id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.468 Rolnummer: A. 223368/X-17027 Zaak: Arrest 247468 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 29/04/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-04-29 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-26 03:24 Fiche Arrest nr 247.468 van 29 april 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 247.468 van 29 april 2020 in de zaak A. 223.368/X-17.027 In zake :
- Koen DE KEERSMAEKER
- Melissa BLOCH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de GEMEENTE TREMELO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jo Van Lommel en Yves Loix kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingediend op 21 september 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 18 mei 2017 van de gemeenteraad van de gemeente Tremelo houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Kalvenne’, met bijhorend onteigeningsplan (hierna: het bestreden gemeentelijk RUP). X-17.027-1/25 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. Verzoekers en de verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 januari
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sophie Aerts, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor verzoekers, advocaat Fatema Hosseini, die loco advocaten Jo Van Lommel en Yves Loix verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven bestemt het overgrote deel van het binnengebied tussen de Diestsebaan, de Veldonkstraat, de Schrieksebaan en de Baalsebaan te Tremelo tot woonuitbreidingsgebied. Een deel van dit woonuitbreidingsgebied ligt tussen de X-17.027-2/25 Kalvennestraat, de Processieweg, de Astridstraat, de Schrieksebaan en de Baalsebaan (hierna: het betrokken woonuitbreidingsgebied). Verzoekers zijn eigenaars van de te Tremelo gelegen percelen, kadastraal gekend als afdeling 1, sectie C, nrs. 272/k en 272/l. Het perceel nr. 272/k, met daarop verzoekers’ woning, paalt aan de Kalvennestraat (hierna: verzoekers’ woonperceel). Achter verzoekers’ woonperceel ligt het perceel nr. 272/l, dat volgens de in de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP opgenomen kaart van de feitelijke toestand “(grotendeels) bebost” is (hierna: verzoekers’ bosperceel). Achter verzoekers’ bosperceel ligt het perceel nr. 274/l dat volgens dezelfde kaart eveneens “(grotendeels) bebost” is (hierna: het achtergelegen bosperceel). Verzoekers’ woonperceel en het oostelijke deel van verzoekers’ bosperceel zijn krachtens het gewestplan Leuven gelegen in woongebied. Het westelijk deel van verzoekers’ bosperceel, evenals het achtergelegen bosperceel zijn gelegen in de noordoostelijke hoek van het betrokken woonuitbreidingsgebied. Zoals bevestigd wordt door de voornoemde kaart, loopt ongeveer in het midden van het betrokken woonuitbreidingsgebied een beek van noord naar zuid, die gekoppeld is aan het grachtenstelsel in het zuidoostelijke deel van dit gebied (hierna: de beek met koppeling naar het zuidoostelijke grachtenstelsel). 4.
- In 2014 neemt de eerste verwerende partij het initiatief om voor de ontwikkeling van het betrokken woonuitbreidingsgebied een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken. 4.
- Er wordt een voorontwerp van grafisch plan opgemaakt, dat verzoekers’ woonperceel en het oostelijke deel van verzoekers’ bosperceel in woongebied legt. Het voorontwerp herbestemt onder meer het achtergelegen bosperceel tot “groenzone met recreatief medegebruik” (hierna: de noordoostelijke groenzone) en wijzigt niets aan de gewestplanbestemming X-17.027-3/25 woonuitbreidingsgebied van het westelijk deel van verzoekers’ bosperceel. 5.
- In opdracht van de eerste verwerende partij wordt het onderzoek naar de mogelijke milieueffecten van het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan aangevat. Daartoe worden meerdere adviezen ingewonnen. 5.
- Op 3 juli 2014 geeft het agentschap voor Natuur en Bos van het Vlaamse Gewest – Vlaams-Brabant (hierna: het ANB) advies over het ontwerp van screeningsnota. In dit advies merkt het ANB op dat door het behoud van de gewestplanbestemming woonuitbreidingsgebied in de noordoostelijke hoek een planologisch onlogische situatie kan ontstaan, wanneer geoordeeld zou worden dat in die hoek “een natuurfunctie” gewenst is. 5.
- Op 9 december 2014 maakt de eerste verwerende partij een nota met betrekking tot de milieueffecten (hierna: de screeningsnota van 2014) over aan de dienst Milieueffectrapportagebeheer van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer). 5.
- Op 12 januari 2015 laat de dienst Mer aan de eerste verwerende partij weten dat in de screeningsnota van 2014 onvoldoende geantwoord is op een aantal vragen van de adviesinstanties. 5.
- Op 2 maart 2015 maakt de eerste verwerende partij een aangepaste nota met betrekking tot de milieueffecten (hierna: de screeningsnota van 2015) over aan de dienst Mer.
