← België

Arrest 247467 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 29/04/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.467 Rolnummer: A. 223163/X-17020 Zaak: Arrest 247467 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 29/04/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-04-29 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-26 03:24 Fiche Arrest nr 247.467 van 29 april 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 247.467 van 29 april 2020 in de zaak A. 223.163/X-17.020 In zake :

  1. Marie Rose LOOSEN
  2. Emiel BAUMANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist en Joris Claes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
  3. de GEMEENTE TREMELO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jo Van Lommel en Yves Loix kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen
  4. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingediend op 19 september 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 18 mei 2017 van de gemeenteraad van de gemeente Tremelo houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Kalvenne’, met bijhorend onteigeningsplan (hierna: het bestreden gemeentelijk RUP). X-17.020-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. Verzoekers en de verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 januari
  7. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die verschijnt voor verzoekers, advocaat Fatema Hosseini, die loco advocaten Jo Van Lommel en Yves Loix verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. X-17.020-2/14 III. Feiten
  9. Het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven bestemt het overgrote deel van het binnengebied tussen de Diestsebaan, de Veldonkstraat, de Schrieksebaan en de Baalsebaan te Tremelo tot woonuitbreidingsgebied. Een deel van dit woonuitbreidingsgebied ligt tussen de Kalvennestraat, de Processieweg, de Astridstraat, de Schrieksebaan en de Baalsebaan (hierna: het betrokken woonuitbreidingsgebied). Verzoekers hebben eigendomsrechten op in het oosten van het betrokken woonuitbreidingsgebied gelegen percelen.
  10. In 2014 neemt de eerste verwerende partij het initiatief om voor de ontwikkeling van het betrokken woonuitbreidingsgebied een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken. 5.
  11. Op 9 december 2014 maakt de eerste verwerende partij een nota met betrekking tot de milieueffecten (hierna: de screeningsnota van 2014) over aan de dienst Milieueffectrapportagebeheer van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer). 5.
  12. Op 12 januari 2015 laat de dienst Mer aan de eerste verwerende partij weten dat in de screeningsnota van 2014 onvoldoende geantwoord is op een aantal vragen van de adviesinstanties. 5.
  13. Op 2 maart 2015 maakt de eerste verwerende partij een aangepaste nota met betrekking tot de milieueffecten (hierna: de screeningsnota van 2015) over aan de dienst Mer.
  14. Op 11 maart 2015 neemt de dienst Mer een beslissing over de screeningsnota van 2015, waarin het volgende wordt gesteld: “wij [kunnen] concluderen dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is.” X-17.020-3/14
  15. Op 30 november 2015 wordt een plenaire vergadering gehouden over het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Kalvenne’.
  16. Op 24 maart 2016 stelt de gemeenteraad van de eerste verwerende partij het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Kalvenne’, met inbegrip van het onteigeningsplan, voorlopig vast.
  17. Tijdens het van 21 april tot 20 juni 2016 georganiseerde openbaar onderzoek wordt onder meer door verzoekers een bezwaarschrift ingediend.
  18. Op 28 juni 2016 stelt het college van burgemeester en schepenen van de eerste verwerende partij vast dat tijdens het openbaar onderzoek niet de meest recente versie van de screeningsnota ter inzage werd gelegd. Het college beslist het ruimtelijk uitvoeringsplan opnieuw voor de gemeenteraad te brengen.
  19. Op 25 oktober 2016 wordt opnieuw een plenaire vergadering gehouden omtrent het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Kalvenne’.
  20. Op 22 december 2016 stelt de gemeenteraad van de eerste verwerende partij het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Kalvenne’, met inbegrip van het onteigeningsplan, opnieuw voorlopig vast.
  21. Tijdens het van 19 januari tot 19 maart 2017 georganiseerde openbaar onderzoek wordt onder meer door verzoekers een bezwaarschrift ingediend.
  22. Op 2 mei 2017 bundelt en coördineert de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: Gecoro) alle adviezen, bezwaren en opmerkingen en brengt zij een voorwaardelijk gunstig advies uit. X-17.020-4/14 15.
  23. Bij besluit van 18 mei 2017 stelt de gemeenteraad van de eerste verwerende partij het gemeentelijk RUP ‘Kalvenne’ definitief vast. Dit is het bestreden besluit, waarvan melding wordt gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 juli
  24. 15.
