id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.353 Rolnummer: A. 224132/IX-9210 Zaak: Arrest 247353 - O.C.M.W. - 31/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-31 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-26 03:17 Fiche Arrest nr 247.353 van 31 maart 2020 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 247.353 van 31 maart 2020 in de zaak A. 224.132/IX-9210 In zake: Sandra PUYLAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Socquet kantoor houdend te 3080 Tervuren Merenstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BOOM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ingrid Opdebeek kantoor houdend te 2630 Aartselaar Karel van de Woestijnelaan 7 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 2 januari 2018, strekt tot de nietigver- klaring van “de beslissing van 31 oktober 2017 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te Boom waarbij wordt beslist: ‘bij ordemaatregel […] Sandra Puylaert te herplaatsen in de functie van coördinator diëtiek in het woonzorgcentrum De Beuk met onmiddellijk[e] ingang’”. IX-9210-1/25 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 februari
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom De Sutter, die loco advocaat Dany Socquet ver- schijnt voor de verzoekende partij en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is sinds 1995 in dienst van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Boom, aanvankelijk als diëtiste en vervolgens als keukenmanager-diëtiste belast met de leiding van de keuken. IX-9210-2/25 3.
- Op 25 november 2016 kent de secretaris van het OCMW, die verzoeksters evaluator is, aan verzoekster de evaluatie ‘manifest ontoereikend’ toe. De motivering luidt dat “[b]etrokkene […] op geen afdoende wijze [heeft] aan- getoond dat de afspraken die gemaakt werden in het functioneringsgesprek van 14 april 2016 werden gehonoreerd”. Verzoekster stelt tegen die evaluatiebeslissing een beroep in bij de beroepsinstantie inzake evaluatie, die adviseert om de toegekende evaluatie ‘manifest onvoldoende’ om te zetten in de evaluatie ‘net niet voldoende’. De mo- tivering hiervoor is dat “de argumenten die bij de evaluator geleid hebben tot een manifest onvoldoende beoordeling, onvoldoende schriftelijk zijn beschreven in de voorgaande functioneringsgesprekken”. 3.
- Op 24 januari 2017 sluit de secretaris van het OCMW zich aan bij het advies van de beroepsinstantie en wijzigt hij het resultaat van verzoeksters evaluatie in ‘net niet voldoende’. Verzoekster vecht deze beslissing aan met een beroep tot nie- tigverklaring bij de Raad van State (zaak A. 222.216/IX-9069). 3.
- Eerder, op 30 november 2016, heeft de raad voor maatschappe- lijk welzijn van het OCMW beslist om een operationele audit van de keuken te laten uitvoeren, met als doel “de werking van de keuken te optimaliseren”. 3.
- Op grond van de bevindingen van die audit beslist de raad voor maatschappelijk welzijn op 25 januari 2017 om een opdracht uit te schrijven voor het technische beheer van de keuken. 3.
- Op 22 maart 2017 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn om aan verzoekster de tuchtstraf van zes maanden schorsing op te leggen wegens het “niet opvolgen” en “niet naleven” van verscheidene opdrachten. Verzoekster stelt daartegen een beroep in bij de beroepscommissie voor tuchtzaken van het IX-9210-3/25 statutaire gemeente-, provincie- en OCMW-personeel, die haar beroep op 1 september 2017 gegrond verklaart en de tuchtbeslissing tot schorsing van ver- zoekster vernietigt wegens de schending van “haar rechten van tegenspraak en verdediging”. Op 31 oktober 2017 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn om de tuchtprocedure tegen verzoekster te hernemen. 3.
- De opdracht ‘technische ondersteuning keuken OCMW Boom’ wordt op 22 maart 2017 gegund aan de firma S. 3.
- Op 9 augustus 2017 keurt de raad voor maatschappelijk welzijn een voorstel tot wijziging van de personeelsformatie goed. In de nieuwe perso- neelsformatie wordt voorzien in een functie van coördinator diëtiek, alsook in de uitdoving van de functie van keukenmanager-diëtist. De raad motiveert zijn be- slissing met verwijzing naar de conclusies en aanbevelingen van het auditrapport en hij stelt dat “[d]oor de aanstelling van een externe firma […] een eigen keu- kenmanager om het management van de keuken op te volgen niet noodzakelijk [is] in de organisatie”. Deze wijziging van de personeelsformatie verkrijgt op 18 september 2017 de goedkeuring van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Boom. 3.
- Met een brief van 18 september 2017 wordt verzoekster uitge- nodigd voor een hoorzitting in het kader van een “ordemaatregel” die het bestuur ten aanzien van haar overweegt. Die brief vermeldt: “Het bestuur overweegt een ordemaatregel naar aanleiding van de reorga- nisatie van het keukenbeheer. Het keukenbeheer werd recent immers uitbesteed aan [de firma S.] in uitvoering van een audit van de keukenwerking begin 2017 en er werd overgestapt naar een ander concept van maaltijdbedeling. Ook de personeelsformatie wordt gewijzigd. De ordemaatregel die ten aanzien van u wordt overwogen is de toekenning van een nieuw functie- en competentieprofiel, met name dat van coördinator diëtiek.” IX-9210-4/25 3.
- Verzoekster wordt op 27 september 2017 over de voormelde maatregel gehoord. 3.
