← België

Arrest 247367 - Wapens - 03/04/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 april 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.367 Rolnummer: A. 226356/XIV-37833 Zaak: Arrest 247367 - Wapens - 03/04/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-04-03 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-26 03:17 Fiche Arrest nr 247.367 van 3 april 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.367 van 3 april 2020 in de zaak A. 226.356/XIV-37.833 In zake : XXXX die woonplaats kiest te 2580 Putte Vogelstraat 84 tegen : de GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 8 oktober 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 9 juli 2018 waarbij de aanvraag van verzoeker tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van meerdere vuurwapens niet-ontvankelijk wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 maart
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. XIV-37.833-1/9 Verzoeker, die verschijnt in persoon, is gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker dient in het kader van de overgangsbepalingen van de wapenwet, op 23, 24 en 25 juni 2007 aanvragen in tot het voorhanden houden van verscheidene vuurwapens. 3.
  6. Op 9 juli 2018 weigert de gouverneur van de provincie Antwerpen de gevraagde vergunningen. De beslissing steunt op de volgende gronden: “ […] Overwegende dat de veroordeling wegens valsheid in geschriften en inbreuken op de wapenwetgeving een interdicerende veroordeling is in de zin van artikel 5, § 4, 2° van de wapenwet van 8 juni 2006, zodat betrokkene niet meer in aanmerking komt voor wapenvergunningen; Overwegende dat luidens artikel 11, § 3, 2° van de wapenwet aanvragen ingediend door personen die zijn veroordeeld als dader of medeplichtige wegens een van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 1° tot 4° onontvankelijk zijn; Overwegende dat betrokkene is veroordeeld [voor] één van de misdrijven die zijn opgenomen in de lijst van artikel 5, § 4, 1° tot 4° van de wapenwet, dewelke conform artikel 11, § 3 laatste lid aanleiding geeft tot de onontvankelijkheid van elke vergunningsaanvraag; Overwegende dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 115/2010 van 21 oktober 2010 vaststelt dat de maatregel waarbij een wapenvergunning wordt geweigerd aan de persoon die is veroordeeld wegens één van de misdrijven in artikel 5, § 4, 2° van de wapenwet tegemoetkomt aan de zorg van de wetgever om te voorkomen dat een vergunning verleend wordt aan personen die veroordeeld zijn voor feiten die de dader of medeplichtige als onbetrouwbaar doen overkomen voor het bezit van een wapenvergunning; Overwegende dat de Raad van State in zijn arrest met nummer 225.891 van 19 december 2013 bepaalt dat een interdicerende veroordeling in de zin van artikel 5, § 4, 2° een vaststaand gegeven is dat krachtens de wet elke wapenbezit uitsluit, waarbij niet moet worden aangetoond dat het wapenbezit een potentieel gevaar voor XIV-37.833-2/9 de openbare orde zou kunnen opleveren;”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Ambtshalve exceptie wat het belang bij het beroep betreft Standpunt van het auditoraat en van verzoeker
  7. Het auditoraat komt bij zijn onderzoek ambtshalve tot de bevinding dat de verwerende partij niet anders kan dan de aanvragen van verzoeker te weigeren. Verzoeker is bij een arrest van het hof van beroep te Gent van 19 mei 2015, dat kracht van gewijsde heeft, veroordeeld tot een gevangenisstraf met uitstel en een geldboete wegens misdrijven bedoeld in onder meer artikel 5, § 4, 2°, van de wapenwet. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing zou ertoe leiden dat de verwerende partij haar beslissing moet overdoen, in welk geval zij zou verplicht zijn de vergunningsaanvragen opnieuw te weigeren. Verzoeker voldoet immers niet aan de voorwaarde tot het verkrijgen van een vergunning, bepaald in artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, van de wapenwet, nu hij is veroordeeld wegens misdrijven bedoeld in onder meer artikel 5, § 4, 2°, van die wet.
