← België

Arrest 247434 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 21/04/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.434 Rolnummer: A. 218452/IX-8822 Zaak: Arrest 247434 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 21/04/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-04-21 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-26 03:21 Fiche Arrest nr 247.434 van 21 april 2020 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 247.434 van 21 april 2020 in de zaak A. 218.452/IX-8822 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Stappers kantoor houdend te 2000 Antwerpen Vlaamsekaai 54-57 Tussenkomende partij: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Ghysels kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 16 februari 2016, strekt tot de nietig- verklaring van “[de] beëindiging van de aanstelling [van XXXX] als deeltijds ZAP-lid van de Universiteit Antwerpen op 30 november 2015 door de Raad van IX-8822-1/18 Bestuur van de Universiteit Antwerpen en [haar] niet-aanstelling op 17 november 2015 door de Raad van Bestuur van de Universiteit Antwerpen tot hoofddocen- te”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XXXX heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 19 april
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een “wederantwoord op de memo- rie van tussenkomst” ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de verwerende partij en advo- caat Jan Ghysels, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. IX-8822-2/18 Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoekster is sinds 20 september 1999 met opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of tijdelijke aanstellingen voor bepaalde duur, BAP of ZAP, tewerkgesteld bij de Universiteit Antwerpen. 3.
  7. Op 20 november 2012 beslist de raad van bestuur van de Uni- versiteit Antwerpen verzoekster aan te stellen als deeltijds docent (40%) in het domein ‘Onderwijsrecht en Internationalisering van opleiding en onderwijs’ bij het Instituut voor Onderwijs en Informatiewetenschappen met ingang van 1 de- cember
  8. Met een brief van 6 december 2012 wordt deze aanstelling door de rector aan verzoekster meegedeeld. Tevens wordt verzoekster daarin meege- deeld: “Deze aanstelling gebeurt in een tijdelijk dienstverband voor een periode van drie jaar met mogelijk uitzicht op verlenging na die periode, indien uw prestaties gunstig worden beoordeeld.” Verzoekster doceert vanaf academiejaar 2012-2013 de oplei- dingsonderdelen ‘Onderwijsrecht’ en ‘Internationalisering van opleiding en on- derwijs’. 3.
  9. Na een interne audit beslist de raad van bestuur van de Univer- siteit Antwerpen op 27 januari 2015 om voornoemd Instituut voor Onderwijs en Informatiewetenschappen over te hevelen naar deels een nieuwe entiteit School of IX-8822-3/18 Education en deels de faculteit Sociale Wetenschappen. Verzoekster wordt over- geheveld naar de faculteit. Op 18 maart 2015 wordt een nieuw departement ‘Opleidings- en Onderwijswetenschappen’ (OOW) opgericht in de schoot van de faculteit So- ciale Wetenschappen. 3.
  10. Op 16 april 2015 dient verzoekster een promotiedossier in, in het kader van de bevorderingsronde 2016, voor de graad van hoofddocent. 3.