- Op 31 oktober 2017 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn om verzoekster “bij ordemaatregel […] te herplaatsen in de functie van coördinator diëtiek in het woonzorgcentrum De Beuk met onmiddellijke ingang”. Deze beslissing is gesteund op de volgende motieven: “Het keukenbeheer werd bij beslissing van 22 maart 2017 uitbesteed aan [de firma S.] in uitvoering van een audit van de keukenwerking begin
- Hierbij werd onder meer vastgesteld dat het organigram van de keuken niet afgestemd was op de werking van een normale keuken en dat er veel optimalisaties konden worden gerealiseerd in de werking van de keuken, die zouden leiden tot een efficiëntere werking en een lagere loonkost. De opdracht aan [de firma S.] omvat de aanwezigheid van een voltijds equi- valent keukenbeheerder. Er werd ook overgestapt naar een ander concept van maaltijdbedeling. Ten gevolge van deze wijzigingen in de werking werd de personeelsformatie aangepast. Door de aanstelling van een externe firma voor het keukenbeheer, met name [de firma S.], is de functie van keukenmanager om het management van de keuken op te volgen momenteel niet langer noodzakelijk in de organisatie. Die functie wordt thans immers vervuld door [de firma S.] en werd daarom uitdovend gezet. Sandra Puylaert, tot op heden bekleed met de functie van keukenmana- ger-diëtist, dient een andere passende functiebeschrijving te krijgen, omdat haar functie geen inhoud meer heeft. Bij de recente wijziging van de personeelsformatie werd de statutaire functie van coördinator diëtiek opgenomen. Dit is een functie van dezelfde graad als de functie van keukenmanager-diëtist en tevens een leidinggevende functie, weze het met een andere inhoud. De kernresultaatgebieden en de vereiste gedrags- competenties sluiten aan bij het profiel en de competenties van Sandra Puylaert en vergen een kleine omschakeling in vergelijking met haar vorige functie. De functie van coördinator diëtiek is dan ook een passende functie voor Sandra Puylaert ter vervanging van de functie die zij tot op heden heeft bekleed. Sandra Puylaert had de gelegenheid haar standpunt uiteen te zetten over de voorgenomen ordemaatregel. Zij voert daarbij allereerst aan dat er geen reden is om haar uit haar huidige functie te ontzetten. Deze stelling gaat echter voorbij aan de vaststelling dat de functie van keukenmanager-diëtist, ook al is de functie niet opgeheven doch slechts uitdovend gezet, momenteel geen reële inhoud meer heeft. Deze functie wordt thans immers uitgeoefend door [de firma S.] in het raam van de doorgevoerde reorganisatie van de werking van de keuken. Er is dus wel degelijk een nood om Sandra Puylaert een andere functie toe te kennen. Door dit te doen wordt de goede werking van de dienst juist wel ver- zekerd. Het zou van onzorgvuldig bestuur getuigen een statutair personeelslid te IX-9210-5/25 laten functioneren zonder zinvolle functie-inhoud en het zou tot chaos leiden om de keuken tegelijk door twee keukenmanagers te laten leiden. De stelling van Sandra Puylaert dat het de bedoeling is haar te straffen met een nieuwe functiebeschrijving wordt door de feiten tegengesproken. Dit is geen (verkapte) tuchtstraf, noch een gevolg van haar ongunstige evaluatie (die zij in rechte betwist), maar een noodzaak in het belang van de goede werking van de dienst na de reorganisatie van het keukenbeheer. De stelling dat de functiebeschrijving door vage omschrijvingen de weg openzet naar een negatieve evaluatie is onjuist. De functiebeschrijving is vol- doende concreet en wijkt in de omschrijving van de kernresultaatsgebieden en gedragscompetenties qua stijl niet af van andere functiebeschrijvingen. Ui- teraard zal in overleg met de rechtstreeks leidinggevende, de directeur van het woonzorgcentrum, hieraan een verdere concrete invulling kunnen worden ge- geven. In tegenstelling tot wat Sandra Puylaert aanvoert is het auditrapport over de werking van de keuken geen evaluatie van haar functioneren. Voor dit laatste bevat de rechtspositieregeling een uitgewerkte evaluatieprocedure. Het au- ditrapport over de werking van de keuken heeft weliswaar een aantal dysfunc- ties aan het licht gebracht, die het bestuur onder meer met de opdracht aan [de firma S.] en de wijziging van de personeelsformatie wenst te verhelpen. Dat ten tijde van de audit van de keuken Sandra Puylaert niet op de werkvloer aanwezig was, doet geen afbreuk aan de conclusies van de audit. De aan- of afwezigheid van Sandra Puylaert kan op de concrete vaststellingen van de audit geen we- zenlijke invloed hebben gehad. Deze vaststellingen hebben ook niets vandoen met de problemen met de vloer, de lekkage en de stroompanne, want deze vaststellingen dateren van geruime tijd nadat de wasstraat buiten gebruik was gesteld en omvatten de gehele werking van de keuken. De stelling van Sandra Puylaert dat er geen reden is om de functie van keu- kenmanager-diëtist uitdovend te maken en om te opteren voor een externe keukenmanager via [de firma S.], miskent de realiteit dat deze beslissingen reeds geruime tijd zijn genomen.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van “het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel evenals [...] het rede- IX-9210-6/25 lijkheids- en het evenredigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”, alsook de schending van “de motiveringsplicht in hoofde van de admi- nistratieve overheid, zoals opgenomen in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelin- gen”. Zij betoogt dat de voornoemde beginselen en bepalingen ge- schonden zijn, doordat de bestreden maatregel tot herplaatsing haar wordt opge- legd om reden dat haar functie van keukenmanager thans wordt ingevuld door de firma S. en daarom uitdovend is en geen inhoud meer heeft en doordat die maat- regel volgens de verwerende partij is ingegeven door het belang van de goede werking van de dienst, nu verzoekster de oorzaak zou zijn van een aantal disfunc- ties van de dienst waarvoor de enig mogelijke oplossing zou bestaan in de priva- tisering van haar functie, terwijl vooreerst de aanstelling van een externe firma voor het keukenbeheer haar functie geenszins inhoudsloos maakt, er voorts geen reden voorhanden is om te stellen dat haar functioneren de oorzaak zou zijn van enig disfunctioneren van de keuken en ten slotte een ordemaatregel louter betrek- king mag hebben op de goede werking van de dienst en het functioneren van het personeelslid niet vermag te beoordelen en al zeker niet te sanctioneren. Zij verstrekt over dit middel de volgende “[t]oelichting”: “Verzoekster is reeds sedert 5 april 1995 werkzaam voor het OCMW te Boom, vooreerst in de functie van diëtiste en vervolgens sedert 2000 in de functie van keukenmanager-diëtiste waarbij zij de leiding had van de keuken. Middels de bestreden beslissing wordt verzoekster in de functie herplaatst