- Op 11 maart 2015 neemt de dienst Mer een beslissing over de screeningsnota van 2015, waarin het volgende wordt gesteld: “Zoals u in het dossier aangeeft, komt het RUP in aanmerking voor een onderzoek tot milieueffectrapportage. De doelstelling en reikwijdte van het plan worden beschreven in de screeningsnota. Het RUP heeft als doel een nog onbenut woonuitbreidingsgebied aansluitend bij de kern van Tremelo, te ontwikkelen. Bij de ontwikkeling van dit gebied zal ruimte voorzien worden X-17.027-4/25 voor verschillende functies: wonen, handel, recreatie en natuur. Het screeningsdossier (bestaande uit de screeningsnota, de adviezen en de verwerking van de adviezen) bevat de nodige informatie over het voorgenomen plan en heeft de relevante milieudisciplines besproken. Verscheidene adviesinstanties hebben opmerkingen over de beschrijving en beoordeling van de milieueffecten van het plan. Op 9 december 2014 werd een eerste versie van het screeningsdossier ingediend. Op 12 januari 2015 liet de dienst Mer weten dat er onvoldoende was tegemoetgekomen aan een aantal vragen uit de adviezen. Op 2 maart 2015 werd een aangepaste versie van het screeningsdossier ontvangen. De opmerkingen werden op een voldoende wijze beantwoord of weerlegd in deze versie van het screeningsdossier via een bijlage bij de screeningsnota en via een aanpassing van de screeningsnota, zodat het screeningsdossier voldoende informatie bevat om een correcte inschatting m.b.t. de milieueffecten te kunnen maken. In het screeningsdossier wordt duidelijk aangetoond dat de milieueffecten die het plan genereert niet van die aard zijn dat ze als aanzienlijk beschouwd moeten worden. Enkele adviesinstanties hebben ook opmerkingen over het plan zelf. Opmerkingen die geen betrekking hebben op de beschrijving en beoordeling van de milieueffecten, maar die een suggestie inhouden om het plan te verbeteren hebben echter geen impact op de beoordeling van de aanzienlijkheid van de milieueffecten van het plan. De initiatiefnemer beschikt in het kader van de plan-m.e.r.-screening over de vrije keuze om al dan niet in te gaan op deze opmerkingen. Rekening houdend met het bovenvermelde kunnen wij concluderen dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is.”
- Op 30 november 2015 wordt een plenaire vergadering gehouden over het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Kalvenne’. Na een tussenkomst van de vertegenwoordiger van het ANB beslist de plenaire vergadering om, ten opzichte van het voorontwerp van grafisch plan (randnr. 4.2), de noordoostelijke groenzone te verbreden, zodat ze – onder meer op het westelijke deel van verzoekers’ bosperceel – in de plaats komt van de gewestplanbestemming woonuitbreidingsgebied.
- Op 24 maart 2016 stelt de gemeenteraad van de eerste verwerende partij het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Kalvenne’, met inbegrip van het onteigeningsplan, voorlopig vast. X-17.027-5/25
- Tijdens het van 21 april tot 20 juni 2016 georganiseerde openbaar onderzoek wordt onder meer door verzoekers een bezwaarschrift ingediend.
- Op 28 juni 2016 stelt het college van burgemeester en schepenen van de eerste verwerende partij vast dat tijdens het openbaar onderzoek niet de meest recente versie van de screeningsnota ter inzage werd gelegd. Het college beslist het ruimtelijk uitvoeringsplan opnieuw voor de gemeenteraad te brengen.
- Op 25 oktober 2016 wordt opnieuw een plenaire vergadering gehouden omtrent het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Kalvenne’.
- Op 22 december 2016 stelt de gemeenteraad van de eerste verwerende partij het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Kalvenne’, met inbegrip van het onteigeningsplan, opnieuw voorlopig vast.
- Tijdens het van 19 januari tot 19 maart 2017 georganiseerde openbaar onderzoek wordt onder meer door verzoekers een bezwaarschrift ingediend.
- Op 2 mei 2017 bundelt en coördineert de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: Gecoro) alle adviezen, bezwaren en opmerkingen en brengt zij een voorwaardelijk gunstig advies uit. 15.
- Bij besluit van 18 mei 2017 stelt de gemeenteraad van de eerste verwerende partij het gemeentelijk RUP ‘Kalvenne’ definitief vast. Dit is het bestreden besluit, waarvan melding wordt gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 juli
- 15.
- Het grafisch plan van het bestreden gemeentelijk RUP neemt verzoekers’ woonperceel, evenals het oostelijke deel van verzoekers’ bosperceel op in de “Zone voor bestaande bebouwing”, met als hoofdbestemming wonen X-17.027-6/25 (artikel 1.1 van de stedenbouwkundige voorschriften). Hetzelfde grafisch plan herbestemt de noordoostelijke hoek van het betrokken woonuitbreidingsgebied, en met name het westelijk deel van verzoekers’ bosperceel evenals het achtergelegen bosperceel, tot “zone voor natuur met recreatief medegebruik”. Het westelijk deel van verzoekers’ bosperceel wordt opgenomen in het onteigeningsplan. IV. Het zesde middel Uiteenzetting van het middel 16.
- In het zesde middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2.2.13, § 2, en 2.1.2, §§ 2 en 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (hierna: het GRS), het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alsook wordt de ontstentenis van de rechtens vereiste juridische en feitelijke grondslag aangevoerd. 16.
- Verzoekers stellen dat het woonuitbreidingsgebied met “groene long” plots is gewijzigd en omgevormd tot natuur met recreatief medegebruik, hetgeen niet overeenstemt met het GRS. De herbestemming van het woonuitbreidingsgebied naar een zone voor natuur met recreatief medegebruik vormt, aldus verzoekers, een afwijking op zowel het richtinggevend gedeelte als het bindend gedeelte van het GRS en de verwerende partij kon zich hierbij niet beroepen op de afwijkingsmogelijkheden die werden opgenomen in artikel 2.1.2, §§ 2 en 3, VCRO, omdat het in onderhavige situatie niet gaat om het verwezenlijken van een bindend sociaal objectief en er ook geen sprake is van onvoorzienbare ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. X-17.027-7/25 Uit het GRS blijkt volgens verzoekers overduidelijk dat een gedeelte van het woonuitbreidingsgebied zou aansluiten bij de kern van Tremelo en slechts het zuidoostelijke deel van het betrokken woonuitbreidingsgebied zou worden aangewend voor natuur en landschapsontwikkeling. Door het noordoostelijk deel van het woonuitbreidingsgebied te herbestemmen naar natuur met recreatief medegebruik is niet aan de visie van de gemeente tegemoet gekomen. Zo is er geen sprake van bebouwing met “groene long”, aangezien bebouwing voor woonfunctie niet meer zal worden toegelaten.