  11. Op 19 juni 2015 meldt de decaan van de faculteit het volgende aan verzoekster: “Uw aanstelling als deeltijds ZAP-lid (40%) in de graad van docent loopt ten einde op 30 november
  12. Deze aanstelling omhelst het doceren van de opleidingsonderdelen Onderwijsrecht (3 ECTS) en Internationalisering van opleiding en onderwijs (3 ECTS). Beide zijn keuzeopleidingsonder- delen in de master in de opleidings- en onderwijswetenschappen. Deze aanstelling zal, helaas voor u, niet worden verlengd. Voor de goede orde geef ik hierover wat meer uitleg, zoals u ook reeds mondeling toege- licht. De Faculteit Sociale Wetenschappen heeft een rigoureus beleid dat erop gericht is om de onderwijsbelasting van het ZAP-kader te monitoren. Dit beleid bestaat er onder meer in dat de faculteit, onder het toeziend oog van de overkoepelende Onderwijscommissie, de Faculteitsraad en het Fa- culteitsbestuur, erover waakt dat de schaarse personeelsmiddelen niet ge- investeerd worden in opleidingsonderdelen die niet als plichtvak of optie- vak in een curriculum van een van de opleidingen FSW zijn opgenomen. In het Onderwijsbeleidsplan wordt deze strategische keuze als volgt ge- formuleerd: ‘Geen betalende keuzevakken Een volgend uitgangspunt is de keuze om alleen opleidingsonder- delen op te nemen in een curriculum als deze door een voldoende aantal studenten worden gevolgd. Concreet wil dit zeggen dat er binnen de opleidingen PSW geen keuzevakken worden aangebo- den tenzij als onderdeel van een andere opleiding. Een uitzonde- ring hierop zijn opleidingsonderdelen die worden ingevuld door emeriti of onbezoldigde gastprofessoren. Hierbij moet bijkomend een onderscheid worden gemaakt tussen keuze- en optievakken. Bij optievakken hebben de studenten een beperkte keuze uit een lijst van mogelijke opleidingsonderdelen. Binnen sommige PSW- opleidingen bestaat zulk een systeem van betalende optievakken, IX-8822-4/18 maar hierbij is er echter wel een garantie dat een voldoende groot aantal studenten deze vakken opnemen.’ De faculteit Sociale Wetenschappen zet geen facultaire personele midde- len in voor het aanbieden van keuzeopleidingsonderdelen door bezoldigde deeltijdse ZAP-leden of gastprofessoren, en wenst dit ook in de toekomst niet te doen. De consequente toepassing van dit beleid heeft er immers mee voor gezorgd dat de Faculteit SW er de voorbije jaren in geslaagd is om de onderwijslast billijk te verdelen over de ZAP-leden en de studenten efficiënte curricula aan te bieden. Met de integratie van het departement OOW en de opleiding OOW in de Faculteit SW is bijgevolg ook het opleidingsprogramma OOW aan de re- gels van het facultaire Onderwijsbeleidsplan afgetoetst en is nagegaan of en welke keuzeopleidingsonderdelen door bezoldigde deeltijdse ZAP- leden gedoceerd worden. Uit deze analyse bleek dat uw volledige vak- kenpakket, dat enkel in de master Opleidings- en Onderwijswetenschap- pen wordt aangeboden, hieronder valt. Gezien uw aanstelling als titularis van deze opleidingsonderdelen de voornaamste grond was voor een aanstelling in het statuut van deeltijds ZAP wordt uw aanstelling op 1 december 2015 niet verlengd. Wij hopen u met deze toelichting van dienst te zijn. Graag wensen wij u van harte te danken voor uw inspanningen voor de opleiding in de voor- bije jaren. Wij wensen u alle succes in de toekomst.” Ook tijdens de vergadering van de onderwijscommissie OOW van 29 juni 2015 wordt onder meer het volgende overwogen: “[…] De faculteit Sociale wetenschappen zet geen facultaire personele middelen in voor het aanbieden van keuzeopleidingsonderdelen door be- zoldigde deeltijdse ZAP-leden of gastprofessoren, en wenst dit ook in de toekomst niet te doen. De consequente toepassing van dit beleid heeft er immers mee voor gezorgd dat de Faculteit SW er de voorbije jaren in ge- slaagd is om de onderwijslast billijk te verdelen over de ZAP-leden en de studenten efficiënte curricula aan te bieden. Met de integratie van het departement OOW en de opleiding OOW in de Faculteit SW is bijgevolg ook het opleidingsprogramma OOW aan de re- gels van het facultaire Onderwijsbeleidsplan afgetoetst en is nagegaan of en welke keuzeopleidingsonderdelen door bezoldigde deeltijdse ZAP- leden gedoceerd worden. Uit deze analyse bleek dat [het] volledige vak- kenpakket [van XXXX], dat enkel in de master Opleidings- en onder- wijswetenschappen wordt aangeboden, hieronder valt. Er wordt nagedacht over noodoplossingen voor volgend academiejaar. […]” IX-8822-5/18 3.