van coördinator diëtiek waarbij haar de leiding van de keuken en het leiding- geven aan het keukenteam en het deel uitmaken van het managementteam wordt ontnomen en verzoekster nog enkel leiding kan geven aan ... de diëtist. Waar het doel van de functie van keukenmanager-diëtist er volgens het functie- en competentieprofiel in bestond om de werking van de keuken te coör- dineren en het maaltijdgebeuren te organiseren, wordt dit doel thans omschre- ven als het coördineren van de dagelijkse werking, teneinde de continuïteit van de dienst te bewaren. Waar de functieomschrijving van verzoekster als keukenmanager glashelder was, kan de omschrijving van deze nieuwe functie niet vager zijn: gaande van het instaan voor ‘een optimale informatiedoorstroming met het oog op een IX-9210-7/25 constructieve samenwerking en klantgerichte dienstverlening’ waarbij ver- zoekster suggesties dient te formuleren of verbeteringsinitiatieven dient aan te brengen die kunnen bijdragen tot een betere klantgerichte dienstverlening of tot het doorverwijzen van vragen van bewoners / klanten, tot het ‘uitwerken van beleidsvoorstellen en -adviezen met het oog op een kwaliteitsvolle voorberei- ding en bijsturing van het beleid’, waarbij verzoekster proactief dient in te spelen op vragen, behoeften, ontwikkelingen, trends, ... dan wel tot taak heeft om relevante signalen uit het werkveld te herkennen en te analyseren, tot taken die hoegenaamd geen inhoud kunnen hebben om de eenvoudige reden dat verzoekster de facto geen personeel onder zich meer heeft om aan te sturen: ‘communiceren en samenwerken als leidinggevende’, en ‘aansturen en/of be- geleiden van collega’s’ waarbij verzoekster als een soort back-up dient te fun- geren en ‘instaan voor de dagelijkse werking van de dienst’, waarbij verzoekster bijvoorbeeld als taak heeft het waken over een effectieve en efficiënte dienst- verlening. Verzoekster was in de functie waarin zij sedert 2000 werd benoemd ver- antwoordelijk voor de werking van de keuken en het organiseren van het maaltijdgebeuren en had hierbij de leiding over haar keukenteam en maakte voor wat de geïntegreerde werking van de diensten van het OCMW betrof deel uit van het managementteam. Het functie- en competentieprofiel voor de functie van keukenmana- ger-diëtist en voor de thans gecreëerde functie van coördinator diëtiek worden gevoegd als bijlage (stukken 3 en 4): de aldaar weergegeven omschrijving spreekt voor zich: van een concrete functie van het managen van de keuken wordt verzoekster herplaatst in een algemene functie van coördinator. Niet alleen het leidinggeven aan het keukenteam, doch tevens haar taken als lid van het managementteam worden aan verzoekster ontnomen. Middels het tuchtrecht zou dit een terugzetting in graad betekenen; thans gebeurt dit onder het mom van een ordemaatregel. De vraag stelt zich aldus of een loutere maatregel van inwendige orde in het belang van de dienst een zulke ingreep in de rechtspositie en de functie van verzoekster kan rechtvaardigen. Vooreerst voert verzoekster hierbij de schending aan van het zorgvuldig- heidsbeginsel en van de materiële motiveringsplicht in de mate het ocmw be- stuur bij het nemen van de bestreden beslissing zich kennelijk niet heeft ge- steund op feitelijke juiste en rechtens relevante motieven, doch er ten onrechte is van uitgegaan dat de werking van de keuken te wensen overlaat onder meer omwille van de taakuitvoering van verzoekster, zich hierbij steunende op een auditrapport dat hoe dan ook niet op een zorgvuldige wijze tot de conclusie kon komen dat verzoekster haar taak niet naar behoren zou uitoefenen. De herplaatsing heeft aldus geen deugdelijke grondslag, noch in feite noch in rechte. Vervolgens, als het ware in ondergeschikte orde, voert verzoekster de schending aan van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel: immers, zelfs in de mate de bestreden beslissing toch zou steunen op de feitelijk juiste en rechtens relevante motieven, quod non, bestaat er een kennelijke wanverhou- ding tussen de motieven en de inhoud van de bestreden beslissing. IX-9210-8/25 Er is met andere woorden geen redelijke verantwoording te geven waarom verzoekster haar functie niet vermag te blijven uitvoeren en enkel het beheer van de keuken wordt geprivatiseerd: alle andere statutair aangestelde perso- neelsleden die werkzaam waren in het keukengebeuren blijven immers hun functie uitoefenen. Er is alleszins geen redelijke verantwoording te vinden voor het feit dat verzoekster wordt herplaatst in een functie waarbij zij niet langer wordt be- trokken bij de concrete werking van de keuken en waarin zij de facto ook de leiding over het keukenteam volledig kwijt is. De genomen ordemaatregel schendt de in het middel opgeworpen bepalingen en beginselen.”
- In haar memorie van wederantwoord doet verzoekster nog gel- den dat van haar niet kan worden verwacht dat zij de beslissing van het OCMW tot aanstelling van de firma S. of aanbestedingsprocedures in rechte aanvecht. Zij dient slechts te reageren wanneer de werkgever eenzijdige beslissingen neemt die haar eigen functie betreffen. De aanstelling van de firma S. heeft niet van rechts- wege of automatisch tot gevolg dat haar functie van keukenmanager-diëtist ver- dwijnt. Het auditrapport kan volgens verzoekster ook geen uitspraak doen over haar geschiktheid voor de functie van keukenmanager-diëtist en de auditor heeft geen enkele bevoegdheid om haar te evalueren. Verzoekster stelt dat zij wordt geconfronteerd met een herplaatsing in een andere functie met als enige grondslag de noodzaak tot aanstelling van een externe firma op grond van een verslag dat geen deel uitmaakt van haar evaluatie. Er wordt daarbij ten onrechte voorgehouden dat haar (onvoldoende) prestaties aan de maatregel ten grondslag liggen, terwijl zij geen manifest onvoldoende evaluatie heeft gekregen. Verzoekster herhaalt dat zij als enige wordt geviseerd, aangezien geen andere personeelsleden van het keu- kenteam door enige ordemaatregel worden getroffen. Zij betoogt dat zij als vast benoemd ambtenaar van haar functie wordt ontheven, omdat de verwerende partij het opportuun acht om haar functie door iemand anders te laten uitvoeren en dit zonder de functie vacant te verklaren of op te heffen en zonder de voorschriften van de toepasselijke rechtspositieregeling te volgen. Volgens verzoekster is de bestreden maatregel een verkapte tuchtstraf en wordt de feitelijke leiding van de keuken en het keukenpersoneel haar volledig ontnomen buiten enige evaluatie- of tuchtprocedure om, maar onder het mom van een ordemaatregel. IX-9210-9/25 Beoordeling
- Voor zover verzoekster in haar uiteenzetting van het middel doet gelden dat de bestreden herplaatsing een verdoken tuchtstraf is, wordt verwezen naar de beoordeling van het derde middel, dat hierna ongegrond wordt bevonden.
