id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.469 Rolnummer: A. 224237/X-17103 Zaak: Arrest 247469 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 29/04/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-04-29 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-26 03:24 Fiche Arrest nr 247.469 van 29 april 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 247.469 van 29 april 2020 in de zaak A. 224.237/X-17.103 In zake :
- Wouter MEEUS
- Bram WIJNHOVEN
- Ludwig VAN DAELE
- Stijn D’HOORE
- Barbara CREYTENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 3000 Leuven Vaartstraat 68-70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jo Goethals kantoor houdend te 8800 Roeselare Kwadestraat 151 B/41 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij :
- de NV EXPORTSLACHTHUIS TIELT
- de NV DEBRA-FREEZE
- de NV DEBRA-MEAT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Vandamme kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Heleen Vandermeersch kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4 -------------------------------------------------------------------------------------------------- X-17.103-1/36 I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 15 januari 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 28 september 2017 van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Slachthuis Tielt’. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Exportslachthuis Tielt, de nv Debra-Freeze en de nv Debra-Meat hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 27 februari
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen, de verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 februari
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Renee Buysse, die loco advocaat Johan Verstraeten verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Jo Goethals, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Heleen Vandermeersch, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. X-17.103-2/36 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Het slachthuis van Tielt (nv Exportslachthuis Tielt) ligt in de provincie West-Vlaanderen en situeert zich ten noorden van de stad Tielt. Het bedrijf situeert zich circa 600 meter ten noorden van de Ringlaan. Het slachthuis wordt ontsloten langs de Hoogserleistraat, die via de Hondstraat in verbinding staat met de Wingensesteenweg/N
- 3.
- Op 21 november 2016 wordt een plenaire vergadering omtrent het voorontwerp van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Slachthuis Tielt’ (hierna: het PRUP) gehouden. 3.
- Met de opmaak van het PRUP beoogt de provincie West-Vlaanderen gevolg te geven aan het gedeeltelijk positief planologisch attest dat de deputatie van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen (hierna: de deputatie) op 24 oktober 2013 aan het bedrijf nv Exportslachthuis Tielt heeft verleend, en het op 25 juni 2015 aan laatstgenoemd bedrijf onder voorwaarden toegekend bijkomend gedeeltelijk positief planologisch attest. Beoogd wordt om een bijkomende oppervlakte van 7,04 ha, waarvan 2,96 ha is bestemd als agrarisch gebied en 4,08 ha als landschappelijk waardevol agrarisch gebied, voor bedrijvigheid te herbestemmen. Naast de heroriëntatie en de ontsluiting van de site wordt ook een toekomstige capaciteitsuitbreiding – van 1.500.000 naar 2.500.000 varkens per jaar – beoogd. 3.
- De percelen van eerste, derde en vijfde verzoeker situeren zich aan de Hondstraat, gelegen ten zuiden van het slachthuis. Tweede en vierde X-17.103-3/36 verzoeker zijn eigenaars van een perceel gelegen ten noorden, respectievelijk noordoosten, van het slachthuis. 3.
- Op 16 december 2016 wordt een planmilieueffectrapport (hierna: plan-MER) over het voorgenomen plan opgesteld. De dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid (hierna: de dienst Mer) keurt het plan-MER op 10 januari 2017 goed. 3.
- Op 26 januari 2017 stelt de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen het PRUP voorlopig vast. 3.
- Naar aanleiding van het openbaar onderzoek, dat van 6 februari tot en met 7 april 2017 over het ontwerp-PRUP wordt gehouden, worden meerdere adviezen gegeven en 83 bezwaarschriften ingediend. Eerste, tweede en vierde verzoekers dienen een bezwaarschrift in. Het stadsbestuur van Tielt verleent een ongunstig advies over het ontwerp-PRUP. 3.
- Op 6 juli 2017 behandelt de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening van de provincie West-Vlaanderen (hierna: de Procoro) de uitgebrachte adviezen en ingediende bezwaren. 3.8.