  13. Op 3 juli 2015 beslist de faculteit Sociale Wetenschappen om de twee onderwijsopleidingen waarmee verzoekster belast is niet meer aan te bieden. Op 15 juli 2015 trekt het dagelijks bestuur van de faculteit deze beslissing in en op 26 augustus 2015 bevestigt de faculteitsraad van de faculteit deze intrekking, omdat de beslissing van 3 juli 2015 “in strijd is met het OER, dat stelt dat de faculteit voor 1 juli van het voorafgaande academiejaar haar aanbod van opleidingsonderdelen vastlegt”. Op advies van de opleidingscommissie OOW beslist de facul- teitsraad op 1 september 2015 om de twee vakken waarmee verzoekster belast is te verplaatsen naar het tweede semester. Op 9 september 2015 stelt het dagelijks bestuur van de faculteit het volgende: “Op het Dagelijks Bestuur van woensdag 26/8 werd deze situatie bespro- ken. Immers, de deeltijdse ZAP-aanstelling van de huidige titularis loopt af op 30 november
  14. Als uitkomst van deze bespreking vraagt het Dagelijks Bestuur FSW aan de opleidingscommissie OOW om een advies te formuleren betreffende een oplossing om deze vakken tijdens het aca- demisch jaar 2015-2016 aan te bieden. De oplossing moet in overeen- stemming zijn met de facultaire regels betreffende de niet-bezoldiging voor het aanbieden van keuzeopleidingsonderdelen conform het Onder- wijsbeleidsplan FSW 2009 en moet rekening houden met de facultaire re- gels betreffende de relatie tussen de aanstellingspercentages en de om- vang van de onderwijstaak. Hierbij wordt door het Dagelijks Bestuur aan de opleidingscommissie OOW gevraagd om te zoeken naar een duurzame oplossing met oog voor voldoende vrijheid voor het verder zoeken naar synergiën binnen en integratie in de faculteit en het sociaalwetenschappe- lijk karakter ervan, en rekening houdend met een toekomstige bachelor Opleidings- en Onderwijswetenschappen.” 3.
  15. Op 16 september 2015 beslist de centrale beoordelingscommis- sie in het kader van de bevorderingsronde 2016 om verzoekster “gunstig te rang- schikken maar niet voor bevordering voor te dragen”. IX-8822-6/18 3.
  16. Op 17 november 2015 beslist de raad van bestuur van de Uni- versiteit Antwerpen om zich aan te sluiten bij de gemotiveerde voorstellen van de centrale beoordelingscommissie en gaat hij over tot de voorgestelde bevorderin- gen. 3.
  17. Op 14 december 2015 deelt de rector van de Universiteit Ant- werpen aan verzoekster het volgende mee: “Uw aanstelling als deeltijds ZAP-lid (40%) eindigde op 30 november 2015 en werd niet verlengd. Waar u zich voordien kandidaat had gesteld voor een bevordering tot hoofddocent, vindt u hierna voor de goede orde de beslissing die werd genomen inzake de ZAP bevorderingen, hoewel uw kandidatuur ondertussen zonder voorwerp is geworden. De Raad van Bestuur heeft op 17 november 2015 beslist over de ZAP be- vorderingen met ingang van l januari
  18. Op 1 oktober 2015 bracht ik u op de hoogte van het gemotiveerd advies van de Centrale Beoordelingscommissie om u bevorderbaar te rangschik- ken maar u nu niet voor te dragen voor een bevordering. Hierop heeft u een schriftelijke reactie ingediend, dat door de Centrale Beoordelings- commissie werd behandeld op 15 oktober
  19. Na bespreking van de door u aangevoerde inhoudelijke argumenten hand- haafde de Centrale Beoordelingscommissie het advies om u niet voor te dragen op grond van - de artikelen 47 tot en met 50, samen gelezen met artikel 4, van het statuut van het Zelfstandig Academisch Personeel van de Uni- versiteit Antwerpen zoals van toepassing bij de openverklaring van deze bevorderingsronde; - de bevorderingscontingenten, de financiële bevorderingsruimte en het tijdschema, zoals vastgelegd door het Bestuurscollege op 20 januari 2015 (BC/20.01.2015/127/9.17); - uw binnen de gestelde termijnen ingediende kandidatuur, het gemotiveerde advies van de faculteit, het algemeen gemotiveerde advies van de Centrale Beoordelingscommissie van 21 augustus, 16 september en 15 oktober 2015 en de individueel gemotiveerde voorstellen van de Centrale Beoordelingscommissie van dezelfde datum. De volledige verslagen van de Centrale Beoordelingscommissie en uw dossier zijn ter inzage op het Departement Personeel & Organisatie.” 3.