- Voor zover verzoekster de schending aanvoert van het ver- trouwensbeginsel, moet worden opgeworpen, zo nodig ambtshalve, dat zij niet uiteenzet hoe dit beginsel zou zijn geschonden. In zoverre is het middel bijgevolg niet ontvankelijk. In de mate dat verzoekster zou menen te mogen vertrouwen op het behoud van haar functie van keukenmanager-diëtist, moet overigens worden opgemerkt dat een dergelijk standpunt voorbijgaat aan de veranderlijkheid van de openbare dienst. Een overheid beschikt over een zeer ruime discretionaire be- voegdheid om de dienstaanwijzing van een ambtenaar te bepalen of te wijzigen in functie van de noodwendigheden van de dienst. Ambtenaren hebben het recht om een betrekking te bekleden en een functie uit te oefenen die met hun rang en graad overeenstemmen, maar zij kunnen geen recht doen gelden op het ongewijzigd blijven van hun rechtstoestand. Luidens het beginsel van de veranderlijkheid van de openbare dienst kan het belang van de dienst steeds vereisen dat een perso- neelslid op een andere plaats of voor een andere taak wordt ingezet en kan bij- voorbeeld in het kader van een reorganisatie tot de herverdeling van de opdrachten en taken worden overgegaan. 8.
- Verzoekster betwist de conclusies van het auditrapport en de noodzaak om een externe firma aan te stellen voor het keukenmanagement. Zij argumenteert dat de auditor haar niet kan evalueren en dat er geen redelijke ver- antwoording is voor het feit dat zij haar functie niet langer mag uitoefenen. Zij stelt voorts dat de aanstelling van de externe firma haar functie niet inhoudsloos maakt. IX-9210-10/25 De uitgevoerde audit is evenwel geen evaluatie van verzoekster. Hij heeft immers niet de evaluatie van het functioneren van verzoekster tot voor- werp, maar wel de doorlichting van de volledige werking van de keuken, teneinde deze te optimaliseren. Daarbij werden alle aspecten van de organisatie en de wer- king van de keuken onderzocht. In het auditrapport worden meerdere aanbeve- lingen gedaan om de efficiëntie van de keukenwerking te verbeteren. Het gaat onder andere, maar niet uitsluitend, om de functie van verzoekster. Dat het func- tioneren van verzoekster als keukenmanager in het auditrapport ter sprake komt, betekent niet dat de audit een evaluatie van verzoekster inhoudt, waarvoor de rechtspositieregeling in een eigen procedure voorziet. De argumenten van ver- zoekster die ervan uitgaan dat zij door de auditor werd geëvalueerd, kunnen der- halve niet worden aangenomen. 8.
- Verzoekster stelt dat ten onrechte wordt aangenomen dat de werking van de keuken te wensen overlaat en dat er geen redelijke verantwoording is voor het uitsluitend privatiseren van het beheer van de keuken. Zij voert evenwel geen elementen aan die van de onjuistheid of de onredelijkheid van de conclusies van het auditrapport kunnen overtuigen. Voorts slaagt verzoekster er niet in om de ondeugdelijkheid aan te tonen van de verantwoording die in de bestreden beslissing wordt gegeven voor haar herplaatsing, namelijk dat op grond van de conclusies van en aanbevelingen in het auditrapport over de werking van de keuken een externe firma werd belast met het beheer van de keuken, dat de functie van keukenmanager-diëtist van verzoek- ster daardoor niet langer noodzakelijk is in de organisatie en dat verzoekster een andere passende functie dient te krijgen omdat haar functie geen inhoud meer heeft. 8.
- Verzoeksters standpunt dat haar functie van keukenmana- ger-diëtist niet zonder inhoud is aangezien er nog steeds leiding moet worden gegeven aan het keukenteam en de externe firma geen lid kan zijn van het mana- gementteam, kan niet worden bijgevallen. Uit het bestek van de overheidsopdracht IX-9210-11/25 ‘technische ondersteuning keuken OCMW Boom’ blijkt immers duidelijk dat onder het “[d]oel van de opdracht” onder andere “[d]e aanwezigheid van een vol- tijds equivalent keukenbeheerder” valt en dat moet worden ingestaan voor “[h]et verlenen van assistentie en coaching aan de leden van het keukenteam”. De leiding van het keukenteam valt aldus onder de taken van de externe firma. De vraag of die externe firma al dan niet lid kan zijn van het managementteam is voor de beoor- deling van het middel niet relevant, temeer daar de samenstelling van dat team ingevolge de oprichting van een gemeenschappelijk managementteam voor ge- meente en OCMW is gewijzigd en ook verzoekster als keukenmanager-diëtist er geen deel van zou uitmaken.
- Verzoekster voert in haar memorie van wederantwoord bijko- mend aan dat zij van haar functie wordt ontheven zonder dat deze vacant is ver- klaard of werd opgeheven en dat de voorschriften van de toepasselijke rechtspo- sitieregeling niet werden nageleefd. Dit is evenwel een laattijdige en derhalve niet ontvankelijke uitbreiding van het oorspronkelijk aangevoerde middel. Hoe dan ook kan worden verwezen naar de beoordeling van het vierde middel waarin verzoekster dezelfde argumentatie aanvoert, die aldaar ongegrond wordt bevonden.
- Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van “bepalingen betreffende de evaluatie tijdens de loopbaan zoals voorzien in de artikelen 55 en volgende van de rechtspositieregeling voor het personeel van het woonzorgcentrum, de strijkerij en het kinderdagverblijf”, evenals de schending IX-9210-12/25 van “het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene be- ginselen van behoorlijk bestuur”. Volgens verzoekster ligt de voormelde schending besloten in het toekennen van een nieuw functie- en competentieprofiel bij ordemaatregel, terwijl haar reeds eenzelfde functie- en competentieprofiel werd aangeboden na haar evaluatie, zodat haar nu “dus” een sanctie wordt opgelegd in het kader van de evaluatieprocedure zonder de daartoe voorgeschreven regels na te leven. Verzoekster licht nader toe dat na advies van de beroepsinstantie inzake evaluatie haar evaluatieresultaat werd gewijzigd van ‘manifest ontoerei- kend’ in ‘net niet voldoende’ en dat zij in dat kader door de secretaris van het OCMW werd uitgenodigd om een nieuw functie- en competentieprofiel te be- spreken en afspraken te maken over de heroriëntering van haar functie. Het be- doelde functie- en competentieprofiel was dit van diëtist “met zelfs een terugzet- ting in graad van A1a-A3a naar BV1-BV3”. Het enige verschil met de thans be- streden ordemaatregel is dat zij nu haar wedde behoudt en “de graad gaat van A1a-A2a naar A1a-A3a”. Volgens verzoekster werd uiteindelijk afgezien van de heroriëntering omwille van de manifeste onwettigheid ervan, maar werd vervol- gens middels het inzetten van een externe firma gesteld dat een eigen keukenma- nager niet noodzakelijk is in de organisatie en werd de personeelsformatie in die zin aangepast, verwijzend naar de aanbevelingen van het auditrapport. Verzoekster is van oordeel dat dit auditrapport, waaruit dient te blijken dat zij als keukenma- nager geen goed werk levert en haar functie moet worden uitbesteed, volkomen ongefundeerde en uit de lucht gegrepen beweringen bevat, die tot stand zijn ge- komen zonder dat de externe consultant haar ooit heeft gesproken. Zij ziet in dit alles een opzet om haar uit haar functie te ontzetten, haar alle leidinggevende bevoegdheden te ontnemen en haar niet langer te betrekken bij “het dagelijks keukengebeuren”. Volgens haar is zulke herplaatsing strijdig met het evenredig- heidsbeginsel omdat een dergelijke drastische ingreep kennelijk onredelijk is en wat niet kon worden gerealiseerd in de evaluatieprocedure, nu wordt verwezenlijkt IX-9210-13/25 met een ordemaatregel. De verwerende partij schendt door haar handelwijze het zorgvuldigheidsbeginsel, zo besluit verzoekster.
- In haar memorie van wederantwoord en laatste memorie her- haalt verzoekster haar standpunt. Zij benadrukt slechts een “eenmalig vrijblijvend kort gesprek” te hebben gehad met de auditor en zij houdt staande dat de bewe- ringen van de auditor volkomen ongefundeerd en uit de lucht gegrepen zijn. Beoordeling
- De bestreden herplaatsing werd niet opgelegd in het kader van de evaluatie van verzoekster, maar is een maatregel die blijkens zijn motieven is genomen in het belang van de dienst, na de toewijzing – naar aanleiding van de bevindingen van een audit van de keuken van de verwerende partij – van de op- dracht tot technische ondersteuning van deze keuken aan een externe firma. De herplaatsing van verzoekster is dan ook een gevolg van de reorganisatie van de keuken en geen “sanctie” voor verzoeksters functioneren. De omstandigheid dat aan verzoekster in het kader van haar evaluatie een gelijkaardige functie zou zijn aangeboden, verandert niets daaraan. Hoe dan ook kunnen feitelijkheden die aan bod komen in een evaluatieprocedure, ook ten grondslag liggen aan een ordemaatregel in het belang van de dienst.
- De omstandigheid dat de auditor verzoekster niet, of slechts eenmalig, heeft gesproken, is op zich niet van aard de bevindingen van het au- ditrapport die hebben geleid tot de bestreden maatregel te ontkrachten. Ook de niet onderbouwde bewering van verzoekster dat het auditrapport “volkomen onge- fundeerde en uit de lucht gegrepen beweringen [bevat]” vermag dat niet.
