← België

Arrest 247391 - Wapens - 10/04/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 april 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.391 Rolnummer: A. 227360/XIV-37940 Zaak: Arrest 247391 - Wapens - 10/04/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-04-10 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-26 03:19 Fiche Arrest nr 247.391 van 10 april 2020 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 247.391 van 10 april 2020 in de zaak A. 227.360/XIV-37.940 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristof Hermans kantoor houdend te 3600 Genk Europalaan 50 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 29 januari 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 30 november 2018 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 11 januari
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. XIV-37.940-1/14 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 maart
  4. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kristof Hermans, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ashkan Ghasemy, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker heeft als sportschutter een aantal vuurwapens voorhanden. 3.
  7. Op 11 januari 2018 trekt de gouverneur van de provincie Limburg in hoofde van verzoeker het recht in om wapens voorhanden te hebben. 3.
  8. Verzoekers beroep tegen die beslissing wordt op 30 november 2018 door de gemachtigde van de minister van Justitie verworpen. De beslissing steunt op de volgende gronden: XIV-37.940-2/14 […] “Het louter feit dat de procureur des Konings aan het st[r]afdossier geen gevolg heeft gegeven betekent nog niet dat de feiten als dusdanig niet weerhouden kunnen worden om aan te tonen dat uw gedrag een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden. Zo is het perfect mogelijk dat de procureur des Konings in het kader van een eventuele strafrechtelijke vervolging het opportuun vindt de zaak zonder gevolg te rangschikken; doch anderzijds oordeelt dat met betrekking tot het voorhanden hebben van een vuurwapen dergelijke feiten wel een probleem vormen. Deze zienswijze blijkt duidelijk uit het ongunstig advies dat de procureur des Konings heeft gegeven met betrekking tot uw wapenbezit. Bovendien heeft ook de Raad van State in zijn arrest nr. 193.442 d.d. 19 mei 2009 uitdrukkelijk bepaald dat een bestuur bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, ook rekening gehouden mag worden met feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. Het is niet steeds duidelijk welke de precieze feitelijkheden zijn aangezien u zelf stelt slachtoffer te zijn. Wel kan worden vastgesteld dat u verzeild bent geraakt in een conflictsituatie met wederzijdse opzettelijke slagen en/of verwondingen tot gevolg. Hoe dan ook, de aanwezigheid van een conflictsituatie in combinatie met wapenbezit betekent zeer zeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Het risico dat een conflict tussen u en een derde zou kunnen leiden tot emotionele reacties kan niet worden uitgesloten. Het uit de hand gelopen conflict is bovendien nog recent. Uit uw eigen verklaring blijkt ook dat u de situatie zeker niet probeert te kalmeren maar dat u zich tevens ongepast gedraagt: ‘een kwajongensstreek’, ‘laat u maar testen, ik heb aids’, na de eerste escalatie stoppen met de wagen en uitstappen. Op zijn minst kan worden besloten dat er twijfel bestaat inzake uw moraliteit. Wanneer het echter gaat om het bezit van vuurwapens kan de aanwezigheid van twijfel niet in uw voordeel worden beslecht. De vrijwaring van de openbare orde en veiligheid primeert immers. Het advies van de lokale politie was dan ook negatief.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
