← België

Arrest 247354 - Tucht (openbaar ambt) - 31/03/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.354 Rolnummer: A. 228953/IX-9599 Zaak: Arrest 247354 - Tucht (openbaar ambt) - 31/03/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-03-31 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-26 03:16 Fiche Arrest nr 247.354 van 31 maart 2020 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 247.354 van 31 maart 2020 in de zaak A. 228.953/IX-9599 In zake: Frank MEUBUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Vanessa Penninger kantoor houdend te 3600 Genk Aspergerijstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de CV VLAAMSE MAATSCHAPPIJ VOOR WATER- VOORZIENING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 29 augustus 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van de Directieraad van De Watergroep – Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening cvba dd. 28.06.2019 betreffende een tuchtstraf waarbij [Frank Meubus] in graad werd teruggezet met de salarisschaal U 103”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9599-1/19 Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 februari
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Eline Coopmans, die loco advocaat Vanessa Penninger verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sarah Houben, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is sedert 1 januari 2015 tewerkgesteld bij de verwe- rende partij in de graad van werkmeester, rang U
  6. Voorheen was hij in dienst van de Intercommunale Watermaatschappij, die door de verwerende partij werd overgenomen. Verzoeker oefent bij de verwerende partij sedert 1 juni 2018 de functie van toezichter leidingwerken uit. 3.
  7. Met een brief van 21 februari 2019 stelt de directeur Distributie en Toevoer van de verwerende partij verzoeker ervan in kennis dat “[n]aar aan- leiding van anonieme klachten” een onderzoek wordt gevoerd naar feiten die in IX-9599-2/19 hoofde van verzoeker “tuchtrechtelijk en zo mogelijk strafrechtelijk sanctioneer- baar zijn”. Hij voegt eraan toe dat hij “[n]aar aanleiding hiervan” een voorstel formuleert tot schorsing van verzoeker in het belang van de dienst. 3.
  8. Na verzoeker over dat voorstel van de voornoemde directeur te hebben gehoord, beslist de directieraad van de verwerende partij op 1 maart 2019 om verzoeker gedurende een periode van vier maanden te schorsen in het belang van de dienst. 3.
  9. Op 20 maart 2019 wordt het eindverslag van het intern onder- zoek naar de bedoelde klachten opgesteld. Daarin wordt onder meer besloten dat verzoeker de deontologische code van de verwerende partij heeft geschonden. 3.
  10. Met een brief van 4 april 2019 stelt de directeur Distributie en Toevoer verzoeker ervan in kennis dat hij het voorstel formuleert om aan ver- zoeker de tuchtstraf op te leggen van “terugzetting in graad van ad- junct-werkmeester met de rang U1, zoals voorzien in artikel IX.2, 6° [van het personeelsstatuut]”. De directeur stelt dat hij rekening houdt met: “het feit: - dat uit het gevoerde onderzoek en opgesomde overzicht blijkt dat u – al dan niet met uw partner – herhaaldelijk participeert aan activiteiten samen met de aannemer, grotendeels gefinancierd door de aannemer; - dat de hierboven vermelde feiten, ook al ontkende u deze aanvankelijk, vastgesteld werden en door u toegegeven zoals weergegeven in het verslag, en dat er derhalve geen ernstige betwisting meer over bestaat; - dat de aangehaalde feiten ernstige tekortkomingen van de plichten zijn die bepaald zijn in deel III van het Personeelsstatuut van De Watergroep en aldus aanleiding geven tot een tuchtprocedure in de zin van artikel IX.1, 1°, - dat er niet kan gesteld worden dat deze activiteiten passen in een normale professionele verhouding met een aannemer die voor uw werkgever op- drachten uitvoert en waarvan u de uitvoering van het werk controleert; - dat u in uw hoedanigheid van werkmeester Toezichter leidingwerken be- trokken bent bij het toezicht en de controle op de uitvoering van de werken die door de betrokken aannemer worden uitgevoerd; IX-9599-3/19 - dat een vriendschappelijke relatie en het aanvaarden van geschenken van deze aannemer in deze ongepast is; - dat de door u gepleegde feiten niet beantwoorden aan de vereiste om op ‘loyale en integere wijze’ uw functie uit te oefenen; - dat u bij deze de bepalingen van de deontologische code overtreedt en de waarde ‘betrouwbaarheid’ niet naleeft; - dat deze deontologische code het volgende vermeldt: ‘We aanvaarden ge- schenken, gunsten en uitnodigingen voor diners, activiteiten en bedrijfsbe- zoeken alleen onder strikte voorwaarden: we spreken er over in de groep en stellen onze chef ervan op de hoogte. De waarde van deze aanbiedingen mag ons tot geen enkele gunst of wederdienst verplichten’; - dat uit het onderzoek blijkt dat u ook op de hoogte was dat er binnen de vroegere de provinciale directie Limburg over ‘activiteiten met een aanne- mer’ afspraken en regels na te leven zijn; - dat u bij de uitoefening van uw functie u moet onthouden van elke han- delswijze die het vertrouwen van het publiek in de Watergroep kan aantasten (artikel III 5 van het personeelsstatuut); - dat de door u gestelde handelingen van die aard zijn dat zij het vertrouwen van het publiek in de goede werking en behoorlijk bestuur van De Water- groep in het gedrang brengen; - dat u tijdens het gevoerde onderzoek slechts met mondjesmaat een aantal activiteiten hebt toegegeven waar u deze eerst ontkende; - dat u tijdens het onderzoek de betrokken feiten poogde te verdoezelen en te verschonen; - dat het voor u als medewerker van De Watergroep duidelijk moet zijn welke activiteiten met een aannemer kunnen en welke niet kunnen; - dat de uit het onderzoek naar voren gekomen feiten en uw handelswijze een ernstige vertrouwensbreuk meebrengt tussen De Watergroep als werkgever en u als werknemer; - dat u daarenboven door de inhoud en zwaarwichtigheid van de feiten niet langer geschikt bent om nog verder een functie als werkmeester toezichter leidingen uit te oefenen.” 3.