- Het ongunstig advies van de stad Tielt en de bezwaren met betrekking tot het dierenwelzijn, worden door de Procoro als volgt besproken: “Al. Gemeenteraad Tielt (ontvangst PROCORO 28/03/2017) De gemeenteraad van Tielt stelt dat het RUP geen aanleiding mag geven tot een uitbreiding van het aantal slachturen en transportbewegingen. Verder is de gemeenteraad van Tielt van oordeel dat er in de loop van het openbaar onderzoek elementen zijn opgedoken over de varkensbehandeling en de bedrijfsvoering van het slachthuis, waar er in het kader van het RUP geen rekening mee is gehouden door de provincie. Hierbij wordt er gesteld dat de bedrijfsvoering een element is dat in rekening moet worden gebracht bij de advisering en beoordeling van het RUP en men bijgevolg geen gunstig advies kan verlenen. Advies PROCORO met meerderheid van stemmen: De bedrijfsactiviteiten worden omschreven in de stedenbouwkundige voorschriften en ondubbelzinnig vastgelegd. Er kan worden gespecifieerd dat werken en constructies in functie van het dierenwelzijn steeds zijn toegelaten net zoals dit het geval is voor werken en constructies in functie X-17.103-4/36 van het openbaar nut en milieutechnische ingrepen, werken en constructies in functie van waterbeheersing en werken en constructies in functie van minimalisatie van geluids- en geurhinder. De PROCORO merkt op dat aspecten inzake milieu en dierenwelzijn verder worden geregeld door andere wetgeving. Het is deze andere wetgeving waarbij het aantal slachturen wordt geregeld en waarbij er aan de hand van een mobiliteitsafweging wordt geoordeeld hoeveel transportbewegingen t.g.v. de bedrijfsvoering er mogelijk zijn. Het PRUP regelt enkel de ruimtelijke mogelijkheden, rekening houdend met de resultaten van de plan-MER. […] DIERENWELZIJN B2, B10 (niet akkoord met uitbreiding, wantoestanden bij het slachten van varkens) Men is tegen de uitbreiding van het slachthuis Tielt. Een bezwaarindiener wenst zich te verzetten tegen een uitbreiding van het aantal slachtingen en verwijst hierbij naar de wantoestanden inzake het slachten van varkens. (B2) Een bezwaarindiener stelt dat er systematisch dieren werden mishandeld (B10). [...] De bezwaarindieners stellen dat de recent vastgestelde dierenmishandeling een bijkomend argument zijn om geen uitbreiding van het slachthuis toe te laten. Hierbij wordt er gesteld dat de grootschaligheid van een dergelijke activiteit voor een risico zorgt op het behandelen van dieren als een product in plaats van een levend wezen en dat een uitbreiding van het slachthuis dit risico vergroot. Tot slot wordt er gesteld dat het bijzonder cynisch zou zijn dat een bedrijf dat de varkenssector zo’n schade heeft aangedaan door geen rekening te houden met het dierenwelzijn, agrarisch gebied zou inpalmen. [...] Er wordt gesteld dat een uitbreiding van de slachtcapaciteit naar 2,5 miljoen per jaar absurd is. Een dergelijk ondernemingsinitiatief is ethisch & moreel niet te verantwoorden t.o.v. de bevolking. Dit bewijst de mediastorm in binnen en buitenland, het ongenoegen van de varkenssector, de boeren en collega exploitanten en de nu reeds +150.000 ingezamelde protest handtekeningen door de actiegroep Animal Rights. B28 Er wordt gesteld dat de schaalvergroting de kans verg[r]oot op meer dierenwelzijnsinbreuken, gezien het opdrijven van de werkdruk ten aanzien van medewerkers die nu al onder druk staan. B18 Er wordt opgemerkt dat er momenteel 1,5 miljoen varkens geslacht worden per jaar en dat dit al niet kan gebeuren op diervriendelijke wijze (cfr, de schorsing einde maart 2017, bevolen door minister Weyts). Er wordt gesteld dat in geen geval een uitbreiding van 1,5 naar 2,5 miljoen varkens per jaar op die locatie in overweging kan genomen worden. Advies PROCORO met meerderheid van stemmen: De bedrijfsactiviteiten worden omschreven in de stedenbouwkundige voorschriften en ondubbelzinnig vastgelegd. Er kan worden gespecificeerd dat werken en constructies in functie van het dierenwelzijn steeds zijn toegelaten net zoals dit het geval is voor werken en X-17.103-5/36 constructies in functie van het openbaar nut en milieutechnische ingrepen, werken en constructies in functie van waterbeheersing en werken en constructies in functie van minimalisatie van geluids- en geurhinder. De PROCORO merkt op dat aspecten inzake milieu en dierenwelzijn verder worden geregeld door andere wetgeving. Het is deze andere wetgeving waarbij het aantal slachturen wordt geregeld. Het PRUP regelt enkel de ruimtelijke mogelijkheden, rekening houdend met de resultaten van de plan-MER.” 3.8.