  9. Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheids-beginsel. Volgens verzoeker zijn deze beginselen geschonden door de verwerende partij, wanneer zij: “- de feitelijkheden en de aanwezigheid van een conflictsituatie beoordeelde (A); - het potentieel gevaar voor de openbare orde beoordeelde (B) - de moraliteit van verzoeker beoordeelde (C); XIV-37.940-3/14 - de belangenafweging maakte (D).” Inzake de eerste grief (A), zet verzoeker onder het kopje “Beoordeling en onderzoek van de feitelijkheden en de actuele aanwezigheid van een conflictsituatie in de bestreden beslissing”, onder meer uiteen dat bij de beoordeling van een conflictsituatie - de feiten van 19 april 2017 - die aanleiding dient te geven tot de beslissing tot intrekking van de wapenvergunningen, ook rekening moet worden gehouden met de vraag of er na 19 april 2017, meer bepaald op de datum van de bestreden beslissing, nog sprake is van een conflictsituatie. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat er “hoe dan ook” een “conflictsituatie” aanwezig is, maar deze stelling houdt volgens verzoeker op geen enkele manier rekening met de volgens hem “pertinente gegevens met betrekking tot de positieve evolutie van de verhouding tussen verzoeker en zijn buurman, gegevens die door verzoeker aan de verwerende partij zijn verstrekt [en] […] waaruit met name blijkt dat partijen op een normale manier met elkaar omgaan en dat het geschil met een normale gerechtelijke procedure aanhangig is gemaakt bij de bevoegde burgerlijke rechter.” Verzoeker wijst erop dat hij briefwisseling heeft bijgebracht tussen hemzelf en zijn buurman en waaruit blijkt dat de plooien zijn gladgestreken, dat de situatie is gestabiliseerd, en dat men op een normale manier met elkaar omgaat, hetgeen verzoeker aantoont aan de hand van het bijbrengen van verschillende e-mails die gewisseld werden tussen verzoeker en zijn buurman en van de verklaring van zijn buurman waarin die expliciet verklaart dat hij geen problemen heeft met verzoekers wapenbezit. Met deze positieve wending van de wederzijdse verhouding tussen beide buren, dewelke werd medegedeeld aan de minister van Justitie en die is gestaafd door stukken, wordt bij de beoordeling door de verwerende partij dat er sprake is van de aanwezigheid van een conflictsituatie, op geen enkele manier rekening gehouden. Aldus wordt volgens verzoeker in de bestreden beslissing ten onrechte uitgegaan van een actuele conflictsituatie, terwijl uit de door hem bijgebrachte stukken blijkt dat er geen sprake is van een potentieel gevaar ingevolge de aanwezigheid van een conflictsituatie. Verzoeker wijst erop dat nergens in de bestreden beslissing daarnaar wordt verwezen. Door geen rekening te houden met deze veranderde situatie in de omgang tussen partijen en XIV-37.940-4/14 door desondanks te oordelen dat er sprake is van een aanwezige conflictsituatie, baseert de verwerende partij zich niet op afdoende bewezen en feitelijk vaststaande gegevens en wordt de bestreden beslissing onredelijk. Door deze feitelijke gegevens ten onrechte niet te betrekken in haar besluitvormingsproces geeft de verwerende partij blijk van een onvoldoende onafhankelijk en onpartijdig onderzoek door in de gegeven omstandigheden kritiekloos, en zonder enig nader onderzoek of controle, zich enkel te baseren op hetgeen in het proces-verbaal met betrekking tot de feiten van 19 april 2017 staat. Verzoeker besluit dat de verwerende partij niet, zonder schending van de voornoemde beginselen van behoorlijk bestuur, op basis van dit proces-verbaal alleen en zonder enig nader onderzoek van de bijkomende stukken die verzoeker heeft bijgebracht, kon besluiten dat er sprake is van wederzijdse slagen en verwondingen en dat er op het ogenblik van het treffen van de bestreden beslissing sprake zou zijn van “de aanwezigheid van een conflictsituatie.”