- In hun laatste memorie stellen verzoekers dat het begin 2014 opgemaakte voorontwerp van grafisch plan bevestigt dat de in het GRS bedoelde “groene long” uitsluitend in het zuidoostelijke – lagergelegen – deel van de Kalvenne gesitueerd zou worden. Beoordeling 18.
- Het bindend gedeelte van het GRS voorziet het opstellen van een RUP Kalvenne: “3.1 Ruimtelijke uitvoeringsplannen Opstellen van een RUP Kalvenne
- Het RUP Kalvenne zal mogelijkheden uitwerken in het kader van een gefaseerde ontwikkeling van een grootschalig gebied waarin zowel handel, recreatie, groen en landschapszone, bejaardenhuisvesting, sociaal wonen als een bescheiden woonaanbod voor de eigen bevolking gerealiseerd kan worden. Belangrijk hierin is dat ecologie en duurzaamheid belangrijke basiselementen zijn bij de ontwikkelingen van dit gebied. De effectieve afbakening van het RUP zal onderdeel uitmaken van de opmaak van het RUP Kalvenne zelf.” 18.
- In overeenstemming met het bindend gedeelte van het GRS is één van de basiselementen van het bestreden gemeentelijk RUP de aandacht voor ecologie. Eveneens in overeenstemming met dit bindend gedeelte voorzien de artikelen 12 en 13 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP in een gefaseerde ontwikkeling. X-17.027-8/25 19.
- Blijkens de richtinggevende bepalingen van het GRS is één van de algemene basisdoelstellingen voor de gewenste ruimtelijke structuur: “Ontwikkelingsmogelijkheden bieden aan Tremelo-kern ter realisatie van een kwaliteitsvol centrum De aansnijding van Kalvenne zal bijdragen in de kwalitatieve ontwikkeling van de kern van Tremelo en instaan voor de opvang van behoeften aan multifunctionele sportgelegenheid, aan de uitbreiding voor detailhandel, sociale woningbouw, seniorenhuisvesting, kavels voor bescheiden woonaanbod en ruimte voor natuur en landschap.” De ontwikkelingsperspectieven voor Kalvenne worden als volgt beschreven in de richtinggevende bepalingen van het GRS: “Ontwikkelingsperspectieven Kalvenne In het kader van de uitwerking kernvisie voor Tremelo is het nuttig een beeld te schetsen van een aanzet voor een toekomstige ontwikkelingsstructuur van de Kalvenne. Uit de bestaande toestand is gebleken dat het om een zeer grootschalig woonuitbreidingsgebied gaat dat zeer nauw aansluit bij de huidige kern van Tremelo. Een gedeelte van Kalvenne zal dus ook wezenlijk onderdeel gaan uitmaken van de kern van Tremelo. Andere delen sluiten gevoelsmatig en ook ruimtelijk dan weer meer aan bij het perifere gebied van Tremelo. De toekomstige ontwikkeling van Kalvenne zal in fasen verlopen, doch op basis van een totaalstructuur. […]. Voor Kalvenne zien we algemeen een bebouwingsontwikkeling met groene long. De ontwikkeling dient kernversterkend te zijn en moet tot in de details ontwikkeld worden met aandacht voor harmonie met de huidige kern van Tremelo. De landschappelijke basisstructuur zal als foot-print functioneren voor ontwikkeling binnen deze site. Deze foot-print zal worden uitgebuit tot in de details zodat ontwikkeling harmonieert met de bestaande basisstructuur van het gebied. De gemeente selecteert een gedeelte van het zuidelijke lager gelegen deel van de Kalvenne als zone waarvan delen in aanmerking komen voor natuur en landschapsontwikkeling. De oriëntatie van wegen en bouwblokinvullingen dient te worden afgestemd op de hiervoor omschreven basisstructuur. Bij de uitwerking dient gestreefd te worden naar een divers aanbod waarbij niet enkel verschillende woontypologieën naar voor worden geschoven maar, naast een invulling uitsluitend in het kader van doelgroepenbeleid, ook op een goede manier de behoeften en noden op recreatief en handelsvlak, bejaardenhuisvesting en een voldoende aanbod aan kavels voor de jonge eigen bevolking van Tremelo mee worden geïntegreerd. Alleen hierdoor zal de ontwikkeling van dit gebied echt koppelbaar en complementair worden aan de huidig levendige kern van Tremelo. X-17.027-9/25 De ontwikkeling van de achterzijde in functie van zowel handel, sociaal woonbeleid, seniorenhuisvesting en recreatie vormt de basisinhoud van de overgang tussen woongebied en woonuitbreidingsgebied. De recreatieve pool voor de gemeente wordt gesitueerd langsheen de nog open ruimte aan de parking Vinneweg en zal aansluiting zoeken via het bestaande voetbalterrein naar een te behouden groenzone voor de kern van Tremelo. Deze groenzone vormt mee een belangrijke basisstapsteen tussen de verschillende groenelementen binnen de gemeente en de zuidelijk gelegen Laakvallei. De ontsluiting van het gebied zal gebeuren via nieuw aan te leggen ontsluitingen in de richting van de Baalsebaan en de Kalvennestraat. Het is niet de bedoeling dat deze ontsluitingen interessant worden voor doorgaand verkeer. Er dienen voldoende trage wegenverbindingen voor fietsers en voetgangers voorzien te worden. Ecologie en duurzaamheid vormen algemene basiselementen bij de ontwikkeling van dit gebied. Bestaande knelpunten binnen het gebied, zoals bijvoorbeeld de confrontatie met achterkanten, zullen bij de verdere uitwerking omgevormd worden tot opportuniteiten binnen de ontwikkeling van het gebied. Een RUP Kalvenne, met voorafgaand een masterplan, zal opgemaakt worden ter realisatie van deze site. De fiche van het signaalgebied voor Kalvenne waarin onderzocht is welke gebieden omwille van watergevoeligheid minder interessant zijn voor bebouwing en welke gebieden geen problemen ondervinden naar watergevoeligheid en dus bebouwbaar zijn zal meegenomen worden in de verdere uitwerking binnen het masterplan en RUP Kalvenne.” 19.