  11. Op 26 april 2019 wordt verzoeker door de directieraad van de verwerende partij gehoord over dit strafvoorstel. Hij dient bij die gelegenheid een verweernota in. 3.
  12. Op 8 mei 2019 beslist de directieraad om verzoeker de volgende tuchtstraf op te leggen: “terugzetting in de graad van adjunct-werkmeester (U1) met de salarisschaal U 102.” IX-9599-4/19 3.
  13. Op 23 mei 2019 stelt verzoeker tegen die tuchtbeslissing van de directieraad een beroep in bij de raad van beroep voor de diensten van de Vlaamse overheid. 3.
  14. Na verzoeker te hebben gehoord, oordeelt de raad van beroep op 17 juni 2019, met vijf stemmen tegen twee, dat het beroep gegrond is en dat ver- zoeker niet in aanmerking komt voor de tuchtstraf ‘terugzetting in graad’. De raad van beroep adviseert dat de opgelegde sanctie niet in verhouding staat tot de feiten en dat er geen enkel bewijs is dat verzoeker zou hebben gehandeld ten nadele van de verwerende partij. 3.
  15. Op 28 juni 2019 beslist de raad van bestuur van de verwerende partij om verzoeker de volgende tuchtstraf op te leggen: “terugzetting in de graad van adjunct-werkmeester met de rang U1 en toekenning van de salarisschaal U 103.” Dit is de bestreden beslissing. Ze steunt op de volgende over- wegingen: “Overwegende dat de Raad van Bestuur, vergaderend in besloten zitting en in afwezigheid van de leden van de Directieraad en van het Directiecomité, heeft kennis genomen van het tuchtdossier tegen de heer Frank Meubus dat ter inzage ligt bij het Directiesecretariaat, in het bijzonder: […] Overwegende dat de Raad van Bestuur de inhoud van de hierboven vermelde stukken als integraal hernomen beschouwt; Overwegende dat de Raad van Beroep, eerste kamer, in zitting van 17 juni 2019 beslist heeft als advies uit te brengen, met vijf stemmen voor en twee stemmen tegen, dat het beroep ingesteld door de heer Frank Meubus ontvankelijk en gegrond is en hij niet in aanmerking komt voor de opgelegde tuchtstraf; Overwegende dat volgens de bepalingen van artikel IX 10 van het perso- neelsstatuut, de tuchtstraf na het advies van de raad van beroep, definitief wordt uitgesproken door de raad van bestuur, die uitspraak doet binnen de 30 kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad van beroep; Overwegende dat de Raad van Beroep geen eenparig advies uit[ge]bracht heeft zodat het vermelde advies enkel adviserend en niet bindend is voor de Raad van Bestuur; IX-9599-5/19 Overwegende dat [...] er bij de beslissing van de raad van bestuur geen an- dere feiten ter sprake gebracht mogen worden dan de feiten die als motief ge- diend hebben voor het advies van de raad van beroep; Overwegende dat er derhalve geen andere feiten in aanmerking genomen worden dan de feiten die het tuchtonderzoek hebben aangetoond en die in het tuchtvoorstel van 4 april 2019 en de tuchtuitspraak van de Directieraad van 8 mei 2019 zijn weerhouden; Overwegende dat de feiten als dusdanig niet betwist worden door de heer Frank Meubus, maar dat hij in zijn beroepschrift stelt beroep tegen de tuchtstraf in te stellen omdat hij van oordeel is dat deze onterecht is en buiten elke rede- lijke proportie is tegenover de feiten; Overwegende dat het advies van de Raad van Beroep stelt dat de meerder- heid van de raad oordeelt dat de opgelegde sanctie niet de ter zake noodzakelijk en verantwoorde sanctie is dewelke in verhouding staat tot de zwaarwichtigheid van de feiten; en dat er geen enkel bewijs is dat de verzoeker gehandeld zou hebben ten nadele van De Watergroep; Overwegende dat het advies van de Raad van Beroep stelt dat de feiten, zoals deze uit het tuchtonderzoek volgen, niet van die aard zijn de verzoeker de functie van Werkmeester Toezichter Aanpassings- en verkavelingsprojecten te ontnemen; Overwegende dat de Directieraad in zijn beslissing van 8 mei 2019 uitvoerig inging op het door de heer Frank Meubus aangevoerde verweer, zoals opge- nomen in vermeld verweerschrift; Overwegende dat de Directieraad in zijn beslissing van 8 mei 2019 oor- deelde dat de in het eindverslag van I-Force beschreven activiteiten moeten gezien worden binnen de context van de functie die de heer Frank Meubus uitoefent en van oordeel is dat deze niet passen in een normale professionele verhouding met een aannemer die opdrachten uitvoert voor De Watergroep; Overwegende dat de heer Frank Meubus in zijn hoedanigheid van werk- meester Toezichter Aanpassings- en verkavelingsprojecten – voorheen Toe- zichter leidingen genoemd – betrokken is bij het toezicht en de controle op de uitvoering van de werken die door de betrokken aannemer worden uitgevoerd; dat deze toezichtsopdrachten op de werven