  8. Verzoeker van zijn kant stelt in het verzoekschrift vooreerst dat de ingeroepen grond tot niet-ontvankelijkheid van zijn aanvragen, nog niet bestond op het ogenblik dat hij zijn aanvraag tot regularisatie in 2007 indiende. Het griefhoudend karakter blijkt uit het feit dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de illegaal voorhanden gehouden wapens illegaal blijven en legaal voorhanden gehouden wapens zelfs illegaal worden, waardoor er geen enkele handeling meer mee mogelijk is en ze dienen te worden ingeleverd en vernietigd. Ook geldt de overgangsregeling van de artikelen 44 en 45 van de wapenwet niet meer. Hierdoor ondervindt verzoeker zelf een persoonlijk en rechtstreeks nadeel, namelijk het financieel verlies en de persoonlijke blootstelling aan vervolging en veroordeling wegens illegaal wapenbezit. Verzoeker ziet een wezenlijk verschil tussen de XIV-37.833-3/9 weigeringsbeslissing houdende de niet-ontvankelijkheid van de regularisatieaanvragen, en een ontvankelijkheidsverklaring van de aanvragen met een toekenning van de vergunningen, doch daaraan gekoppeld een onmiddellijke schorsing of intrekking van de vergunningen voor een bepaalde periode ingevolge de veroordeling in
  9. In het eerste geval kan verzoeker niets meer doen met zijn wapens, in het tweede geval kan verzoeker zijn wapens bijvoorbeeld nog verkopen via een handelaar of ze al dan niet tijdelijk overdragen aan een erkend persoon of verzamelaar, met het oogmerk ze later opnieuw in bezit te nemen, na bijvoorbeeld een eerherstel. In de laatste memorie benadrukt verzoeker dat de gouverneur van de provincie Antwerpen tussen 2007 en 2015 eveneens over een gebonden bevoegdheid beschikte en zij die bevoegdheid naast zich heeft neergelegd en haar beslissing meer dan tien jaar uitstelde. Volgens verzoeker moet de aanvraag worden beoordeeld op de datum van aanvraag en niet op de datum van de beslissing. Voorts meent verzoeker dat de bestreden beslissing terugwerkende kracht heeft tot op het ogenblik van de aanvraag, waardoor zijn vergunningsaanvragen uit 2007 geacht worden nooit te zijn ingediend, zodat verzoeker zijn wapenbezit niet langer kan baseren op artikel 44, § 1, tweede lid, van de wapenwet. Verzoeker herhaalt dat hij aldus mogelijks aan vervolging kan worden blootgesteld en dat de bestreden beslissing belet om de vermogenswaarden van de wapens te realiseren. Volgens verzoeker zal een vernietiging van de bestreden beslissing tot gevolg hebben dat de gouverneur opnieuw moet beslissen. Beslist de gouverneur dat de aanvragen ontvankelijk zijn, maar dat de vergunningen niet kunnen worden verleend omdat niet aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, dan kan verzoeker zijn vermogenswaarde van de wapens realiseren en kan zijn wapenbezit tot op de datum van de bestreden beslissing niet meer in vraag worden gesteld. Een dergelijke beslissing zou zijn rechtspositie verbeteren, waarmee ook is aangetoond dat hij wel degelijk een belang heeft bij het beroep. XIV-37.833-4/9 Beoordeling
  10. Een nietigverklaring is een bijzondere vorm van rechtsherstel die erin bestaat de bestreden rechtshandeling retroactief uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen, wat de overheid er in bepaalde gevallen toe moet, minstens kan, aanzetten om een nieuwe beslissing te nemen.
  11. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient hij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Het staat aan de Raad van State te oordelen of verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.).
  12. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en verzoeker een voordeel verschaffen dat voldoende direct XIV-37.833-5/9 verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde.
  13. In de bestreden beslissing zijn de vergunningsaanvragen van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoeker veroordeeld is wegens één van de misdrijven bepaald in artikel 5, § 4, 2°, van de wapenwet. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker voor verschillende wapens op grond van, naargelang het geval, de artikelen 44 en 48 van de wapenwet, een aanvraag heeft ingediend tot het voorhanden houden (of behouden) van die wapens. Krachtens de voornoemde bepalingen was eenieder die bij de inwerkingtreding van de wapenwet wapens voorhanden had, verplicht een aanvraag voor een vergunning tot het voorhanden hebben ervan of een aanvraag tot hernieuwing van een dergelijke vergunning in te dienen (RvS (A.V.) 18 december 2014, nr. 229.603, Screve). Inzake deze aanvragen tot (de hernieuwing van de) vergunning voor het voorhanden hebben van vergunningsplichtige wapens, wordt op grond van de gezamenlijke lezing van de artikelen 11, § 3, 2° en 5, § 4, 2°, van de wapenwet, een vergunning tot het voorhanden hebben van vuurwapens geweigerd aan personen die, zoals verzoeker, als dader of medeplichtige zijn veroordeeld tot een correctionele geldboete van meer dan vijfhonderd