- Het tweede middel is niet gegrond. IX-9210-14/25 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een derde middel de schending aan van “de bepalingen betreffende de tucht zoals voorzien in de artikelen 117 e.v. van het OCMW decreet en bijlage X tuchtregeling voor het statutair personeel in de rechtspositieregeling voor het personeel van het woonzorgcentrum, de strijkerij en het kinderdagverblijf”, evenals de schending van “het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur” en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Zij betoogt dat de voormelde bepalingen en beginselen ge- schonden zijn, doordat zij bij ordemaatregel wordt ontheven van haar functie en een andere functie krijgt toegewezen, terwijl de verwerende partij duidelijk de intentie heeft om haar te straffen voor bepaalde feiten zonder evenwel de voor- geschreven tuchtprocedure na te leven. Bovendien zijn de gevolgen van de be- streden herplaatsing niet evenredig met het doel ervan. Verzoekster licht voorts toe dat de facto enkel haar functie wordt geprivatiseerd en dat de verwerende partij met de bestreden beslissing tracht te verwezenlijken wat zij niet kon bereiken met de tuchtprocedure. Inmiddels is een nieuwe tuchtprocedure opgestart en zijn de tenlasteleggingen uitgebreid met “[h]et in gebreke blijven in de leidinggevende functie van keukenmanager-diëtist op vlak van personeelsbeheer” en “[h]et in gebreke blijven in de leidinggevende functie van keukenmanager-diëtist op vlak van beheer en organisatie van de keuken”, waarmee de verwerende partij ongetwijfeld verzoeksters definitieve ongeschikt- heid voor de functie van keukenmanager-diëtist wil aantonen. Er is volgens ver- zoekster een duidelijke interferentie met de thans bestreden beslissing. Zij stelt dat de verwerende partij de rechtsfiguur van de ordemaatregel, die als enig doel de goede werking van de dienst heeft, misbruikt om de definitieve verwijdering van IX-9210-15/25 verzoekster als keukenmanager te bewerkstelligen en dat er sprake is van be- voegdheidsoverschrijding en mogelijk zelfs machtsafwending. Verzoekster ziet een bevestiging daarvan in het feit dat de verwerende partij een week na het op- leggen van de bestreden herplaatsing heeft beslist om een tuchtprocedure op te starten voor het niet behoorlijk uitoefenen van de functie waaruit zij is herplaatst. Beoordeling
- De tuchtmaatregel en de ordemaatregel onderscheiden zich van elkaar door hun motief en hun schadeverwekkend effect. Een tuchtmaatregel beoogt te doen boeten voor een gedrag dat als laakbaar wordt beschouwd in hoofde van de ambtenaar aan wie de maatregel wordt opgelegd. Een ordemaatregel is daarentegen niet gesteund op laakbaar ge- drag, maar vindt zijn motief in een verstoring van de goede orde van de dienst, die weliswaar kan voortvloeien uit het gedrag van een personeelslid waarbij het echter niet het laakbaar bevinden van dit gedrag maar wel het gedrag op zich is dat de overheid brengt tot het nemen van de ordemaatregel. Een ordemaatregel mag aan de betrokkene niet meer lasten opleggen dan nodig voor de goede werking van de dienst, precies omdat het niet de bedoeling is iemand te doen boeten voor schuldig gedrag. Een tuchtmaatregel is daarentegen erop gericht te schaden.
- Het valt verzoekster toe, die van mening is dat de bestreden ordemaatregel een verdoken tuchtstraf is, om geloofwaardig te maken dat die maatregel een disciplinaire bedoeling heeft, aangezien, ondanks de schijn van het tegendeel, uit de omstandigheden van de zaak kan worden afgeleid dat het deter- minerende, maar niet uitgedrukte motief van de herplaatsing erin bestaat haar te bestraffen. IX-9210-16/25
- De bestreden beslissing steunt verzoeksters herplaatsing op het motief dat “[d]oor de aanstelling van een externe firma voor het keukenbeheer, met name [de firma S.], [...] de functie van keukenmanager om het management van de keuken op te volgen momenteel niet langer noodzakelijk [is] in de organisatie” en “Sandra Puylaert, tot op heden bekleed met de functie van keukenmanager-diëtist, [...] een andere passende functiebeschrijving [dient] te krijgen, omdat haar functie geen inhoud meer heeft”. Uit deze motivering blijkt alvast geen enkele bestraf- fende bedoeling. Wel kan verzoekster daaruit afdoende afleiden waarom zij wordt herplaatst. Er is derhalve voldaan aan de formelemotiveringsplicht.
- Ter staving van haar standpunt dat de haar opgelegde herplaat- sing een verdoken tuchtstraf uitmaakt, voert verzoekster aan dat enkel háár functie werd uitbesteed en dat, na de vernietiging van de haar eerder opgelegde tuchtstraf, de tuchtprocedure werd hernomen met toevoeging van twee tenlasteleggingen met betrekking tot haar leidinggevende taken, waaruit volgens haar de verwevenheid met de thans bestreden beslissing blijkt. Niet de goede werking van de dienst, maar haar definitieve verwijdering als keukenmanager wordt beoogd, zo besluit ver- zoekster. Uit het administratief dossier blijkt evenwel dat in het au- ditrapport van 18 januari 2017 wordt besloten dat er “een evenwichtige ploeg samengesteld [moet] worden zodat er efficiënter kan gewerkt worden” en “de loonkost kan afnemen”. Er wordt onder meer geadviseerd om “de huidige keu- kenverantwoordelijke ondersteunend te laten samenwerken met een te rekruteren keukenchef of keukenmanager”, waarbij zij “in haar nieuwe rol van diëtiste […] meer gaat informeren en opvolgen op de afdeling maar niet meer actief aanwezig is in de keuken of op het bureel in de keukenafdeling”. Op grond van dit rapport is door de verwerende partij een externe firma aangesteld voor de technische onder- steuning van de keuken, alsook de personeelsformatie aangepast. De wijziging van de personeelsformatie betreft de toevoeging van de functie van coördinator diëtiek en de uitdoving van de functie van keukenmanager-diëtist, omdat door de aan- stelling van de externe firma een eigen keukenmanager niet langer noodzakelijk is. IX-9210-17/25 Om die reden wordt verzoekster vervolgens herplaatst in de nieuwe functie van coördinator diëtiek. De vraag wie schuld draagt aan het mislopen van de werking van de keuken wordt niet gesteld. De verwerende partij beperkt zich tot het verhelpen van de dubbele bezetting van de functie van keukenmanager, die het gevolg is van het aanstellen van een externe firma om tegemoet te komen aan de uit het au- ditrapport gebleken pijnpunten in de werking van de keuken. De omstandigheid dat het gedrag of het functioneren van verzoekster mogelijk mee aan de grondslag ligt van de problematische werking van de keuken en ter gelegenheid van de audit tegen het licht is gehouden, impliceert niet dat de verwerende partij bestraffing voor ogen stond bij het nemen van de bestreden maatregel. Ook de vaststelling dat reeds eerder een tuchtprocedure tegen verzoekster werd gevoerd of dat die tuchtprocedure is hernomen, betekent nog niet dat aan de bestreden ordemaatregel een bestraffend motief ten grondslag ligt. De omstandigheid dat naast de bestreden beslissing tot herplaatsing, ook een tucht- procedure loopt, die wel bedoeld en geëigend is om te bestraffen, is veeleer een aanwijzing dat de herplaatsing geen verdoken tuchtmaatregel uitmaakt. Dat, zoals zij beweert, haar definitieve verwijdering als keu- kenmanager wordt beoogd, wordt door verzoekster niet aannemelijk gemaakt met concrete gegevens. In elk geval vindt deze bewering geen steun in de bestreden beslissing of het administratief dossier. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat de functie van keukenmanager momenteel niet langer noodzakelijk is in de orga- nisatie. De functie van keukenmanager-diëtist werd overigens niet afgeschaft, maar slechts in uitdoving geplaatst. Bovendien is de externe firma aangesteld in het kader van een overheidsopdracht, waarvan mag worden aangenomen dat ze kan worden beëindigd. Uit niets blijkt dat de genomen maatregel na verloop van tijd niet kan worden herbekeken. IX-9210-18/25
- Verzoekster maakt voorts niet aannemelijk en het blijkt evenmin spontaan uit het dossier dat de bestreden herplaatsing verzoekster meer benadeelt dan nodig voor de verbetering van de efficiënte en goede werking van de dienst. Verzoekster wordt immers herplaatst met behoud van haar graad en wedde, de locatie waar zij dient te werken blijft onveranderd en hoewel de inhoud van haar functie deels wijzigt, sluiten haar taken aan bij haar profiel en competenties en behoudt zij nog steeds een leidinggevende opdracht.