- In het richtinggevende gedeelte van het GRS is gesteld dat “delen” van “het zuidelijke lager gelegen deel van de Kalvenne […] in aanmerking komen voor natuur en landschapsontwikkeling”. Daarnaast laat het richtinggevende gedeelte van het GRS toe dat ook andere delen van het betrokken woonuitbreidingsgebied deel kunnen uitmaken van de “te behouden groenzone”. Verzoekers gaan aan dit laatste ten onrechte voorbij. Door de noordoostelijke hoek van het betrokken woonuitbreidingsgebied – en met name het westelijk deel van verzoekers’ bosperceel – groen in te kleuren, wijkt het bestreden gemeentelijk RUP niet af van het GRS.
- Het in de laatste memorie van verzoekers aangehaalde argument (randnr. 17) overtuigt niet, al was het maar omdat op het begin 2014 opgemaakte X-17.027-10/25 voorontwerp van grafisch plan een noordoostelijke groenzone is ingetekend, waarin onder meer het achtergelegen bosperceel is opgenomen (randnr. 4.2).
- Het zesde middel wordt verworpen. V. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel 22.
- Het tweede middel wordt genomen uit de schending van artikel 4.2.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM) en van het zorgvuldigheids- en het materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alsook uit de “ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”. 22.
- Volgens verzoekers is ten onrechte geoordeeld dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Verzoekers stellen dat in de screeningsnota maar liefst voor acht van de tien onderzochte disciplines maatregelen worden voorgesteld. Volgens verzoekers toont alleen al de noodzaak tot het nemen van deze “milderende” maatregelen aan dat het plan wel degelijk aanzienlijke milieueffecten zal veroorzaken. Talrijke maatregelen die in de opmaakdocumenten bij het bestreden gemeentelijk RUP zijn voorgesteld, werden geenszins doorvertaald in de stedenbouwkundige voorschriften. Concreet gaat het bijvoorbeeld over de in het westelijk deel van het betrokken woonuitbreidingsgebied aan te leggen grachten, die volgens de screeningsnota gekoppeld moeten worden aan het bestaande grachtenstelsel in het lager gelegen zuidoostelijke deel, om overtollig regenwater daar te laten infiltreren. In de stedenbouwkundige voorschriften voor de bouwzones in het westen is echter nergens sprake van een koppeling met de grachten in het zuidoostelijke deel. X-17.027-11/25 Verzoekers vervolgen dat de screeningsnota in elk geval steunt op achterhaalde gegevens, zodat met die nota geen rekening mocht worden gehouden bij de definitieve vaststelling van het gemeentelijk RUP. Meer bepaald is noch in de milieueffectbeoordeling, noch in het bijgevoegde mobiliteitseffectrapport rekening gehouden met de groene inkleuring van de noordoostelijke hoek van het betrokken woonuitbreidingsgebied. De dienst Mer heeft enkel kunnen oordelen over het voorontwerp van grafisch plan, waarop inzonderheid verzoekers’ bosperceel de bestemming woonuitbreidingsgebied van het gewestplan behield. Verzoekers benadrukken dat het laatstgenoemde grafisch plan aanzienlijk verschilt van het grafisch plan bij het definitief vastgestelde gemeentelijk RUP, waarop hun bosperceel de bestemming “zone voor natuur met recreatief medegebruik” krijgt. Beoordeling 23.
- Anders dan verzoekers voorhouden bevat het bestreden gemeentelijk RUP om de hiernavolgende redenen geen lacune inzake de koppeling van de waterafvoer van de westelijk gelegen bouwzones met het zuidoostelijke grachtenstelsel. De artikelen 2.5, 3.1.5, 3.2.5, 3.3.5 en 3.4.5 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP handelen uitdrukkelijk over de buffering van het water van de verharde oppervlakten en geprojecteerde dakoppervlakten in de westelijk gelegen bouwzones langs de aan te leggen wegenis en in de aangrenzende oostelijke groene zone. De op het grafisch plan in overdruk aangeduide aslijnen van aan te leggen wegen, met aanhorigheden zoals grachten (artikelen 9 en 10), sluiten aan op de beek met koppeling naar het zuidoostelijke grachtenstelsel. Aldus is er wel degelijk sprake van een koppeling van de afwatering van de westelijk gelegen bouwzones langs de nieuwe wegen met het laatstgenoemde grachtenstelsel. 23.
- Verzoekers algemene verwijzing naar niet nader genoemde maatregelen, die niet correct zouden zijn doorvertaald in de stedenbouwkundige X-17.027-12/25 voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP, kan er niet van overtuigen dat de aangevoerde rechtsregels werden geschonden. 24.
