id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.438 Rolnummer: A. 230437/XII-8885 Zaak: Arrest 247438 - Overheidsopdrachten - 23/04/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-04-23 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-26 03:22 Fiche Arrest nr 247.438 van 23 april 2020 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 247.438 van 23 april 2020 in de zaak A. 230.437/XII-8.885 In zake: de NV CITYD-WES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Inke Dedecker kantoor houdend te 3500 Hasselt Spoorwegstraat 105 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de stad DIKSMUIDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Heuven kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BV ADVIESBUREAU MARKETING EN ONDERZOEK (ABM) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carlos De Wolf kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte De Wolf kantoor houdend te 9000 Gent Fortlaan 95 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 26 maart 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e XII-8885-1/15 beslissing van 10 maart 2020 van [het college van burgemeester en schepenen van de stad Diksmuide] waarbij de overheidsopdracht met besteknummer 2019-139 – ‘Opmaken en implementeren detailhandelsvisie en uitvoeren centrummanagement’ wordt gegund aan een andere inschrijver dan [de nv CityD-Wes]”. II. Verloop van de rechtspleging
- In het kader van de overheidsmaatregelen genomen om de verspreiding van het Covid-19-virus te beperken, heeft een schriftelijk procesverloop plaats gevonden zonder openbare terechtzitting. De verwerende partij heeft een nota en het administratief dossier ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De verzoekende partij heeft een zittingsnota ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een zittingsnota ingediend. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, dat aan de partijen met een e-mailbericht ter kennis werd gebracht. De verwerende partij heeft een laatste nota ingediend. Het debat is gesloten op 21 april 2020 om 12.00 u. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XII-8885-2/15 III. Feiten 3.
- De stad Diksmuide schrijft een overheidsopdracht voor diensten uit voor het opmaken en implementeren van een actieplan detailhandelsvisie en het uitvoeren van centrummanagement. De opdracht wordt geraamd op 173.000 euro (btw niet inbegrepen) en gegund door middel van een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking. De duur van de opdracht is vier jaar. 3.
- De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen op 30 oktober
- 3.
- Het bijzonder bestek met nummer 2019-139 ‘Opmaken en implementeren detailhandelsvisie en uitvoeren centrummanagement’ is op de opdracht van toepassing. De volgende gunningscriteria zijn bepaald: XII-8885-3/15 3.
- Drie inschrijvers, waaronder de verzoekende partij, hebben een offerte ingediend. 3.
- Op 29 januari 2020 volgt nog een presentatie van hun offerte door alle inschrijvers. XII-8885-4/15 3.
- In het gunningsverslag wordt voorgesteld om de opdracht te gunnen aan de bv AdviesBureau Marketing en Onderzoek (hierna: bv ABM). 3.
- Op 10 maart 2020 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Diksmuide om de opdracht te gunnen aan de bv ABM. Deze beslissing bevat de volgende “argumentatie”: “• De dienst lokale economie raadt aan, na nazicht van de offertes en het verslag van de jury naar aanleiding van de presentaties, om de opdracht ‘Opmaken en implementeren detailhandelsvisie en uitvoeren centrummanagement’ te gunnen aan ABM bvba, Nadine Crappéstraat 1/002, 9000 Gent. • Het college heeft enkele bemerkingen bij het gunningsverslag:
- In het gunningsverslag worden referenties en uitvoeringsattesten aangehaald. Het college stelt zich de vraag of deze volledig geverifieerd werden.
- Tevens wordt een bezorgdheid geuit naar affiniteit van de aangestelde personen met de stad.” Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Met een aangetekend schrijven en een e-mailbericht gedateerd op 11 maart 2020 en verzonden op 12 maart 2020, deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij mee dat zij de opdracht aan een andere inschrijver heeft gegund. Als bijlage wordt een kopie van het gunningsverslag gevoegd. 3.
- Met een e-mailbericht van 23 maart 2020 vraagt de raadsman van de verzoekende partij aan de verwerende partij om mededeling van de eigenlijke gunningbeslissing, die haar met een e-mailbericht van 25 maart 2020 wordt bezorgd. IV. Tussenkomst
- De bv AdviesBureau Marketing en Onderzoek blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. XII-8885-5/15 V. Ontvankelijkheid van de vordering 5.
