← België

Arrest 247395 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/04/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.395 Rolnummer: A. 220816/IX-8967 Zaak: Arrest 247395 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/04/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-04-14 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-26 03:19 Fiche Arrest nr 247.395 van 14 april 2020 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 247.395 van 14 april 2020 in de zaak A. 220.816/IX-8967 In zake: Christophe DE BRABANTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Leen Putman kantoor houdend te 2220 Heist-op-den-Berg Bredestraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: HR RAIL, nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 november 2016, strekt tot de nie- tigverklaring van: - de beslissing van de onmiddellijke chef van 25 augustus 2016 waarbij wordt voorgesteld om aan Christophe De Brabanter de tuchtstraf van de strenge vermaning en de administratieve maatregel van de afhouding van 12,50 euro op de productiviteitspremies op te leggen; - de beslissing van de hiërarchische overste van de onmiddellijke chef waarbij de voormelde tuchtstraf en administratieve maatregel ten aanzien van Christophe De Brabanter worden behouden. IX-8967-1/36 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 237.716 van 20 maart 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Leen Putman, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Alexandre Mignon, die loco advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari 1973. IX-8967-2/36 III. Feiten 3.1. Verzoeker is als vastbenoemd personeelslid in dienst van de verwerende partij. Hij oefent de functie van opsteller uit. 3.2. Tijdens de periode van 25 mei 2016 tot 30 mei 2016 heeft een stakingsactie plaats van personeel van de verwerende partij. Volgens de verwe- rende partij gaat het om een “niet-legitieme werkonderbreking”. 3.3. Met een e-mail van 6 juni 2016 deelt de verwerende partij aan verzoeker mee dat er voor een aantal dagen vόόr 31 mei 2016 “geen prikkin- gen/afwezigheid” of “een oneven aantal prikkingen” werden geregistreerd, waardoor niet kan worden nagegaan of hij die dagen afwezig dan wel aanwezig was. Verzoeker wordt verzocht de nodige correcties te doen. Verzoeker reageert met de vraag welke actie hij moet onder- nemen. Hij ontvangt hierop het volgende antwoord: “De dagen van 25, 26 en 27 mei staan nog als niet aanwezig voor jou. Op die dagen mag je geen code 65 AS (staking) inbrengen, wel verlof. Indien je niets aanvraagt worden door B-HR (volgens richtlijnen die we ontvangen hebben) deze dagen automatisch in het systeem ingebracht als OA onwettig afwezig + P88 ‘strenge vermaning’ die wordt opgemaakt (maar dat weet je ondertussen zeker wel). Dus gelieve uw dagen te regulariseren en te laten goedkeuren door uw OC, morgen 7/06 wordt de maand mei afgesloten.” 3.4. Op 25 augustus 2016 ontvangt verzoeker een formulier P88 waarop zijn onmiddellijke chef de volgende “voorgestelde straf” heeft genoteerd: “Als tuchtsanctie ingevolge uw deelname aan de niet-legitieme werkonder- breking in de periode van 25 mei 2016 tot 30 mei 2016 wordt de strenge ver- maning voorgesteld. Bij deze tuchtsanctie past een administratieve maatregel die bestaat uit een afhouding van 12,50 € op de productiviteitspremies. Als IX-8967-3/36 bijlage 1 vindt u de gedetailleerde motivering van de voorgestelde straf en de administratieve maatregel.” Dit is de eerste bestreden beslissing. In bijlage 1 bij voormeld formulier P88 worden de voorgestelde maatregelen als volgt gemotiveerd: “1. Motivering van de strenge vermaning als voorgestelde tuchtsanctie in- gevolge uw deelname aan de niet-legitieme werkonderbreking in de periode van 25 mei 2016 tot 30 mei 2016. Gelet op uw deelname aan de niet-legitieme werkonderbreking in de periode van 25 mei 2016 tot 30 mei 2016; Gelet op paragraaf 98, 4., van het ARPS Bundel 548 die voorziet dat elke werkonderbreking in het kader van een sociale actie die niet voldoet aan de voorwaarden van aanzegging en overleg zoals opgenomen in de voormelde reglementering, of die niet werd aanvaard door de algemene directeur HR Rail als een emotionele reactie op een uitzonderlijke situatie, zal worden beschouwd als een ongewettigde afwezigheid; Overwegende dat geen enkele stakingsaanzegging werd ingediend, en dat derhalve geen enkel sociaal overleg kon worden georganiseerd; Overwegende dat de algemene directeur HR Rail deze sociale actie niet heeft aanvaard als een emotionele reactie op een uitzonderlijke situatie; Overwe- gende dat de werkonderbreking niet voldoet aan de voorwaarden die zijn op- genomen in paragraaf 98 van het ARPS Bundel 548, waaraan moet worden voldaan om van een legitieme werkonderbreking te kunnen spreken; Dat een ongewettigde afwezigheid strafbaar is met tuchtsancties; Dat deze werkonderbreking ernstige gevolgen heeft gehad op het treinver- keer, meer bepaald treinen die geheel of gedeeltelijk werden afgeschaft evenals talrijke vertragingen; Dat, door deel te nemen aan deze niet-legitieme actie en door de toepasse- lijke reglementering van de Belgische Spoorwegen te overtreden, u niet alleen uw dienstplichten niet heeft nageleefd, maar eveneens het aanzien van de Bel- gische Spoorwegen in diskrediet heeft gebracht. Overwegende dat deze tekortkomingen tuchtrechtelijk kunnen worden ge- sanctioneerd overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, Hoofdstuk XIV van het Statuut van het Personeel, dat meer bepaald voorziet dat een tuchtrechtelijk vergrijp kan bestaan uit een handeling of een gedraging die een tekortkoming van de beroepsplichten kan uitmaken of die het aanzien van de Belgische Spoorwegen in het gedrang kan brengen; Overwegende dat de strenge vermaning een gepaste sanctie uitmaakt die proportioneel is aan de feiten; Dat een dergelijke sanctie deel uitmaakt van de minst zware sancties die aan een personeelslid van de Belgische Spoorwegen kan worden opgelegd, aangezien deze deel uitmaakt van de sancties die werden IX-8967-4/36 geklasseerd onder de straffen van de eerste graad krachtens artikel 3 van het ARPS Bundel 550 (tuchtreglement); Dat het proportionaliteitsbeginsel vereist dat er een redelijk en proportioneel verband bestaat tussen de motieven die de tuchtsanctie rechtvaardigen en haar doel; Dat ik in casu de strenge vermaning als de meest passende sanctie be- schouw; Dat onder de sancties die aan een statutair personeelslid van de Belgische Spoorwegen kunnen worden opgelegd in toepassing van artikel 2 van het ARPS Bundel 550, enkel de terechtwijzing en de eenvoudige vermaning lichtere sancties zijn dan de strenge vermaning; Dat deze sancties niet passend zouden zijn in onderhavig geval. Dat krachtens artikel 20 van het ARPS Bundel 550, de terechtwijzing een waarschuwing is om de personeelsleden tot nauwgezetheid en ijver aan te zet- ten; Dat de deelname aan de niet-legitieme werkonderbreking echter van een te grote ernst is om slechts gesanctioneerd te worden door een dergelijke waar- schuwing; Dat, rekening houdend met de impact op de spoorwegdienst en op het aanzien van de Belgische Spoorwegen van de werkonderbreking in kwestie, het meer bepaald niet volstaat om de nauwgezetheid en de ijver van het per- soneelslid te stimuleren, maar dat het passend is om te sanctioneren op een wijze die proportioneel is aan de feiten; Dat artikel 21 van het ARPS Bundel 550 bepaalt dat de eenvoudige verma- ning er op gericht is om minder zware fouten te bestraffen, wat in casu niet het geval is; Dat artikel 22 van het ARPS Bundel 550 het volgende bepaalt: ‘De strenge vermaning wordt opgelegd voor tamelijk zware fouten zoals: - herhaalde onregelmatigheden bij het houden van de schrifturen, zonder dat er evenwel bedrieglijk inzicht bestaat; - reglementsovertredingen die de goede gang van de dienst of de belangen van de Maatschappij schaden en waarvoor er geen andere tuchtstraf is voor- geschreven; - herhaalde inbreuk op de diensturen of herhaalde ongerechtvaardigde af- wezigheid.’; Gelet op het geheel van het dossier, en in toepassing van mijn appreciatie- bevoegdheid inzake de proportionaliteit tussen de feiten en de sanctie, be- schouw ik de ten laste gelegde feiten in casu als ‘een tamelijk zware fout’ in de zin van artikel 22 van het ARPS Bundel 550; Dat de grief die aan de basis ligt van de tuchtrechtelijke procedure in casu zeker een tamelijk zware fout uit- maakt die bestaat uit het overtreden van de reglementering en bijgevolg schade heeft toegebracht aan de goede gang van de dienst en aan de belangen van de Maatschappij (in dit geval, het ARPS Bundel 548, par. 98) en voor dewelke er geen andere tuchtsanctie is voorzien; Overwegende dat ik ten overvloede benadruk – wetende dat de bovenstaande redenen op zich zekerlijk de zwaarte van de straf rechtvaardigen – dat krachtens artikel 1 van het ARPS Bundel 550, de intentionele feiten verzwarende om- standigheden uitmaken; Dat uw deelname aan de niet-legitieme werkonder- breking een dergelijke intentionele fout uitmaakt; IX-8967-5/36 Gelet op al deze redenen, rekening houdend met het administratief statuut van het personeel en het ARPS Bundel 550, en in het bijzonder paragraaf 22 van het ARPS Bundel 550, stel ik voor om U een strenge vermaning op te leggen. 