← België

Arrest 247351 - Examens (onderwijs) - 31/03/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.351 Rolnummer: A. 229140/IX-9615 Zaak: Arrest 247351 - Examens (onderwijs) - 31/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-31 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-26 03:17 Fiche Arrest nr 247.351 van 31 maart 2020 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 247.351 van 31 maart 2020 in de zaak A. 229.140/IX-9615 In zake: de KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Evelyne Maes kantoor houdend te 3000 Leuven Arnould Nobelstraat 40/0102 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat David D’Hooghe kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 tegen: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sophie Groetaers en Tom Peeters kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 17 september 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 5143 van 19 augustus 2019 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking nr. 13.490 van 27 september 2019 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. IX-9615-1/15 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaten Evelyne Maes en Sander Meert, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Tom Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De feiten zoals ze door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen in het bestreden arrest werden vastgesteld, kunnen als volgt worden samengevat. 3.2. Verweerder is in het academiejaar 2018-2019 ingeschreven in de opleiding ‘Master of Mathematics’. IX-9615-2/15 Voor het opleidingsonderdeel ‘Advanced Reading Course in Mathematics’ moet hij het boek ‘Random Matrices and the Six-Vertex Model’ lezen, daarover een rapport schrijven en een presentatie geven. Voor het rapport wordt hem een score van 5/20 toegekend en voor de presentatie 13/20. Wat het rapport betreft, wordt door verzoekster geoordeeld dat de ingediende tekst voor meer dan 90% bestaat uit letterlijk uit het te lezen boek overgeschreven passages. Verweerder wordt daarom uitgenodigd voor een gesprek met de ‘beperkte examencommissie’. 3.3. Op 5 juli 2019 beslist die examencommissie om aan verweerder de examentuchtstraf van “nul op het opleidingsonderdeel GOV75A ‘Advanced Reading Course in Mathematics’” op te leggen voor de tweede examenperiode (juni 2019) wegens plagiaat – “[r]ekening houdend met verzachtende psychische omstandigheden maar ook met de bezwarende omstandigheid van recidive”. 3.4. Verweerder stelt tegen deze examentuchtbeslissing intern beroep in. 3.5. Op 22 juli 2019 beslist de vicerector Studentenbeleid van verzoekster als beroepsorgaan dat er sprake is van plagiaat. Zij volgt “de beoordeling zoals die werd gemaakt door de examencommissie wat betreft de aard en omvang van het plagiaat, [verweerders] ervaring als student, de verzachtende omstandigheden en het feit dat [verweerder] reeds eerder werd gesanctioneerd wegens onregelmatigheden”. Zij bevestigt de sanctie van 0/20 voor het opleidingsonderdeel en het eveneens door de examencommissie opgelegde volgen van een “tutorial die gepaard gaat met een toets”. IX-9615-3/15 3.6. Op 29 juli 2019 stelt verweerder tegen deze beslissing een beroep in bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Hij brengt drie bezwaren aan: “er is geen plagiaat gepleegd”, wat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen als middel opvat als een schending van artikel 84 van het onderwijs- en examenreglement; “het zogenaamde plagiaat werd laattijdig vastgesteld”, wat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen leest als “een tweede middel [gesteund] op een gebrek aan begeleiding en feedback en op het redelijkheidsbeginsel” en “in ondergeschikte orde: schending van het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.” Bij arrest nr. 5143 van 19 augustus 2019 vernietigt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen de beslissing van de vicerector Studentenbeleid van verzoekster van 22 juli 2019. Daarbij overweegt die Raad – in een “[b]eoordeling van alle middelen samen” – wat volgt: “Verzoeker [versta: verweerder in cassatie] voert sinds zijn intern beroep aan dat hij lijdt aan een ernstige autistische beperking, die onder meer wordt gekenmerkt door het niet of onvoldoende begrijpen van vragen of opdrachten en het kopiëren van gedrag van anderen. Noch de aandoening op zich, noch de wijze waarop deze zich manifesteert, wordt in de bestreden beslissing tegengesproken. Integendeel wordt ‘autisme’ uitdrukkelijk vermeld als reden waarom uiteindelijk geen zwaardere examentuchtsanctie is opgelegd. Verzoeker brengt tevens een attest voor, gedateerd op 28 november 2018, waarin een functiebeperking door verwerende partij [versta: verzoekster in cassatie] wordt erkend voor het academiejaar 2018-2019. Dit attest vermeldt niet de aard van de aandoening, maar de Raad ziet in de voorliggende stukken geen reden om aan te nemen dat er een andere oorzaak dan verzoekers autisme aan ten grondslag ligt. De faciliteiten die erin zijn beschreven (voorbereidingstijd, plaats in het auditorium, enz.), zijn niet relevant voor de aard van het hier betrokken opleidingsonderdeel, althans niet voor de schriftelijke opdracht. Gelet op verzoekers ontwikkelingsstoornis, heeft de Raad partijen ter zitting bevraagd of er door verzoeker bijzondere faciliteiten waren gevraagd. Beide partijen antwoorden daarop ontkennend – wat niet lijkt overeen te stemmen met voormeld attest en de daarin vermelde faciliteiten. Namens verwerende partij wordt eraan toegevoegd dat de faciliteiten die hadden kunnen worden geboden bovendien beperkt zijn tot IX-9615-4/15 het bieden van meer tijd, het voorzien in een groter lettertype enz., en dus voor het hier voorliggende dossier niet relevant zijn. De Raad acht het belangrijk erop te attenderen dat een medisch gediag- nosticeerde ontwikkelingsstoornis zoals autisme of een autismespectrumstoornis kan worden beschouwd als een ‘handicap’ in de zin van de Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, en dat ook rekening moet worden gehouden met het VN- Verdrag Inzake de Rechten van Personen met een Handicap en met artikel II.276 van de Codex Hoger Onderwijs. In het licht daarvan overweegt de Raad dat een bijzondere faciliteit in het raam van de begeleiding van de student slechts zinvol en volwaardig is wanneer zij in voldoende mate rekening houdt met de specificiteit van de beperking. Voor de ontwikkelingsstoornis waarmee verzoeker te kampen heeft, zou dat bijvoorbeeld kunnen zijn dat een examinator zich ervan vergewist of de student de vraag c.q. opdracht correct heeft begrepen. Verzoeker stelt tevens dat de opdracht zoals zij door professor W.V.A. werd geformuleerd, het al te letterlijk begrijpen ervan aannemelijk maakt. Uit de voorliggende stukken blijkt dat die opdracht op 5 oktober 2018 (mail met verzoeker in kopie) als volgt is uiteengezet: ‘(Verzoeker) will be reading a recent monograph ‘Random matrices and the six vertex model’ by Pavel Bleher and Karl Liechty (…) and the corresponding research papers (…). (Verzoeker) will give an oral presentation and write a substantial report, which will both be evaluated by (A.) and me.’ en in een e-mail van 20 mei 2019 als volgt is herhaald: ‘(Verzoeker) volgt de ‘reading course’ maar moet nog een rapport indienen van zijn werk en een presentatie geven over dat werk. Hij heeft het boek ‘Random Matrices and the Six-Vertex model’ van Pavel Bleher en Karl Liechty bestudeerd en zal daarvan enkele hoofdstukken grondig doorwerken. De bedoeling is dat hij zijn rapport zal indienen op 23 juni en dat hij een presentatie/seminarie zal geven op woensdag 26 juni. Dan is dat nog op tijd om door te geven als score aan de faculteit.’ De Raad treedt verzoeker bij dat de omschrijving van de opdracht voor een persoon met autisme, onduidelijk kan zijn. ‘Doorwerken’ wordt in het Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal overigens verklaard als ‘ten einde toe bestuderen’, of ‘goed bestuderen’. In beginsel kan worden aangenomen dat het bij examentucht niet anders is dan bij personeelstucht, in die zin dat bijzonder opzet of intentie in beginsel niet zijn vereist opdat een gedraging tuchtrechtelijk kan worden gesanctioneerd. Een tekortkoming aan de opgelegde gedragsnormen volstaat […]. In die zin kan een tuchtoverheid rechtmatig oordelen dat een bepaalde handeling tuchtrechtelijk moet worden gesanctioneerd, los van de vraag of er sprake is van enig bedrieglijk inzicht (RvS 5 december 1994, nr. 50.576, […]). Ook een nalatigheid kan een tuchtinbreuk uitmaken. De schuld is evenwel evenzeer een wezenlijk bestanddeel van het tuchtrechtelijk strafbaar feit. In de particuliere omstandigheden van dit IX-9615-5/15 dossier, is de Raad van oordeel dat de ontwikkelingsstoornis die in de bestreden beslissing is aangehouden als verzachtende omstandigheid, als een schulduitsluitingsgrond moet worden beschouwd. Gewis is verwerende partij niet verplicht om verzoeker voor het afgeleverde werk een credit te verlenen, maar de eerder onduidelijke en niet verder gecontextualiseerde opdracht, samengenomen met verzoekers aandoening, overtuigen de Raad er in dit concrete geval van dat verzoeker niet kan worden verweten teksten letterlijk te hebben overgenomen – ongeacht de omvang van wat ter zake kan worden vastgesteld – en dat hij derhalve niet tuchtrechtelijk kan worden gestraft. Het beroep is in de aangegeven mate gegrond.” De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen legt aan “[h]et daartoe bevoegde orgaan” van verzoekster op om uiterlijk 2 september 2019 een nieuwe beslissing te nemen. 3.7. Op 6 september 2019 beslist de vicerector Studentenbeleid van verzoekster “opnieuw” om aan verweerder “de sanctie [op te leggen] waarbij omwille van het vastgestelde plagiaat [hem] een resultaat van 0/20 wordt toegekend in eerste zittijd voor het OPO ‘Advanced Reading Course in Mathematics’”. Tegen deze beslissing stelt verweerder ook een beroep in bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. De behandeling ervan is uitgesteld “in afwachting van een arrest van de Raad van State” in de thans voorliggende zaak. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie 4. Verweerder werpt in zijn memorie van antwoord op dat verzoekster geen belang meer heeft bij haar beroep omdat zij een nieuwe beslissing heeft genomen. Volgens verweerder is de procedure voor de Raad van State hierdoor zelfs zonder voorwerp geworden. IX-9615-6/15 Beoordeling 5.1. Met de oorspronkelijk vernietigde beslissing heeft verzoekster aan verweerder de examentuchtbeslissing van “een nul voor het volledige opleidingsonderdeel” opgelegd. Die examentuchtbeslissing is vernietigd door het thans bestreden arrest van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. 5.2. De finaliteit van een cassatieberoep bestaat erin om de vermeend onwettige beslissing van een administratief rechtscollege teniet te doen, waarna de zaak voor een nieuwe beoordeling aan het rechtscollege wordt voorgelegd, zodat de verzoekende partij in cassatie een nieuwe kans verwerft op een voor haar gunstiger beslissing van dat rechtscollege. 6. De vicerector Studentenbeleid van verzoekster heeft op 6 september 2019 een nieuwe examentuchtbeslissing met dezelfde strekking genomen. Die beslissing is het gevolg van het uitdrukkelijk door de eerste rechter gegeven bevel in het thans bestreden arrest om een nieuwe beslissing te nemen. Verzoekster merkt in dat verband terecht op dat de beslissingen van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen uitvoerbaar zijn, niettegenstaande het feit dat cassatieberoep is ingesteld bij de Raad van State. Een cassatieberoep heeft immers geen schorsende werking. Bovendien dient aangestipt dat de beslissing van 6 september 2019 óók bestreden wordt voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen en dat de rechtspleging voor die rechter is opgeschort totdat de Raad van State zich over de thans voorliggende zaak zal hebben uitgesproken. IX-9615-7/15 7. Een dergelijke handelwijze ontneemt verzoekster niet het rechtens vereiste belang bij het huidige cassatieberoep. De mogelijkheid om na cassatie bij de eerste rechter een gunstiger beslissing te verkrijgen, bestaat immers nog steeds. Verbreekt de Raad van State het voorliggende arrest van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, dan zal deze laatste moeten oordelen dat de beslissing van 6 september 2019 zonder de vereiste rechtsgrond is. 8. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 9. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van “het beschikkingsbeginsel en het algemene rechtsbeginsel van het recht van verdediging, zoals onder meer vervat in artikel 6 EVRM”. Verzoekster zet dat middel als volgt uiteen: “11. Het bestreden arrest schendt de ingeroepen toetsingsnormen, omdat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft geoordeeld dat de ontwikkelingsstoornis van [verweerder] een schulduitsluitingsgrond is, terwijl [verweerder] dit argument niet zelf heeft aangebracht en KU Leuven niet de mogelijkheid heeft gehad om zich te verweren met betrekking tot dat argument. 12. Krachtens het beschikkingsbeginsel komt het de partijen toe om in een geschil zelf de grens aan te duiden van datgene waaromtrent zij betwisting wensen te voeren. Het komt aldus niet aan een rechtscollege toe om ‘ultra petita’ te beslissen. Het algemene rechtsbeginsel van het recht van verdediging vereist dat de partijen worden gehoord over middelen of motieven die een rechter ambtshalve opwerpt. 13. Uit het bestreden arrest […] en uit het verzoekschrift extern beroep van [verweerder] blijkt dat [hij] niet argumenteert dat zijn ontwikkelingsstoornis een schulduitsluitingsgrond voor het plagiaat is. [Hij] argumenteert daarentegen dat (

  1. i)hij geen plagiaat heeft gepleegd omdat hij wel correct zou hebben verwezen, (
  2. ii)dat het plagiaat laattijdig werd vastgesteld en (iii) dat de sanctie onevenredig is. Nergens IX-9615-8/15 argumenteert hij dat zijn ontwikkelingsstoornis hem schuldonbekwaam maakt en dat hij derhalve niet tuchtrechtelijk kan worden gestraft. Door te oordelen dat de ontwikkelingsstoornis een schulduitsluitingsgrond is, oordeelt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen aldus ultra petita. 14. Met dit oordeel heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen tevens de rechten van verdediging van KU Leuven geschonden. KU Leuven heeft niet de mogelijkheid gehad om zich te verweren ten aanzien van het argument dat de ontwikkelingsstoornis van [verweerder] een schulduitsluitingsgrond zou zijn […].” 10. Verweerder antwoordt (voetnoot weggelaten): “23. Bij het instellen van een extern beroep bij de Raad voor Betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen dient de verzoeker enkel een feitelijke omschrijving en motivering te geven van de door hem ingeroepen bezwaren. (artikel II.294, §2, derde lid, 4° Codex Hoger Onderwijs) Het is niet nodig dat die bezwaren ook juridisch worden gekwalificeerd of van een kwalificatie afhankelijk zouden zijn. De Raad voor Betwistingen is dan ook geenszins gebonden door enige kwalificatie die een verzoeker aan zijn middel al dan niet verleent. 24. In casu heeft verwerende partij wel degelijk ingeroepen in zijn verzoekschrift in randnummer 17: ‘Niet enkel binnen het kader van de beperking van verzoeker, maar ook binnen het kader van de na te streven integriteit kan men zich vragen stellen bij het aandeel van de diverse actoren. Hoewel verzoeker weliswaar de eindverantwoordelijke is, is het echter duidelijk dat hij de opdracht niet correct heeft opgevat en zich werkelijk van geen kwaad bewust was.’ Verzoeker heeft zich dus wel degelijk op zijn beperking beroepen. 25. In de mate waarin de Raad voor Betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen refereert aan autisme als ‘handicap’ in de zin van de Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, is bovendien de openbare orde in het geding, zodat de Raad voor Betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen ook daardoor niet gebonden is door, of beperkt is tot de omschrijving van de middelen van de verzoeker. 