- De vraag naar de mogelijke milieueffecten van de herbestemmingen binnen het betrokken woonuitbreidingsgebied heeft het voorwerp uitgemaakt van een screeningsdossier dat niet enkel het voorontwerp van grafisch plan, maar ook de tekst van de screeningsnota en zijn bijlagen, de ingewonnen adviezen van de overheidsinstanties en de uiteindelijke beslissing van de dient Mer omvat. Om te beoordelen of de screening deugdelijk is uitgevoerd moet men acht slaan op het geheel van het screeningsdossier. 24.
- Door de noordoostelijke hoek van het betrokken woonuitbreidingsgebied en met name het westelijk deel van verzoekers’ bosperceel, groen in te kleuren is de plannende overheid ingegaan op een suggestie van het ANB. Het ANB heeft deze suggestie voor het eerst gedaan in zijn advies van 3 juli 2014 (randnr. 5.2). Uit de gegevens van de zaak (randnr. 6) blijkt dat de dienst Mer, toen hij op 11 maart 2015 besliste, kennis had van de laatstgenoemde suggestie en deze bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Aldus kon de dienst Mer zich dienstig uitspreken over de (gesuggereerde groene inkleuring van de) noordoostelijke hoek van het betrokken woonuitbreidingsgebied. 24.
- In het licht van het voorgaande is het ten onrechte dat verzoekers uit het enkele feit dat er een verschil is tussen het voorontwerp van grafisch plan (randnr. 4.2) en het grafisch plan bij het definitief vastgestelde gemeentelijk RUP (randnr. 15.2), afleiden dat de verwerende partijen bij de screening van de milieu- en de mobiliteitseffecten de aangevoerde rechtsregels geschonden zouden hebben.
- Het tweede middel wordt verworpen. X-17.027-13/25 VI. Het eerste middel Uiteenzetting van het middel 26.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 3.2 en 3.3 van de richtlijn 2011/42/EG [lees: 2001/42/EG] van 27 juni 2001 ‘betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s’ en van de artikelen 4.2.1 en 4.2.3, § 2, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), alsook uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en uit de “ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”. 26.
- Verzoekers stellen dat er voor het bestreden gemeentelijk RUP een volwaardig plan-milieueffectrapport (hierna: plan-MER) opgemaakt had moeten worden. Volgens verzoekers gaat het hier, in tegenstelling tot wat de verwerende partijen hebben aangenomen, immers geenszins om een klein gebied van lokaal belang. De door het bestreden gemeentelijk RUP nagestreefde stelselmatige aangroei van wonen, handel, recreatie en gemeenschapsvoorzieningen, aansluitend of in de nabijheid van het bestaande reeds belastende woon- en handelscentrum met gemeenschapsvoorzieningen (onder andere verschillende scholen, het zwembad en tal van handelszaken aan de Veldonkstraat, Kruisstraat, Schrieksebaan, Werchtersebaan) in de nabijheid van residentiële wijken, leidt ertoe dat geen klein gebied aan de orde is, noch een gebied van louter lokaal belang. Het bovenlokaal belang van het bestreden gemeentelijk RUP blijkt volgens verzoekers ook hieruit dat meer dan waarschijnlijk de drempel van de 5.000 m² handelsruimte wordt overschreden.
- In hun laatste memorie voegen verzoekers toe dat zij in hun tweede middel aantonen dat niet blijkt dat het bestreden gemeentelijk RUP geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. X-17.027-14/25 Beoordeling
- In zoverre de argumentatie van het tweede middel hernomen wordt, wordt verwezen naar de verwerping van dit middel hiervoor.
- Het toentertijd geldende artikel 4.2.3, §§ 2 en 3, DABM luidt: “Art. 4.2.
- §
- Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, eerste lid, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat niet het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau, noch een kleine wijziging inhoudt, moet een plan-MER worden opgemaakt, wanneer: 1° het plan of programma betrekking heeft op landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme, ruimtelijke ordening of grondgebruik, en het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project opgesomd in bijlagen I, II en III van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van categorieën van projecten onderworpen aan milieu-effectrapportage; 2° voor een ander plan of programma dan deze vermeld onder 1°, de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, niet aantoont dat dit plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten. §
- Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhoudt, moet geen plan-MER worden opgemaakt voor zover de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, aantoont dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten.”
- Ten onrechte gaan verzoekers ervan uit dat artikel 4.2.3, § 3, DABM als voorwaarde voor een afwijking van de principiële plan-MER-plicht zou eisen dat het moet gaan om “een klein gebied van lokaal belang”. Te dezen is afgeweken van de principiële plan-MER-plicht omdat de verwerende partijen geoordeeld hebben dat het bestreden gemeentelijk RUP – met de woorden van artikel 4.2.3, § 3, DABM – “het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau”. X-17.027-15/25
- Naar analogie met hetgeen het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld heeft in zijn arrest nr. C ‑ 444/15 van 21 december 2016 Associazione Italia Nostra Onlus, neemt de Raad van State over de draagwijdte van de woordengroep “een klein gebied op lokaal niveau” het volgende aan: - in overeenstemming met zijn in de omgangstaal gebruikelijke betekenis verwijst het bijvoeglijk naamwoord “klein” naar de omvang van het gebied; de omvang van het gebied kan slechts worden begrepen als een zuiver kwantitatief criterium, namelijk de oppervlakte van het gebied waarop het bedoelde plan betrekking heeft, ongeacht de milieueffecten; - het begrip “lokaal niveau” verwijst naar een bestuursniveau en meer bepaald naar een lokale bestuursinstantie en - de omvang van het betrokken gebied moet – in vergelijking met het grondgebied van de lokale bestuursinstantie – gering zijn.