de controle op de kwaliteit van de geleverde diensten, de technische controle van de werken, controle op het feit of de werken uitgevoerd worden volgens de budgettaire uitspraken (opmetings- lijst/meetstaat) inhouden; dat dit ook de opmaak van de PV van de uitgevoerde hoeveelheden, de registratie van de werkuren, het verbruik materiaal, het evaluatieverslag over de aannemer, klachtenbehandeling op de werken uitgevoerd door de aannemer, ... omvat; Overwegende dat de Directieraad in bovenvermelde beslissing oordeelde dat, rekening houdend met de bovenstaande verantwoordelijkheden, vriend- schappelijke banden met een aannemer en het aanvaarden van geschenken van deze aannemer in deze ongepast zijn vermits deze de professionaliteit, de ob- jectiviteit en het oordeelsvermogen kunnen beïnvloeden; Overwegende dat de Raad van Bestuur, in het kader van het door De Wa- tergroep gevoerde integriteitsbeleid, een deontologische code vaststelde met als opzet de medewerkers het bewustzijn van integer handelen en van de gevaren IX-9599-6/19 van normvervaging – waarbij men zich niet altijd meer bewust is van wat ge- oorloofd is en wat niet –, inzicht in de mogelijkheid tot beïnvloeding en gebrek aan objectiviteit bij te brengen; Overwegende dat de deontologische code van De Watergroep het volgende vermeldt: ‘We aanvaarden geschenken, gunsten en uitnodiging voor diners, activiteiten en bedrijfsbezoeken alleen onder strikte voorwaarden: we spreken er over in de groep en stellen onze chef ervan op de hoogt[e]; de waarde van deze aanbiedingen mag ons tot geen enkele gunst of wederdienst verplichten’; Overwegende dat alle werknemers van De Watergroep, ook de heer Frank Meubus, een opleiding integriteit hebben gevolgd en dat in deze opleiding een uitgebreide toelichting werd gegeven bij de voor De Watergroep opgestelde deontologische code, waarin expliciet de waarde betrouwbaarheid opgenomen is; Overwegende dat in de statutaire bepalingen van De Watergroep opgenomen is dat elke medewerker van De Watergroep zich bij de uitoefening van zijn functie moet onthouden van elke handelswijze die het vertrouwen van het pu- bliek in de Watergroep kan aantasten (artikel III 5 van het personeelsstatuut); Overwegende dat de Raad van bestuur de stelling van de Directieraad bij- treedt waar deze stelt dat door de handelwijze van de heer Frank Meubus deze bepaling overtreden is en dat de gestelde handelingen van die aard zijn dat zij het vertrouwen van het publiek in de goede werking en behoorlijk bestuur van De Watergroep in het gedrang brengen; Overwegende dat uit het in het dossier opgenomen verweerschrift dd. 26 april 2019 blijkt dat de heer Frank Meubus zich van dit alles duidelijk bewust is waar hij spreekt over het vermijden van het ontstaan van een zekere vorm van ‘schuld’ en ‘het ontbreken van een situatie waarbij hij onder druk kon worden gezet om een of andere gunst of voordeel toe te kennen aan eender wie’; dat hij ook stelt dat hij de bepalingen van de deontologische code naleefde daar de chef ook zelf aanwezig was op de aangehaalde uitnodigingen en dat er geen sprake kan zijn van een voorkeursbehandeling voor bekenden of mensen die via de leidinggevende of andere kanalen worden doorverwezen; Overwegende dat de heer Frank Meubus in zijn vermeld verweerschrift van 26 april 2019 ook stelt dat De Watergroep op geen enkele wijze en op geen enkel ogenblik nooit of nooit benadeeld geweest is en dat de goede verstand- houding tussen beide firma’s eerder versterkt werd en leidde tot een betere samenwerking, dat hij tevens stelt dat ‘achteraf gezien, die relatie misschien niet de meest verstandige weg was’ en ‘wel iets inhield van zich begeven op glad ijs’, met ‘misschien als grootste risico, wel de mogelijke afgunst van collega’s wat op zich uiteraard niet zo gezond is’; Overwegende dat de Raad van bestuur de stelling van de Directieraad bij- treedt waar deze stelt dat een toezichter Aanpassings- en verkavelingsprojecten betrokken is bij het toezicht en de controle op de uitvoering van de werken door de betrokken aannemer en dat vriendschapsbanden tussen toezichter en aan- nemer meebrengen dat er een zekere toegeeflijkheid en tolerantie ontstaat en dat men zich minder kritisch opstelt; Overwegende dat het voor de heer Frank Meubus in zijn functie van toe- zichter duidelijk moet zijn welke activiteiten met een aannemer kunnen en welke niet kunnen; IX-9599-7/19 Overwegende dat blijkt dat de heer Frank Meubus de zwaarwichtigheid van de vastgestelde feiten minimaliseert en zich verschuilt achter argumenten zoals ‘de chef was op de hoogte’ – ‘het grootste risico was de mogelijke afgunst van