- Er is niet naar genoegen van recht bewezen dat de bestreden herplaatsing in wezen een tuchtstraf is, die verzoekster vanwege haar schuld aan zekere tekortkomingen op verdoken wijze heeft willen bestraffen.
- Het derde middel is niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een vierde middel de schending aan van “artikel 2 en de artikelen 161 en 162 van de rechtspositieregeling voor het perso- neel van het woonzorgcentrum, de strijkerij en het kinderdagverblijf”, alsook van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van “het vertrouwensbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Verzoekster betoogt dat de voormelde bepalingen en beginselen worden geschonden, doordat zij bij ordemaatregel uit haar functie van keuken- manager-diëtist wordt ontzet en wordt herplaatst in een andere functie en doordat de functie van keukenmanager-diëtist in uitdoving wordt geplaatst, terwijl een ambtshalve herplaatsing in een functie van dezelfde rang gebeurt wanneer de betrekking van een vast aangesteld statutair personeelslid wordt afgeschaft en de IX-9210-19/25 betrekking niet in een overgangsregeling wordt behouden. Zij stelt dat in de be- streden beslissing niet wordt verwezen naar de toepasselijke bepalingen inzake de ambtshalve herplaatsing, noch naar enige andere bepaling en dat in die beslissing ook niet afdoende wordt geantwoord op de argumenten die zij ter gelegenheid van de hoorzitting heeft aangebracht. De bestreden herplaatsing is volgens verzoekster ten slotte niet evenredig met het beoogde doel van de goede werking van de dienst. Vervolgens licht verzoekster toe dat in de mate dat de verwe- rende partij zich bij het nemen van de bestreden beslissing zou hebben gesteund op artikel 161 en volgende van de rechtspositieregeling, daarnaar niet wordt verwe- zen, waardoor de formelemotiveringsplicht is geschonden. Zij herneemt haar ar- gumentatie uit de nota die zij op de hoorzitting heeft neergelegd en zij stelt dat die argumentatie niet afdoende wordt weerlegd. De bestreden beslissing is beperkt tot het ontkennen van de aantijgingen zonder op een deugdelijke en afdoende wijze uiteen te zetten waarom de goede werking van de dienst een dergelijke ingrijpende maatregel vereist. Volgens verzoekster is dit in strijd met artikel 161, § 2, tweede lid, van de rechtspositieregeling. Verzoekster vestigt de aandacht op de precaire aard van de aanstelling van de externe firma en zij wijst erop dat die niet de defi- nitieve opheffing van de functie van keukenmanager tot gevolg heeft, wat zij be- vestigd ziet door enkele passussen van de bestreden beslissing. Verzoekster vraagt zich af of zij haar functie zal terugkrijgen wanneer het keukenmanagement terug in eigen beheer zal worden genomen. Zij stelt dat zij erop mocht vertrouwen dat zij de functie van keukenmanager-diëtist kon blijven uitoefenen binnen het raam van de rechten en de plichten die zijn bepaald in de rechtspositieregeling.
- In haar memorie van wederantwoord doet verzoekster nog gel- den dat het ontnemen van haar functie, het toewijzen van die functie aan iemand anders en haar herplaatsing in een nieuwe functie niet kunnen gebeuren louter op basis van het belang van de dienst, maar een grondslag moeten vinden in de toe- passelijke rechtspositieregeling. Zij wijst erop dat artikel 161 en volgende van de rechtspositieregeling voorzien in een regeling voor de herplaatsing, maar dat deze regeling in dit geval volledig wordt miskend. Hoe dan ook, aldus verzoekster, is de IX-9210-20/25 bestreden maatregel disproportioneel, aangezien het bestuur haar in haar functie had kunnen laten en slechts bepaalde bevoegdheden aan de externe firma had kunnen toebedelen. Beoordeling
- De bestreden herplaatsing is een ordemaatregel genomen in het belang van de dienst en geen ambtshalve herplaatsing zoals bedoeld in artikel 161 en volgende van de rechtspositieregeling. De bestreden beslissing diende er dan ook niet naar te verwijzen. Met verzoekster moet worden vastgesteld dat uit niets blijkt dat haar herplaatsing definitief is. In de bestreden beslissing wordt in dit verband gesteld dat de functie van keukenmanager momenteel niet meer noodzakelijk is in de organisatie. De functie van keukenmanager-diëtist is ook niet afgeschaft, maar in uitdoving geplaatst. Bovendien is, zoals gezegd, de externe firma aangesteld door de toewijzing van een overheidsopdracht, waarvan mag worden aangenomen dat ze kan worden beëindigd en blijkt uit niets dat de genomen maatregel niet kan worden herbekeken. Met die vaststelling is evenwel de onwettigheid van de be- streden beslissing niet aangetoond.