2. Motivering van de voorgestelde administratieve maatregel bestaande uit een afhouding van 12,50 € op de productiviteitspremies. Naar aanleiding van uw deelname aan de niet-legitieme werkonderbreking in de periode van 25 mei 2016 tot 30 mei 2016, stel ik eveneens voor om u een administratieve maatregel op te leggen bestaande uit een afhouding van 12,50 € op de productiviteitspremies. Overwegende dat een dergelijke maatregel geen tuchtsanctie uitmaakt, maar een administratieve maatregel; Overwegende dat deze maatregel voorzien is in de bijlage 4/3, rubriek 13, van het Bericht 46PR/2001 (stelsel van de productiviteitspremies van het treinbesturings- en het treinbegeleidingspersoneel); Dat deze rubriek, van toe- passing op het treinbesturingspersoneel, in een afhouding van de premie voor- ziet ingevolge ‘vertraging van het konvooi te wijten aan het personeel’; Dat de afhouding 0,25 € per minuut bedraagt voor de vertragingen van het konvooi te wijten aan het personeel, en een maximum is voorzien; Overwegende dat het Bericht nr. 53 H-HR-2006 (algemeen stelsel van productiviteitspremies) dat van toepassing is op het personeel van de rangen 3 tot 9 van de hiërarchie, waar u deel van uitmaakt, bepaalt dat de bijlage 4 van dit bericht een niet-limitatieve lijst bevat van inbreuken die een vermindering van de premie kunnen teweegbrengen; Aangezien de lijst met inbreuken in de bij- lage 4/2 van het bericht nr. 53 H-HR-2006 niet exhaustief is, wordt er beslist om u naar analogie de afhouding van de premie wegens ‘vertraging van het konvooi te wijten aan het personeel’ voorzien in de rubriek 13 van de bijlage 4/3 van het bericht 46PR/2001 op te leggen; Dat de werkonderbreking in kwestie talrijke vertragingen heeft teweeggebracht op het spoorwegnetwerk; Dat het bijgevolg gerechtvaardigd is om u in casu de maximale afhouding voorzien in de voor- melde rubriek op te leggen (meer bepaald een bedrag van 12,50 € – bedrag van 12,39 € feitelijk geïndexeerd aan 12,50 € –).” 3.5. Op 8 september 2016 dient verzoeker zijn argumenten ter rechtvaardiging in. 3.6. Op 12 september 2016 adviseert verzoekers onmiddellijke chef om de straf te behouden, waarna diens hiërarchische overste beslist: “Akkoord met advies O.C. Straf wordt behouden en toegepast zoals voorzien.” Dit is de tweede bestreden beslissing. IX-8967-6/36 IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. De verwerende partij werpt geen excepties van onontvanke- lijkheid van het beroep op. De auditeur-verslaggeefster doet dat ook niet ambts- halve in haar verslag over de zaak. In acht genomen dat hierna zal blijken dat de door verzoeker aangevoerde middelen hoe dan ook niet gegrond zijn, wijdt ook de Raad van State – om proceseconomische redenen – geen ambtshalve onderzoek aan de ontvanke- lijkheid van het beroep, onder meer voor zover het gericht is tegen de eerste be- streden beslissing. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van ar- tikel 5 van Hoofdstuk XIV van het statuut van het personeel, de artikelen 101 en 105 (Hoofdstuk VI) van ARPS-bundel 550 ‘Tuchtreglement’ (hierna: ARPS-bundel 550) en de redelijke termijn. In een eerste middelonderdeel, waarin hij de schending inroept van artikel 5 van Hoofdstuk XIV van het statuut van het personeel en van de ar- tikelen 101 en 105 (Hoofdstuk VI) van ARPS-bundel 550, doet verzoeker gelden dat de verwerende partij drie maanden heeft getalmd om een sanctie op te leggen, namelijk van begin juni 2016 – het uiterste tijdstip waarop de feiten haar bekend waren – tot eind augustus 2016. Nochtans moet overeenkomstig artikel 101 van ARPS-bundel 550 een strafmaatregel zo snel mogelijk worden opgelegd. IX-8967-7/36 Voorts stelt verzoeker dat hem door zijn onmiddellijke chef, in strijd met artikel 105 van ARPS-bundel 550, op geen enkel ogenblik werd mee- gedeeld dat hij de mogelijkheid had om zijn redenen ter rechtvaardiging bij te brengen. Zijn onmiddellijke chef en diens hiërarchische overste waren integendeel van mening dat hij formulier P88 onmiddellijk diende te ondertekenen en terug te bezorgen. Volgens verzoeker blijkt dit uit het feit dat zowel het vak voor het advies over de verstrekte rechtvaardiging, als het vak voor de beslissing van de hiërar- chische overste reeds voorzag in een naam en gedateerd was op 25 augustus 2016. Hij heeft dit aangekaart in zijn rechtvaardiging, maar daarmee werd geen rekening gehouden, laat staan dat ze werd onderzocht, zoals nochtans is voorgeschreven door artikel 105, vijfde lid, van ARPS-bundel 550. In een tweede middelonderdeel, waarin hij de schending inroept van de redelijke termijn als beginsel van behoorlijk bestuur, betoogt verzoeker dat de verwerende partij, niettegenstaande zij uiterlijk begin juni 2016 kennis had van de feiten en reeds in een persbericht van 30 mei 2016 haar intentie kenbaar had gemaakt om de deelnemers aan de werkonderbreking een tuchtsanctie en een administratieve maatregel op te leggen, tot eind augustus 2016 heeft gewacht om hem daadwerkelijk een tuchtsanctie en een administratieve maatregel op te leggen. Verzoeker besluit hieruit dat de verwerende partij onnodig heeft getalmd en aldus de redelijke termijn heeft geschonden. 6. Verzoeker benadrukt in zijn memorie van wederantwoord dat de feiten waarvoor hem eind augustus 2016 een tuchtsanctie en een administratieve maatregel werden opgelegd, reeds dateerden van de periode tussen 25 en 30 mei 2016 en hij merkt op dat hij er nooit een geheim van gemaakt heeft dat hij zou deelnemen aan de staking. Hoewel de verwerende partij dus reeds begin juni 2016 voldoende zekerheid had over de feiten, heeft zij nog drie maanden gewacht om de sanctie op te leggen, wat bezwaarlijk als een snelle afhandeling kan worden beschouwd. Dat er slechts een lichte sanctie werd opgelegd, vormt volgens verzoeker geen rechtvaardiging om hem gedurende die tijd in onzekerheid te laten. IX-8967-8/36 7. In zijn laatste memorie argumenteert verzoeker nog dat uit de e-mail van de verwerende partij van 6 juni 2016 blijkt dat het onderzoek toen reeds een aanvang had genomen en deze partij dus van de feiten op de hoogte was. Hij benadrukt ook dat de verwerende partij van meet af aan zeer goed wist welke sanctie zij zou opleggen. In haar e-mail van 6 juni 2016 heeft zij immers duidelijk aangegeven dat een strenge vermaning zou worden opgelegd, tenzij er vakantie- dagen zouden worden ingegeven. Voorts blijkt dit ook uit het gegeven dat op formulier P88 zowel het vak voor het advies over de rechtvaardiging van verzoe- ker, als het vak voor de beslissing van de hiërarchische overste reeds was voorzien van een naam en was gedateerd op 25 augustus 2016. Verzoeker betwist dat dit een materiële vergissing zou zijn geweest en hij stelt dat hij, nadat hij op 28 augustus 2016 het formulier met de voorgestelde sanctie ontving, dagelijks onder druk werd gezet om het te ondertekenen. Hij ging hier niet op in en hij diende op 8 september 2016 zijn rechtvaardiging in. Hoewel deze rechtvaardiging uitgebreid was gemo- tiveerd, werd hem op 12 september 2016 zonder enige motivering of nader on- derzoek meegedeeld dat de straf behouden bleef, wat in strijd is met artikel 105 van ARPS-bundel 550. Uit het feit dat er slechts één werkdag verstreek tussen het indienen van de rechtvaardigingsnota en de bevestiging van de sanctie, het feit dat deze bevestiging op geen enkele wijze werd gemotiveerd en het feit dat het vak van formulier P88 voor het advies van de onmiddellijke chef reeds op 25 augustus 2016 was gedateerd, blijkt volgens verzoeker dat de verwerende partij vooringe- nomen was en reeds na afloop van de werkonderbreking goed wist welke sanctie zij zou opleggen. Verzoeker besluit dat het dan ook niet te verantwoorden valt dat de verwerende partij maanden talmde om een onderzoek in te stellen en een sanctie op te leggen. Beoordeling