- De bezwaren aangaande de hinder en de vraag tot buffering bespreekt de Procoro als volgt: “[De] opmerkingen hebben betrekking op zaken die enkel via andere wetgeving kunnen worden geregeld. De PROCORO stelt dat overtredingen (zowel inzake milieuvergunningen als stedenbouwkundige vergunningen) dienen gemeld te worden bij de bevoegde instanties. De PROCORO is niet gemachtigd aan handhaving te doen, maar dient als adviserende instantie planningsdocument te adviseren, o.a. rekening houdend met de goede ruimtelijke ordening. Het is wel zo dat de in het kader van het PRUP een bepaling is opgenomen dat de hinderlijke activiteiten in het noorden van het plangebied dienen worden gesitueerd. De PROCORO stelt dat de lichthinder als een ruimtelijk aspect kan worden beschouwd en stelt voor om een bepaling in te schrijven dat de verlichting naar beneden dient gericht te zijn teneinde de omgeving zo veel als mogelijk van lichthinder te sparen. De verlichting moet dermate worden geconcipieerd dat niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving maximaal wordt beperkt. Klemtoonverlichting mag uitsluitend gericht zijn op de inrichting of onderdelen ervan. Over het tijdstip waarop deze verlichting dient gedoofd te worden kan de PROCORO geen uitspraken doen. Dit is geen ruimtelijk aspect. Om de visuele hinder als gevolg van de bebouwing en de transportbewegingen te milderen stelt de PROCORO voor om de aanleg van een beplante (streekeigen traag- en snelgroeiende hoogstammen en struiken) talud te verplichten i.p.v. de talud enkel mogelijk te maken en dit voor de noordelijke zijde van het plangebied (vanaf de Hoogserleistraat tot aan de ontsluitingsweg) en voor de volledige zuidelijke zijde van het plangebied. Aan de ontsluitingsweg kan er gebruik gemaakt worden van een groenscherm. Om zuinig ruimtegebruik na te streven en niet nog meer agrarisch gebied te bezwaren wordt de minimale breedte van 10m aangehouden en worden er tevens stringente maatregelen opgelegd inzake de aanplant. De PROCORO stelt voor om een bepaling op te nemen dat de groenbuffer moet aangeplant zijn het eerste jaar na de inwerking treding van het RUP. Aangezien het moet gaan om een doorlopende combinatie van beplanting moet dit voldoende zijn om de visuele buffering te waarborgen. Inzake het schermgroen stelt de PROCORO dat deze zone fungeert als visuele afwerking van de bestaande bebouwing langs de westelijke zijde van het plangebied.” X-17.103-6/36 3.
- Met het bestreden besluit van 28 september 2017 stelt de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen het PRUP definitief vast. 3.10.