- De argumentatie van verzoekers als zou het betrokken plan om kwalitatief-inhoudelijke redenen een bovenlokaal belang hebben, gaat voorbij aan de – in het vorige randnummer beschreven – draagwijdte van de woordengroep “een klein gebied op lokaal niveau” en mist daardoor pertinentie.
- Het eerste middel wordt verworpen. VII. Het derde middel Uiteenzetting van het middel 34.
- Het derde middel wordt genomen uit de schending van de artikelen 2.2.2, § 1, en 2.2.3, § 1, VCRO en van het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids- en het materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alsook uit de “ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”. X-17.027-16/25 34.
- Volgens het middel verduidelijkt artikel 7 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP op geen enkele wijze hoe de “zone voor natuur met recreatief medegebruik”, waartoe het westelijk deel van verzoekers’ bosperceel behoort, ingericht zal worden. Verzoekers schrijven dat er in artikel 7 ook niets is bepaald over “het onderhoud/de bewaring van deze vermeend groene zone”. Noch in artikel 7, noch in de toelichtingsnota wordt verwezen naar bijvoorbeeld een soort van beplantingsplan en/of inrichtingsvoorstel op grond waarvan eenieder zou kunnen inschatten hoe deze parkzone eruit zal zien. Evenmin is er in de parkzone van artikel 7 een bufferstrook voorzien, niettegenstaande deze zone rechtstreeks grenst aan een aantal woonpercelen in de Kalvennestraat, waaronder verzoekers’ woonperceel. Daardoor is de privacy en de veiligheid van verzoekers in gevaar. Het is volstrekt onduidelijk of er een vorm van controle zal zijn op de recreanten in het parkgebied, of het park 24u/24u open zal zijn, dan wel of het park op bepaalde tijdstippen gesloten zal zijn, enzovoort. Het is even onduidelijk wat er zal gebeuren met de servitudeweg die naast verzoekers’ woonperceel naar verzoekers’ bosperceel loopt. Verzoekers hebben dit alles op omstandige wijze opgeworpen in hun bezwaarschriften, maar daaraan is voorbijgegaan door de planopmakende overheid.
- In hun laatste memorie voegen verzoekers toe dat de rechtsonzekerheid versterkt wordt door de bepaling in artikel 2.1 “zone voor wonen en handel” van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP. De in artikel 2.1 voorziene bijdrage aan een percentage van de ontwikkeling van de parkzone zal blijkbaar mede afhankelijk zijn van de willekeur van een ontwikkelaar. Beoordeling
- In zoverre verzoekers in hun laatste memorie artikel 2.1 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP bekritiseren, geven zij aan het middel een laattijdige en bijgevolg onontvankelijke nieuwe grondslag. X-17.027-17/25
- Het in het verzoekschrift bekritiseerde artikel 7 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP luidt: “4.
- Art. 7 Zone voor natuur met recreatief medegebruik Hoofdcategorie: overig groen – parkgebied Art. 7.1 – Bestemming Deze zone is bestemd voor de ontwikkeling van een multifunctioneel parkgebied. Wandel, fiets-, rust-, spel- en bijhorende parkvoorzieningen zijn toegelaten. Het parkgebied dient te voorzien in een landschappelijke, natuurlijke en passief recreatieve functie. Georganiseerde sport- en spelvelden en bijhorende infrastructuur zijn niet toegelaten. Landbouw is een nevengeschikte functie. Art. 7.2 – bebouwing In het gebied zijn uitsluitend gebouwen toegelaten die noodzakelijk zijn voor het beheer van of het toezicht op het betrokken parkgebied, op voorwaarde dat ze niet samen worden gebruikt als woonverblijf. Het gaat om gebouwen en constructies met een beperkte omvang (schuilplaats, bergplaats voor materiaal, …). Een dergelijke bebouwing kan slechts worden toegelaten voor zover ze landschappelijk inpasbaar is. Art. 7.3 – inrichting en beheer Bij het beheer en instandhouding van deze zone dient rekening te worden gehouden met harmonisch park- en natuurbeheer, natuurtechnische inrichting en een gedifferentieerd maaibeheer. Bij de inrichting van het gebied dient aandacht te worden besteed aan de wijze waarop de beplanting en speelweides vorm geven aan de open ruimte. Er dient een visie te zijn op de ruime landschappelijke inrichting, waarbij de relatie met het oostelijk gelegen natuurgebied zowel functioneel en visueel wordt aangehaald. De inrichting dient in elkaar over te vloeien. Er dient gebruikt gemaakt te worden van streekeigen en standplaatsgeschikte planten. Bestaande kwalitatieve landschappelijke elementen dienen te blijven behouden. Art. 7.4 – toegankelijkheid Voor zover de ruimtelijk-ecologische draagkracht van het gebied niet wordt overschreden, zijn de volgende werken, handelingen en wijzigingen toegelaten: • het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur voor het al dan niet toegankelijk maken van het gebied voor educatief of recreatief medegebruik, waaronder het aanleggen, inrichten of uitrusten van paden voor niet-gemotoriseerd verkeer; • het herstellen, heraanleggen of verplaatsen van bestaande openbare wegen en nutsleidingen. Bestaande openbare wegen en nutsleidingen kunnen worden verplaatst voor zover dat noodzakelijk is voor de kwaliteit van het leefmilieu, het herstel en de ontwikkeling van de natuur en het natuurlijk milieu, de openbare veiligheid of de volksgezondheid. De verharde paden dienen te worden aangelegd in waterdoorlatende materialen. Art. 7.5 – integraal waterbeheer en waterhuishouding X-17.027-18/25 Voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen, zijn werken, handelingen en wijzigingen toegelaten die nodig of nuttig zijn voor het beheersen van overstromingen of het voorkomen van wateroverlast buiten de natuurlijke overstromingsgebieden, voor zover de technieken van natuurtechnische milieubouw worden gehanteerd. Buffering van water vanuit de zones voor wonen A, B, C en D en de zone voor wonen en handel is toegelaten. Art. 7.6 - Voorkooprecht Ter verwezenlijking van deze zone wordt een voorkooprecht toegekend aan de gemeente Tremelo voor de percelen die geheel of gedeeltelijk in deze zone liggen dat een geldingsduur heeft van tien jaar vanaf de inwerkingtreding van het RUP.” Anders dan verzoekers blijkbaar menen, vereist het rechtszekerheidsbeginsel niet dat de hiervoor aangehaalde – reeds vrij gedetailleerde – voorschriften nader aangevuld zouden worden met inrichtings- en beheersvoorschriften of bepalingen omtrent een bufferstrook en de bestaande servitudeweg. Het vereiste van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid van stedenbouwkundige voorschriften verhindert immers niet dat deze voorschriften flexibel kunnen worden opgevat, noch dat deze binnen redelijke grenzen een bepaalde discretionaire bevoegdheid kunnen verlenen aan de vergunningverlenende overheden bij het beoordelen van een concrete aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning.