  20. Op 27 januari 2016 beslist de faculteitsraad van de faculteit Sociale Wetenschappen om de twee opleidingsonderdelen ‘Internationalisering van opleiding en onderwijs’ en ‘Onderwijsrecht’ gedurende drie jaar in te richten en twee interne ZAP-leden ermee te belasten. De tussenkomende partij wordt IX-8822-7/18 aangesteld als titularis van het opleidingsonderdeel ‘Onderwijsrecht’. P. wordt aangesteld als titularis van het opleidingsonderdeel ‘Internationalisering van op- leiding en onderwijs’. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  21. Zoals de raadsman van verzoekster in zijn schrijven zelf aan- geeft, is in het procedurereglement niet voorzien in de mogelijkheid om een af- zonderlijke memorie van wederantwoord in te dienen op de memorie van een tussenkomende partij, zodat ze uit het debat moet worden geweerd. V. Ontvankelijkheid van het beroep A. “[de] beëindiging van de aanstelling [van XXXX] als deeltijds ZAP-lid van de Universiteit Antwerpen op 30 november 2015 door de Raad van Bestuur van de Universiteit Antwerpen” Exceptie
  22. Met betrekking tot het eerste voorwerp van het beroep werpt de verwerende partij de volgende exceptie op: “Verzoekster duidt als voorwerp van haar beroep aan, enerzijds de beëin- diging van haar aanstelling als deeltijds ZAP-lid op 30 november 2015 ‘door de raad van bestuur van de Universiteit Antwerpen’ en anderzijds de beslissing van 17 november 2015 houdende de niet-aanstelling van verzoekster in de graad van hoofddocent. Verwerende partij wijst er voorafgaand op dat de aanstelling van verzoe- kende partij van rechtswege is geëindigd op 30 november 2015 doordat dit de einddatum is van haar tijdelijke aanstelling als docent (40%) voor een termijn van drie jaar, ingaand op 1 december
  23. Er is noch op 30 november 2015, noch op enige andere datum door de raad van bestuur of een andere orgaan binnen verwerende partij een be- slissing ten aanzien van verzoekende partij genomen waarbij haar aanstel- ling wordt beëindigd. Het feit dat verzoekende partij voorhoudt dat zij een nieuwe aanstelling had moeten krijgen c.q. beschouwd moet worden als zijnde verbonden met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur (cf. verzoeksters eer- IX-8822-8/18 ste middel), betekent nog niet dat er op 30 november 2015 een in rechte aanvechtbare beslissing van enige aard tot stand is gekomen. Aangezien het beroep aldus is gericht tegen een onbestaande beslissing, is het onontvankelijk wat de eerste bestreden beslissing betreft.”
  24. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoekster dat de exceptie samenvalt met de grond van de zaak. Ze komt erop neer “dat men ver- wijst naar een eigen handelwijze, die net met de middelen bestreden wordt”. Bo- vendien “kan verzoekster uiteraard niet verweten worden het eindpunt van een complexe administratieve rechtshandeling te bestrijden”. Zij “verliest geenszins haar procesbelang en het beroep is evenmin zonder voorwerp geraakt omdat op geen enkel ogenblik voor de beslissing van het tot aanstelling en ontslag bevoeg- de orgaan, zijnde de Raad van Bestuur van de Universiteit Antwerpen, met ze- kerheid vaststond dat het 29 juni advies van de onderwijsraad OOW ook effectief zou gevolgd worden door de Facultaire onderwijscommissie en bekrachtigd door de Faculteitsraad FSW om vervolgens te worden voorgelegd aan de Raad van Bestuur”.
