id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.351 Rolnummer: A. 229140/IX-9615 Zaak: Arrest 247351 - Examens (onderwijs) - 31/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-31 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-26 03:17 Fiche Arrest nr 247.351 van 31 maart 2020 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 247.351 van 31 maart 2020 in de zaak A. 229.140/IX-9615 In zake: de KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Evelyne Maes kantoor houdend te 3000 Leuven Arnould Nobelstraat 40/0102 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat David D’Hooghe kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 tegen: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sophie Groetaers en Tom Peeters kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 17 september 2019, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 5143 van 19 augustus 2019 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking nr. 13.490 van 27 september 2019 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. IX-9615-1/15 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaten Evelyne Maes en Sander Meert, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Tom Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De feiten zoals ze door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen in het bestreden arrest werden vastgesteld, kunnen als volgt worden samengevat. 3.2. Verweerder is in het academiejaar 2018-2019 ingeschreven in de opleiding ‘Master of Mathematics’. IX-9615-2/15 Voor het opleidingsonderdeel ‘Advanced Reading Course in Mathematics’ moet hij het boek ‘Random Matrices and the Six-Vertex Model’ lezen, daarover een rapport schrijven en een presentatie geven. Voor het rapport wordt hem een score van 5/20 toegekend en voor de presentatie 13/20. Wat het rapport betreft, wordt door verzoekster geoordeeld dat de ingediende tekst voor meer dan 90% bestaat uit letterlijk uit het te lezen boek overgeschreven passages. Verweerder wordt daarom uitgenodigd voor een gesprek met de ‘beperkte examencommissie’. 3.3. Op 5 juli 2019 beslist die examencommissie om aan verweerder de examentuchtstraf van “nul op het opleidingsonderdeel GOV75A ‘Advanced Reading Course in Mathematics’” op te leggen voor de tweede examenperiode (juni 2019) wegens plagiaat – “[r]ekening houdend met verzachtende psychische omstandigheden maar ook met de bezwarende omstandigheid van recidive”. 3.4. Verweerder stelt tegen deze examentuchtbeslissing intern beroep in. 3.5. Op 22 juli 2019 beslist de vicerector Studentenbeleid van verzoekster als beroepsorgaan dat er sprake is van plagiaat. Zij volgt “de beoordeling zoals die werd gemaakt door de examencommissie wat betreft de aard en omvang van het plagiaat, [verweerders] ervaring als student, de verzachtende omstandigheden en het feit dat [verweerder] reeds eerder werd gesanctioneerd wegens onregelmatigheden”. Zij bevestigt de sanctie van 0/20 voor het opleidingsonderdeel en het eveneens door de examencommissie opgelegde volgen van een “tutorial die gepaard gaat met een toets”. IX-9615-3/15 3.6. Op 29 juli 2019 stelt verweerder tegen deze beslissing een beroep in bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Hij brengt drie bezwaren aan: “er is geen plagiaat gepleegd”, wat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen als middel opvat als een schending van artikel 84 van het onderwijs- en examenreglement; “het zogenaamde plagiaat werd laattijdig vastgesteld”, wat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen leest als “een tweede middel [gesteund] op een gebrek aan begeleiding en feedback en op het redelijkheidsbeginsel” en “in ondergeschikte orde: schending van het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.” Bij arrest nr. 5143 van 19 augustus 2019 vernietigt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen de beslissing van de vicerector Studentenbeleid van verzoekster van 22 juli 2019. Daarbij overweegt die Raad – in een “[b]eoordeling van alle middelen samen” – wat volgt: “Verzoeker [versta: verweerder in cassatie] voert sinds zijn intern beroep aan dat hij lijdt aan een ernstige autistische beperking, die onder meer wordt gekenmerkt door het niet of onvoldoende begrijpen van vragen of opdrachten en het kopiëren van gedrag van anderen. Noch de aandoening op zich, noch de wijze waarop deze zich manifesteert, wordt in de bestreden beslissing tegengesproken. Integendeel wordt ‘autisme’ uitdrukkelijk vermeld als reden waarom uiteindelijk geen zwaardere examentuchtsanctie is opgelegd. Verzoeker brengt tevens een