  25. Het grafisch plan van het bestreden gemeentelijk RUP neemt verzoekers’ percelen voor het overgrote deel op in “zone voor natuur met recreatief medegebruik” en “zone voor natuur”. De perceelsdelen met de genoemde nieuwe bestemmingen worden opgenomen in het onteigeningsplan. IV. Het eerste middel Uiteenzetting van het middel 16.
  26. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 1.1.4, 2.1.2, §§ 2 en 3, en 2.2.13, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de motiveringswet) en van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids- en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 16.
  27. Verzoekers stellen dat van de in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (hierna: GRS) voorziene gefaseerde ontwikkeling geen sprake meer is, daar in het bestreden gemeentelijk RUP het volledige oostelijke deel van het betrokken woonuitbreidingsgebied onmiddellijk groengebied wordt. Verder voorziet het GRS enkel een groene long in of vanuit zuidoostelijke richting. Door het volledige oostelijke deel van het betrokken woonuitbreidingsgebied groen in te kleuren wordt afgeweken van het GRS. Er zijn geen afdoende motieven voor deze afwijking.
  28. In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers dat de oostelijke groenzone van het bestreden gemeentelijk RUP vele malen groter is dan X-17.020-5/14 het groengebied dat het GRS beoogt. Beoordeling
  29. Het bestreden besluit is reglementair van aard en valt derhalve niet onder het toepassingsgebied van de motiveringswet. In zoverre is het middel onontvankelijk. 19.
  30. Het bindend gedeelte van het GRS voorziet het opstellen van een RUP Kalvenne: “3.1 Ruimtelijke uitvoeringsplannen Opstellen van een RUP Kalvenne
  31. Het RUP Kalvenne zal mogelijkheden uitwerken in het kader van een gefaseerde ontwikkeling van een grootschalig gebied waarin zowel handel, recreatie, groen en landschapszone, bejaardenhuisvesting, sociaal wonen als een bescheiden woonaanbod voor de eigen bevolking gerealiseerd kan worden. Belangrijk hierin is dat ecologie en duurzaamheid belangrijke basiselementen zijn bij de ontwikkelingen van dit gebied. De effectieve afbakening van het RUP zal onderdeel uitmaken van de opmaak van het RUP Kalvenne zelf.” In overeenstemming met het bindend gedeelte van het GRS is één van de basiselementen van het bestreden gemeentelijk RUP de aandacht voor ecologie. Eveneens in overeenstemming met dit bindend gedeelte voorzien de artikelen 12 en 13 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP in een gefaseerde ontwikkeling. 19.
  32. Blijkens de richtinggevende bepalingen van het GRS is één van de algemene basisdoelstellingen voor de gewenste ruimtelijke structuur: “Ontwikkelingsmogelijkheden bieden aan Tremelo-kern ter realisatie van een kwaliteitsvol centrum De aansnijding van Kalvenne zal bijdragen in de kwalitatieve ontwikkeling van de kern van Tremelo en instaan voor de opvang van behoeften aan multifunctionele sportgelegenheid, aan de uitbreiding voor detailhandel, sociale woningbouw, seniorenhuisvesting, kavels voor bescheiden woonaanbod en ruimte voor natuur en landschap.” X-17.020-6/14 De ontwikkelingsperspectieven voor Kalvenne worden als volgt beschreven in de richtinggevende bepalingen van het GRS: “Ontwikkelingsperspectieven Kalvenne In het kader van de uitwerking kernvisie voor Tremelo is het nuttig een beeld te schetsen van een aanzet voor een toekomstige ontwikkelingsstructuur van de Kalvenne. Uit de bestaande toestand is gebleken dat het om een zeer grootschalig woonuitbreidingsgebied gaat dat zeer nauw aansluit bij de huidige kern van Tremelo. Een gedeelte van Kalvenne zal dus ook wezenlijk onderdeel gaan uitmaken van de kern van Tremelo. Andere delen sluiten gevoelsmatig en ook ruimtelijk dan weer meer aan bij het perifere gebied van Tremelo. De toekomstige