collega’s wat op zich niet zo gezond is’, Overwegende dat de heer Frank Meubus in zijn verweerschrift ook nog aanvoert dat: ‘Conclusie: er vallen zeker lessen te leren uit het verhaal en men kan stellen dat dhr. Meubus betere keuzes had kunnen maken. Dat hij in die zin een signaal krijgt kunnen we zeker begrijpen maar de voorgestelde straf is buiten elke re- delijke proportie. Ze lijkt ons zelfs volledig onterecht en ongepast, zeker als we naar de impact ervan kijken. Dhr. Meubus heeft een carrière van 19 jaren bij IWM en bij De Watergroep en werd steeds geapprecieerd om zijn inzet, ge- drevenheid en integriteit. De schorsing die zijn imago zowel binnen als buiten De Watergroep zwaar beschadigd heeft is al een zware straf op zich, hij moet nog lange jaren werken. Wij zijn de directie bijzonder dankbaar om de brief die ze toen naar alle collega’s stuurde in dit verband maar [de] imagoschade zal nooit hersteld kunnen worden. Het is die dankbaarheid die ons ertoe bracht, ondanks we niet akkoord gingen met de schorsing, om toch niet in beroep te gaan. Daarom vragen we de directie en de directieraad om niet in te gaan op het voorstel van terugzetting in graad. Misschien staat een blaam meer in verhou- ding tot de feiten? De imagoschade die hem jarenlang zal achtervolgen, de onzekerheid, de stress en de spanning van het onderzoek zijn al een zware straf op zich.’; Overwegende dat de Directieraad oordeelde dat, gelet op de handelswijze van de heer Frank Meubus deze niet geschikt is om nog verder een functie als toezichter uit te oefenen net omdat de gepleegde feiten in de context van de functie van toezichter zo zwaar doorwegen en dat de Directieraad om deze re- denen voorstelde om de graad verbonden aan de functie van toezichter nl. werkmeester, niet langer toe te kennen aan de heer Frank Meubus en deze terug te zetten in graad; Overwegende dat de Directieraad bij de toekenning van de salarisschaal ver- bonden aan de terugzetting in graad, rekening hield met de staat van dienst van de heer Frank Meubus en zijn huidige salarisschaal nl. de eerste salarisschaal in zijn huidige rang van U2, dan ook de tweede salarisschaal binnen de voorge- stelde lagere graad toekende nl. de salarisschaal U 102; Overwegende dat de Raad van Beroep in zijn advies stelde dat de aan de heer Frank Meubus opgelegde sanctie niet de ter zake noodzakelijke en verant- woorde sanctie is dewelke in verhouding staat tot de zwaarwichtigheid van de feiten; Overwegende dat de heer Frank Meubus in verband met zijn strafmaat stelt dat De Watergroep op geen enkele wijze en op geen enkel ogenblik nooit of nooit benadeeld is geweest en dat de goede verstandhouding tussen beide fir- ma’s eerder versterkt werd en leidde tot een betere samenwerking; Overwegende dat ook zonder de bewezen feiten en de houding en gedraging zoals aangenomen door de heer Frank Meubus, een goede professionele ver- standhouding tussen een toezichter en een aannemer mogelijk is en dat de IX-9599-8/19 aangetoonde feiten en houding en gedraging niet nodig zijn om te komen tot een goede en/of betere samenwerking tussen aannemer en toezichter; Overwegende dat de toezichter betrokken is bij [het] toezicht en de controle op de uitvoering van de werken door een aannemer en dat vriendschapsbanden tussen toezichter en aannemer meebrengen dat er een zekere tolerantie en toe- geeflijkheid ontstaat en dat men zich minder kritisch opstelt; Overwegende dat de functie van werkmeester toezichter – hetzij toezichter op de aanleg van leidingen, hetzij toezichter op de aanleg van aftakkingen – één van de kerntaken is van een bedrijf zoals De Watergroep; dat het van cruciaal belang is dat De Watergroep voor deze kerntaken kan be- schikken op 100 % betrouwbaar personeel dat doordrongen is van het feit dat ‘goede vriendjes’ zijn met de aannemer ongepast is omdat er op deze manier toegeeflijkheid en tolerantie ontstaat en dat men zich niet of minder kritisch opstelt bij de uitoefening van zijn taken zoals de controle op de werken en het opstellen van de uitgevoerde hoeveelheden, opgenomen in de meetstaten; Overwegende dat in deze de Directieraad bij de bepaling van de strafmaat, ook rekening heeft gehouden met de weerslag op de werking van de dienst en de weerslag ten aanzien van de dienst bij het publiek en de burger en de rucht- baarheid die deze zaak heeft gekregen en dit niet alleen binnen de aannemers- wereld; Overwegende dat De Watergroep hierdoor imagoschade heeft geleden en dat de kans bestaat dat De Watergroep beschouwd wordt als een organisatie waar alles toegelaten is of althans gedoogd wordt; Overwegende dat het gedrag van de heer Frank