  1. a)Eerste middelonderdeel 8. Artikel 5 van Hoofdstuk XIV (tuchtstatuut) van het statuut van het personeel van de verwerende partij bepaalt: IX-8967-9/36 “Toepassingsmodaliteiten Het ARPS – Bundel 550 bepaalt de toepassingsmodaliteiten voor de ver- schillende tuchtsancties.” Artikel 101 van ARPS-bundel 550 luidt: “De strafmaatregelen moeten zo kort mogelijk volgen op de feiten die er aanleiding toe geven. Die feiten moeten grondig en snel onderzocht worden. Volgende gegevens moeten nauwkeurig en volledig opgenomen en zoveel mogelijk ondertekend worden: - de verklaringen of de bekentenissen van de ondervraagde bedienden; - de aangevoerde getuigenissen, al dan niet ten laste; - de schriftelijke of mondelinge klachten die door bedienden van de Maat- schappij of door derde personen ten laste van het personeel worden inge- diend. Wanneer de fout begaan is buiten de administratieve standplaats van de bediende, moet de betrokken chef ten gerieve van de onmiddellijke chef, een verslag over de feiten opmaken. Laatstgenoemde dient de nodig geachte voor- stellen in na overleg met de chef die het bovengenoemde verslag heeft opge- maakt. De getuigenissen en verklaringen, die door de betrokken personen echt moeten verklaard en ondertekend worden nadat zij er kennis van genomen hebben moeten gesteld worden in de taal die overeenstemt met de taalrol of taalgroep waartoe zij behoren, behalve wanneer het personen betreft die niet tot de Maatschappij behoren en die de door hen verkozen taal gebruiken.” Artikel 105 van ARPS-bundel 550 luidt: “Het bulletin wordt de betrokken bediende overgelegd met verzoek het te ondertekenen en daarop zijn rechtvaardiging te vermelden of te verklaren dat hij van een rechtvaardiging afziet; het moet binnen 10 werkdagen aan de onmid- dellijke chef terugbezorgd worden. Elke inbreuk op die regel wordt als een overtreding van de tuchtregels beschouwd en geeft aanleiding tot verzwaring van de straf. Als de onmiddellijke chef het bulletin aan de betrokken bedienden afgeeft, vestigt hij bijzonder hun aandacht op de hierboven aangehaalde bepalingen. Zo de bediende weigert te tekenen, vermeldt de onmiddellijke chef op het bulletin dat de betrokken bediende inzage ervan heeft gekregen. Deze door twee getuigen te bevestigen weigering is geen reden tot bestraffing, noch tot ver- zwaring van de straf. Het staat de bediende steeds vrij, of hij het bulletin al dan niet getekend heeft, tegen de opgelegde of voorgestelde straf op de voorgeschreven wijze bezwaren aan te voeren (zie paragraaf 104) behalve als hij voor de Raad van beroep is gekomen en de zaak in beroep daardoor werd afgehandeld. IX-8967-10/36 Wanneer een bediende, in zijn rechtvaardiging, de hem ten laste gelegde feiten loochent of feiten aanhaalt waarbij de Maatschappij betrokken is, moet die ontkenning of moeten die feiten naar behoren nagegaan worden door de onmiddellijke chef, nadat deze eventueel het advies heeft ingewonnen van de overheid die de zaak onderzocht heeft.” 9.1. De werkonderbreking waarvoor verzoeker door de bestreden beslissingen tuchtrechtelijk wordt bestraft, dateert van de periode van 25 tot 30 mei 2016. Op 30 mei 2016 heeft de algemeen directeur van de verwerende partij beslist dat de personeelsleden die deelnamen aan deze werkonderbreking als on- regelmatig afwezig moesten worden beschouwd en op 31 mei 2016 werden in een persbericht van de verwerende partij de ten aanzien van deze personeelsleden te nemen maatregelen aangekondigd. Op 6 juni 2016 is verzoeker door de verwe- rende partij erop gewezen dat er voor een aantal dagen vóór 31 mei 2016 “geen prikkingen/afwezigheid” of “een oneven aantal prikkingen” werden geregistreerd, waardoor niet kon worden nagegaan of verzoeker die dagen afwezig dan wel aanwezig was. Toen verzoeker op 6 juni 2016 vroeg welke actie hij moest on- dernemen, werd hierop diezelfde dag nog geantwoord. Op 25 augustus 2016 werd vervolgens aan verzoeker formulier P88 bezorgd met het door zijn onmiddellijke chef geformuleerde strafvoorstel. Nadat verzoeker op 8 september 2016 zijn ar- gumenten ter rechtvaardiging had ingediend, heeft verzoekers onmiddellijke chef op 12 september 2016 geadviseerd om de voorgestelde straf te behouden. Ver- volgens besliste de hiërarchische overste van verzoekers onmiddellijke chef om de straf daadwerkelijk te behouden. Op 13 september 2016 werd deze beslissing aan verzoeker genotificeerd. 9.2. Voor zover verzoeker de schending aanvoert van artikel 101 van ARPS-bundel 550 blijkt uit het voormelde chronologische overzicht dat het on- derzoek dat ten aanzien van hem werd gevoerd, een aanvang heeft genomen op 6 juni 2016, dit is enkele dagen na de laatste dag van de stakingsactie. De maat- regelen die ten aanzien van verzoeker werden genomen omwille van zijn deelname aan de stakingsactie, werden hem genotificeerd op 13 september 2016, nadat hem een strafvoorstel was bezorgd, hem bovendien de mogelijkheid was geboden om een rechtvaardiging in te dienen – wat hij ook heeft gedaan – voorts door de on- IX-8967-11/36 middellijke chef een advies over deze rechtvaardiging was verleend en de hiërar- chische overste een beslissing had genomen. Daarbij komt nog dat het onderzoek gestart is in juni, dus juist vóór de vakantieperiode, wat door verzoeker niet wordt betwist, aangezien hij in dit verband in zijn inleidend verzoekschrift zelf gewag maakt van zijn “buitenlandse reis van 5 weken […] gepland in de zomervakantie”. Al deze elementen in acht genomen, kan niet worden aangenomen dat de verwe- rende partij heeft nagelaten om de feiten snel te onderzoeken en de genomen maatregelen zo kort mogelijk op de feiten te laten volgen. Te rekenen vanaf de laatste dag van de feiten – 30 mei 2016 – tot de notificatie van de definitief ge- nomen maatregelen aan verzoeker – op 13 september 2016 – is immers slechts een periode van iets meer dan drie maanden verstreken, waarin dan nog de zomerva- kantie begrepen is. In het licht van die gegevens kan niet worden aangenomen dat de verwerende partij artikel 101 van ARPS-bundel 550 zou hebben geschonden. 9.3. Aan die conclusie wordt geen afbreuk gedaan door de omstan- digheid dat de verwerende partij van meet af aan te kennen heeft gegeven dat de deelnemers aan de stakingsactie als ongewettigd afwezig zouden worden be- schouwd en dat hen daarvoor de tuchtstraf van de strenge vermaning en de admi- nistratieve maatregel van de afhouding van 12,50 euro op de productiviteitspre- mies zouden worden opgelegd. De verwerende partij diende dan immers nog te onderzoeken of verzoeker had deelgenomen aan de stakingsactie en moest ver- volgens de in ARPS-bundel 550 voorgeschreven tuchtprocedure volgen. 9.4. Het eerste onderdeel van het eerste middel is bijgevolg onge- grond in zoverre daarin de schending van artikel 101 van ARPS-bundel 550 wordt aangevoerd. 10.1. Voor zover verzoeker in datzelfde middelonderdeel de schen- ding aanvoert van artikel 105 van ARPS-bundel 550, doordat hem bij de afgifte van formulier P88 niet zou zijn meegedeeld dat hij een rechtvaardiging kon in- dienen, moet met de verwerende partij worden vastgesteld dat verzoeker geen belang heeft bij deze grief, aangezien hij de mogelijkheid om een rechtvaardiging IX-8967-12/36 in te dienen hoe dan ook tijdig heeft benut en hij op een omstandige wijze zijn argumenten ter rechtvaardiging heeft uiteengezet. Overigens vermeldt formulier P88 zelf dat het betrokken personeelslid een rechtvaardiging kan indienen. 10.2. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, blijkt voorts uit formulier P88 dat de door verzoeker aangevoerde argumenten ter rechtvaardiging in acht werden genomen bij het opleggen van de bestreden maatregelen. In het vak “[a]dvies nopens de rechtvaardiging van betrokkene” vermeldt verzoekers on- middellijke chef immers “straf wordt behouden”. Hoewel dit vak aanvankelijk werd gedateerd op 25 augustus 2016, werd die datum geschrapt en gewijzigd in 12 september 2016, nadat verzoeker op 8 september 2016 zijn rechtvaardiging had ingediend. De onmiddellijke chef heeft bij het formuleren van zijn advies dan ook rekening kunnen houden met de door verzoeker aangevoerde argumenten. Door in het desbetreffende vak te adviseren om de voorgestelde straf te behouden, heeft hij impliciet aangegeven dat verzoekers argumenten hem niet hebben overtuigd. Eveneens blijkt uit formulier P88 dat de hiërarchische overste in het vak “[b]eslissing nopens de toe te passen straf heeft vermeld”: “Akkoord met advies o.c. Straf wordt behouden en toegepast zoals voorzien.” Hoewel in dit vak de datum van 25 augustus 2016 is vermeld, kan daaruit niet worden afgeleid dat de hiërarchische overste is voorbijgegaan aan de door verzoeker ingeroepen recht- vaardiging. Met de verwerende partij moet worden aangenomen dat die vermel- ding een materiële vergissing betreft. Uit het door de verwerende partij neerge- legde stuk 8 van het administratief dossier blijkt immers dat de hiërarchische overste nog geen beslissing had genomen op het ogenblik dat de onmiddellijke chef op 12 september 2016 zijn advies nopens de rechtvaardiging formuleerde, aangezien het vak “[b]eslissing nopens de toe te passen straf” op dat ogenblik nog niet was ingevuld. Dit betekent dat de beslissing van de hiërarchische overste pas werd genomen nadat het advies door de onmiddellijke chef was geformuleerd en ipso facto nadat verzoeker zijn rechtvaardiging had doen gelden. De hiërarchische overste heeft met verzoekers argumenten derhalve evenzeer rekening kunnen IX-8967-13/36 houden. Door te beslissen dat de straf wordt behouden, heeft ook hij impliciet aangegeven die argumenten niet bij te vallen. Verzoekers standpunt dat bij het opleggen van de bestreden maatregelen geen rekening is gehouden met de door hem ingeroepen rechtvaardi- ging, kan dan ook niet worden aangenomen. Hij maakt ook helemaal niet duidelijk welke elementen van zijn rechtvaardiging in het licht van de reeds in het tucht- voorstel vermelde motieven nog een nader onderzoek behoefden. 10.3. Het eerste onderdeel van het eerste middel kan derhalve niet worden aangenomen in zoverre daarin de schending van artikel 105 van ARPS-bundel 550 wordt aangevoerd. 11. Het eerste onderdeel van het eerste middel is, voor zover ont- vankelijk, niet gegrond.
