← België

Arrest 247397 - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) - 14/04/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.397 Rolnummer: A. 229060/IX-9610 Zaak: Arrest 247397 - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) - 14/04/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-04-14 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-26 03:19 Fiche Arrest nr 247.397 van 14 april 2020 Economische zaken - Erkenningen – Accreditaties (economische zaken) Beslissing : Schorsing als niet verricht beschouwd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 247.397 van 14 april 2020 in de zaak A. 229.060/IX-9610 In zake : de BVBA CUM LAUDE BIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christiaan Bossers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Van Eycklei 10A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jeroom Joos kantoor houdend te 9000 Gent Coupure Rechts 162 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 10 september 2019, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van Vlaams Minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn van 30 juli 2019 tot schorsing van de instructie- en directietoelating en schorsing van de erkenning van de rijschool [bvba Cum Laude Bis] op grond van artikel 41 en 42 van het Koninklijk besluit van 11 mei 2004 betreffende de voorwaarden voor erkenning van scholen voor het besturen van motorvoertuigen”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Op 23 oktober 2019 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter IX-9610-1/4 kennis gebracht, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 december
  3. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Paata Shonia, die loco advocaat Christiaan Bossers verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jeroom Joos, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Beoordeling
  5. Naar luid van artikel 71, vierde lid, van voormeld besluit van de Regent zal, indien de in het eerste lid bedoelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, de vordering als niet verricht worden beschouwd. In het schrijven waarbij aan de verzoekende partij de voor het overschrijven van de verschuldigde kosten vereiste gegevens werden IX-9610-2/4 meegedeeld, heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 71, vierde lid. De verzoekende partij heeft de betrokken rekening niet gecrediteerd binnen de voormelde termijn van dertig dagen. 4.
  6. Ter terechtzitting stelt de raadsman van de verzoekende partij dat het niet tijdig betalen van het verschuldigde rolrecht en de bijdrage te wijten is aan een “foute communicatie tussen hem en zijn cliënt”. Inmiddels heeft de verzoekende partij het rolrecht betaald. 4.
  7. De verzoekende partij betwist niet dat het verschuldigde rolrecht en de bijdrage niet tijdig zijn betaald. De reden die zij hiervoor aanvoert kan niet als overmacht of onoverwinnelijke dwaling worden beschouwd.
  8. De vordering dient als niet verricht te worden beschouwd. BESLISSING
  9. De vordering wordt als niet verricht beschouwd.
  10. Het door de verzoekende partij te laat betaalde rolrecht van 200 euro en de bijdrage van 20 euro dienen te worden terugbetaald. IX-9610-3/4 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien april tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bruno Seutin IX-9610-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.397 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.047 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.