  10. De verwerende partij wijst in de memorie van antwoord vooreerst op haar ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid en op het wettigheidstoezicht van de Raad van State ter zake. Zij wijst op het negatief advies van de procureur des Konings en van de lokale politie. Volgens haar komt het de verwerende partij niet toe om na te gaan wie aan de slagen en verwondingen bij de conflictsituatie op 17 april 2017 schuldig was, of wie er het meest schuldig aan was. Het staat vast dat er slagen en verwondingen werden uitgewisseld en ook door verzoeker. Het is evenmin van belang om na te gaan hoe het burgerlijk geschil dat de oorzaak van het geschil was, is ontstaan en welke partij terecht zijn eisen stelt. Wat wel van belang is, is het nagaan hoe verzoeker zich heeft gehouden bij de conflictsituatie, hoe hij aan het conflict heeft bijgedragen en of hij daarbij tot de escalatie bijdroeg, dan wel deze trachtte te bedaren of te verhinderen, zoals mag worden verwacht van een normaal en voorzichtig wapenbezitter. De verwerende partij stelt dat de wijze waarop de verzoeker zich gedroeg, in tegenstelling staat tot de voorstelling die van hem wordt gemaakt in het door hem voorgelegde dossier, de moraliteitsverklaringen in het bijzonder. De XIV-37.940-5/14 aanleiding van het conflict is een banale ruzie over de scheiding tussen twee percelen. Daarbij betrad verzoeker andermans perceel, en verklaarde er geregeld ‘kwajongensstreken’ uit te halen. Uit het proces-verbaal van de lokale politie en de verklaringen van verzoeker verwijst de verwerende partij in de bestreden beslissing naar het uithalen van “kwajongensstreken”, “het uit de wagen stappen bij de buurman” en “het uitsmeren van eigen bloed in het gezicht van de vader van de buurman met verwijzing naar een aidsaandoening, enz”. In zijn verklaringen poogt verzoeker deze niet-betwiste feiten te ontkrachten door ze in een breder kader te plaatsen. Ook al zouden deze feiten geprovoceerd zijn - waarover de bestreden beslissing zich niet uitspreekt - en desondanks de pogingen van verzoeker om aan te tonen dat hij met zijn buurman geen verhitte of geagiteerde relatie had, kan de verwerende partij niet anders dan vaststellen dat verzoeker in de conflictsituatie buiten zinnen was en deelnam aan een vechtpartij. Aldus was het gedrag van verzoeker een aantasting, minstens een gevaar voor de openbare orde. Verder blijkt uit de verklaringen dat nadat verzoeker en de schoonvader van zijn buurman uit elkaar waren gehaald, ook verzoeker zich niet rustig gedroeg, en de discussie en handgemeen nog verder gingen. Verzoeker gaf dus blijk van een totaal verkeerde inschatting van het banale burgerlijke conflict over de perceelsgrens, van het belang dat de andere partijen daaraan hechtten en van de reactie die zijn aanwezigheid op het perceel van een ander had. Hij nam deel aan een gewelddadig conflict dat verder escaleerde, en waarbij hij de gemoederen niet bedaarde. Verzoeker geeft ook blijk van een verkeerde inschatting door te pogen zijn betrokkenheid bij de feiten te minimaliseren en zich alleen als slachtoffer voor te stellen. Dit gedrag is volgens de verwerende partij niet in overeenstemming met het te verwachten gedrag van een normale wapenbezitter. Wat het argument van verzoeker betreft dat de conflictsituatie niet meer bestond op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, stelt de verwerende partij dat verzoeker verwijst naar een procedure die omtrent het burgerlijk geschil bij de vrederechter wordt gevoerd, maar dat verzoeker omtrent deze procedure geen documenten voorlegde aan de verwerende partij: in zijn dossier voor de Raad van State voegt verzoeker thans wel een tussenvonnis van XIV-37.940-6/14 2 maart 2018 van de vrederechter te Maasmechelen. De verwerende partij kon er volgens haar bij het nemen van de bestreden beslissing dus geen acht op slaan. Voorts situeren alle verklaringen van de buren die verzoeker voorlegt, zich tussen 17 en 19 oktober
  11. Het e-mailverkeer tussen verzoeker en zijn buurman dateert van de periode voorafgaand aan de beslissing van de gouverneur en moet in dat kader worden begrepen. Over de eis omtrent de juiste scheidingslijn tussen de percelen van verzoeker en zijn buurman lijkt nog geen uitspraak te zijn gedaan, zodat een potentieel ‘conflict’ minstens latent aanwezig is. Bovendien verklaart het dossier niet het gedrag van verzoeker die, naar hij stelt, een rustig man blijkt te zijn, doch die op een zeer onbeheerste wijze ageerde bij de confrontatie met zijn buren. Volgens de verwerende partij is de tijdspanne tussen de feiten en de stabilisering van de relaties van verzoeker met de buren, veel te kort om de twijfel weg te nemen die bestaat over het gedrag en de moraliteit van verzoeker. Als er twijfel bestaat, kan deze niet in verzoekers voordeel worden beslecht. De verwerende partij besluit dat de bestreden beslissing weloverwogen werd genomen op basis van objectieve vaststellingen die konden worden gedaan van de feiten en het gedrag van verzoeker, en die niet worden tegengesproken door het door verzoeker voorgelegde uitvoerige dossier.