26. Verzoekende partij stelt verder ten onrechte dat zij zich desbetreffend niet heeft kunnen verweren. Enerzijds heeft zij zelf gesteld in haar antwoordnota van 5 augustus 2019: ‘Indien de student, wellicht omwille van zijn autismeproblematiek, meende dat de opdracht onduidelijk was, had hij tijdens de regelmatige contacten die hij met prof. [V.A.] had, hierover verduidelijking kunnen vragen. Zelf heeft hij dat echter nooit gedaan’. Daarmee heeft verzoekende partij wel degelijk de problematiek van de leerstoornis van verwerende partij betrokken in haar antwoordnota. Anderzijds heeft de Raad voor Betwistingen inzake IX-9615-9/15 Studievoortgangsbeslissingen partijen op de zitting van 14 augustus 2019 ook bevraagd over de aard van de ontwikkelingsstoornis. Dit wordt uitdrukkelijk bevestigd in het bestreden arrest en wordt door verzoekende partij ook niet tegengesproken in het cassatieverzoek. 27. In het arrest nr. 5.143 oordeelde de Raad voor Betwistingen inzake Studievoortgangsbeslissingen vervolgens over alle middelen samen en is op die manier tot zijn eindbeslissing gekomen.” 11. In haar memorie van wederantwoord doet verzoekster nog gelden dat de ontwikkelingsstoornis van verweerder wel ter sprake is gekomen – in het verzoekschrift, in de antwoordnota en op de zitting – maar dat nooit werd beweerd dat deze ervoor zorgde dat hij hoe dan ook niet tuchtrechtelijk gestraft kon worden voor plagiaat. Ook de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft dit niet eerder ter sprake gebracht. Verzoekster stelt daarover dus nooit verweer te hebben kunnen voeren. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen kan niet zonder miskenning van het beschikkingsbeginsel besluiten tot een schulduitsluitingsgrond zonder heropening van het debat. Dat de ‘anti-discriminatiewetgeving’ van 10 mei 2007 van openbare orde is, verandert daar niets aan. Het geschilpunt heeft daarmee niets van doen, meent verzoekster. Het gaat daarentegen over “de rechtsvraag of de ontwikkelingsstoornis als schulduitsluitingsgrond dient te worden beschouwd”. Die vraag raakt niet de openbare orde, aldus verzoekster. Maar zelfs bij een ambtshalve middel (van openbare orde) moest aan verzoekster de mogelijkheid worden gegeven om zich te verweren. Verzoekster betwist niet dat “[e]en strikte juridische omschrijving van de bezwaren in het verzoekschrift […] niet vereist [is]”. Zij meent wel het recht te hebben om te weten wat de bezwaren zijn en over welke argumenten zij verweer moet voeren. De functiebeperking van verweerder als schulduitsluitingsgrond werd echter nooit in het debat gebracht. IX-9615-10/15 Beoordeling 12. De decreetgever heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen als administratief rechtscollege opgedragen, onder meer, om “uitspraak [te doen] over de beroepen die door studenten […] worden ingesteld tegen studievoortgangsbeslissingen” (artikel II.285, tweede lid, VCHO) en om daarbij te beoordelen “of studievoortgangsbeslissingen in overeenstemming zijn met: 1° de decretale en reglementaire bepalingen en het onderwijs- en examenreglement; 2° de algemene administratieve beginselen” (artikel II.291, eerste lid, VCHO). Bij het uitoefenen van zijn opdracht beschikt die rechter niet over een volle rechtsmacht met hervormingsbevoegdheid: hij “stelt zijn appreciatie betreffende de waarde van een kandidaat niet in de plaats van die van het bestuur of enig orgaan dat werkt onder de verantwoordelijkheid van het bestuur” (artikel II.291, tweede lid, VCHO). In zijn arrest besluit de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen tot “gemotiveerde afwijzing van het beroep op grond van de onontvankelijkheid of de ongegrondheid ervan” of tot “gemotiveerde vernietiging van de onrechtmatig genomen studievoortgangsbeslissing” (artikel II.292, § 1, eerste lid, VCHO). De decreetgever heeft met betrekking tot de aanhangigmaking van een geding evenwel gepreciseerd dat “een feitelijke omschrijving […] van de ingeroepen bezwaren” volstaat in het gedinginleidend verzoekschrift (artikel II.294, § 2, eerste lid en derde lid, 4°, VCHO). De decreetgever heeft voor de omschrijving van de stelplicht van een verzoekende partij bewust voor deze formulering gekozen – en het begrip ‘middelen’ vervangen – bij artikel VI.20 van het decreet van 16 juni 2017 (Parl.St. Vl.Parl. 2016-17, nr. 1146/1, 6 – zie