- Het middel herhaalt de bezwaren uit de tijdens de openbare onderzoeken ingediende bezwaarschriften van verzoekers. De Gecoro heeft deze bezwaren als volgt weerlegd: “De GECORO stelt dat de voorschriften van de zone wel voldoende specifiek zijn. Er worden voorschriften vastgesteld over de bestemming, bebouwing, inrichting, beheer, waterhuishouding en toegankelijkheid. De zone komt overeen met het typevoorschrift parkgebied (uit het Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen (11 april 2008)), de voorgestelde voorschriften zijn meer gedetailleerd dan hetgeen daar door de Vlaamse Overheid wordt voorgesteld. Een gedetailleerd inrichtings- en beheersplan kan bij de verdere uitwerking nog meer zicht geven op de inrichting maar is tijdens het proces van het RUP niet noodzakelijk om een beeld te vormen van wat kan verwacht worden met een parkzone. Het instellen van een bufferzone naar een gebied [met] zachte bestemming is niet nodig. Een uitspraak over een private servitudeweg is een burgerlijke zaak waar het RUP geen uitspraak over moet doen.” X-17.027-19/25 Uit hetgeen verzoekers aanvoeren blijkt niet dat de hiervoor geciteerde verantwoording geen afdoende weerlegging van hun bezwaren zou zijn.
- De conclusie is dat verzoekers er niet van overtuigen dat de voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP rechtsonzeker zouden zijn of de aangevoerde rechtsregels anderszins zouden schenden.
- Het derde middel wordt verworpen. VIII. Het vierde middel Uiteenzetting van het middel 41.
- Het vierde middel wordt genomen uit de schending van artikel 1.1.4 VCRO en van het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids-, het evenredigheids- en het materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alsook uit de “ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”. 41.
- Volgens het middel heeft de plannende overheid geenszins rekening gehouden met de sociale en economische belangen van verzoekers. Hierdoor is een kennelijke wanverhouding ontstaan tussen de rechtens relevante motieven en de op grond ervan genomen beslissing. Uit de opmaakdocumenten blijkt niet dat een deugdelijke afweging is gemaakt tussen, enerzijds, belangen zoals het maatschappelijk belang van het behoud van het groene karakter en, anderzijds, de belangen van omwonenden – zoals verzoekers – die onteigend worden en wier woonperceel rechtstreeks aan een zogenaamd parkgebied zal grenzen. Volgens verzoekers is er enkel en alleen rekening gehouden met het groene karakter van het plangebied. De onteigening van verzoekers’ bosperceel is desastreus, daar verzoekers dit perceel hebben aangekocht omdat het door zijn ligging, grootte en groen karakter perfect geschikt is om hun paarden te stallen. Deze onteigening zal ook financiële nadelige gevolgen hebben. Bovendien wordt X-17.027-20/25 een ongelijke situatie in de hand gewerkt, daar de eigenaars van achtergelegen percelen langs de winkelstraten Schrieksebaan en Grote Bollostraat niet onteigend zullen worden. Verzoekers stellen dat zij volkomen terecht in hun tijdens de openbare onderzoeken ingediende bezwaarschriften gevraagd hebben dat hun woonperceel en hun bosperceel uit de perimeter van het bestreden gemeentelijk RUP gesloten zouden worden. De stelling van de Gecoro dat de aanpassing van de perimeter voor één enkel terrein ruimtelijk niet verdedigbaar is, kan niet dienen als aanvaarbaar motief. Dat er geen enkele belangenafweging heeft plaatsgevonden bij de groene inkleuring van verzoekers’ bosperceel blijkt uit het feit dat de screeningsnota steunt op achterhaalde gegevens, daar deze nota – zoals verzoekers in hun tweede middel hebben aangetoond – geen rekening houdt met die groene inkleuring. De meergenoemde groene inkleuring betreft een plotse en ongemotiveerde wijziging. Beoordeling
- In zoverre verzoekers hun tweede middel herhalen wordt verwezen naar de verwerping van dit middel hiervoor.