  12. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat het van belang is na te gaan hoe verzoeker zich heeft gedragen bij de conflictsituatie, hoe hij aan het conflict heeft bijgedragen en of hij daarbij tot de escalatie bijdroeg, dan wel deze trachtte te bedaren of te verhinderen, zoals van een normaal en voorzichtig wapenbezitter mag worden verwacht. Ook wijst zij op het feit dat de lokale politie en de procureur des Konings negatief adviseerden omtrent verzoekers wapenbezit en dat het eenvoudig negeren van deze adviezen bij gebrek aan formele bekentenis van verzoeker in het strafdossier, erop neerkomt dat de voornoemde adviesverlenende overheden op een eerder onprofessionele wijze zouden hebben gehandeld. Voorts heeft de procureur des Konings aangedrongen op strafbemiddeling en verwijst de verwerende partij naar de getuigenis van C. die een ander licht werpt op de houding van verzoeker tijdens het conflict. XIV-37.940-7/14 Beoordeling
  13. Verzoeker voert in het middel onder meer de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Ter beoordeling van deze grief moet ook worden gewezen op artikel 30, eerste lid, van de wapenwet, dat luidt: “Beroep staat open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde in geval van het ontbreken van een beslissing van de gouverneur binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen, of tegen de beslissingen van de gouverneur tot weigering, beperking, schorsing of intrekking van een erkenning, een vergunning of een recht, behalve tegen beslissingen inzake onontvankelijke aanvragen.” Dit voorschrift organiseert een administratief beroep bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde tegen het in de voormelde bepaling opgesomde stilzitten of opgesomde beslissingen van de gouverneur (Cf. GwH 19 december 2007, nr. 154/2007, punt B.60.1). Door de devolutieve werking van het georganiseerd beroep verwerft de beroepsinstantie op grond van deze bepaling de beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Aangezien op grond van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de wapenwet, de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de betrokkene, de XIV-37.940-8/14 vergunning of het recht om een wapen voorhanden te hebben, kan beperken, schorsen of intrekken, indien blijkt dat dit voorhanden hebben de openbare orde kan verstoren, beschikt de minister of zijn gemachtigde aldus op grond van de devolutieve werking van het beroep, over dezelfde beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur. Geconcretiseerd op het voorliggende beroep, impliceert het voormelde materiëlemotiveringsbeginsel aldus dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de mogelijke verstoring van de openbare orde moet worden beoordeeld. De beroepsinstantie beschikt te dezen over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om desgevraagd zelf een beoordeling te maken van de vraag of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. De mogelijke verstoring van de openbare orde moet voorts nog actueel zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, wat inhoudt dat de tijd die is verlopen sinds het feit dat volgens de beroepsinstantie erop wijst dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren, moet worden meegewogen in de beoordeling van deze mogelijke verstoring. XIV-37.940-9/14 De beoordeling of een feit voldoende actueel is in de zin als hiervoor is gesteld om in aanmerking te worden genomen, staat ter beoordeling van de beroepsinstantie, waarbij deze beoordelingsruimte, desgevraagd, door de Raad van State wordt getoetst in de zin als hiervoor is gesteld.