- De verwerende partij werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid van de vordering op omdat deze volgens haar niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 15 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: rechtsbeschermingswet), dat bepaalt dat de vordering tot schorsing van een betwiste gunningsbeslissing voor de Raad van State steeds geschiedt met een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, zij het enkel ‘in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid’. De verwerende partij is de mening toegedaan dat aan de voorwaarden van artikel 15 – waardoor een prima facie beoordeling door de Raad van State mogelijk is – niet is voldaan omdat: - het verzoekschrift te lang is (38 bladzijden); - het verzoekschrift te veel middelen bevat (3 middelen, maar bij het 3e middel nog eens 7 middelonderdelen. Bovendien bevatten de middelonderdelen nog eens talrijke subonderdelen en zelfs subsubonderdelen); - geen enkele toelichting wordt gegeven bij de impact van de middelen en middelonderdelen op de rangschikking, terwijl het puntenverschil tussen de nv CityD-Wes en de bv ABM 9,7 punten bedraagt. 5.
- Overeenkomstig artikel 15 van de rechtsbeschermingswet kan de verhaalinstantie onder dezelfde voorwaarden als die bedoeld in artikel 14 en zonder dat het bewijs van spoedeisendheid is vereist, in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid, eventueel op straffe van een dwangsom, de uitvoering van de in artikel 14 bedoelde beslissingen schorsen. Uit de voormelde bepaling, waarin wordt verwezen naar een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid, evenals uit de uiteenzetting van de exceptie in de nota, blijkt dat de opgeworpen exceptie samenhangt met de beoordeling van de middelen. XII-8885-6/15 Bovendien lijkt de lengte van een verzoekschrift en/of een veelheid van middelen en onderdelen ervan op zich op het eerste gezicht niet tot onontvankelijkheid van de vordering zelf te leiden. Wanneer evenwel een verzoekschrift ingevolge zijn omvang en complexiteit, zoals te dezen met drie middelen, waarvan het derde middel is onderverdeeld in zeven onderdelen, uiteengezet over 38 bladzijden, zich ternauwernood leent tot het snelle onderzoek dat in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid aan de Raad van State wordt opgelegd, beperkt de Raad zich in beginsel tot wat hem prima facie de essentie van de middelen lijkt. 5.
- De exceptie wordt niet bijgevallen. VI. Schorsingsvoorwaarden 6.
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 6.
- Te dezen is evenwel ook de voormelde rechtsbeschermingswet van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. XII-8885-7/15 Overeenkomstig artikel 31 gelden deze bepalingen ook voor opdrachten die de drempelbedragen voor Europese bekendmaking niet bereiken. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. VII. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 7.
- In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de motiveringsplicht die volgt uit de artikelen 4 en 5, juncto artikel 29, § 1, van de rechtsbeschermingswet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het middel wordt door de verzoekende partij zelf als volgt samengevat: “Doordat de bestreden beslissing niet gemotiveerd is, minstens een tegenstrijdige motivering bevat. Terwijl artikel 4, lid 1, 8° van de Wet Rechtsbescherming bepaalt dat de aanbestedende instantie een gemotiveerde beslissing opstelt wanneer ze de opdracht gunt, ongeacht de procedure. En terwijl artikel 5, lid 1, 9°, van de Wet Rechtsbescherming bepaalt dat de in artikel 4 bedoelde gemotiveerde beslissing, naargelang de procedure en het soort beslissing, de namen van de gekozen inschrijver of de gekozen deelnemer of deelnemers bij de raamovereenkomst en van de deelnemers en inschrijvers van wie de regelmatige offerte niet werd gekozen en de juridische en feitelijke motieven, waaronder de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte, voor de beslissingen die daarop betrekking hebben, bevat. En terwijl artikel 29, § 1, lid 1 van de Wet Rechtsbescherming onder meer bepaalt dat artikel 5 van de Wet Rechtsbescherming van toepassing is op opdrachten waarvan de goed te keuren uitgave zonder belasting over de toegevoegde waarde het bedrag van € 139.000 overschrijdt voor de klassieke sectoren. XII-8885-8/15 En terwijl het materieel motiveringsbeginsel inhoudt dat een overheidsbeslissing dient te worden gemotiveerd met begrijpelijke motieven die juridisch en feitelijk correct zijn en die voldoende draagkrachtig zijn om de beslissing te schragen. En terwijl het zorgvuldigheidsbeginsel onder meer vereist dat de overheid zorgvuldig handelt bij de voorbereiding van de beslissing.” In de toelichting bij het middel betoogt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing wordt gemotiveerd door verwijzing, doch dat aan de voorwaarde hiertoe dat de stukken in de uiteindelijke beslissing dienen te worden bijgevallen door de beslissende overheid niet is voldaan. Er wordt immers wel verwezen naar het gunningsverslag, maar het gunningsverslag wordt in de gunningsbeslissing niet integraal bijgevallen door de verwerende partij. Integendeel formuleert de verwerende partij in de bestreden beslissing net “enkele bemerkingen bij het gunningsverslag”, namelijk “
- In het gunningsverslag worden referenties en uitvoeringsattesten aangehaald. Het college stelt zich de vraag of deze volledig geverifieerd werden.