euro, een correctionele hoofdstraf onder elektronisch toezicht of een correctionele hoofdgevangenisstraf of een criminele straf wegens een van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 2°, van de wapenwet. Artikel 44, § 2, van de wapenwet voorziet in eenzelfde verbod wat de wapens betreft die ingevolge de wapenwet vergunningsplichtig zijn geworden: de aanvrager mag geen veroordeling hebben opgelopen zoals bedoeld in artikel 5, § 4, van de wapenwet. Een dergelijke veroordeling is derhalve een vaststaand gegeven dat krachtens de wapenwet het voorhanden hebben van wapens door de aanvrager uitsluit. Na het bestaan van een dergelijke interdicerende veroordeling te hebben vastgesteld, vermag de gouverneur derhalve alleen de aanvraag af te wijzen omdat die de gestelde voorwaarde niet vervult. De gouverneur beschikt in deze niet over enige discretionaire bevoegdheid. XIV-37.833-6/9 Verzoeker is bij arrest van het hof van beroep te Gent op 19 mei 2015 veroordeeld tot onder meer een correctionele gevangenisstraf van een jaar met uitstel voor een periode van vijf jaar en tot een geldboete van 750 euro wegens een misdrijf bedoeld in artikel 5, § 4, 2°, van de wapenwet. Verzoekers aanvragen tot het voorhanden hebben van vergunningsplichtige wapens moeten bijgevolg worden geweigerd zolang die interdicerende veroordeling in zijn hoofde nog geldt. Op grond van wat voorafgaat, kunnen aan verzoeker derhalve geen vergunningen worden toegekend voor het voorhanden hebben van vergunningsplichtige vuurwapens en munitie. Hieruit volgt dat bij een gebeurlijke vernietiging door de Raad van State van de thans bestreden beslissing, de verwerende partij om dezelfde reden de voorliggende aanvragen opnieuw zal moeten weigeren. Verzoeker heeft aldus bij vernietiging van de bestreden beslissing geen uitzicht op een voor hem gunstiger beslissing. De vernietiging van de bestreden beslissing verschaft verzoeker te dezen dan ook geen bijkomend direct en persoonlijk voordeel, hoe miniem ook. Verzoeker beschikt bijgevolg reeds van bij het inleiden van het voorliggende beroep niet over het rechtens vereiste belang bij het beroep.
  14. De argumenten van verzoeker leiden niet tot een andere conclusie. De omstandigheid dat de interdicerende veroordeling dateert van na het indienen van zijn aanvragen leidt niet tot een andere conclusie: de wapenwet maakt geen onderscheid naargelang het tijdstip van de veroordelingen wegens de misdrijven vermeld in artikel 5, § 4, 2°, van de wapenwet. Voorts diende de gouverneur bij het nemen van de bestreden beslissing de rechtsregels toe te passen zoals die op dat ogenblik van kracht waren. In de mate dat verzoeker ter zake uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt die naar recht. De beschouwingen die verzoeker wijdt aan het onderscheid tussen een niet-ontvankelijkheidsbeslissing en ontvankelijkheidsverklaring gevolgd door een onmiddellijke schorsing of intrekking van de vergunningen, zijn niet ter zake nu de gouverneur, eenmaal zij vaststelt dat verzoeker het voorwerp uitmaakt van een interdicerende veroordeling, XIV-37.833-7/9 niet vermag ertoe te komen de aanvraag te beoordelen en, desgevallend, ten gronde over te gaan tot een intrekking of schorsing van het voorhanden hebben van de betrokken wapens. Het argument van verzoeker dat hij zich blootstelt aan mogelijke vervolging en veroordeling wegens illegaal bezit van de betrokken wapens, volgt niet rechtstreeks uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing - die overigens in artikel 3 ervan de modaliteiten bepaalt onder dewelke verzoeker op wettige wijze en zonder vervolging aan de bestreden beslissing kan voldoen - maar uit het gegeven dat hij, desgevallend en in strijd met artikel 23 van de wapenwet, de bepalingen van de wapenwet of van haar uitvoeringsbesluiten overtreedt en zulks los overigens van het gegeven dat voor meerdere wapens die het voorwerp van de bestreden beslissing vormen, de verbeurdverklaring is uitgesproken door het hiervoor aangehaalde arrest van het hof van beroep te Gent. Het argument tot slot dat verzoeker dreigt een financieel verlies te leiden is niet te onderscheiden van het belang bij het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissing om (nadien) de toekenning van een schadevergoeding - door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen - te faciliteren. Een dergelijk belang is onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen krijgen (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors, punt 8).
  15. Het beroep is niet ontvankelijk. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt het beroep.
  17. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-37.833-8/9
  18. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie april tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.833-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.367 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.