  14. Verzoeker voert in het middel ook de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. De zorgvuldigheidsplicht houdt evenwel niet in dat van een beroepsinstantie moet worden verwacht dat zij een loutere suggestie of bewering die niet op een geloofwaardige wijze is ingeroepen, met de nodige zorgvuldigheid onderzoekt. Enkel wanneer de ingeroepen bewering niet is ontbloot van elk element van geloofwaardigheid, rust op de beroepsinstantie de hiervoor geschetste zorgvuldigheid bij het onderzoek van dit gegeven.
  15. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (zie supra, punt 3.3.). Er wordt naar verwezen. Hieruit blijkt dat de verwerende partij van oordeel is dat “het […] niet steeds duidelijk [is] welke de precieze feitelijkheden zijn aangezien [verzoeker] zelf stelt slachtoffer te zijn” en dat “wel kan worden vastgesteld dat [verzoeker] verzeild [is] geraakt in een conflictsituatie met wederzijdse opzettelijke slagen en/of verwondingen tot gevolg.” Voorts stelt de bestreden beslissing dat, “hoe dan ook, [betekent] de aanwezigheid van een conflictsituatie in combinatie met wapenbezit […] zeer zeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid” en kan “het risico XIV-37.940-10/14 dat een conflict tussen u en een derde zou kunnen leiden tot emotionele reacties niet worden uitgesloten.” Het “uit de hand gelopen conflict is bovendien nog recent.” Uit de bestreden beslissing blijkt aldus dat de verwerende partij haar beoordeling van de vraag of het voorhanden hebben door verzoeker van wapens de openbare orde kan verstoren, niet heeft gesteund op het al dan niet schuldig zijn van verzoeker aan de feiten van 19 april 2017, maar op het feit dat verzoeker op 19 april 2017 is “verzeild” geraakt in een conflictsituatie “met wederzijdse opzettelijke slagen en/of verwondingen tot gevolg” en dat dit conflict bovendien nog recent is. Het aan verzoeker verweten gedrag is derhalve het “verzeild” geraakt zijn in een dergelijke conflictsituatie met wederzijdse slagen en/of verwondingen. Voorts lijkt het woordgebruik “verzeild” raken, te wijzen op een toevallige omstandigheid. Ter adstructie van deze beoordeling blijkt uit de bestreden beslissing dat de beroepsinstantie zich voor haar feitenvinding steunt op het proces-verbaal opgesteld naar aanleiding van de feiten van 19 april 2017 en de ongunstige adviezen van de lokale politie en de procureur des Konings. Verzoeker van zijn kant doet gelden dat bij de beoordeling of de conflictsituatie waarin hij “verzeild” geraakte en leidde tot de bestreden beslissing, ook rekening moet worden gehouden met de vraag of er op de datum van de bestreden beslissing nog sprake is van een conflictsituatie en dat te dezen de beroepsinstantie de volgens hem pertinente gegevens met betrekking tot de positieve evolutie van de verhouding tussen hemzelf en zijn buurman niet in de besluitvorming heeft betrokken. Centraal staat derhalve de vraag of de beroepsinstantie op wettige wijze tot haar beoordeling kon komen dat de door haar in aanmerking genomen conflictsituatie op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing verantwoordt dat het voorhanden hebben in hoofde van verzoeker van wapens de openbare orde kan verstoren. XIV-37.940-11/14
  16. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker in het raam van het horen in de administratieve beroepsprocedure een aantal argumenten naar voor heeft gebracht die volgens hem doen blijken dat er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat er geen (actuele) grond meer is om verzoekers recht tot het voorhanden hebben van wapens in te trekken en meer in het bijzonder een aantal documenten die volgens verzoeker een beter zicht geven op het geschil met zijn buurman en waaruit een veranderende situatie in de omgang zou blijken, zodat er geen sprake meer zou zijn van een conflictsituatie. In het raam van de hiervoor geschetste discretionaire bevoegdheid en het devolutief karakter van het georganiseerd administratief beroep (zie supra, punt 7), komt het weliswaar