  2. b)Tweede middelonderdeel 12. De redelijketermijneis, luidens dewelke de overheid binnen een redelijke termijn moet handelen, betreft een beginsel van behoorlijk bestuur dat in tuchtzaken inhoudt dat de tuchtprocedure binnen een redelijke termijn moet wor- den afgehandeld. Dit beginsel is van toepassing wanneer in de regelgeving geen specifieke termijn is bepaald waarbinnen de procedure haar beslag moet krijgen. Als een redelijke termijn wordt beschouwd de tijd die normaal nodig is om de zaak af te handelen. De redelijkheid van de termijn moet in concreto worden be- oordeeld, waarbij rekening moet worden gehouden, onder meer, met het belang van de zaak voor de betrokkene, met de complexiteit ervan en met de houding en het gedrag van de partijen. IX-8967-14/36 13. Vooreerst moet worden opgemerkt dat de periode die voorafgaat aan het opstarten van de tuchtprocedure, niet in aanmerking mag worden genomen bij het beoordelen van de redelijke termijn. Voorts moet worden vastgesteld, zoals reeds bij de beoordeling van het eerste middelonderdeel is uiteengezet, dat het onderzoek ten laste van verzoeker op 6 juni 2016 een aanvang heeft genomen en dat de uiteindelijk opgelegde maatregelen hem reeds op 13 september 2016 wer- den genotificeerd. Daargelaten de vraag of de tuchtprocedure in casu niet pas is aangevangen met het strafvoorstel van de onmiddellijke chef van 25 augustus 2016, moet hoe dan ook worden vastgesteld dat zelfs gerekend vanaf de eerste onderzoekshandelingen op 6 juni 2016 slechts iets meer dan drie maan- den zijn verstreken vooraleer de betwiste maatregelen definitief ten aanzien van verzoeker werden genomen. In die tijdspanne werd onderzocht of verzoeker had deelgenomen aan de stakingsactie, werd vervolgens door de onmiddellijke chef een strafvoorstel geformuleerd, waarna verzoeker een rechtvaardiging indiende, waarover de onmiddellijke chef een advies heeft verleend en waarna de hiërar- chische chef ten slotte een eindbeslissing nam. In die omstandigheden moet worden besloten dat van een schending van de redelijketermijneis geen sprake is. 14. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. 15. Het eerste middel is in genen dele gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 16. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van artikel 98 (Deel VI, Hoofdstuk X) van ARPS-bundel 548 ‘Algemeen Reglement voor de Syndicale Betrekkingen’ (hierna: ARPS-bundel 548), de formele- en de IX-8967-15/36 materiëlemotiveringsplicht, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbe- ginsel. Hij ontleent een eerste middelonderdeel aan de schending van artikel 98 (Deel VI, Hoofdstuk X) van ARPS-bundel 548. Hij betoogt dat de actie van 25 tot 30 mei 2016 voldeed aan alle voorwaarden van artikel 98.4 van ARPS-bundel 548, maar door de verwerende partij toch niet wordt erkend als een emotionele reactie op een uitzonderlijke situatie. Bovendien, zo stelt verzoeker, blijkt nergens uit het dossier dat de algemeen directeur van de verwerende partij aan de erkende organisaties zijn gemotiveerde beslissing voorafgaandelijk heeft meegedeeld. In een tweede middelonderdeel doet verzoeker gelden dat de formele- en de materiëlemotiveringsplicht zijn geschonden, evenals het vertrou- wensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij argumenteert dat uit de houding en de communicatie van de verwerende partij vóór, tijdens en na de werkonder- breking blijkt dat zij zich niet als een voorzichtig bestuur heeft gedragen. Boven- dien werd, aldus verzoeker, het rechtmatige vertrouwen dat door alle communi- catie werd gewekt, ernstig geschonden. Verzoeker licht toe dat de verwerende partij in een bericht van 25 mei 2016 zeer nadrukkelijk stelde dat de personeelsleden van Infrabel, de NMBS en HR Rail gedekt waren door de stakingsaanzegging. Ook bij de onder- handelingen die tijdens de werkonderbreking plaatsvonden tussen de directie en de vakbonden, werd de legitimiteit van de actie niet in vraag gesteld door de verwe- rende partij. Pas op 30 mei 2016 deelde de verwerende partij haar intentie mee om de actie niet te erkennen en de deelnemers tuchtrechtelijk en administratief te zullen bestraffen. Ondanks deze mededeling ontving verzoeker op 6 juni 2016 op zijn vraag welke acties hij moest ondernemen – nadat hij het bericht had gekregen dat er voor een aantal dagen vόόr 31 mei 2016 “geen prikkingen/afwezigheid” of “een oneven aantal prikkingen” werden geregistreerd en hij dit diende te regula- riseren – een antwoord waarin de mogelijkheid werd geopperd om voor zijn dagen IX-8967-16/36 afwezigheid “verlof” in te geven. Door de deelnemers aan de niet-legitiem geachte werkonderbreking de mogelijkheid te geven hun deelname aan deze actie post factum te wijzigen in vakantie, blijkt volgens verzoeker dat de verwerende partij niet elke deelnemer aan de actie wilde straffen, maar enkel diegenen die deze dagen niet hebben omgezet in vakantiedagen. Omdat hij echter een buitenlandse reis van vijf weken had gepland, kon hij geen vakantie meer ingeven. Hij besluit dat de verwerende partij met haar communicatie van vóór en na de afloop van de actie bij hem de indruk heeft gewekt dat de feiten onvoldoende zwaarwichtig zouden zijn om tuchtrechtelijk te worden bestraft. Zonder rekening te houden met die communicatie en de door hem ingeroepen rechtvaardiging is de verwerende partij overgegaan tot het nemen van de bestreden beslissingen, zo betoogt ver- zoeker. 17. Op het standpunt van de verwerende partij dat het middel on- ontvankelijk is, omdat de beslissing om de werkonderbreking niet als een legitieme werkonderbreking te erkennen niet het voorwerp van de huidige procedure uit- maakt, repliceert verzoeker in zijn memorie van wederantwoord dat die beoorde- ling een onderdeel uitmaakt van de beslissing van 25 augustus 2016 waarin uit- drukkelijk wordt vermeld dat het om een niet-legitieme werkonderbreking gaat. Voor zover de verwerende partij verwijst naar de brief van haar algemeen directeur aan de voorzitter van de ACOD van 30 mei 2016, merkt ver- zoeker op dat die brief nooit aan hem werd meegedeeld en pas na afloop van de actie werd verzonden. Daarbij komt dat de verwerende partij voorafgaand aan die actie een algemeen bericht uitstuurde dat alle personeelsleden gedekt waren voor de actie. Voorts herhaalt verzoeker zijn stelling dat de actie voldeed aan de vijf in artikel 98.4 van ARPS-bundel 548 vermelde voorwaarden en hij legt nu ook omstandig uit waarom dit volgens hem het geval is. IX-8967-17/36 Met betrekking tot het tweede middelonderdeel argumenteert verzoeker nog dat indien de verwerende partij van meet af aan de mening was toegedaan dat het om een niet-legitieme actie ging, zij dit reeds kort na de aanvang van de actie had kunnen meedelen. De verwerende partij heeft dit evenwel niet gedaan, maar heeft ervoor gekozen om het einde van de actie af te wachten om dan mee te delen dat zij de actie niet erkende en alle deelnemers zou bestraffen. Vol- gens verzoeker heeft de verwerende partij met haar berichten op de vooravond van de actie en haar houding tijdens de duur ervan bij hem het rechtmatige vertrouwen gecreëerd dat het om een legitieme actie ging. Door na afloop van de actie een- zijdig daarop terug te keren komen, heeft de verwerende partij het op haar rustende vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. 18. In zijn laatste memorie stelt verzoeker met betrekking tot het eerste middelonderdeel dat zijn uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift de verwerende partij toeliet om omstandig een standpunt in te nemen over de vraag of de werkonderbreking al dan niet voldeed aan de vijf in artikel 98.4 van ARPS-bundel 548 vermelde voorwaarden, zodat dan ook moet worden aangeno- men dat die uiteenzetting voldoende was en niet tot de onontvankelijkheid van zijn argumentatie kan worden besloten. Voorts argumenteert verzoeker nog dat uit artikel 98 van ARPS-bundel 548 niet mag worden afgeleid dat de algemeen directeur die een werkonderbreking als niet-legitiem beschouwt, dit slechts ter kennis moet brengen van de erkende organisaties voorafgaandelijk aan het moment waarop de afwe- zigheid als onregelmatig wordt beschouwd. Door te aanvaarden dat de kennisge- ving niet voorafgaandelijk aan de actie zelf moet gebeuren, wordt volgens ver- zoeker de deur opengezet voor willekeur. Hij stelt dat een zorgvuldig bestuur tijdens de duur van de actie zelf klare taal dient te spreken en een standpunt dient in te nemen over de legitimiteit van de actie. Dit geldt des te meer wanneer het be- stuur zijn personeelsleden tuchtsancties en andere maatregelen oplegt wegens hun deelname aan de actie die het als niet-legitiem beschouwt. De betrokken perso- neelsleden moeten aldus de gevolgen van hun daden correct kunnen inschatten. IX-8967-18/36 Verzoeker benadrukt dat de verwerende partij niet helder communiceerde over de betrokken actie en bij de aanvang en tijdens de duur ervan geen standpunt heeft ingenomen over de legitimiteit ervan. In een bericht van 25 mei 2016 werd zelfs gesteld dat de personeelsleden door de stakingsaanzegging waren gedekt. Hoewel dit bericht uitging van BeNeRail, kan de verwerende partij niet beweren dat dit bericht geen betrekking had op haar. BeNeRail is immers een joint venture tussen de NMBS en de Nederlandse Spoorwegen en behoort tot de- zelfde groep als de verwerende partij. Bij BeNeRail zijn ook personeelsleden van de verwerende partij werkzaam. Zij kan dan ook niet staande houden dat zij geen aandeel heeft in deze communicatie. Voorts ontving verzoeker ook van zijn vak- organisatie een e-mailbericht waarin hem werd bevestigd dat de werkonderbreking was gedekt. Pas met een persbericht van 30 mei 2016 – op het einde van de actie en dus laattijdig – heeft de verwerende partij erop gewezen dat deelname aan de actie zou worden bestraft. Verzoeker acht het opmerkelijk dat hij tijdens de dagen van zijn afwezigheid nooit enige reactie, laat staan een ingebrekestelling vanwege zijn oversten heeft ontvangen. Deze houding kan volgens verzoeker alleen maar wor- den verklaard door het feit dat alle personeelsleden, met inbegrip van zijn oversten, in de overtuiging waren dat de actie legitiem was en dus als een staking kon worden beschouwd. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel argumenteert verzoeker nog dat de tweede bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd, omdat ze niet antwoordt op de door hem aangevoerde argumenten ter rechtvaar- diging. Voorts herhaalt hij dat de houding van de verwerende partij in strijd is met het vertrouwens- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij benadrukt dat in het bericht van 25 mei 2016 uitdrukkelijk werd gesteld dat alle personeelsleden die deelnamen aan de actie, gedekt waren door de stakingsaanzegging. Dat dit bericht uitging van BeNeRail en niet van de verwerende partij zelf doet volgens verzoeker, zoals gezegd, geen afbreuk daaraan. Hij wijst er ook nogmaals op dat de verwe- rende partij bij de aanvang van de actie geen communicatie over de legitimiteit IX-8967-19/36 ervan heeft gevoerd, dat zij hem met een e-mailbericht van 6 juni 2016 heeft ge- meld dat geen tuchtsanctie zou worden opgelegd indien hij vakantie zou ingeven voor de duur van de actie, dat tijdens de actie geen enkel bericht werd meegedeeld waaruit kon worden afgeleid dat ze als niet-legitiem zou worden beschouwd en dat de verwerende partij pas op het einde van de actie heeft meegedeeld dat zij de actie niet erkende en de deelnemers zou bestraffen. Beoordeling
  3. a)Ontvankelijkheid van het middel 19. De ten aanzien van verzoeker genomen maatregelen zijn in de bestreden beslissingen gemotiveerd met verwijzing naar verzoekers deelname aan de niet-legitieme werkonderbreking in de periode van 25 tot 30 mei 2016. Hieruit volgt dat het oordeel van de verwerende partij dat de desbetreffende werkonder- breking niet legitiem is, een determinerend motief van de bestreden beslissingen uitmaakt. Verzoeker vermag de rechtmatigheid van dat motief te betwisten in zijn annulatieberoep tegen de maatregelen die erop zijn gesteund. De verwerende partij doet dan ook ten onrechte gelden dat het voormelde oordeel “niet het voorwerp van de huidige procedure uitmaakt”. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onont- vankelijkheid van het middel wordt verworpen.
  4. b)Eerste middelonderdeel 20. Artikel 98.4 van ARPS-bundel 548 luidt: “Het aanvaarden van sociale acties Na raadpleging van de HR-verantwoordelijke van de betrokken enti- teit(en), kan de algemeen directeur HR Rail, een sociale actie aanvaarden als het een emotionele reactie is op een uitzonderlijke situatie en mits zij tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden beantwoordt: - zij heeft betrekking op onvoorziene of niet te voorziene omstandigheden, te beschouwen als overmacht; IX-8967-20/36 - zij blijft beperkt in duur; - zij blijft beperkt tot de rechtstreeks betrokken personeelsleden; - een dialoog met de vertegenwoordigers van de erkende organisaties werd nog niet aangevat; - de veiligheid van het personeel of de reizigers komt niet in het gedrang. Elke werkonderbreking in het kader van een sociale actie die niet voldoet aan de voorwaarden van aanzegging en overleg of die niet door de algemeen directeur HR Rail in toepassing van bovenstaande bepalingen ten uitzonderlijke titel wordt aanvaard, zal beschouwd worden als een onregelmatige afwezigheid. De gemotiveerde beslissing dienaangaande zal voorafgaandelijk aan de erkende organisaties ter informatie worden medegedeeld.” Uit het tweede lid van artikel 98.4 volgt dat een werkonderbre- king in het kader van een sociale actie wordt beschouwd als een onregelmatige afwezigheid indien de sociale actie niet voldoet aan de voorwaarden van aanzeg- ging en overleg en niet wordt aanvaard door de algemeen directeur van de ver- werende partij overeenkomstig het eerste lid van artikel 98.4. 21. Verzoeker betwist in zijn uiteenzetting van het eerste middel- onderdeel niet dat in casu voor de sociale actie, en dus ook voor zijn werkonder- breking, niet is voldaan aan de voorwaarden van aanzegging en overleg. Hij betwist wel de niet-aanvaarding van de sociale actie als een emotionele reactie op een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 98.4, eerste lid, van ARPS-bundel 548. Hij stelt in dit verband dat aan alle voorwaarden die in die bepaling zijn vermeld, is voldaan. Er moet echter worden vastgesteld dat verzoeker zich in zijn inleidend verzoekschrift beperkt tot de loutere bewering dat aan de vijf in arti- kel 98.4, eerste lid, bepaalde voorwaarden is voldaan, zonder ook maar enigszins te verduidelijken waarom dat volgens hem het geval is. Met een dergelijke loutere bewering toont verzoeker niet aan dat daadwerkelijk aan deze voorwaarden is voldaan en dat de sociale actie en de daaruit voortvloeiende werkonderbreking van 25 tot 30 mei 2016 door de algemeen directeur van de verwerende partij wél hadden moeten worden aanvaard als een emotionele reactie op een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 98.4, eerste lid, van ARPS-bundel 548. IX-8967-21/36 Dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord vervolgens uiteenzet waarom er volgens hem aan deze voorwaarden is voldaan, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat hij dit in zijn inleidend verzoekschrift heeft nage- laten, hoewel hij op dat moment reeds de mogelijkheid daartoe had. Het is immers niet omdat hij van de beoordeling door de verwerende partij van elk van die voorwaarden niet op de hoogte zou zijn geweest en hij hiervan slechts aan de hand van de door de verwerende partij ingediende memorie van antwoord kennis zou hebben genomen, dat hij over het al dan niet vervuld zijn van de vijf in artikel 98.4, eerste lid, bepaalde voorwaarden zelf geen standpunt zou hebben kunnen innemen in zijn verzoekschrift. Het voorgaande noopt tot het besluit dat verzoeker wat deze grief betreft in zijn verzoekschrift weliswaar uiteenzet welke rechtsregel hij ge- schonden acht, maar nalaat precies uiteen te zetten waarom hij die rechtsregel geschonden acht. Zijn kritiek dat de actie van 25 tot 30 mei 2016 aan alle voor- waarden van artikel 98.4 van ARPS-bundel 548 voldeed, maar door de verwerende partij ten onrechte niet werd erkend als een emotionele reactie op een uitzonder- lijke situatie, is bijgevolg onontvankelijk. 22.1. Voor zover verzoeker voorts in vraag stelt dat de algemeen directeur zijn gemotiveerde beslissing voorafgaandelijk aan de erkende organisa- ties heeft meegedeeld, lijkt hij ervan uit te gaan dat de “gemotiveerde beslissing” waarvan sprake in artikel 98.4, derde lid, van ARPS-bundel 548 betrekking heeft op de beslissing omtrent het niet erkennen van de betrokken sociale actie als een emotionele reactie op een uitzonderlijke situatie. Verzoeker gaat daarbij echter uit van een verkeerde lezing van het voormelde artikel 98.4. Uit de lezing van het tweede en het derde lid van dit artikel in hun onderlinge samenhang blijkt immers dat “[d]e gemotiveerde beslissing dienaangaande” bedoeld in het derde lid, be- trekking heeft op de beslissing vermeld in het tweede lid om een werkonderbreking in het kader van een sociale actie al dan niet als een onregelmatige afwezigheid te IX-8967-22/36 beschouwen en niét op de beslissing om een sociale actie al dan niet als een emo- tionele reactie op een uitzonderlijke situatie te aanvaarden. Die laatstgenoemde beslissing kan uit haar aard immers doorgaans niet anders dan a posteriori worden genomen. 