ook blz. 218-221 voor de opmerking van de afdeling Wetgeving van de Raad van State die tot deze wijziging aanleiding heeft gegeven): IX-9615-11/15 “Bij een expliciete verwijzing naar de term ‘middelen’ bestaat het risico van een strikte juridische lezing van het begrip ‘middelen’. Dit kan tot gevolg hebben dat voor een student die nog niet op de hoogte is van de juridische finesses van het instellen van een beroepschrift bij het niet naleven van deze strenge vereisten, die ook in de interne beroepsfase reeds gelden, het ingestelde beroep bij het door de decreetgever ingestelde rechtscollege onontvankelijk is. Dit zou er toe kunnen leiden dat de beroepsprocedure onwerkzaam wordt. Deze strengere vormvoorwaarden door de formulering van het begrip ‘middel’ zouden derhalve kunnen leiden tot een beperking van de toegang van de student tot het specifiek ingestelde rechtscollege ‘de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen’ (Raad). Een beperking die niet evenredig is met het beoogde doel, met name: dat een beroepschrift duidelijk de ingeroepen bezwaren moet feitelijk omschrijven. Een strikt juridische omschrijving is hiertoe niet vereist. Dit is een overdreven formalisme mede gezien de zeer korte beroepstermijnen die gelden en het feit dat het intern beroep in principe nog niet gejuridiseerd is. Het begrip ‘middelen’ is dan ook uit de decreetstekst geschrapt.” 13.1. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen is er dan ook toe gehouden om het recht toe te passen op de feiten die de partijen op bijzondere wijze hebben ingeroepen en om, op basis daarvan, de door de partijen aangevoerde redenen of bezwaren ambtshalve aan te vullen en de gebreken in hun juridische argumentatie te verhelpen. 13.2. Voor zover het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 14.1. Voorwaarde hierbij is evenwel dat die rechter het recht van verdediging van de partijen als algemeen rechtsbeginsel en het recht op tegenspraak vervat in artikel 6, lid 1, EVRM niet miskent en dat hij, zo nodig, het debat daartoe heropent. 14.2. Uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt niet dat de functiebeperking van verweerder als mogelijke schulduitsluitingsgrond in het debat is gebracht en aan tegenspraak onderworpen. IX-9615-12/15 De administratieve rechter die als doorslaggevend element voor het vaststellen van de onwettigheid van een voor hem gebrachte beslissing ambtshalve een juridische kwalificatie opwerpt die de partijen niet hebben aangevoerd of ter sprake gebracht, waarop zij ook op zicht van het verzoekschrift waarmee de zaak voor die rechter werd gebracht of zelfs een later (nuttig) procedurestuk, redelijkerwijze niet bedacht moesten zijn en waaromtrent de rechter die partijen evenmin de gelegenheid heeft gegeven tegenspraak te voeren, miskent het recht van verdediging. Daaraan doet het eventuele openbare-ordekarakter van hetgeen door de rechter wordt aangevuld, geen afbreuk. 14.3. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. VI. Overige middelen 15. De overige middelen hoeven niet te worden onderzocht, aangezien ze niet tot een ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing kunnen leiden. VII. Anonimisering 16. Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt verweerder dat bij de publicatie van het arrest zijn identiteit niet wordt opgenomen. Dit verzoek wordt ingewilligd. IX-9615-13/15 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt arrest nr. 5143 van 19 augustus 2019 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. 2. Dit arrest zal in de registers van voormeld rechtscollege worden overgeschreven en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. 3. De zaak wordt verwezen naar de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, anders samengesteld. 4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. 5. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verwerende partij niet bekendgemaakt. IX-9615-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9615-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.351 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.