- De bestemmingsvoorschriften van de ‘zone voor specifieke regionale bedrijvigheid, slachtactiviteiten’ (artikel 1.1) luiden: “De zone is bestemd voor slachtactiviteiten. Aanverwante activiteiten, zijnde vleesversnijding en vleesverwerking kunnen enkel als afgeleide van de op de site aanwezige slachtactiviteiten. De productie van kant-en- klare maaltijden, waarbij bijkomende grondstoffen worden aangeleverd is niet toegelaten. Voorzieningen in functie van de bedrijfsvoering zijn enkel toegelaten in zoverre deze noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van het bedrijf. Afvalverwerking is niet toegelaten tenzij dit omwille van milieutechnische redenen en/of omwille van voedselveiligheid aangewezen of verplicht is. Het splitsen van slachtafval is toegelaten. Kleinhandel is niet toegelaten. Er is geen bedrijfswoning toegelaten.” 3.10.
- De bestemmingsvoorschriften van de ‘zone voor circulatie en parking’ (artikel 2.1) luiden: “Enkel aan het bedrijf gerelateerde activiteiten in het kader van waterbeheersing, het leefmilieu, de gezondheid van de mens, de veiligheid, de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen, de dierengezondheid, het welzijn van de dieren of de voedselveiligheid zijn toegelaten, evenals activiteiten ten behoeve van brandbestrijding op het bedrijf, parkeergelegenheden, circulatie en bijhorende voorzieningen en groenvoorzieningen.” De inrichtingsvoorschriften met betrekking tot ‘schermgroen’ in deze zone (artikel 2.2.5) luiden: “De zone voor schermgroen is in overdruk aangeduid op het grafisch plan. Deze zone dient maximaal gevrijwaard te worden van verharding en heeft een bufferende werking. Verhardingen zijn enkel toegelaten in functie van de ontsluiting van het bedrijf (zie hierboven). Bijkomend kan het groenscherm doorbroken worden in functie van noodontsluitingen. De minimale breedte voor de overdrukzone voor schermgroen bedraagt 5m. X-17.103-7/36 De zone dient te bestaan uit een doorlopende combinatie van streekeigen traag- en snelgroeiende hoogstammen en struiken. Een kwalitatieve inrichting staat voorop. Het schermgroen dient voldoende hoog te zijn, zodat de visuele impact van het bedrijf op het omliggende landschap en de woonomgeving minimaal blijft. Het schermgroen dient gerealiseerd het eerste plantseizoen na de aflevering van de eerste stedenbouwkundige vergunning volgend op de inwerkingtreding van onderhavig RUP. Dit schermgroen dient op een ecologische, ordentelijke en vakkundige manier in stand te worden gehouden, zodat deze ten allen tijde de functie kan vervullen.” 3.10.
- De bestemmingsvoorschriften van de zone ‘bouwvrij agrarisch gebied’ (artikel 3.1) luiden: “Het gebied is bestemd voor de beroepslandbouw. Natuurbehoud, landschapszorg en recreatief medegebruik zijn ondergeschikte functies.” 3.10.
- De stedenbouwkundige voorschriften van de ‘zone voor buffer’ (artikel 4) luiden, wat de bestemming betreft: “De zone voor buffer is bestemd voor groenaanleg onder de vorm van een dichte groenbuffer. De buffer kan op één plaats gecombineerd worden met de aanleg van een geïntegreerd bufferbekken voor regenwater voor zover dit bufferbekken door de beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengt.” De inrichtingsvoorschriften ervan luiden: “Binnen onderhavige zone dient een groenbuffer aangeplant. De breedte van de buffer wordt op het grafisch plan aangeduid en bestaat uit een doorlopende combinatie van streekeigen traag- en snelgroeiende hoogstammen (of hoogstamknotbomen) en struiken. De minimale breedte van de buffer bedraagt 10m. Een kwalitatieve inrichting staat voorop. De groenbuffer dient tevens gecombineerd [te] worden met de aanleg van een talud. De aangelegde groenbuffer dient voldoende hoog te zijn, zodat de visuele impact van het bedrijf op het omliggende landschap en de woonomgeving minimaal blijft. De buffer (talud en groenaanplant) dient gerealiseerd te zijn het eerste jaar na de inwerkingtreding van onderhavig RUP. Doorheen de buffer bestaat de mogelijkheid om een wandelpad aan te leggen, verhardingen zijn niet toegelaten. Bebouwing en opslag van materialen is tevens niet toegelaten. X-17.103-8/36 Bij de aanleg van een geïntegreerd bufferbekken dienen de technieken van natuurtechnische milieubouw gehanteerd te worden. Deze groenaanplant dient op een ecologische, ordentelijke en vakkundige manier in stand te worden gehouden, zodat deze ten allen tijde de functie kan vervullen.” 3.10.