attest voor, gedateerd op 28 november 2018, waarin een functiebeperking door verwerende partij [versta: verzoekster in cassatie] wordt erkend voor het academiejaar 2018-2019. Dit attest vermeldt niet de aard van de aandoening, maar de Raad ziet in de voorliggende stukken geen reden om aan te nemen dat er een andere oorzaak dan verzoekers autisme aan ten grondslag ligt. De faciliteiten die erin zijn beschreven (voorbereidingstijd, plaats in het auditorium, enz.), zijn niet relevant voor de aard van het hier betrokken opleidingsonderdeel, althans niet voor de schriftelijke opdracht. Gelet op verzoekers ontwikkelingsstoornis, heeft de Raad partijen ter zitting bevraagd of er door verzoeker bijzondere faciliteiten waren gevraagd. Beide partijen antwoorden daarop ontkennend – wat niet lijkt overeen te stemmen met voormeld attest en de daarin vermelde faciliteiten. Namens verwerende partij wordt eraan toegevoegd dat de faciliteiten die hadden kunnen worden geboden bovendien beperkt zijn tot IX-9615-4/15 het bieden van meer tijd, het voorzien in een groter lettertype enz., en dus voor het hier voorliggende dossier niet relevant zijn. De Raad acht het belangrijk erop te attenderen dat een medisch gediag- nosticeerde ontwikkelingsstoornis zoals autisme of een autismespectrumstoornis kan worden beschouwd als een ‘handicap’ in de zin van de Wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, en dat ook rekening moet worden gehouden met het VN- Verdrag Inzake de Rechten van Personen met een Handicap en met artikel II.276 van de Codex Hoger Onderwijs. In het licht daarvan overweegt de Raad dat een bijzondere faciliteit in het raam van de begeleiding van de student slechts zinvol en volwaardig is wanneer zij in voldoende mate rekening houdt met de specificiteit van de beperking. Voor de ontwikkelingsstoornis waarmee verzoeker te kampen heeft, zou dat bijvoorbeeld kunnen zijn dat een examinator zich ervan vergewist of de student de vraag c.q. opdracht correct heeft begrepen. Verzoeker stelt tevens dat de opdracht zoals zij door professor W.V.A. werd geformuleerd, het al te letterlijk begrijpen ervan aannemelijk maakt. Uit de voorliggende stukken blijkt dat die opdracht op 5 oktober 2018 (mail met verzoeker in kopie) als volgt is uiteengezet: ‘(Verzoeker) will be reading a recent monograph ‘Random matrices and the six vertex model’ by Pavel Bleher and Karl Liechty (…) and the corresponding research papers (…). (Verzoeker) will give an oral presentation and write a substantial report, which will both be evaluated by (A.) and me.’ en in een e-mail van 20 mei 2019 als volgt is herhaald: ‘(Verzoeker) volgt de ‘reading course’ maar moet nog een rapport indienen van zijn werk en een presentatie geven over dat werk. Hij heeft het boek ‘Random Matrices and the Six-Vertex model’ van Pavel Bleher en Karl Liechty bestudeerd en zal daarvan enkele hoofdstukken grondig doorwerken. De bedoeling is dat hij zijn rapport zal indienen op 23 juni en dat hij een presentatie/seminarie zal geven op woensdag 26 juni. Dan is dat nog op tijd om door te geven als score aan de faculteit.’ De Raad treedt verzoeker bij dat de omschrijving van de opdracht voor een persoon met autisme, onduidelijk kan zijn. ‘Doorwerken’ wordt in het Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal overigens verklaard als ‘ten einde toe bestuderen’, of ‘goed bestuderen’. In beginsel kan worden aangenomen dat het bij examentucht niet anders is dan bij personeelstucht, in die zin dat bijzonder opzet of intentie in beginsel niet zijn vereist opdat een gedraging tuchtrechtelijk kan worden gesanctioneerd. Een tekortkoming aan de opgelegde gedragsnormen volstaat […]. In die zin kan een tuchtoverheid rechtmatig oordelen dat een bepaalde handeling tuchtrechtelijk moet worden gesanctioneerd, los van de vraag of er sprake is van enig bedrieglijk inzicht (RvS 5 december 1994, nr. 50.576, […]). Ook een nalatigheid kan een tuchtinbreuk uitmaken. De schuld is evenwel evenzeer een wezenlijk bestanddeel van het tuchtrechtelijk strafbaar feit. In de particuliere omstandigheden van dit IX-9615-5/15 dossier, is de Raad van oordeel dat de ontwikkelingsstoornis die in de bestreden beslissing is aangehouden als verzachtende omstandigheid, als een schulduitsluitingsgrond moet worden beschouwd. Gewis is verwerende partij niet verplicht om verzoeker voor het afgeleverde werk een credit te verlenen, maar de eerder onduidelijke en niet verder gecontextualiseerde opdracht, samengenomen met verzoekers aandoening, overtuigen de Raad er in dit concrete geval van dat verzoeker niet kan worden verweten teksten letterlijk te hebben overgenomen – ongeacht de omvang van wat ter zake kan worden vastgesteld – en dat hij derhalve niet tuchtrechtelijk kan worden gestraft. Het beroep is in de aangegeven mate gegrond.” De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen legt aan “[h]et daartoe bevoegde orgaan” van verzoekster op om uiterlijk 2 september 2019 een nieuwe beslissing te nemen. 