  25. In haar laatste memorie stelt verzoekster dat de “rechtsvraag” er “in essentie op neer[komt] of het rechtmatig is dat [zij] met deze talloze over- eenkomsten of aanstellingen voor bepaalde tijd wordt tewerkgesteld”. Omdat dit de iure niet kan, “wordt verzoekster geacht verbonden te zijn met de verwerende partij en dan is de mededeling dat op 30 november 2015 de band een einde heeft genomen, een juridisch niet correcte beslissing”: “Het schrijven van 14 december 2015 is dus zonder meer niet declaratief. Het geeft aan welke de rechtssituatie is volgens de verwerende partij. Wanneer in rechte moet worden vastgesteld dat er op onrechtmatige wijze geponeerd wordt dat het om een aanstelling ging die kon ten einde lopen na drie jaar, moet op 14 december 2015 dus afgeleid worden dat de ver- werende partij van mening is dat er wel degelijk nog kon beslist geweest zijn dat dit maar voor drie jaar gold. Daar is niets declaratiefs aan. Dit is puur constitutief. En ook pas op dat ogenblik kan verzoekster zich verhalen tot Uw Raad. Of verzoekster mag minstens wachten tot op het ogenblik dat de verwerende partij onmisken- baar laat weten dat zij van mening is dat de aanstelling ten einde is gelo- pen, ook al gaat het om een aanstelling die is verleend nadat men eigenlijk al meer dan een decennium bij de verwerende partij was tewerkgesteld.” IX-8822-9/18 Beoordeling
  26. Op 20 november 2012 is verzoekster aangesteld als deeltijds docent “in een tijdelijk dienstverband voor een periode van drie jaar”, met ingang van 1 december
  27. Hieruit blijkt dat de tijdelijke aanstelling automatisch, en dus ook zonder het schrijven van de verwerende partij van 14 december 2015, op 30 november 2015 een einde nam. Een nieuwe beslissing dient noodzakelijkerwijs tussen te ko- men opdat verzoekster haar mandaat verlengd zou zien. Dit blijkt overigens ook uit artikel 97, § 1, 3°, van het ZAP- reglement, dat bepaalt dat het verstrijken van de mandaatperiode zonder hernieu- wing leidt tot mandaatbeëindiging.
  28. Verzoekster verwart het lot van haar aanstelling als docent met de bevorderingsronde
  29. De beslissing die op 17 november 2015 door de raad van be- stuur is genomen heeft enkel betrekking op en is enkel te situeren in de algemene, universiteitsbrede bevorderingsronde. Als de raad van bestuur met die beslissing in het kader van die bevorderingsronde, waarin verzoekster – samen met 160 an- dere kandidaten – een promotiedossier heeft ingediend, een aantal personen be- vordert, dan blijkt hieruit de impliciete weigering om verzoekster te bevorderen tot hoofddocent – het tweede voorwerp van het beroep. Dit staat echter los van haar tijdelijke aanstelling als docent. Over die aanstelling spreekt de raad van bestuur zich op 17 november 2015 niet uit: uit zijn beslissing van 17 november 2015 blijkt noch expliciet, noch impliciet een weigering om verzoeksters aanstel- ling in haar bestaande betrekking te verlengen en noch expliciet, noch impliciet een beslissing om die aanstelling te beëindigen. Anders dan verzoekster beweert, IX-8822-10/18 verhouden beide kwesties zich dus niet tot elkaar als onderdelen van een com- plexe administratieve verrichting. Nog anders geformuleerd: het is één zaak of een aanstelling van verzoekster als docent tot een einde mag komen – wat ver- zoekster betwist – en een andere zaak of verzoekster bevorderd moet worden tot hoofddocent.
  30. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, is er nooit een uit- drukkelijke beslissing genomen door het daarvoor bevoegde orgaan over de al dan niet verlenging van de aanstelling van verzoekster. Haar tijdelijke statutaire aanstelling eindigt van rechtswege op het einde van de gestelde duur, hetgeen betekent dat van de universitaire overheid in principe ook geen handelend optreden vereist is.