Meubus een tekortkoming inhoudt ten aanzien van het verwachtingspatroon dat De Watergroep heeft in- gevolge de door hem uitgeoefende functie en dat zijn gedrag en houding niet toelaatbaar zijn en niet in overeenstemming is met de waarden die De Water- groep als organisatie wil uitdragen; Overwegende dat De Watergroep een opdracht van algemeen en openbaar belang heeft en dat voor de realisatie van deze opdracht De Water[g]roep ge- bruik maakt van inkomsten die zij verwerft middels haar klanten; Overwegende dat De Watergroep de plicht heeft om de gelden en de mid- delen waarover zij beschikt zo goed mogelijk te besteden en dat De Watergroep hiervoor al het mogelijke moet doen; Overwegende dat uit het gevoerde onderzoek zoals weergegeven in het ver- slag van I-Force blijkt dat de heer Frank Meubus in het begin maar met mond- jesmaat meegewerkt heeft en feiten heeft toegegeven en dat de heer Frank Meubus dit wijt aan de druk die hij ondervond van een overste om bepaalde feiten niet toe te geven; Dat hij na het verhoor door de Directieraad op 26 april 2019 nog zijn verkla- ringen vervolledigde en dit nadat hij hiertoe uitdrukkelijk was uitgenodigd door de Voorzitter van de Directieraad; Overwegende dat de heer Frank Meubus sinds het jaar 2000 werkt bij IWM en sinds 01/01/2015 bij De Watergroep tewerkgesteld is ingevolge de overname van IWM; dat hij bij de overname de graad van werkmeester met de rang U2 kreeg en de functie van toezichter aftakkingen en hij op 1/6/2018 de functie kreeg van toe- zichter leidingwerken; IX-9599-9/19 Overwegende dat de heer Frank Meubus uiteindelijk wel toegeeft dat zijn gedragingen en houding ongepast waren en dat hij hieruit de nodige lessen ge- trokken heeft en dat hij begrijpt dat hij terzake een duidelijk signaal krijgt; Overwegende dat de Raad van Bestuur het advies van de Raad van Beroep om een lichtere straf dan de toegekende tuchtstraf op te leggen, wil in overwe- ging nemen; Overwegende dat de Raad van Bestuur evenwel de Raad van Beroep niet volgt waar deze stelt dat de feiten, zoals deze uit het tuchtonderzoek volgen, niet van aard zijn om de heer Frank Meubus zijn functie van werkmeester toezichter te ontnemen, gelet op de aard van de feiten en het feit dat het hier niet om éénmalige feiten gaat; Overwegende dat de Raad van Bestuur de bekommernis van de Directieraad om de heer Frank Meubus niet langer in een functie van toezichter op te stellen, deelt en als aanbeveling aan de Directie wil meegeven dat het in het belang van de organisatie allicht aangewezen is om de kennis, expertise en ervaring van de heer Frank Meubus op een andere wijze in te zetten; Overwegende dat rekening houdend met de dienststaat van de heer Frank Meubus en met de financiële implicaties van de tuchtstraf, de Raad van Bestuur van oordeel is te kunnen ingaan op het advies van de Raad van Beroep tot toekenning van een lichtere tuchtstraf aan de heer Frank Meubus; Overwegende dat bij toepassing van de lagere tuchtstraf ‘lagere inschaling’, de lagere inschaling normaal gebeurt binnen dezelfde graad; Aangezien de heer Frank Meubus in zijn huidige graad van werkmeester met de rang U2 momenteel de laagste salarisschaal nl. salarisschaal U 201 heeft, is binnen zijn graad geen lagere inschaling mogelijk; Overwegende dat de Directieraad in zijn opgelegde tuchtstraf rekening hield met de huidige salarisschaal van de heer Frank Meubus nl. de eerste salaris- schaal in zijn huidige rang van U2, en om deze redenen de tweede salarisschaal binnen de lagere graad toekende nl. de salarisschaal U 102; Overwegende dat er aan de rang U1, ook nog een derde salarisschaal ver- bonden is nl. de salarisschaal U 103, wat de hoogste salarisschaal in deze rang is; dat hierdoor de heer Frank Meubus uiteindelijk een lichtere bestraffing krijgt dan uit de beslissing van de Directieraad zou volgen; Overwegende dat dit meebrengt dat aan de heer Frank Meubus de graad van adjunct-werkmeester met de rang U1 toegekend wordt waarbij hem de salaris- schaal U 103 wordt toegekend i.p.v. de salarisschaal U 102; Overwegende dat de Raad van Bestuur op basis van het hierboven vermelde, van oordeel is dat de tuchtmaatregel ‘terugzetting in graad’ waarbij de heer Frank Meubus echter ingeschaald wordt in de salarisschaal U 103 een gepaste tuchtstraf is voor de [door] Frank Meubus gepleegde feiten die een zware in- breuk vormen op de personeelsreglementering van De Watergroep, alsook op de bepalingen van de deontologische code; Gelet op de beslissing van de raad van bestuur van 27 april 2018 waarbij de raad van bestuur het personeelsstatuut vaststelde middels een bekrachtiging van de op dat ogenblik geldende teksten; Overwegende dat de meerderheid van de leden van de Raad van Bestuur aanwezig is zodat geldig kan worden gestemd over dit agendapunt; IX-9599-10/19 Overwegende dat de Raad van Bestuur is overgegaan tot de geheime stem- ming, met het volgende resultaat: met dertien stemmen voor en twee stemmen tegen (= behoud besluit Directieraad) en nul onthoudingen.” IV. Schorsingsvoorwaarden