- Artikel 1.1.4 VCRO luidt: “De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit.” Artikel 1.1.4 VCRO bepaalt onder meer dat bij de ruimtelijke ordening de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen. X-17.027-21/25 Uit de voormelde beginselbepaling volgt dat de diverse binnen artikel 1.1.4 VCRO bedoelde behoeften en de daarmee gepaard gaande aanspraken op de ruimte evenwichtig en gelijktijdig tegen mekaar moeten worden afgewogen en dat bij deze afweging onder meer rekening dient te worden gehouden met de gevolgen voor het leefmilieu. Uit de wetsgeschiedenis van de meergenoemde beginselbepaling blijkt dat bij de gelijktijdige onderlinge afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten één bepaalde behoefte zwaarder kan doorwegen in een bepaalde situatie. Een bepaalde ruimtelijke behoefte kan derhalve na afweging in een bepaalde situatie niet noodzakelijk voorkomen als gelijkwaardig aan een andere ruimtelijke behoefte.
- Dat de plannende overheid bij het vaststellen van het bestreden gemeentelijk RUP niet – zoals verzoekers voorhouden – “enkel en alleen rekening [heeft] gehouden” met het groene karakter van het plangebied blijkt alleen reeds uit het feit dat dit RUP niet alleen aan verzoekers’ woonperceel maar tevens aan het oostelijk deel van verzoekers bosperceel de hoofdbestemming wonen geeft (randnr. 15.2).
- Het middel herhaalt de bezwaren uit de tijdens de openbare onderzoeken ingediende bezwaarschriften van verzoekers. De Gecoro heeft deze bezwaren uitvoerig weerlegd. Daarbij overweegt de Gecoro dat er een grote bezorgdheid is bij de bevolking over het verdwijnen van het groen dicht bij de kern en dat er een groot draagvlak is bij de bevolking om dit groen zoveel mogelijk te bewaren. Specifiek met betrekking het vereiste evenwicht tussen wonen en andere functies antwoordt de Gecoro dat er in de kern nood is aan natuur en bereikbaar groen om naar een kwalitatieve kernversterking te streven. Gezien de beperkte nood aan wonen in de gemeente voor de private markt, kan niet heel het betrokken woonuitbreidingsgebied worden omgezet naar wonen en om het groene en landelijke karakter van de gemeente te bewaren, acht de Gecoro het nodig een grote groene long te voorzien die gedeeltelijk bereikbaar is voor het publiek. De Gecoro stelt dat het individuele belang van enkele omwonenden niet opweegt X-17.027-22/25 tegen deze maatschappelijke belangen. De Gecoro betwijfelt sterk dat de overlast zou stijgen door de komst van sociale woningen. Specifiek wat de situatie van verzoekers betreft, stelt de Gecoro dat de aanpassing van de perimeter van het gemeentelijk RUP voor één perceel (om paarden te houden) ruimtelijk niet wenselijk is. Wat betreft de achtergelegen percelen langs de Schrieksebaan en Grote Bollostraat wijst de Gecoro er op dat het daar gaat om de aansluiting bij de bestaande woonomgeving van percelen die omgezet worden naar woongebied, wat een andere ruimtelijke situatie is dan die waarin de percelen van verzoekers zich bevinden. Gelet op het voorgaande slagen verzoekers er niet in aannemelijk te maken dat de geviseerde groene inkleuring ontoereikend gemotiveerd zou zijn.
- Het besluit is dat verzoekers met hun betoog geen schending van de ingeroepen rechtsregels aantonen.
- Het vierde middel wordt verworpen. IX. Het vijfde middel Uiteenzetting van het middel 48.
- Het vijfde middel wordt genomen uit de schending van artikel 2.2.14, § 5, VCRO en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het motiverings-, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, alsook uit de “ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”. 48.
- Volgens verzoekers is ten onrechte voorbijgegaan aan de argumentatie die zij hebben opgeworpen in hun tijdens de openbare onderzoeken ingediende bezwaarschriften. Concreet hebben verzoekers aangetoond dat een plan-milieueffectrapport diende opgesteld te worden, dat artikel 7 van de stedenbouwkundige voorschriften geenszins voldoende duidelijk en rechtszeker is X-17.027-23/25 en dat artikel 1.1.4 VCRO geschonden werd. Ook hebben zij aangekaart dat hen geen enkele informatie is meegedeeld over de plannen om hun bosperceel te onteigenen, toen zij dit op 17 oktober 2014 aankochten.
- In hun laatste memorie stellen verzoekers dat de gegrondheid van het middel genoegzaam blijkt uit de gegrondheid van hun eerste, tweede, derde en vierde middel. Beoordeling
- Op 17 oktober 2014, dit is de datum waarop verzoekers hun bosperceel aankochten, was het (ontwerp van) gemeentelijk RUP ‘Kalvenne’ nog niet opgesteld en was zelfs de screeningsnota van 2015 nog niet voorhanden. Het was dus hoe dan ook materieel onmogelijk om verzoekers op 17 oktober 2014 in te lichten over de gevolgen van het (ontwerp van) gemeentelijk RUP en het daarbij horende onteigeningsplan.
- Voor het overige valt het middel samen met hetgeen verzoekers in hun eerste, tweede, derde en vierde middel hebben geargumenteerd. Wat dat betreft wordt verwezen naar de verwerping van deze middelen hiervoor.
- Het vijfde middel wordt verworpen. X. Conclusie
- De verwerping van alle aangevoerde middelen brengt mee dat het beroep hoe dan ook in zijn geheel moet worden verworpen. X-17.027-24/25 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoekers worden, elk voor de helft verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan elk van de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig april tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.027-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.468 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div