- Voor de ‘zone voor ontsluiting’ (artikel 5) luiden de bestemmingsvoorschriften: “Deze zone is bestemd als zone voor ontsluiting van het vrachtverkeer van en naar de bedrijfssite. Tevens kunnen andere transportmodi gebruik maken van deze ontsluiting. Binnen deze zone is ook een geluidscherm toegelaten, voor zover dit geluidscherm visueel wordt gebufferd door middel van groenelementen.” 3.
- Hierna volgt een weergave van het grafisch plan van het PRUP met verduidelijkende aanduidingen. art. 4 zone voor buffer art. 5 zone voor ontsluiting art. 2 zone voor circulatie en parking Wingensesteen weg Schermgroen art. 1 zone voor regionale bedrijvigheid, slachtactiviteiten art. 3 bouwvrij agrarisch Hondstraat gebied X-17.103-9/36 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
- Verzoekers roepen in een eerste middel de schending in van “artikel 18 van het Decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning [hierna: het omgevingsvergunningsdecreet] juncto artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning [hierna: het omgevingsvergunningsbesluit] juncto artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen [hierna: de motiveringswet] juncto de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaronder het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Zij bekritiseren artikel 0.0 van de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP, dat bepaalt dat bij iedere aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning een “algemene inrichtingsstudie” dient gevoegd te worden. Verzoekers menen dat de verwerende partij met dit voorschrift artikel 18 van het omgevingsvergunningsdecreet juncto artikel 15 van het omgevingsvergunningsbesluit schendt, die de wijze van dossiersamenstelling voor een vergunningsaanvraag bepalen, wat een bevoegdheid van de Vlaamse regering betreft. Met voornoemd stedenbouwkundig voorschrift 0.0 miskent het bestreden PRUP volgens verzoekers de procedureregels inzake het behandelen van een vergunningsaanvraag. De bestreden beslissing schendt volgens hen de formelemotiveringsplicht in de mate dat niet blijkt welke juridische en feitelijke overwegingen de grondslag vormen van de onwettige afwijking van de bepalingen van het omgevingsvergunningsdecreet en omgevingsvergunningsbesluit. X-17.103-10/36 Verzoekers voeren in dit verband tevens de schending van het rechtszekerheidsbeginsel aan, nu een aanvrager volgens hen niet weet wat er gebeurt indien hij niet aan de verplichting tot bijbrengen van een inrichtingsstudie voldoet. Door aldus te handelen, schendt het bestreden besluit evenzeer het zorgvuldigheidsbeginsel. 4.
- Verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord dat de stelling van de tussenkomende partijen dat de inrichtingsstudie (met de parkeernota) niet op verordenende wijze als bijkomend stuk van het aanvraagdossier wordt opgelegd, door de verwerende partij wordt tegengesproken. De tussenkomende partijen zijn volgens hen van mening dat hieraan geen nietigheidssanctie verbonden wordt, terwijl de verwerende partij aangeeft dat de aanvraag in voorkomend geval de stedenbouwkundige voorschriften schendt. Volgens verzoekers wijst deze “discrepantie tussen beide standpunten […] op het rechtsonzekere karakter van het stedenbouwkundig voorschrift van artikel 0.0, dat haar grondslag vindt in onzorgvuldige besluitvoering”. 4.
