.613-14/15 bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.613-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.345 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div