  16. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen
  17. Verzoeker heeft in zijn inleidend verzoekschrift geen uiteenzet- ting met betrekking tot de schorsingsvoorwaarde van de spoedeisendheid opge- nomen. Wel betoogt hij dat hij ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de be- streden beslissing “een moeilijk te herstellen ernstig nadeel” lijdt. Hij voert in dit verband aan: “Het beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing voor uw Raad op zich heeft geen schorsende werking. Dit brengt met zich mee dat verzoeker onderworpen blijft aan de beslis- sing, namelijk dat hij wordt teruggezet in een graad van lagere rang met als (bij)gevolg [dat] zijn loon met één graad op de salarisschaal lager zal zijn. Bijgevolg kent verzoeker hierdoor een loonverlies van € 121,62 per maand, oftewel € 1.459,44 op jaarbasis (stuk 21). Deze terugschaling gaat tevens gepaard met een vermindering van va- kantiegeld en eindejaarspremie. Verzoeker werd bovendien reeds in graad teruggezet op 15.05.2019, meer vooreerst een terugschaling m.b.t. het loon naar U102 i.p.v. U103, wat als gevolg heeft dat hij op heden reeds een ‘loonverlies’ kende ten belope van € 317,46 (stuk 12 en 13). IX-9599-11/19 Gedurende de periode van schorsing ontving verzoeker eveneens geen maaltijdcheques noch eco-cheques, wat tevens een verlies van € 528 met zich meebrengt. Verzoeker is gezinshoofd van een gezin met 2 kinderen van 17 en 12 jaar (stuk 14). Het inkomen van het gezinshoofd is onbetwistbaar cruciaal. Zeker gelet op het feit dat [de] kinderen van verzoeker in de toekomst eventueel universitaire/hogere studies zullen aanvangen, hun rijbewijs die- nen te halen, ... Verzoeker dient bovendien ook nog hoge kosten te betalen ten belope van ± € 1.155,- per maand voor o.a. hypotheekleningen, ... (zie o.m. stuk 15). Het inkomensverlies is m.a.w. een grote streep door de rekening van verzoeker. Verzoeker deed bovendien op 27.02.2019 mee aan het examen voor de functie ‘Toezichter complexe leidingsprojecten’ (stuk 16). Gelet op voorliggende tuchtprocedure is verzoeker deze promotie volle- dig mislopen. In de ‘wandelgangen’ vernam verzoeker immers dat in normale omstan- digheden hij deze promotie zou ontvangen. Op 29.07.2019 werd hij in kennis gesteld van zijn positief resultaat, verzoeker behaalde nl. een score van 89/115 (77%). Echter omwille van aangevochten tuchtprocedure werd verzoeker niet weerhouden als geschikte kandidaat (stuk 23) Gelet op het feit dat verzoeker werd teruggezet in graad – waarin hij zich volledig op zelfstandige basis had opgewerkt, gelet op zijn opleiding als automechanieker – zal hij elke andere kans op promotie in zijn verdere werkcarrière mislopen. De syndicus informeerde verzoeker immers dat hij 5 jaar dienstig moet zijn in de functie U103 om deel te mogen nemen aan het toelatingsexamen tot U201 (zijn functie voor de tuchtprocedure). Nadien zal hij 8 jaar dienstig moeten zijn in de functie U201 om opnieuw te mogen deelnemen aan het toelatingsexamen tot de functie U202 (functie waarvoor hij examen deed op U202 met ‘blijkbaar’ een zeer gunstig resul- taat). Op dat moment zal verzoeker een leeftijd hebben van 62 jaar en pensi- oensgerechtigd zijn, gelet op zijn loopbaan van 43 jaar. Bovendien kent verzoeker door de beslissing van de Raad van Bestuur eveneens een ernstig moreel nadeel. Verzoeker werkte voor Verwerende Partij als ‘toezichter Aanpassings- en verkavelingsprojecten’ sedert 01.01.2015, zijnde 4,5 jaar, en voordien sedert 2000 bij de Intercommunale Watermaatschappij (IWM) dat door verweerster werd aangenomen. Verzoeker heeft steeds zijn werk met ‘hart en ziel’ uitgevoerd, zichzelf opgewerkt, waardoor de degradatie hem persoonlijk raakt. Bovendien had verzoeker de leiding over verschillende werven, waarbij hij met verschillende aannemers en andere tussenpersonen diende samen te werken. IX-9599-12/19 Zijn huidige degradatie heeft niet alleen een impact op de werking/het verloop van deze werven maar tevens ook op de samenwerking met overige partners die op de hoogte zijn van de degradatie en bijgevolg ook over de vooropgestelde reden hiertoe – namelijk dat verzoeker andere aannemers een voorkeursbehandeling verleende. De samenwerking met overige zal