22.2. Krachtens artikel 98.4, derde lid, van ARPS-bundel 548 moet “[d]e gemotiveerde beslissing”, waarvan sprake, voorafgaandelijk worden mee- gedeeld aan de erkende organisaties. In dit geval blijkt niet dat de verwerende partij dit niet zou hebben gedaan. Immers, op 30 mei 2016 heeft de algemeen directeur van de verwerende partij beslist dat de personeelsleden die deelnamen aan de desbetreffende werkonderbreking als onregelmatig afwezig moeten worden beschouwd en op 31 mei 2016 werden in een persbericht uitgaande van de ver- werende partij de maatregelen aangekondigd die ten aanzien van deze perso- neelsleden zouden worden genomen. Pas nadien werd ten aanzien van de indivi- duele personeelsleden nagegaan of zij al dan niet hadden deelgenomen aan de onregelmatige werkonderbreking en werden op grond van de bevindingen aan de betrokkenen, zoals aan verzoeker, effectief maatregelen opgelegd, zoals aange- kondigd in het persbericht van 31 mei 2016. 22.3. Verzoeker toont derhalve niet aan dat de verwerende partij ar- tikel 98.4 van ARPS-bundel 548 heeft miskend. 23. Voor zover verzoeker doet gelden dat de verwerende partij voorafgaand aan de sociale actie een algemeen bericht heeft verzonden, luidens hetwelk alle personeelsleden gedekt waren voor de actie, moet worden opgemerkt dat het bedoelde bericht niet is uitgegaan van de verwerende partij, maar van BeNeRail. Uit de stukken gevoegd bij het inleidend verzoekschrift en uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij zelf niet in die zin heeft gecommuniceerd, maar er steeds op heeft gewezen dat het ging om een onaangekondigde, spontane actie. Bovendien betreft het document waarnaar ver- zoeker verwijst slechts een eenmalig bericht in die zin, dat wordt tegengesproken IX-8967-23/36 door meerdere andere berichten die de verwerende partij zelf over de desbetref- fende actie heeft verzonden. 24. Het eerste onderdeel van het tweede middel is, voor zover ont- vankelijk, niet gegrond.
  5. c)Tweede middelonderdeel 25.1. Wat de aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht betreft, moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissingen de overwegingen vermelden waarop ze zijn gesteund. De onmiddellijke chef heeft het vak ‘redenen van de voorgestelde straf’ ingevuld op formulier P88 en daaraan heeft hij nog een bijlage 1 toegevoegd met een uitvoerige motivering van de genomen maatregelen. Die redenen zijn aangehouden in het advies van de onmiddellijke chef over ver- zoekers rechtvaardiging en in de beslissing van de hiërarchische overste. De be- streden beslissingen zijn aldus afdoende formeel gemotiveerd. Verzoeker kende overigens de motieven van de bestreden beslissingen, aangezien hij er kritiek op levert. 25.2. In zijn laatste memorie voert verzoeker nog aan dat de forme- lemotiveringsplicht is geschonden doordat de tweede bestreden beslissing geen antwoord verstrekt op zijn argumenten ter rechtvaardiging. Verzoeker kon deze grief reeds hebben aangevoerd in zijn inleidend verzoekschrift. Voor het eerst aangevoerd in de laatste memorie is ze laattijdig en bijgevolg onontvankelijk. 25.3. Het tweede onderdeel van het tweede middel wordt verworpen in de mate dat het de schending van de formelemotiveringsplicht aanvoert. 26.1. Voor zover verzoeker betoogt dat uit de communicatie en de houding van de verwerende partij vóór, tijdens en na de actie kan worden afgeleid dat zij de actie als legitiem beschouwde, zodat het motief dat hij heeft deelgeno- men aan een niet-legitieme werkonderbreking niet deugdelijk is, en dat de ver- IX-8967-24/36 werende partij door hem met de bestreden maatregelen te bestraffen het vertrou- wens- en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft miskend, moet worden gewezen op hetgeen volgt. 26.2. Bij de beoordeling van het eerste middelonderdeel is reeds uit- eengezet dat uit de stukken van het dossier blijkt dat de verwerende partij er in haar communicatie steeds op heeft gewezen dat het ging om een onaangekondigde en spontane actie en dat zij op geen enkel moment heeft laten blijken dat de actie een legitiem karakter zou hebben. Weliswaar wordt er in een bericht van 25 mei 2016 gesteld dat het personeel gedekt is voor de staking, maar zoals hiervóór sub 23 is vermeld, is dit geen document dat uitgaat van de verwerende partij en wordt het tegengesproken door meerdere andere berichten die de verwerende partij zelf met betrekking tot de actie heeft verspreid. Ook uit het e-mailverkeer van 6 juni 2016 kan niet worden afgeleid dat de verwerende partij de legitimiteit van de werkon- derbreking niet in vraag zou hebben gesteld. Het eerste e-mailbericht van 6 juni 2016 is een standaardmail van de personeelsdienst van de verwerende partij gericht aan de “medewerker”, waarin wordt vastgesteld dat voor een aantal dagen vóór 31 mei 2016 “geen prikkingen/afwezigheid” of een “oneven aantal prikkin- gen” werden geregistreerd en daarom wordt gevraagd om de nodige correcties te doen. Op verzoekers vraag per e-mail om meer uitleg hierover, heeft de perso- neelsdienst geantwoord welke dagen precies onder de kwalificatie ‘niet aanwezig’ vallen, wat voor die dagen wel of niet mag worden ingegeven – ‘verlof’ versus ‘staking’ – en wat er zou gebeuren indien er voor die dagen niets zou worden aangevraagd. Het enige wat daarmee aan verzoeker werd gevraagd, bestond erin aan te geven wat die dagen zijn toestand was. Er kan geenszins worden uit afgeleid dat de verwerende partij van oordeel was dat de werkonderbreking legitiem was of dat zij de deelname aan de werkonderbreking niet zou bestraffen. 26.3. De verwerende partij blijkt aldus een coherente houding te hebben aangenomen omtrent de acties van 25 tot 30 mei 2016 en zij heeft steeds in eenzelfde zin daarover gecommuniceerd. Haar kan dan ook niet worden verweten IX-8967-25/36 onzorgvuldig te hebben gehandeld door in de bestreden beslissingen te stellen dat het ging om een niet-legitieme werkonderbreking. 26.4. De verwerende partij heeft aldus ook niet de verwachting ge- creëerd dat zij de werkonderbreking als een legitieme actie zou beschouwen. Voor zover verzoeker die verwachting zou hebben gehad, heeft ze geen deugdelijke grondslag. 26.5. Verzoeker maakt de door hem in het middelonderdeel aange- voerde schending van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel dan ook niet aannemelijk. 27. Het tweede onderdeel van het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. 28. Het tweede middel is in genen dele gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 29. Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van ar- tikel 22 (Hoofdstuk III) van ARPS-bundel 550, artikel 4 (Deel VI, Hoofdstuk X) van ARPS-bundel 548, de formele- en de materiëlemotiveringsplicht, het ver- trouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. In een eerste middelonderdeel, geput uit de schending van arti- kel 22 (Hoofdstuk III) van ARPS-bundel 550 en artikel 4 (Deel VI, Hoofdstuk X) van ARPS-bundel 548, doet verzoeker gelden dat overeenkomstig de eerstge- noemde bepaling een strenge vermaning kan worden opgelegd bij herhaalde on- gerechtvaardigde afwezigheid. Aangezien uit de bestreden beslissingen geenszins blijkt dat verzoeker in het verleden ongerechtvaardigd afwezig was, moet worden IX-8967-26/36 vastgesteld dat er geen herhaalde ongewettigde afwezigheden worden aangetoond en er dus geen strenge vermaning kon worden opgelegd. In een tweede middelonderdeel, geput uit de schending van de materiële- en de formelemotiveringsplicht, doet verzoeker gelden dat de motive- ring van de bestreden beslissingen niet correct is. Hij ontwikkelt de volgende argumenten: - de stelling dat de werkonderbreking niet legitiem was, strookt niet met de realiteit en de houding van de verwerende partij gedurende de werkonderbreking. In een bericht van 25 mei 2016 stelde de verwerende partij nog dat de personeelsleden gedekt zijn door de stakingsaanzegging. Ook tijdens de onderhandelingen in de loop van de actie heeft de verwerende partij de legitimiteit van de actie niet in vraag gesteld. Pas op het einde van de actie deelde de verwerende partij haar in- tentie mee om de actie niet te erkennen en de deelnemers tuchtrechtelijk en admi- nistratief te zullen bestraffen. Niettemin werd verzoeker nadien nog de mogelijk- heid geboden om zijn afwezigheid gedurende de actie te regulariseren door het opnemen van vakantiedagen. - ten onrechte beweert de verwerende partij dat geen enkel sociaal overleg kon worden georganiseerd, aangezien er quasi onmiddellijk nadat de werkonderbre- king een aanvang had genomen opnieuw onderhandelingen tussen de verschillende directies en de vakorganisaties werden opgestart. - de verwerende partij staaft op geen enkele manier dat verzoeker treinvertragingen zou hebben veroorzaakt. Als opsteller is verzoeker belast met administratieve taken en zijn deelname aan de staking heeft dan ook geen invloed gehad op de dienstverlening. - voor zover de verwerende partij stelt dat verzoekers deelname aan de werkon- derbreking een intentionele fout is die overeenkomstig artikel 1 van ARPS-bundel 550 een verzwarende omstandigheid uitmaakt, moet worden vast- gesteld dat artikel 1 niet voorziet in verzwarende omstandigheden. In een derde middelonderdeel, geput uit de schending van het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel, argumenteert verzoeker dat de IX-8967-27/36 verwerende partij zowel tijdens de duur van de werkonderbreking als na de afloop ervan heeft meegedeeld dat het om een legitieme actie ging en zij in juni 2016 de deelnemers de mogelijkheid heeft geboden om hun “prikkingen” voor die dagen om te zetten in vakantiedagen. Volgens verzoeker vormt een dergelijke houding een manifeste inbreuk op het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel, aan- gezien van een zorgvuldig bestuur mag worden verwacht dat het op een correcte en coherente wijze communiceert tegenover zijn personeel en geen verwachtingen creëert waar het later eenzijdig en arbitrair op terugkomt. 30. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat de verwerende partij in tempore non suspecto ondubbelzinnig heeft aangegeven dat zij de actie erkende en als legitiem beschouwde, dat er tijdens het sociaal overleg geen berichten aangaande de legitimiteit van de actie werden meegedeeld en dat de verwerende partij pas op het einde van de actie meedeelde dat deze als niet-legitiem werd beschouwd. Volgens verzoeker blijkt daaruit dat de hem op- gelegde maatregelen zijn ingegeven door andere motieven dan diegene die in de bestreden beslissingen worden vermeld. Dat blijkt, aldus verzoeker, ook uit het feit dat de verwerende partij hem de mogelijkheid bood om voor de periode van 25 tot 30 mei 2016 zijn “prikkingen” post factum te corrigeren. Verzoeker wijst er voorts op dat de verwerende partij geen antwoord heeft gegeven op de door hem inge- roepen rechtvaardiging en dat de hiërarchische overste reeds een beslissing had genomen vooraleer hij zijn verweer had doen gelden. Beoordeling
  6. a)Eerste middelonderdeel 31. Voor zover verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift de schending aanvoert van artikel 4 van Hoofdstuk X van Deel VI van ARPS-bundel 548, merkt hij in zijn laatste memorie zelf op dat geen dergelijk artikel in ARPS-bundel 548 is opgenomen, maar dat hij doelt op punt 4 van Hoofdstuk X van Deel VI van dat bundel. IX-8967-28/36 Hoe dan ook moet met de verwerende partij worden vastgesteld dat verzoeker op geen enkele wijze toelicht waarom hij die bepaling geschonden acht. In de mate dat verzoeker de schending van de beoogde bepaling aanvoert, is het middelonderdeel bijgevolg onontvankelijk. 32. Artikel 22 (Hoofdstuk III) van ARPS-bundel 550 luidt: “De strenge vermaning wordt opgelegd voor tamelijk zware fouten zoals: - herhaalde onregelmatigheden bij het houden van de schrifturen, zonder dat er evenwel bedrieglijk inzicht bestaat; - reglementsovertredingen die de goede gang van de dienst of de belangen van de Maatschappij schaden en waarvoor er geen andere tuchtstraf is voorgeschreven; - herhaalde inbreuk op de diensturen of herhaalde ongerechtvaardigde af- wezigheid.” De voormelde bepaling vermeldt slechts bij wijze van voorbeeld enkele gevallen van “tamelijk zware fouten” waarvoor de strenge vermaning als tuchtsanctie kan worden opgelegd. Uit niets blijkt dat de voornoemde tuchtstraf ook niet voor andere tekortkomingen aan de beroepsplichten zou kunnen worden opgelegd. Het valt dan ook niet in te zien dat aan verzoeker met toepassing van artikel 22 van ARPS-bundel 550 niet de tuchtstraf van de strenge vermaning kon worden opgelegd op grond van zijn deelname aan een niet-legitieme werk- onderbreking. 33. Het eerste onderdeel van het derde middel is, voor zover ont- vankelijk, niet gegrond. IX-8967-29/36
  7. b)Tweede middelonderdeel 34.1. Voor zover verzoeker de schending aanvoert van de formele- motiveringsplicht kan worden verwezen naar de beoordeling van het tweede on- derdeel van het tweede middel waarbij reeds is vastgesteld dat de bestreden be- slissingen daadwerkelijk de overwegingen vermelden waarop ze zijn gesteund – aangezien fomulier P88 de redenen van de straf vermeldt en aan dit fomulier een bijlage 1 werd toegevoegd met een uitvoerige motivering van de genomen maat- regelen – en dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissingen kent, aan- gezien hij er kritiek op levert. 34.2. In zijn memorie van wederantwoord voert verzoeker andermaal aan dat de formelemotiveringsplicht is geschonden doordat niet op zijn recht- vaardiging is geantwoord. Verzoeker kon deze grief reeds hebben aangevoerd in zijn inleidend verzoekschrift. Voor het eerst aangevoerd in de memorie van we- derantwoord is deze kritiek laattijdig en bijgevolg onontvankelijk. 34.3. Het tweede onderdeel van het middel wordt verworpen in de mate dat daarin de schending van de formelemotiveringsplicht wordt aangevoerd. 35.1. Voor zover verzoeker aanvoert dat het motief volgens hetwelk de werkonderbreking niet legitiem was, niet strookt met de realiteit en de houding van de verwerende partij gedurende de werkonderbreking, volstaat een verwijzing naar de beoordeling van het eerste en het tweede onderdeel van het tweede middel waarbij is vastgesteld dat uit de stukken van het dossier blijkt dat de verwerende partij er in haar communicatie steeds op heeft gewezen dat het ging om een on- aangekondigde en spontane actie en dat zij op geen enkel moment heeft laten blijken dat de actie een legitiem karakter had. Verzoekers kritiek op het motief inzake het niet-legitiem ka- rakter van de actie kan dan ook niet worden bijgevallen. IX-8967-30/36 35.2. Voor zover verzoeker stelt dat de verwerende partij ten onrechte beweert dat geen enkel sociaal overleg kon worden georganiseerd, moet worden opgemerkt dat verzoeker de bedoelde zinsnede volledig uit haar context haalt. Die zinsnede maakt namelijk deel uit van de volgende overwegingen die de motivering van de bestreden beslissingen betreffen: “Gelet op paragraaf 98, 4., van het ARPS Bundel 548 die voorziet dat elke werkonderbreking in het kader van een sociale actie die niet voldoet aan de voorwaarden van aanzegging en overleg zoals opgenomen in de voormelde reglementering, of die niet werd aanvaard door de algemene directeur HR Rail als een emotionele reactie op een uitzonderlijke situatie, zal worden beschouwd als een ongewettigde afwezigheid; Overwegende dat geen enkele stakingsaanzegging werd ingediend, en dat derhalve geen enkel sociaal overleg kon worden georganiseerd; Overwegende dat de algemene directeur HR Rail deze sociale actie niet heeft aanvaard als een emotionele reactie op een uitzonderlijke situatie; Overwe- gende dat de werkonderbreking niet voldoet aan de voorwaarden die zijn op- genomen in paragraaf 98 van het ARPS Bundel 548, waaraan moet worden voldaan om van een legitieme werkonderbreking te kunnen spreken.” Uit deze overwegingen blijkt dat de zinsnede dat “geen enkel sociaal overleg kon worden georganiseerd” refereert aan de vermelde mogelijk- heid om een werkonderbreking als een onregelmatige afwezigheid te beschouwen indien de werkonderbreking een sociale actie betreft waarbij niet is voldaan aan de voorwaarden van aanzegging en overleg of die niet werd aanvaard als een emo- tionele reactie op een uitzonderlijke situatie. Verzoeker betwist niet dat geen re- gelmatige stakingsaanzegging werd ingediend, wat tot gevolg had dat er geen sociaal overleg kon worden georganiseerd volgens de daartoe geëigende procedure in het geval van een regelmatige stakingsaanzegging. Een juiste lezing van de zinsnede dat “geen enkel sociaal overleg kon worden georganiseerd” laat dan ook niet toe het motief waarvan deze zinsnede deel uitmaakt, als ondeugdelijk te be- stempelen. 35.3. Voor zover verzoeker de overweging in verband met de gevol- gen van de werkonderbreking op het treinverkeer in vraag stelt wat hem persoon- lijk betreft, kan het standpunt van de verwerende partij worden bijgevallen dat het geheel van deelnemers – onder wie dus ook verzoeker – bijdragen tot de gevolgen IX-8967-31/36 van de werkonderbreking. Verzoeker betwist niet dat de niet-legitieme werkon- derbreking waaraan hij heeft deelgenomen, ernstige gevolgen heeft gehad voor de dienstverlening. Door zijn deelname aan de werkonderbreking heeft verzoeker daarin zijn aandeel gehad. 35.4. In de mate dat verzoeker de overweging bekritiseert waarin zijn deelname aan de werkonderbreking als een intentionele fout wordt beschouwd, moet worden vastgesteld dat de verwerende partij in de motivering van de be- streden beslissingen uitdrukkelijk heeft aangegeven dat dit een motief “ten over- vloede” betreft. Verzoekers kritiek op een dergelijk overtollig motief kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen leiden. 35.5. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker niet aantoont dat de motivering van de bestreden beslissingen niet correct is. Het middelonderdeel is derhalve niet gegrond in de mate dat daarin de schending van de materiëlemoti- veringsplicht wordt aangevoerd. 36. Het tweede onderdeel van het derde middel is, voor zover ont- vankelijk, niet gegrond.