- Tevens wordt een bezorgdheid geuit naar affiniteit van de aangestelde personen met de stad.” 7.
- De verwerende partij repliceert dat de “bemerkingen” waarop de verzoekende partij haar pijlen richt niet meer zijn dan “beoordelingselementen die aan bod zijn gekomen bij de beraadslaging binnen het college van burgemeester en schepenen”, waaruit blijkt dat het college wel degelijk tot een eigen beoordeling is overgegaan, en dat “na interne studie van de 2 opgeworpen bedenkingen” is beslist om het gunningsverslag bij te vallen, waarvan het dispositief van de bestreden beslissing het bewijs is. 7.
- De tussenkomende partij repliceert dat in de bestreden beslissing weliswaar een aantal “bedenkingen” worden geformuleerd, doch dat dit niet wegneemt dat “finaal” het college van burgemeester en schepenen het voorstel van gunning zoals opgenomen in het gunningsverslag heeft onderschreven en op grond hiervan de bestreden beslissing heeft genomen. Volgens de tussenkomende partij berust het middel op een onjuiste lezing van de bestreden beslissing en mist het om die reden feitelijke grondslag. XII-8885-9/15 Beoordeling
- Het eerste middel is in de eerste plaats genomen uit de schending van de formelemotiveringsplicht die de verzoekende partij afleidt uit de artikelen 4 en 5, juncto artikel 29, § 1, van de rechtsbeschermingswet. Overeenkomstig artikel 4, eerste lid, 8°, juncto artikel 5, 9°, van de rechtsbeschermingswet, stelt de aanbestedende instantie een “gemotiveerde beslissing” op “wanneer ze een opdracht gunt, ongeacht de procedure”, die “de namen van de gekozen inschrijver of de gekozen deelnemer of deelnemers bij de raamovereenkomst en van de deelnemers en inschrijvers van wie de regelmatige offerte niet werd gekozen en de juridische en feitelijke motieven, waaronder de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte” bevat. Overeenkomstig artikel 29, § 1, van dezelfde wet zijn de voormelde bepalingen van toepassing op opdrachten die de Europese drempels niet bereiken doch waarvan de goed te keuren uitgave zonder belasting over de toegevoegde waarde het in artikel 29, § 1, vermelde bedrag overschrijdt voor de klassieke sectoren, zoals de voorliggende opdracht. De formelemotiveringsplicht impliceert dat de motieven uit de bestreden beslissing zelf moeten blijken. Wel mag worden aangenomen dat aan die doelstelling is voldaan indien de betrokkene in voorkomend geval langs een andere weg kennis heeft gekregen van de motieven waarop de beslissing is gesteund, ook al worden die motieven dan niet in de beslissing zelf veruitwendigd, namelijk wanneer de beslissing verwijst naar andere stukken. Een dergelijke motivering door verwijzing dient evenwel aan bepaalde voorwaarden te voldoen. In de eerste plaats moet de inhoud van de stukken waarnaar wordt verwezen aan de betrokkene ter kennis zijn gebracht. Bovendien moeten de desbetreffende stukken zelf afdoende gemotiveerd zijn en mogen ze niet tegenstrijdig zijn. Ten slotte dienen de stukken in de uiteindelijke beslissing te worden bijgevallen door de beslissende overheid. XII-8885-10/15
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking mogen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
- In de bestreden gunningsbeslissing van 10 maart 2020 wordt goedkeuring verleend om de “overheidsopdracht te gunnen aan ABM bvba (…) na nazicht van de offertes en het verslag van de jury”. De “argumentatie” hiertoe in de gunningsbeslissing zelf luidt als volgt: “• De dienst lokale economie raadt aan, na nazicht van de offertes en het verslag van de jury naar aanleiding van de presentaties, om de opdracht ‘Opmaken en implementeren detailhandelsvisie en uitvoeren centrummanagement’ te gunnen aan ABM bvba, Nadine Crappéstraat 1/002, 9000 Gent. • Het college heeft enkele bemerkingen bij het gunningsverslag:
- In het gunningsverslag worden referenties en uitvoeringsattesten aangehaald. Het college stelt zich de vraag of deze volledig geverifieerd werden.