  31. Volgens verzoekster is het tot een einde komen van haar aan- stelling in strijd met het recht en houdt de exceptie daarom verband met de grond van de zaak. Verzoekster betoogt, samengevat, dat de verwerende partij met verzoekster verbonden is geweest door arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd of aanstellingen voor bepaalde tijd, lopende over meer dan zestien jaar, met 26 verlengingen. Uit (eerste middel) richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 ‘betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd’, de artike- len 10 en 11 van de Grondwet en het rechtszekerheidsbeginsel, leidt verzoekster af dat de beëindiging van haar dienstverhouding met de verwerende partij “vol- strekt niet rechtsgeldig is”. Voorts meent zij (tweede middel) dat haar “arbeids- overeenkomst” niet mocht worden beëindigd ingevolge de klacht die zij heeft ingediend op grond van de wet van 4 augustus 1996 ‘betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk’. IX-8822-11/18
  32. Hierna zal de Raad toelichten waarom die zienswijze van ver- zoekster het gegrond bevinden van de exceptie niet in de weg kan staan.
  33. Om te beginnen herhaalt de Raad – ten overvloede – dat het al dan niet rechtsgeldig zijn van de beëindiging van verzoeksters aanstelling hoe dan ook geen afbreuk doet aan hetgeen reeds is vastgesteld sub 9: zelfs indien verzoekster aanspraak kan maken op een voortzetting van haar aanstelling, volgt daaruit niet dat zij bevorderd moet worden tot hoofddocent in de bevorderings- ronde
  34. De aanstelling van verzoekster, bij beslissing van de raad van bestuur van 20 november 2012, “gebeurt in een tijdelijk dienstverband voor een periode van drie jaar” – zo kon verzoekster lezen in de kennisgeving door de rec- tor op 6 december
  35. Indien verzoekster van oordeel is dat die beperking in de tijd “niet rechtsgeldig” is, dan lag het op haar weg om tijdig – dat wil zeggen, bij de kennisgeving van dit aanstellingsbesluit, het ogenblik waarop met de woorden van verzoekster in haar laatste memorie en volgens haar overtuiging “in rechte moet worden vastgesteld dat er op onrechtmatige wijze geponeerd wordt dat het om een aanstelling ging die kon ten einde lopen na drie jaar” – de erin besloten weigering om haar voor onbepaalde duur aan te stellen aan te vechten. Dat heeft zij niet gedaan. Daarvoor is het nu te laat. 15.
  36. Verzoekster laat voorts opvallend in het midden wat volgens haar dan wel “rechtsgeldig” moest volgen op 1 december 2015, als zij moet wor- den “geacht verbonden te zijn met de verwerende partij”. 15.
  37. Indien zij meent dat haar dienstverband met de verwerende partij van rechtswege is omgezet in een arbeidsovereenkomst of in een sui gene- ris overeenkomst, dan ziet haar geschil op de uitvoering van de tussen haar en de verwerende partij uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. IX-8822-12/18 De Raad van State is niet bevoegd om zich over een dergelijk geschil uit te spreken; het beroep is in dat geval onontvankelijk wat zijn eerste voorwerp betreft. 15.
  38. Het betoog van verzoekster zou ook zo kunnen worden opgevat dat de verwerende partij volgens haar niet mocht stilzitten, omdat op haar rech- tens een verplichting rust om een nieuwe (constitutieve) beslissing te nemen over de aanstelling van verzoekster voor onbepaalde duur, hetzij statutair, hetzij bij overeenkomst. Artikel 14, § 3, RvS-Wet biedt in die hypothese aan een ver- zoekende partij de mogelijkheid om een bestuur dat stilzit, alhoewel het verplicht is te beschikken, aan te manen en onder de in dat artikel beschreven voorwaarden een beroep tot nietigverklaring van de fictief afwijzende beslissing aan de Raad van State voor te leggen. Verzoekster heeft op geen enkel ogenblik tijdens haar vele op- eenvolgende aanstellingen en ook niet na december 2015 die weg bewandeld. Ook zo beschouwd is het beroep niet ontvankelijk, minstens voorbarig. 15.