ontwikkeling van Kalvenne zal in fasen verlopen, doch op basis van een totaalstructuur. […]. Voor Kalvenne zien we algemeen een bebouwingsontwikkeling met groene long. De ontwikkeling dient kernversterkend te zijn en moet tot in de details ontwikkeld worden met aandacht voor harmonie met de huidige kern van Tremelo. De landschappelijke basisstructuur zal als foot-print functioneren voor ontwikkeling binnen deze site. Deze foot-print zal worden uitgebuit tot in de details zodat ontwikkeling harmonieert met de bestaande basisstructuur van het gebied. De gemeente selecteert een gedeelte van het zuidelijke lager gelegen deel van de Kalvenne als zone waarvan delen in aanmerking komen voor natuur en landschapsontwikkeling. De oriëntatie van wegen en bouwblokinvullingen dient te worden afgestemd op de hiervoor omschreven basisstructuur. Bij de uitwerking dient gestreefd te worden naar een divers aanbod waarbij niet enkel verschillende woontypologieën naar voor worden geschoven maar, naast een invulling uitsluitend in het kader van doelgroepenbeleid, ook op een goede manier de behoeften en noden op recreatief en handelsvlak, bejaardenhuisvesting en een voldoende aanbod aan kavels voor de jonge eigen bevolking van Tremelo mee worden geïntegreerd. Alleen hierdoor zal de ontwikkeling van dit gebied echt koppelbaar en complementair worden aan de huidig levendige kern van Tremelo. De ontwikkeling van de achterzijde in functie van zowel handel, sociaal woonbeleid, seniorenhuisvesting en recreatie vormt de basisinhoud van de overgang tussen woongebied en woonuitbreidingsgebied. De recreatieve pool voor de gemeente wordt gesitueerd langsheen de nog open ruimte aan de parking Vinneweg en zal aansluiting zoeken via het bestaande voetbalterrein naar een te behouden groenzone voor de kern van Tremelo. Deze groenzone vormt mee een belangrijke basisstapsteen tussen de verschillende groenelementen binnen de gemeente en de zuidelijk gelegen Laakvallei. De ontsluiting van het gebied zal gebeuren via nieuw aan te leggen ontsluitingen in de richting van de Baalsebaan en de Kalvennestraat. Het is niet de bedoeling dat deze ontsluitingen interessant worden voor doorgaand verkeer. Er dienen voldoende trage wegenverbindingen voor fietsers en voetgangers voorzien te worden. X-17.020-7/14 Ecologie en duurzaamheid vormen algemene basiselementen bij de ontwikkeling van dit gebied. Bestaande knelpunten binnen het gebied, zoals bijvoorbeeld de confrontatie met achterkanten, zullen bij de verdere uitwerking omgevormd worden tot opportuniteiten binnen de ontwikkeling van het gebied. Een RUP Kalvenne, met voorafgaand een masterplan, zal opgemaakt worden ter realisatie van deze site. De fiche van het signaalgebied voor Kalvenne waarin onderzocht is welke gebieden omwille van watergevoeligheid minder interessant zijn voor bebouwing en welke gebieden geen problemen ondervinden naar watergevoeligheid en dus bebouwbaar zijn zal meegenomen worden in de verdere uitwerking binnen het masterplan en RUP Kalvenne.” 19.
  33. In het richtinggevende gedeelte van het GRS is gesteld dat “delen” van “het zuidelijke lager gelegen deel van de Kalvenne […] in aanmerking komen voor natuur en landschapsontwikkeling”. Daarnaast laat het richtinggevende gedeelte van het GRS toe dat ook andere delen van het betrokken woonuitbreidingsgebied deel kunnen uitmaken van de “te behouden groenzone”. Verzoekers gaan aan dit laatste ten onrechte voorbij. Verzoekers betwisten niet dat het GRS een groengebied voorziet vanuit zuidoostelijke richting. Anders dan verzoekers in hun memorie van wederantwoord aannemen, doet het GRS geen uitspraak over de omvang van het laatstgenoemde groengebied. Het blijkt niet dat door het oosten van het betrokken woonuitbreidingsgebied – en met name verzoekers’ percelen – groen in te kleuren, afgeweken is van het GRS. 20.