3.7. Op 6 september 2019 beslist de vicerector Studentenbeleid van verzoekster “opnieuw” om aan verweerder “de sanctie [op te leggen] waarbij omwille van het vastgestelde plagiaat [hem] een resultaat van 0/20 wordt toegekend in eerste zittijd voor het OPO ‘Advanced Reading Course in Mathematics’”. Tegen deze beslissing stelt verweerder ook een beroep in bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. De behandeling ervan is uitgesteld “in afwachting van een arrest van de Raad van State” in de thans voorliggende zaak. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie 4. Verweerder werpt in zijn memorie van antwoord op dat verzoekster geen belang meer heeft bij haar beroep omdat zij een nieuwe beslissing heeft genomen. Volgens verweerder is de procedure voor de Raad van State hierdoor zelfs zonder voorwerp geworden. IX-9615-6/15 Beoordeling 5.1. Met de oorspronkelijk vernietigde beslissing heeft verzoekster aan verweerder de examentuchtbeslissing van “een nul voor het volledige opleidingsonderdeel” opgelegd. Die examentuchtbeslissing is vernietigd door het thans bestreden arrest van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. 5.2. De finaliteit van een cassatieberoep bestaat erin om de vermeend onwettige beslissing van een administratief rechtscollege teniet te doen, waarna de zaak voor een nieuwe beoordeling aan het rechtscollege wordt voorgelegd, zodat de verzoekende partij in cassatie een nieuwe kans verwerft op een voor haar gunstiger beslissing van dat rechtscollege. 6. De vicerector Studentenbeleid van verzoekster heeft op 6 september 2019 een nieuwe examentuchtbeslissing met dezelfde strekking genomen. Die beslissing is het gevolg van het uitdrukkelijk door de eerste rechter gegeven bevel in het thans bestreden arrest om een nieuwe beslissing te nemen. Verzoekster merkt in dat verband terecht op dat de beslissingen van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen uitvoerbaar zijn, niettegenstaande het feit dat cassatieberoep is ingesteld bij de Raad van State. Een cassatieberoep heeft immers geen schorsende werking. Bovendien dient aangestipt dat de beslissing van 6 september 2019 óók bestreden wordt voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen en dat de rechtspleging voor die rechter is opgeschort totdat de Raad van State zich over de thans voorliggende zaak zal hebben uitgesproken. IX-9615-7/15 7. Een dergelijke handelwijze ontneemt verzoekster niet het rechtens vereiste belang bij het huidige cassatieberoep. De mogelijkheid om na cassatie bij de eerste rechter een gunstiger beslissing te verkrijgen, bestaat immers nog steeds. Verbreekt de Raad van State het voorliggende arrest van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, dan zal deze laatste moeten oordelen dat de beslissing van 6 september 2019 zonder de vereiste rechtsgrond is. 8. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 9. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van “het beschikkingsbeginsel en het algemene rechtsbeginsel van het recht van verdediging, zoals onder meer vervat in artikel 6 EVRM”. Verzoekster zet dat middel als volgt uiteen: “11. Het bestreden arrest schendt de ingeroepen toetsingsnormen, omdat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft geoordeeld dat de ontwikkelingsstoornis van [verweerder] een schulduitsluitingsgrond is, terwijl [verweerder] dit argument niet zelf heeft aangebracht en KU Leuven niet de mogelijkheid heeft gehad om zich te verweren met betrekking tot dat argument. 12. Krachtens het beschikkingsbeginsel komt het de partijen toe om in een geschil zelf de grens aan te duiden van datgene waaromtrent zij betwisting wensen te voeren. Het komt aldus niet aan een rechtscollege toe om ‘ultra petita’ te beslissen. Het algemene rechtsbeginsel van het recht van verdediging vereist dat de partijen worden gehoord over middelen of motieven die een rechter ambtshalve opwerpt. 13. Uit het bestreden arrest […] en uit het verzoekschrift extern beroep van [verweerder] blijkt dat [hij] niet argumenteert dat zijn ontwikkelingsstoornis een schulduitsluitingsgrond voor het plagiaat is. [Hij] argumenteert daarentegen dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.