- Tevens wordt een bezorgdheid geuit naar affiniteit van de aangestelde personen met de stad.”
- Hoewel de verwerende partij aldus in de bestreden gunningsbeslissing gebruik maakt van een motivering door verwijzing naar het gunningsverslag dat het verslag van de jury mede omvat, blijkt op het eerste gezicht niet dat het XII-8885-11/15 gunningsverslag en de motivering ervan in de uiteindelijke beslissing integraal werden bijgevallen door de beslissende overheid. Anders dan de verwerende partij en de tussenkomende partij dit zien, lijkt uit het dispositief van de bestreden beslissing op het eerste gezicht niet te mogen worden afgeleid dat gunningsverslag onverkort werd bijgevallen door het college van burgemeester en schepenen. Zo wordt in het dispositief weliswaar goedkeuring verleend om de opdracht te gunnen aan de bv ABM, doch niet onverkort goedkeuring gehecht aan het gunningsverslag zelf. Bovendien lijkt de verwerende partij in de motivering van de bestreden gunningsbeslissing zelf te ontkrachten dat de stukken waarnaar zij verwijst afdoende zijn gemotiveerd. In de gunningsbeslissing worden immers door de verwerende partij enkele uitdrukkelijke bedenkingen geuit bij het gunningsverslag waarbij de verwerende partij zich de vraag stelt of de referenties en uitvoeringsattesten zoals aangehaald in het gunningsverslag volledig geverifieerd werden, evenals een bezorgdheid uit naar de affiniteit van de aangestelde personen met de stad. Anders dan de verwerende partij bepleit, lijken de bemerkingen niet louter “beoordelingselementen” te betreffen die in de beraadslaging binnen het college aan bod zijn gekomen, nu zij in de bestreden beslissing wel degelijk werden opgenomen als “argumentatie”. Terecht lijkt de verzoekende partij er ook op te wijzen dat het college bij zijn beoordeling niet verder komt dan het formuleren van bedenkingen, maar niét aangeeft waarom zij over deze bedenkingen heen stapt. Dat geen bijzondere motivering is vereist wanneer een advies wordt bijgevallen, zoals de verwerende partij nog opmerkt, neemt op het eerste gezicht niet weg dat een dergelijke bijzondere motivering wel degelijk dient te worden verstrekt wanneer de beslissingsbevoegde overheid substantiële – zo lijkt – bedenkingen uit bij het advies waarnaar wordt verwezen. Dat het college van burgemeester en schepenen “na interne studie van de 2 opgeworpen bedenkingen” zou hebben beslist om het gunningsverslag bij te vallen zoals de verwerende partij in haar nota nu betoogt, blijkt nergens uit de XII-8885-12/15 bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier, laat staan dat dit werd meegedeeld aan de verzoekende partij. Een a posteriori motivering kan in geen geval het gebrek aan afdoende motivering van de bestreden beslissing rechtzetten. Zelfs indien het beschikkend gedeelte van de beslissing zou kunnen worden gelezen in de zin dat het gunningsverslag wordt bijgevallen, dient prima facie te worden vastgesteld dat de motivering van de beslissing tegenstrijdig is met het beschikkend gedeelte ervan. Bijgevolg is op het eerste gezicht niet voldaan aan de formelemotiveringsplicht.