  34. Artikel 1.1.4 VCRO luidt: “De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit.” X-17.020-8/14 Uit de voormelde beginselbepaling volgt dat de diverse binnen artikel 1.1.4 VCRO bedoelde behoeften en de daarmee gepaard gaande aanspraken op de ruimte evenwichtig en gelijktijdig tegen mekaar moeten worden afgewogen en dat bij deze afweging onder meer rekening dient te worden gehouden met de gevolgen voor het leefmilieu. Uit de wetsgeschiedenis van de meergenoemde beginselbepaling blijkt dat bij de gelijktijdige onderlinge afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten één bepaalde behoefte zwaarder kan doorwegen in een bepaalde situatie. Een bepaalde ruimtelijke behoefte kan derhalve na afweging in een bepaalde situatie niet noodzakelijk voorkomen als gelijkwaardig aan een andere ruimtelijke behoefte. 20.
  35. Door voor verzoekers’ percelen een groene bestemming te kiezen heeft de plannende overheid voorrang gegeven aan de ecologie, die in het bindend gedeelte van het GRS wordt aangemerkt als een belangrijk basiselement voor de ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse (randnr. 19.1). De Gecoro heeft deze keuze uitvoerig verantwoord. Daarbij overweegt de Gecoro dat er een grote bezorgdheid is bij de bevolking over het verdwijnen van het groen dicht bij de kern en dat er een groot draagvlak is bij de bevolking om dit groen zoveel mogelijk te bewaren. Specifiek met betrekking tot het vereiste evenwicht tussen wonen en andere functies stelt de Gecoro dat er in de kern nood is aan natuur en bereikbaar groen om naar een kwalitatieve kernversterking te streven. Gezien de beperkte nood aan wonen in de gemeente voor de private markt, kan niet heel het betrokken woonuitbreidingsgebied worden omgezet naar wonen. De Gecoro besluit dat het individuele belang van enkele eigenaars niet opweegt tegen het maatschappelijk belang bij het behoud van het groen. Uit wat verzoekers aanvoeren blijkt niet dat er geen afdoende motieven zouden zijn voor de groene inkleuring van het oostelijke deel van het betrokken woonuitbreidingsgebied. X-17.020-9/14
  36. De conclusie is dat verzoekers er niet van overtuigen dat het bestreden gemeentelijk RUP ongemotiveerd zou afwijken van het GRS of de aangevoerde rechtsregels anderszins zou schenden.
  37. Het eerste middel wordt verworpen. V. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel 23.
  38. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 4.2.1 en 4.2.3, §§ 1 en 2, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids- en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 23.
  39. Verzoekers stellen dat er voor het bestreden gemeentelijk RUP een volwaardig plan-milieueffectrapport (hierna: plan-MER) opgemaakt had moeten worden. Volgens verzoekers gaat het hier immers geenszins om een klein gebied van lokaal belang. De door het bestreden gemeentelijk RUP nagestreefde stelselmatige aangroei van wonen, handel, recreatie en gemeenschapsvoorzieningen, aansluitend of in de nabijheid van het bestaande reeds belastende woon- en handelscentrum met gemeenschapsvoorzieningen (onder andere verschillende scholen, het zwembad en tal van handelszaken aan de Veldonkstraat, Kruisstraat, Schrieksebaan, Werchtersebaan) in de nabijheid van residentiële wijken, leidt ertoe dat geen klein gebied aan de orde is, noch een gebied van louter lokaal belang. Daar waar bijvoorbeeld een gebied van 7 ha als klein beschouwd zou kunnen worden, betreft het in casu 32 ha. In het administratief dossier is sprake van een omvangrijk woonuitbreidingsgebied. Tot slot is het volgens verzoekers meer dan waarschijnlijk dat de drempel van de 5.000 m² handelsruimte wordt overschreden, hetgeen een indicatie uitmaakt dat er geen sprake is van een klein gebied van lokaal belang. X-17.020-10/14
  40. In hun laatste memorie voegen de verzoekers toe dat de eerste verwerende partij faalt in haar bewijslast dat het bestreden gemeentelijk RUP geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Beoordeling
  41. In zoverre de schending wordt aangevoerd van de motiveringswet is het middel onontvankelijk om de in randnummer 18 vermelde reden.