door deze ‘geruchten’ in de toekomst op zijn minst moeizamer verlopen. Tenslotte kent verzoeker ook fysieke en psychische nadelen n.a.v. de tuchtprocedure. Verzoeker bevindt zich momenteel ‘op de rand’ van een depressie en werd gediagnostiseerd met psychische decompensatie ten [gevolge] van deze procedure (stuk 22). Verzoeker heeft hierboven een aantal – financiële, morele en werk gere- lateerde – aspecten uiteengezet van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing in zijn hoofde zou veroorzaken en reeds heeft veroorzaakt. Mocht elk van deze aspecten individueel onvoldoende zijn om de ge- vraagde schorsing te verantwoorden, dan is dat in ieder geval wel zo wanneer men al deze aspecten globaal bekijkt. De Raad van State heeft reeds meerdere malen geoordeeld dat alle scha- delijke effecten van een beslissing samen moeten worden bekeken om te oordelen over het voorhanden zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.”
  18. De verwerende partij antwoordt dat verzoekers voormelde uit- eenzetting niet dienstig is, omdat ze voorbijgaat aan de hervorming van de schor- singsprocedure waarbij de schorsingsvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is vervangen door de schorsingsvoorwaarde van de spoedeisend- heid. Dit is volgens de verwerende partij des te meer het geval nu in die uiteen- zetting elke concrete band met de spoedeisendheid van de zaak ontbreekt. Zij stelt dat de loutere omstandigheid dat verzoeker de gevolgen van de bestreden beslis- sing niet al te lang wil ondergaan, geen overtuigende reden is waarom hij die onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde. Volgens de verwerende partij toont de door verzoeker aangevoerde financiële impact van de bestreden beslissing de spoedeisendheid van zijn vordering niet aan. Zij betoogt dat verzoeker geen enkel bewijs bijbrengt van het inkomen van zijn partner, dat eventuele toekomstige lasten – kinderen die mogelijk verder zullen studeren – niet afdoende zijn om een concrete financiële impact te bewijzen en dat verzoeker geen melding maakt van het feit dat hij ook een bijberoep uitoefent. Het is dan ook IX-9599-13/19 geenszins bewezen, zo vervolgt de verwerende partij, dat verzoeker onherroepe- lijke schadelijke gevolgen zou ondergaan wanneer hij het resultaat van het beroep tot nietigverklaring zou moeten afwachten. Zij besluit dat de vordering tot schor- sing, gelet op het ontbreken van enige verantwoording met betrekking tot de voorwaarde van de spoedeisendheid, onontvankelijk is en minstens ongegrond. Beoordeling
  19. Zoals hiervóór sub 4 in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. Luidens artikel 17, § 2, van diezelfde gecoördineerde wetten moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Voor een verzoekende partij bij de Raad van State die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep af te wach- ten, komt het dan ook erop aan om daarvan te overtuigen aan de hand van de feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit betekent dat het aan deze partij toevalt om in haar inleidend verzoekschrift specifieke gegevens bij te brengen, betrokken op de omstandigheden van haar zaak, die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar per- soonlijk veroorzaakt, niet kunnen worden gedragen gedurende de gewone door- looptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bij- gevolg niet kan worden afgewacht. IX-9599-14/19 De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is.
  20. Voorts kan krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de voor- noemde gecoördineerde wetten een schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wet- gever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere ge- beurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). Bovendien mag krachtens artikel 17, § 2, derde lid, van de voornoemde gecoördineerde wetten een nieuwe vordering worden ingesteld, in- dien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen.
  21. Zoals reeds vermeld, heeft verzoeker in zijn inleidend verzoek- schrift geen afzonderlijke uiteenzetting met betrekking tot de spoedeisendheid van de vordering opgenomen. Hij verduidelijkt wel welk nadeel, dat hij als ernstig en moeilijk te herstellen bestempelt, de bestreden beslissing hem berokkent of zou kunnen berokkenen. Verzoeker gaat aldus eraan voorbij dat artikel 6 van de wet van 20 januari 2014 ‘houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedurere- geling en de organisatie van de Raad van State’ de schorsingsvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel heeft vervangen door de schorsingsvoor- waarde van de spoedeisendheid.