de beroepsinstantie toe deze in de administratieve procedure overgelegde of aangebrachte argumenten van verzoeker te waarderen en op hun merites en relevantie te toetsen wat de beoordeling van het actueel karakter van het mogelijks gevaar voor de openbare orde betreft, doch uit de bestreden beslissing noch uit de stukken van het dossier blijkt dat de beroepsinstantie deze mee in de besluitvorming heeft betrokken. In de bestreden beslissing beperkt zij zich tot het inventariseren van die argumenten en tot het enkele standpunt dat het uit de hand gelopen conflict “nog recent is”. Voorts blijkt uit de stukken van het dossier dat verzoeker ter gelegenheid van de hoorzitting op 27 augustus 2018 als bijkomend overtuigingstuk een tussenvonnis van 2 maart 2018 van de vrederechter te Maasmechelen heeft neergelegd waaruit volgens verzoeker blijkt dat de conflictsituatie niet meer bestond, terwijl uit de stukken van de rechtspleging afdoende blijkt dat de beroepsinstantie geen acht heeft geslagen op dat stuk. Aldus blijkt niet dat de beroepsinstantie op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, de stukken, feitelijke gegevens en argumenten die verzoeker had aangebracht ter adstructie van zijn standpunt dat de conflictsituatie waarin hij “verzeild” was geraakt, op het ogenblik van de besluitvorming geen actueel karakter meer had, heeft betrokken in haar besluitvormingsproces en dus aan de hand ervan de tijd die is verlopen sinds het feit dat volgens de beroepsinstantie erop wijst dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren, heeft meegewogen in de beoordeling van het nog actuele karakter van deze mogelijke verstoring. Zulks strijdt met de door verzoeker geschonden geachte XIV-37.940-12/14 zorgvuldigheidsplicht. Hieruit volgt tevens dat niet vaststaat dat de bestreden beslissing steunt op een motief dat de bestreden beslissing in rechte kan verantwoorden, zodat ook de materiëlemotiveringsplicht in de aangegeven mate is geschonden.
  17. De door de verwerende partij voor het eerst in haar memorie van antwoord aangehaalde argumenten en redengeving leiden niet tot een andere conclusie. De verwerende partij maakt immers niet aannemelijk dat die voorlagen op het ogenblik van de besluitvorming, noch doet zij hiermee blijken dat de beroepsinstantie verzoekers stukken, feitelijke gegevens en argumenten heeft betrokken in haar besluitvormingsproces. Voorts is de argumentatie in zowel de memorie van antwoord als in de laatste memorie en die betrekking heeft op de relevantie van de conflictsituatie en verzoekers gedrag op dat ogenblik, niet ter zake vermits het gegrond bevonden argument enkel betrekking heeft op de vraag of de beroepsinstantie al dan niet op zorgvuldige wijze de argumenten van verzoeker heeft onderzocht inzake het nog bestaande actueel karakter van de door haar gegrond bevonden grond tot verstoring van de openbare orde en of zij aldus op wettige wijze kon besluiten dat die de beslissing in rechte kon ondersteunen. Tot slot verleent de enkele omstandigheid dat de procureur des Konings en de lokale politie hetzelfde oordeel aanhouden als de beroepsinstantie, geen wettigheid aan de bestreden beslissing, noch houdt zulks een uitspraak in over hun professioneel optreden, te meer dat niet blijkt dat die adviesorganen verzoekers stukken, feitelijke gegevens en argumenten hebben kunnen mee betrekken in hun advisering.
  18. Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond en deze vaststelling volstaat voor de vernietiging van de bestreden beslissing. XIV-37.940-13/14 BESLISSING
  19. De Raad van State vernietigt de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 30 november 2018 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 11 januari
  20. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
  21. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien april tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.940-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.391 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.