- Verzoekster gaat er ten onrechte van uit dat zij, anders dan door een ambtshalve herplaatsing, niet kon worden herplaatst, aangezien in de toepas- selijke rechtspositieregeling geen bepaling dienaangaande is opgenomen. Orde- maatregelen moeten niet limitatief worden opgesomd in de rechtspositieregeling. Het principe nulla poena sine lege geldt niet voor ordemaatregelen. Wel moet de genomen maatregel proportioneel zijn met het beoogde doel. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij met de herplaatsing van verzoekster de goede werking van de dienst wil verzekeren en aan de dubbele bezetting van de functie van keukenmanager ten gevolge van het aan- stellen van een externe firma beoogt te verhelpen. IX-9210-21/25 Verzoekster stelt de opportuniteit van de omvang van de aan- stelling van de externe firma in vraag en meent dat zij haar functie had kunnen behouden, indien slechts bepaalde bevoegdheden aan die firma toebedeeld zouden zijn geweest. Zij verliest daarbij echter de discretionaire bevoegdheid uit het oog waarover de verwerende partij beschikt bij de organisatie van haar diensten. Dat andere beslissingen mogelijk waren, toont niet de disproportionaliteit van de be- streden beslissing aan.
- Verzoekster voert ten slotte aan dat niet op een afdoende wijze wordt geantwoord op de argumenten van haar schriftelijke nota en dat de bestreden beslissing beperkt is tot het ontkennen van de aantijgingen zonder uiteen te zetten waarom de goede werking van de dienst een zodanig ingrijpende maatregel vereist. Zij neemt haar volledige nota over in haar inleidend verzoek- schrift, maar duidt niet in het minst aan op welke argumenten zij geen afdoende antwoord heeft gekregen. Haar bewering dat niet wordt uiteengezet waarom voor de goede werking van de dienst haar herplaatsing vereist is, kan niet worden bij- gevallen aangezien ze in de bestreden beslissing als volgt wordt beantwoord: “Deze stelling gaat echter voorbij aan de vaststelling dat de functie van keukenmanager-diëtist, ook al is de functie niet opgeheven doch slechts uit- dovend gezet, momenteel geen reële inhoud meer heeft. Deze functie wordt thans immers uitgeoefend door [de firma S.] in het raam van de doorgevoerde reorganisatie van de werking van de keuken. Er is dus wel degelijk een nood om Sandra Puylaert een andere functie toe te kennen. Door dit te doen wordt de goede werking van de dienst juist wel verzekerd. Het zou van onzorgvuldig bestuur getuigen een statutair personeelslid te laten functioneren zonder zin- volle functie-inhoud en het zou tot chaos leiden om de keuken tegelijk door twee keukenmanagers te laten leiden.”
- Het vierde middel is niet gegrond. IX-9210-22/25 E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in een vijfde middel de schending aan van “de artikelen 95 en volgende van het OCMW decreet, alsook [...] van de formele mo- tiveringsverplichting zoals voorzien in artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 be- treffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen [en] van het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. Volgens haar zijn de voormelde bepalingen en beginselen ge- schonden, doordat zij ten gevolge van de bestreden maatregel geen deel meer uitmaakt van het managementteam, terwijl geen enkele motivering wordt gegeven waarom haar deelname aan dat team niet langer nuttig wordt geacht en de verwe- rende partij, gelet op de eed die verzoekster “bij toepassing van artikel 39” heeft afgelegd, niet zonder meer bij ordemaatregel een einde kan stellen aan haar man- daat. Verzoekster licht toe dat in het functie- en competentieprofiel van haar nieuwe functie van coördinator diëtiek geen sprake meer is van enige opdracht als lid van het managementteam. Zij leidt daaruit af dat zij geen deel meer uitmaakt van dit team en zij stelt vast dat in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom zij deze taak niet langer zou kunnen uitoefenen. De aanstel- ling van de externe firma kan hierop geen impact hebben gehad, aangezien ver- tegenwoordigers van een externe firma geen deel kunnen uitmaken van het ma- nagementteam. Door haar zonder enige toelichting dit takenpakket af te nemen en haar te weren uit het managementteam, terwijl de nieuwe functie van diëtist aan die taken niet in de weg staat, schendt de verwerende partij het zorgvuldigheids- beginsel en de formelemotiveringsplicht. Ook artikel 95 van het OCMW-decreet wordt volgens verzoekster miskend, aangezien met de schrapping van het taken- pakket binnen het managementteam te kennen wordt gegeven dat haar deelname IX-9210-23/25 niet langer nuttig wordt geacht voor het functioneren van het OCMW, wat een degradatie betekent. Tevens acht verzoekster het evenredigheidsbeginsel ge- schonden, aangezien haar herplaatsing het schrappen van haar takenpakket als lid van het managementteam niet legitimeert.
- In haar memorie van wederantwoord doet verzoekster nog gel- den dat de omstandigheid dat het managementteam ondertussen een andere sa- menstelling heeft, niet wegneemt dat zij in de functie waarin zij is herplaatst hoe dan ook niet meer in aanmerking kan komen om deel uit te maken van dit team. Zij stelt voorts dat zij niet werd geïnformeerd over de nieuwe samenstelling van het managementteam en dit wijst er volgens haar op dat het bestuur alles in het werk stelt om te voorkomen dat zij “nog betrokken wordt [bij] de organisatie en de geïntegreerde werking van de diensten van het OCMW”. Beoordeling
- Verzoekster maakt geen deel meer uit van het managementteam van het OCMW ten gevolge van de beslissing van het vast bureau van 8 maart 2017 betreffende de oprichting van een gemeenschappelijk management- team voor gemeente en OCMW waarin het OCMW wordt vertegenwoordigd door de secretaris, het afdelingshoofd sociale zaken en de directeur van het woonzorg- centrum Den Beuk. Deze beslissing dateert van vóór de bestreden beslissing, zodat het middel feitelijke grondslag mist en alleen al om die reden niet opgaat.
- Het vijfde middel kan niet worden aangenomen. IX-9210-24/25 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsple- gingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9210-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.353 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.