  39. De vraag zou ten slotte kunnen rijzen of, in de zeer concrete omstandigheden van de zaak, ook zonder dat er sprake is van een uitdrukkelijke weigeringsbeslissing, toch uit de context afgeleid moet worden dat er méér aan de hand is dan een automatisch aflopen van het tijdelijk dienstverband en dat er – buiten elke geformaliseerde beslissing om – sprake is van een aanvechtbare wei- gering om verzoeksters aanstelling te verlengen. In dat geval zou een beroep tot nietigverklaring uitzonderlijk mogelijk kunnen zijn, ook zonder dat nog van ver- zoekster geëist mag worden dat zij de procedure van artikel 14, § 3, RvS-Wet zou doorlopen. Het feit dat de arbeidsrelatie van verzoekster met de verweren- de partij in het verleden reeds meermaals werd verlengd en dat een verlenging IX-8822-13/18 ook ditmaal uitdrukkelijk als “uitzicht” werd vermeld in het aanstellingsbesluit mits verzoekster een gunstige evaluatie van haar prestaties kreeg, zou in die rich- ting kunnen wijzen. De Raad hoeft dit echter niet te onderzoeken, nog daargelaten dat verzoekster deze hypothese zelf niet uitwerkt. In dat geval immers moet die zeer specifieke en uitzonderlijke context gevonden worden in de mededeling van de decaan van 19 juni 2015 dat de aanstelling van verzoekster niet zal worden verlengd, wat is herhaald in een verslag van de onderwijscommissie OOW van 29 juni
  40. Wil verzoekster op grond van die elementen overtuigen dat er een niet geformaliseerde maar niettemin aanvechtbare weigering bestaat, dan moet zij wel consequent zijn. Verzoekster heeft noch op de brief van de decaan, noch op het voormelde verslag gereageerd. Uit haar verzoekschrift blijkt echter dat zij alleszins op 30 juni 2015 kennis had van het bedoelde verslag. Ook zo bekeken is het beroep, ingesteld op 16 februari 2016, niet ontvankelijk, want hoe dan ook laattijdig.
  41. Wat voorafgaat leidt tot één enkele conclusie: het beroep is in elke hypothese onontvankelijk wat zijn eerste voorwerp betreft. B. “de niet-aanstelling [van XXXX] op 17 november 2015 door de Raad van Be- stuur van de Universiteit Antwerpen tot hoofddocente” Exceptie
  42. Volgens de verwerende partij is het beroep ook onontvankelijk naar zijn tweede voorwerp: “Nu […] verzoekende partij sinds 1 december 2015 geen deel meer uit- maakt van het zelfstandig academisch personeel van de Universiteit Ant- IX-8822-14/18 werpen, beschikt zij niet langer over het rechtens vereiste persoonlijk en actueel belang om een beroep in te stellen tegen de tweede bestreden be- slissing die ertoe strekt haar impliciet niet tot de graad van hoofddocent te bevorderen. Immers, om tot hoofddocent te kunnen worden bevorderd, dient verzoe- kende partij in de graad van docent te zijn aangesteld, een voorwaarde waaraan zij niet meer voldoet. Bovendien moet verwerende partij vaststellen dat verzoekende partij, zelfs in een welwillende lezing van haar uiteenzetting, geen enkel rechts- middel ontwikkelt dat tegen de tweede bestreden beslissing is gericht. Het eerste middel betreft de beëindiging c.q. niet verlenging van haar aan- stelling en bevat geen enkele kritiek op de beoordeling van verzoeksters titels en verdiensten in het raam van de bevorderingsprocedure. Eenzelfde vaststelling dringt zich op inzake het tweede middel, dat steunt op de re- gelgeving inzake welzijn op het werk. Ook het derde middel, dat verwijst naar de artikelen 10, 11 en 33 van de Grondwet houdt geen enkel verband met de bevorderingsprocedure. Evenmin gaat verzoekende partij in haar vierde middel, dat steun zoekt in het verbod op machtsafwending, op eni- ge wijze in op de bevordering. Het vijfde middel ten slotte betrekt verzoe- kende partij enkel op de onderwijsopdracht die aan [P.] en [de tussenko- mende partij] wordt gegeven voor de opleidingsonderdelen die verzoe- kende partij eertijds doceerde; ook hier ontwaart verwerende partij geen enkele kritiek op de wijze waarop verzoeksters titels en verdiensten zijn beoordeeld in de bevorderingsprocedure. Aangezien verzoekende partij aldus geen enkel rechtsmiddel tegen de tweede bestreden beslissing ontwikkelt, is het beroep ook om die reden onontvankelijk in de mate dat het tegen die beslissing is gericht.” Beoordeling