  42. Het toentertijd geldende artikel 4.2.3, §§ 2 en 3, DABM luidt: “Art. 4.2.
  43. §
  44. Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, eerste lid, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat niet het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau, noch een kleine wijziging inhoudt, moet een plan-MER worden opgemaakt, wanneer: 1° het plan of programma betrekking heeft op landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme, ruimtelijke ordening of grondgebruik, en het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project opgesomd in bijlagen I, II en III van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van categorieën van projecten onderworpen aan milieu-effectrapportage; 2° voor een ander plan of programma dan deze vermeld onder 1°, de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, niet aantoont dat dit plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten. §
  45. Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhoudt, moet geen plan-MER worden opgemaakt voor zover de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, aantoont dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten.” Om wettig gebruik te kunnen maken van de in artikel 4.2.3, § 3, DABM bedoelde afwijkingsmogelijkheid van de principiële plan-MER-plicht, moet cumulatief aan twee voorwaarden worden voldaan: X-17.020-11/14 1°) het plan of programma moet het gebruik bepalen van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhouden (hierna: de eerste voorwaarde van artikel 4.2.3, § 3, DABM). 2°) de initiatiefnemer moet aantonen dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben (hierna: de tweede voorwaarde van artikel 4.2.3, § 3, DABM).
  46. Door pas in hun laatste memorie voor te houden dat niet voldaan is aan de tweede voorwaarde van artikel 4.2.3, § 3, DABM, geven verzoekers aan het middel een laattijdige en bijgevolg onontvankelijke nieuwe grondslag.
  47. Ten onrechte gaan verzoekers er in hun verzoekschrift van uit dat de eerste voorwaarde van artikel 4.2.3, § 3, DABM zou inhouden dat het moet gaan om “een klein gebied van louter lokaal belang”. Te dezen is afgeweken van de principiële plan-MER-plicht omdat – zoals in de screeningsnota van 2015 is betoogd en door de dienst Mer werd aanvaard – het betrokken gemeentelijk RUP – met de woorden van de eerste voorwaarde van artikel 4.2.3, § 3, DABM – “het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau”.
  48. Naar analogie met hetgeen het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld heeft in zijn arrest nr. C ‑ 444/15 van 21 december 2016 Associazione Italia Nostra Onlus, neemt de Raad van State over de draagwijdte van de woordengroep “een klein gebied op lokaal niveau” het volgende aan: - in overeenstemming met zijn in de omgangstaal gebruikelijke betekenis verwijst het bijvoeglijk naamwoord “klein” naar de omvang van het gebied; de omvang van het gebied kan slechts worden begrepen als een zuiver kwantitatief criterium, namelijk de oppervlakte van het gebied waarop het bedoelde plan betrekking heeft, ongeacht de milieueffecten; - het begrip “lokaal niveau” verwijst naar een bestuursniveau en meer bepaald naar een lokale bestuursinstantie en - de omvang van het betrokken gebied moet – in vergelijking met het grondgebied X-17.020-12/14 van de lokale bestuursinstantie – gering zijn.
  49. De argumentatie van verzoekers als zou het betrokken plan om kwalitatief-inhoudelijke redenen een bovenlokaal belang hebben, gaat voorbij aan de – in het vorige randnummer beschreven – draagwijdte van de woordengroep “een klein gebied op lokaal niveau” en mist daardoor pertinentie. Verder gaan verzoekers er aan voorbij dat, daar waar in het administratief dossier verwezen wordt naar een omvangrijk woonuitbreidingsgebied, dit het woonuitbreidingsgebied tussen de Diestsebaan, de Veldonkstraat, de Schrieksebaan en de Baalsebaan betreft, waarvan het betrokken woonuitbreidingsgebied slechts een deel is. Met de enkele vermelding van de oppervlakte van het betrokken gebied tonen de verzoekers niet aan dat de omvang ervan – in vergelijking met het grondgebied van de lokale bestuursinstantie – niet gering zou zijn.
  50. De conclusie is dat verzoekers niet aannemelijk maken dat er geen wettig gebruik gemaakt is van de in artikel 4.2.3, § 3, DABM bedoelde afwijkingsmogelijkheid of dat de aangevoerde rechtsregels anderszins zijn geschonden.
  51. Het tweede middel wordt verworpen. VI. Conclusie
  52. De verwerping van alle aangevoerde middelen brengt mee dat het beroep hoe dan ook in zijn geheel moet worden verworpen. X-17.020-13/14 BESLISSING
  53. De Raad van State verwerpt het beroep.
  54. Verzoekers worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan elk van de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig april tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.020-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.467 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.