- Ten overvloede mag nog het volgende worden opgemerkt. Aangezien het college van burgemeester en schepenen zich in de bestreden beslissing zelf de vraag stelt of de referenties en uitvoeringsattesten zoals aangehaald in het gunningsverslag volledig geverifieerd werden en vervolgens zonder meer overgaat tot gunning van de opdracht, louter onder verwijzing naar datzelfde gunningsverslag waarvan zij het onderzoek in twijfel trekt en zonder dat blijkt dat dit nader werd onderzocht, blijkt aldus op het eerste gezicht evenmin dat de verwerende partij haar beslissing op zorgvuldige wijze heeft voorbereid. Aldus lijkt de bestreden beslissing ook niet te steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen, en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking mogen worden genomen. Op het eerste gezicht was een dergelijk zorgvuldig onderzoek van de referenties en uitvoeringsattesten in het licht van de besteksbepalingen immers noodzakelijk zowel in het licht van de gestelde selectievereisten inzake de technische bekwaamheid als in het licht van het tweede gunningscriterium “referenties”. Ook de tweede bemerking, waarbij de verwerende partij een bezorgdheid uit naar de affiniteit van de aangestelde personen met de stad, lijkt op het eerste gezicht een zorgvuldige beoordeling in het gunningsverslag met XII-8885-13/15 betrekking tot het vijfde gunningscriterium “Memorie van toelichting betreffende de aan te stellen centrummanager” te ondergraven, nu dit luidens het bestek betrekking heeft op “de graad van ervaring en affiniteit van de voorgestelde medewerker”. De verwerende partij lijkt aldus bij de aanname van de bestreden beslissing eveneens te hebben gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht.
- Het eerste middel is voorts voldoende duidelijk aangebracht in het verzoekschrift. Het feit dat in het verzoekschrift geen toelichting wordt gegeven bij de impact van dit middel, terwijl het puntenverschil tussen de nv CityD-Wes en de bv ABM 9,7 punten bedraagt, lijkt de verzoekende partij haar belang bij dit middel niet te ontnemen. Om belang te hebben bij de vordering tegen de gunningsbeslissing dient de verzoekende partij niet noodzakelijk aan te tonen dat na schorsing de opdracht aan haar moet worden gegund. Het kan ook volstaan dat de verzoekende partij opnieuw een kans maakt de opdracht te krijgen. Te dezen blijkt op het eerste gezicht het doel van de formelemotiveringsplicht niet bereikt nu niet blijkt dat de verzoekende partij met voldoende kennis van zaken de bestreden beslissing kon beoordelen. Ook kan de Raad daarbij niet vooruitlopen op een nieuwe beslissing die met de vereiste zorgvuldigheid wordt vastgesteld, daar waar vooralsnog uitdrukkelijke bedenkingen werden geuit bij het gunningsverslag. VIII. Besluit
- Het eerste middel is ernstig, hetgeen in de huidige stand van het geding volstaat om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden gunningsbeslissing te verantwoorden. XII-8885-14/15 IX. Kosten
- Het is passend, gelet op de hierna ingewilligde vordering tot schorsing en het daaropvolgende nog noodzakelijke procedureverloop, de kosten, de gevorderde rechtsplegingsvergoeding inbegrepen, in beraad te houden. BESLISSING
- Het verzoek van de bv AdviesBureau Marketing en Onderzoek tot tussenkomst wordt ingewilligd.
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Diksmuide van 10 maart 2020 om de opdracht “Opmaken en implementeren detailhandelsvisie en uitvoeren van centrummanagement” te gunnen aan de bv AdviesBureau Marketing en Onderzoek.
- Dit arrest wordt bij e-mailbericht ter kennis gebracht aan de partijen. Dit arrest is uitgesproken op drieëntwintig april 2020 door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Johan Bovin XII-8885-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.438 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.335 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.