- In hun laatste memorie doen verzoekers nog gelden dat het kwestieuze voorschrift op verordenende wijze vaststelt dat het inrichtingsplan bij de vergunningsaanvraag moet worden gevoegd, “hetgeen op het bindend karakter ervan wijst”. Minstens moet volgens hen worden opgemerkt dat de omschrijving in het voorschrift van de inrichtingsstudie als informatief “hiermee” op gespannen voet staat, wat een rechtsonzekere situatie in het leven roept. Beoordeling 5.
- Het bestreden besluit is reglementair van aard en valt derhalve niet onder het toepassingsgebied van de motiveringswet. In zoverre is het middel onontvankelijk. De desbetreffende excepties van de verwerende en de tussenkomende partijen zijn gegrond. 5.
- Artikel 0.0 van de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP luidt: X-17.103-11/36 “0.
- Algemene inrichtingsplan Bij iedere aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning voor nieuwbouw, herbouw, uitbreidingen van meer dan 10% of het aanleggen van verharde oppervlakten van meer dan 100m² dient het bedrijf een algemene inrichtingsstudie te voegen. De algemene inrichtingsstudie dient zowel de bestaande als de gewenste indeling van de bedrijfssite weer te geven. Geheel het plangebied dient opgenomen te worden binnen deze studie. De inrichtingsstudie is een informatief document voor de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag. De inrichtingsstudie geeft aan op welke wijze het project in overeenstemming is met de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP. Volgende zaken dienen onderdeel uit te maken van de inrichtingsstudie: Inplanting van de bedrijfsgebouwen, waarbij tevens de functie van de bedrijfsgebouwen wordt duidelijk gemaakt; Landschappelijke inpassing van het bedrijf; Materiaalgebruik; Parkeerplaatsen, verkeerscirculatie en -afwikkeling, ontsluiting, circulatie van fiets- en voetgangers; Waterbeheersing en maatregelen naar duurzaam watergebruik; Milieutechnische maatregelen.” 5.
- Daargelaten de vraag naar het belang van verzoekers bij het middel, moet worden vastgesteld dat artikel 0.0 uitdrukkelijk bepaalt dat de “algemene inrichtingsstudie” een “informatief document” voor de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag is. Het betreft zodoende een modaliteit in de zin van artikel 2.2.6, § 1, VCRO, luidens hetwelk “[d]e stedenbouwkundige voorschriften […] modaliteiten [kunnen] voorschrijven die bij de inrichting van het gebied in acht moeten worden genomen”. Dat de algemene inrichtingsstudie als modaliteit wordt opgelegd, betekent overigens niet dat hetgeen in de inrichtingsstudie wordt opgenomen, verordenend zou zijn. 5.
- Dat het PRUP in een dergelijk informatief document voorziet, is in rechte aanvaardbaar, en schendt de in het middel aangevoerde rechtsregels niet. 5.
- Het middel wordt verworpen. X-17.103-12/36 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 6.
- Verzoekers roepen in een tweede middel de schending in van “artikel 2.1.2., §2, tweede lid en derde lid; 2.1.2., §3, van de VCRO juncto de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaronder het beginsel van materiële en formele motivering zoals bepaald in de artikelen 2 en 3 van de [motiveringswet]”. 6.1.