  8. c)Derde middelonderdeel 37. Verzoeker heeft wezenlijk dezelfde kritiek reeds aangevoerd in het tweede onderdeel van het tweede middel. Bij de beoordeling van dat middel- onderdeel is vastgesteld dat verzoekers argumentatie niet kan worden bijgevallen. 38. Het derde onderdeel van het derde middel is niet gegrond. 39. Het derde middel is in genen dele gegrond. IX-8967-32/36 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 40. In een vierde middel voert verzoeker machtsafwending aan. Hij licht toe dat de verwerende partij begin juni 2016 de deelnemers aan de niet legi- tiem geachte werkonderbreking de mogelijkheid heeft gegeven om de dagen die in het systeem waren ingegeven als ‘niet erkende staking’ om te zetten in vakantie- dagen en op die manier te ontsnappen aan een tuchtsanctie. Daaruit dient volgens verzoeker te worden afgeleid dat het niet de bedoeling van de verwerende partij was om de deelnemers aan de werkonderbreking te bestraffen, maar wel om die- genen die weigerden op dat voorstel in te gaan, te bestraffen en te intimideren omdat zij gebruik hadden gemaakt van hun recht om collectieve collectief actie te voeren. Op die manier trachtte de verwerende partij, aldus verzoeker, haar werk- nemers te ontraden in de toekomst nog deel te nemen aan werkonderbrekingen en gebruik te maken van het recht op collectieve actie. Verzoeker stelt dat een der- gelijke handelwijze een ongeoorloofde inbreuk vormt op het recht op collectieve actie zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 6.4 van het Herziene Europees Sociaal Handvest. De verwerende partij tracht dit recht op een intimiderende en ongerechtvaardigde wijze in te perken. 41. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat de verwerende partij hem heeft voorgesteld om ongewettigde afwezigheden om te zetten in verlof. Op 6 juni 2016 ontving hij een weliswaar algemeen bericht dat er een probleem was met zijn “prikkingen” en dat hij dit diende te corrigeren. Uit het antwoord van de personeelsdienst op zijn daaropvolgende vraag om toelichting, kan volgens verzoeker worden afgeleid dat de medewerker van de personeelsdienst zeer goed op de hoogte was van zijn situatie. Zij gaf zeer uitdrukkelijk aan dat hij geen staking kon registreren, maar wel verlof. Hieruit blijkt, aldus verzoeker, dat de verwerende partij alles in het werk stelde om het recht op collectieve actie in te perken. Door in dezelfde e-mail de mogelijkheid aan te bieden tot het omzetten van ongewettigde afwezigheden in verlof en verzoeker er tevens op te wijzen dat hij IX-8967-33/36 zou worden bestraft indien hij deze dagen niet omzette, maakte de verwerende partij zich tevens schuldig aan intimidatie. Een dergelijke handelwijze vormt een ernstige inbreuk op artikel 38 van het Herziene Europees Sociaal Handvest. 42. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker nog dat de mede- werker van de personeelsdienst ervan op de hoogte was dat hij tijdens de periode van 25 tot 31 mei 2016 de code 65 AS (staking) had geregistreerd. In het e-mailbericht van 6 juni 2016 werd duidelijk gesteld dat indien verzoeker zijn “prikkingen” niet zou wijzigen, hij automatisch als onwettig afwezig zou worden beschouwd en een strenge vermaning zou worden opgesteld. Dat e-mailbericht kan dan ook bezwaarlijk als een standaardbericht worden beschouwd. Er werd hem nog de mogelijkheid gegeven om voor die dagen vakantie in te geven. Toen hij die mogelijkheid echter niet benutte, werd hem op 25 augustus 2016 een formulier P88 overhandigd waaruit al bleek dat de hiërarchische overste de sanctie zou bevesti- gen. Door deze handelwijze werd verzoeker door de verwerende partij geïntimi- deerd en ontmoedigd om in de toekomst nog deel te nemen aan dergelijke acties. Beoordeling 43. Er kan slechts sprake zijn van machtsafwending wanneer een bestuursorgaan de bevoegdheid die hem door de wet is verleend met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dit ongeoorloofde oogmerk het enige doel is van de betrokken bestuurshandeling. Het uitsluitend nastreven van het ongeoorloofde oogmerk dient te worden aangetoond met voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens. 44.1. Verzoeker steunt zijn argumentatie dat de verwerende partij met de bestreden beslissingen enkel de bedoeling zou hebben gehad het recht op col- lectieve actie in te perken, op de stelling dat de verwerende partij de deelnemers aan de bewuste werkonderbreking de mogelijkheid heeft gegeven om ervoor te opteren hun afwezigheid tijdens de werkonderbreking om te zetten in vakantie- IX-8967-34/36 dagen en enkel diegenen heeft bestraft die van deze mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt. Volgens verzoeker blijkt dit uit het e-mailverkeer van 6 juni 2016. 44.2. Verzoeker kan daarin niet worden bijgevallen. Zoals hiervóór sub 26.2 reeds werd uiteengezet, was het eerste e-mailbericht van 6 juni 2016 een standaardmail van de personeelsdienst van de verwerende partij gericht aan de “medewerker”, waarin wordt vastgesteld dat voor een aantal dagen vóór 31 mei 2016 “geen prikkingen/afwezigheid” of een “oneven aantal prikkingen” werden geregistreerd en daarom werd gevraagd om de nodige correcties te doen. Op verzoekers vraag per e-mail om meer uitleg hierover, heeft de personeelsdienst geantwoord welke dagen precies onder de kwalificatie ‘niet aanwezig’ vielen, wat voor die dagen wel of niet mocht worden ingegeven – ‘verlof’ versus ‘staking’ – en wat er zou gebeuren indien er voor die dagen niets werd aangevraagd. Het enige wat daarmee aan verzoeker werd gevraagd, bestond erin aan te geven wat die dagen zijn toestand was. Het valt niet in te zien hoe deze handelwijze van de verwerende partij tot de conclusie zou nopen dat de bestreden beslissingen met machtsafwending zijn genomen. 44.3. Verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij met het op- leggen van de bestreden maatregelen in werkelijkheid de bedoeling zou hebben gehad om het recht op collectieve actie in te perken, laat staan dat dit uitsluitend het doel van de verwerende partij zou zijn geweest en dat de verwerende partij dus niet het bestraffen van zijn deelname aan de niet-legitieme werkonderbrekingen voor ogen had. Hij toont met andere woorden niet aan dat de bestreden beslis- singen enkel en alleen met een ongeoorloofd oogmerk zouden zijn genomen. Van machtsafwending kan dan ook geen sprake zijn. 45. Het vierde middel is niet gegrond. IX-8967-35/36 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien april tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-8967-36/36 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.395 Gerelateerde publicatie(
  9. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.716 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.