  43. De memorie van wederantwoord bevat van bladzijde 8 tot bladzijde 18 een uiteenzetting onder de hoofding ‘Ontvankelijkheid’. De Raad van State kan evenwel overheen die tien bladzijden niets lezen waarmee verzoek- ster weerspreekt (i) dat zij geen belang heeft bij het beroep tegen de impliciete weigering om haar te bevorderen tot hoofddocent eenmaal is vastgesteld dat zij niet (langer) aan de voorwaarde voldoet docent te zijn en (ii) dat geen enkel van de vijf door haar aangevoerde middelen gericht is tegen die weigeringsbeslissing – laat staan een middel dat in geval van gegrondheid als rechtsherstel een rechts- plicht zou activeren in hoofde van de verwerende partij om haar met terugwer- kende kracht tot hoofddocent te bevorderen. IX-8822-15/18
  44. De Raad van State stelt vast, samen met de verwerende partij, en daargelaten nog of verzoekster belang heeft behouden bij het beroep tegen de weigering om haar te bevorderen tot hoofddocent, dat geen enkel middel tegen die weigering is aangevoerd. Met de eerste vier middelen beoogt verzoekster aan te tonen dat de beëindiging van haar aanstelling als docent onwettig is. Het vijfde middel is gericht tegen de latere aanstellingen van de tussenkomende partij en van P.
  45. De exceptie is gegrond. Het beroep is onontvankelijk, wat zijn tweede voorwerp betreft. C. de beslissing van de faculteitsraad van de faculteit Sociale Wetenschappen van 27 januari 2016 om de opleidingsonderdelen ‘Internationalisering van opleiding en onderwijs’ en ‘Onderwijsrecht’ gedurende drie jaar in te richten en P., res- pectievelijk de tussenkomende partij, hiermee te belasten
  46. In het vijfde middel van haar verzoekschrift voert verzoekster aan dat met de aanstelling van de tussenkomende partij en van P. de artikelen 10, 11 en 33 van de Grondwet alsook de materiëlemotiveringsplicht zijn geschonden, omdat er geen draagkrachtige motieven zijn die toelaten dat aan verzoekster wordt voorbijgegaan. Dit middel zou dan ook de vraag kunnen doen rijzen of ver- zoekster, zonder dit uitdrukkelijk zo te vorderen in haar verzoekschrift, ook de beslissing van de faculteitsraad van 27 januari 2016 tot voorwerp van haar beroep rekent. Verzoekster lijkt dit in haar memorie van wederantwoord alleszins aan te geven, waar zij – weliswaar in het kader van een bespreking van het belang bij haar beroep – schrijft “dat de weigering van aanstelling van verzoekster impli- ceert dat de ten onrechte aanstelling van [de tussenkomende partij] en [P.] betwist wordt”. IX-8822-16/18
  47. Het is een vraag die niet onderzocht moet worden. De aanstel- ling van de tussenkomende partij en van P. staat immers los van de bevorderings- ronde 2016 en is een toewijzing van een onderwijsopdracht via een interne aan- stelling. Verzoekster was op 27 januari 2016 geen ZAP-lid meer, zodat haar kandidatuur niet afgewogen diende te worden. Zij heeft dan ook geen belang bij het bestrijden van de toewijzing van de onderwijsopdrachten aan de tussen- komende partij en aan P. Dit putatief derde voorwerp is hoe dan ook onontvanke- lijk bestreden. D. Conclusie
  48. Wat voorafgaat leidt tot de vaststelling dat het beroep in zijn geheel onontvankelijk is. BESLISSING
  49. De Raad van State verwerpt het beroep.
  50. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsple- gingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
  51. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij en van de tussenkomende partij niet bekendge- maakt. IX-8822-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig april tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-8822-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.434 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.