- Zij voeren aan dat het PRUP op onrechtmatige wijze afwijkt van het richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: het RSV) in zoverre dit de ontwikkelingsperspectieven voor bestaande bedrijven gelegen buiten bedrijventerreinen betreft, minstens dat niet uitgebreid gemotiveerd wordt waarom ervan wordt afgeweken. Verzoekers betogen dat hoewel het RSV duidelijk bepaalt dat bij het uitbreiden van bedrijven gelegen buiten bedrijventerreinen rekening dient gehouden te worden met de ruimtelijke draagkracht van de omgeving, uit de bestreden beslissing niet blijkt dat deze toetsing afdoende is gebeurd. De toelichtingsnota bij het PRUP controleert volgens hen niet afdoende op welke manier de economische activiteit in de omgeving wordt verweven. De nota maakt weliswaar melding van de Hondstraat, maar gaat aan overige woonpercelen in de directe omgeving van de bedrijfssite voorbij. Zij maakt geen melding van een basisschool en sportzaal. Een toetsing omtrent de verenigbaarheid van de uitbreiding met de ruimtelijke structuur van de omgeving diende de gehele buurt in rekening te nemen en tot de onverenigbaarheid te besluiten. Er is volgens verzoekers dan ook geen zorgvuldig onderzoek naar de ruimtelijke draagkracht van de nabije omgeving gebeurd. Verzoekers betogen in dit verband nog dat het RSV bepaalt dat de ruimtelijke draagkracht mede door de mogelijke hinder wordt bepaald. Hoewel deze hinder in de vele bezwaarschriften uitgebreid werd beschreven, stelt de toelichtingsnota bij het PRUP niet dat de bedrijfsuitbreiding de ruimtelijke draagkracht overschrijdt om reden van de bijkomende hinder die dit met zich meebrengt. X-17.103-13/36 6.1.
- Verder voeren verzoekers een afwijking van de richtinggevende bepalingen van het provinciaal ruimtelijk structuurplan van West-Vlaanderen (hierna: het PRS) aan, zonder dat een bijzondere motivering voor deze afwijking voorligt. Meer bepaald stellen verzoekers ook in dit verband dat de bedrijfsuitbreiding niet afdoende aan de omgeving werd getoetst. 6.
- Verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord dat de verwerende partij niet verklaart waarom de draagkracht van de omgeving “wordt beschouwd op basis van een drietal straten (Hoogserleistraat, Wingensesteenweg, Hondstraat)”. Volgens hen wordt door de verwerende partij ook niet betwist dat op basis van het RSV “de beoordeling op grotere schaal had moeten gebeuren, zeker gelet op de resultaten van het openbaar onderzoek”. Wat de verenigbaarheid met het PRS betreft, stellen zij in hun verzoekschrift precies de gebrekkige wijze te hebben opgeworpen waarop de toetsing is uitgevoerd. 6.
- In hun laatste memorie doen verzoekers gelden dat de uitoefening van een ruime appreciatiebevoegdheid moet gebeuren binnen het regelgevend kader dat zij in hun verzoekschrift hebben omschreven. Beoordeling 7.
- Om de reden vermeld onder randnummer 5.1 is het middel onontvankelijk in zoverre de schending van de motiveringswet wordt aangevoerd. 7.
- Met verzoekers moet worden vastgesteld dat het richtinggevend gedeelte van het RSV de ontwikkelingsperspectieven voor bestaande bedrijven gelegen buiten bedrijventerreinen als volgt omschrijft: “De ontwikkelingsperspectieven van bedrijven en economische activiteiten buiten de bedrijventerreinen worden vooral bepaald door de aard en het karakter van het bedrijf zelf en nog meer door de ruimtelijke draagkracht van de omgeving. Voor het principe ruimtelijke draagkracht kunnen geen algemeen geldende objectieve en meetbare maatstaven voor heel Vlaanderen worden aangereikt. Ruimtelijke draagkracht is afhankelijk van de ruimtelijke structuur, van het ruimtelijk functioneren van een gebied en is eveneens afhankelijk van de gewenste ruimtelijke X-17.103-14/36 ontwikkeling van het gebied en van de aard en het karakter van het bedrijf en haar activiteit. De gemeente zal de ruimtelijke draagkracht van de betrokken omgeving kwalitatief moeten bepalen omdat dit niet in een algemene norm is vast te leggen. De ontwikkelingsperspectieven van bestaande bedrijven buiten bedrijventerreinen kunnen als