  22. Anders dan de verwerende partij opwerpt, leidt het feit dat verzoeker nog gewag maakt van de vroegere schorsingsvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, op zich niet tot de onontvankelijkheid van de vordering. Verzoekers uiteenzetting dienaangaande kan immers wel in aanmerking IX-9599-15/19 worden genomen mits en voor zover de feiten die de spoedeisendheid van de vordering verantwoorden daaruit op een voldoende duidelijke wijze blijken.
  23. Verzoeker vermeldt in zijn uiteenzetting vooreerst een financieel nadeel, namelijk een loonverlies ten bedrage van 121,62 euro per maand of 1.459,44 euro per jaar, voorts een vermindering van vakantiegeld en eindejaars- premie en, ten slotte, een loonverlies ten bedrage van 317,46 euro ten gevolge van de initiële “terugschaling” in de salarisschaal U102 en het derven van maaltijd- cheques en ecocheques tijdens de periode van zijn schorsing ten bedrage van 528 euro. Daartegenover staat, aldus verzoeker, dat hij hoofd is van een gezin met twee kinderen van 12 en 17 jaar die “in de toekomst eventueel universitaire/hogere studies zullen aanvangen, hun rijbewijs dienen te halen, …”. Verzoeker verwijst ook naar zijn maandelijkse kosten ten belope van ongeveer 1155 euro. Het volstaat evenwel in beginsel niet een financieel nadeel in te roepen om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit kan slechts uitzonderlijk anders zijn, indien de verzoekende partij bijzondere redenen aanvoert waaruit onmiskenbaar blijkt dat de omvang van dat financiële nadeel een zodanige impact heeft op haar situatie dat zij dit niet kan lijden tot de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring. In dit geval moet worden vastgesteld dat verzoeker helemaal niet aantoont dat hij in de tussentijd zijn financiële verplichtingen niet meer zal kunnen nakomen, noch dat het geleden inkomensverlies van aard is de levensstandaard van zijn gezin wezenlijk in het gedrang te brengen. Hij verzuimt overigens melding te maken van eventuele andere gezinsinkomsten, zoals inkom- sten uit het bijberoep waarvoor hij volgens de verwerende partij een cumulatie- machtiging heeft aangevraagd, wat hij niet tegenspreekt, of eventuele inkomsten van zijn echtgenote. Hij verwijst deels ook naar inkomensverlies dat niet voort- vloeit uit de bestreden beslissing, maar uit de voorafgaande schorsing, alsook naar toekomstige en hypothetische kosten die thans de spoedeisendheid van zijn vor- dering niet kunnen verantwoorden. IX-9599-16/19
  24. Voorts vreest verzoeker de gevolgen van de bestreden beslissing voor zijn verdere loopbaan. Hij voert aan dat hij ten gevolge van de tegen hem gevoerde tuchtprocedure niet geschikt werd bevonden voor de functie van ‘toe- zichter complexe leidingsprojecten’, terwijl hij “in normale omstandigheden […] deze promotie zou ontvangen”, en hij stelt dat hij “elke andere kans op promotie in zijn verdere werkcarrière [zal] mislopen”. Het mislopen van de voornoemde promotie is geen direct gevolg van de thans bestreden beslissing. De schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou er dan ook niet aan kunnen verhelpen. Voorts moet worden vastgesteld dat verzoeker niet aantoont dat elke mogelijkheid om te wor- den bevorderd definitief voor hem verloren gaat indien hij de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring dient af te wachten.
  25. Verzoeker voert tevens aan dat hij door de bestreden beslissing een ernstig moreel nadeel lijdt. De degradatie raakt hem persoonlijk en zal een impact hebben op de werking en het verloop van de werven en de samenwerking met de overige partners. De samenwerking zal door “de geruchten” in de toekomst op zijn minst moeizamer verlopen. Een moreel nadeel wordt evenwel in principe goedgemaakt door een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest. Verzoeker toont met geen enkele bijzondere omstandigheid aan dat het aangevoerde morele nadeel van zo- danige aard is dat een dergelijk arrest, waarin de onregelmatigheid van de bestre- den beslissing zou worden vastgesteld, hem geen voldoende morele genoegdoe- ning zou kunnen verschaffen. Voorts blijkt uit niets dat de beweerde impact op de werven en de moeizamere samenwerking met andere aannemers, die door ver- zoeker overigens niet in het minst worden gestaafd, niet zouden kunnen worden verdragen tot de uitspraak van een eventueel vernietigingsarrest. IX-9599-17/19
  26. Ten slotte verwijst verzoeker naar de fysieke en psychische gevolgen van de bestreden beslissing voor zijn gezondheidstoestand en hij voegt een medisch attest bij. Zelfs indien zou worden aangenomen dat de bestreden beslissing een invloed kan hebben op verzoekers gezondheidstoestand, moet echter worden vastgesteld dat verzoeker met zijn uiteenzetting en overgelegd attest helemaal niet aantoont dat zulks thans in die mate het geval zou zijn dat over zijn vordering met spoedeisendheid uitspraak dient te worden gedaan.
  27. Wat voorafgaat, leidt tot het besluit dat verzoeker niet aantoont dat “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nie- tigverklaring”.
  28. Er is bijgevolg alvast niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. IX-9599-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig maart tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bert Thys IX-9599-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.354 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.847 ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.512 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.