volgt schematisch worden weergegeven: Omwille van de verantwoordelijkheid van de gemeente inzake verlening en/of advisering van de milieuvergunning, de kennis en inschatting van de plaatselijke toestand en met name de bepaling van de draagkracht van de ruimte, komt het de gemeente toe om ontwikkelingsperspectieven te formuleren voor de bestaande bedrijven en economische activiteiten (ook agrarische bedrijven) buiten de bedrijventerreinen. Volgende principes staan voorop bij de beoordeling van de ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden van bestaande bedrijven buiten de bedrijventerreinen. De principes mogen niet los gelezen worden van de vooropgestelde multifunctionele ontwikkelingen, zoals weergegeven in hoofdstuk III.1 over de stedelijke gebieden en hoofdstuk III.2 over het buitengebied. - Een maximale verweving van economische activiteiten met de activiteiten in haar (bebouwde of onbebouwde) omgeving wordt nagestreefd; goed nabuurschap moet het uitgangspunt vormen; voor het principe goed nabuurschap kan, net zoals voor het principe ruimtelijke draagkracht, geen algemeen geldende objectieve en meetbare maatstaven voor heel Vlaanderen worden aangereikt. Goed nabuurschap is afhankelijk van de ruimtelijke structuur en van het ruimtelijk functioneren van een gebied. Het is eveneens afhankelijk van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het gebied en van de aard en het karakter van het bedrijf en haar activiteit. De gemeente zal goed nabuurschap voor de betrokken omgeving kwalitatief moeten bepalen omdat dit niet in een algemene norm is vast te leggen. - Alle mogelijkheden en voorzieningen (op milieuhygiënisch vlak, qua mobiliteitsproblematiek, ....) voor ontwikkeling op de bestaande locatie worden uitputtend aangewend; - De ruimtelijke implicaties bij een herlokalisatie (bijkomende infrastructuur voor nieuwe lokale en regionale bedrijventerreinen, bijkomend ruimtegebruik, versnipperen van onbebouwde ruimte, vermindering van ontwikkelingsmogelijkheden voor natuur, landbouw en bos, ....) worden afgewogen tegenover de ruimtelijke implicaties van een ontwikkeling op de bestaande locatie. - De ruimtelijke draagkracht van de omgeving mag niet worden overschreden; de ruimtelijke draagkracht is niet in algemene regels te vatten, deze wordt gebied per gebied bepaald; historische gegroeide situaties en hinder zijn mede bepalend voor de draagkracht; - Er wordt ten aanzien van de ontwikkeling van de economische activiteit een maximale beleidszekerheid en beleidscontinuïteit nagestreefd zowel in ruimte als in tijd; de verwachte ontwikkeling en uitbreiding van het bedrijf moeten goed ingeschat worden evenals bedrijfseconomische implicaties (efficiëntere organisatie van de bedrijfsgebouwen, verbeterde ontsluiting, ...), volgens het BATIVEEC-principe.” X-17.103-15/36 7.
- Opgemerkt zij dat de toelichtingsnota bij het PRUP deze principes uit het RSV citeert en aangaande de toetsing van het PRUP aan het RSV het volgende stelt: “De ruimtelijke draagkracht en ruimtelijke kwaliteit: De geplande bedrijfssite van ca. 7,7ha (inclusief groenbuffer en exclusief ontsluitingsweg richting Wingensesteenweg) omvat nu reeds ca. een 5ha bedrijventerrein (inclusief groenbuffer). De bijkomende bedrijvigheid sluit aan bij de bestaande bedrijfssite. Een adequate landschappelijke buffering zal bijdragen aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. De bestaande woonfunctie: Ten zuiden van de bestaande bedrijfssite (op ca. 100m) zijn er woonpercelen gelegen langs de Hondstraat. Het gaat om woongebied met landelijk karakter langs de noordzijde van de Hondstraat en woongebied langs de zuidzijde van de Hondstraat. De bestaande ruimtelijk-economische structuur: De bijkomende bedrijfsgronden sluiten aan bij de bestaande bedrijfssite. Het bedrijf kan ontsloten worden via de Wingensesteenweg, waardoor er geen vrachtverkeer meer door de woonwijk langs de Hondstraat dient te passeren. De ruimtelijke en economische potenties: De bijkomende bedrijfsgronden sluiten aan bij de bestaande bedrijfssite. Langs de noordelijke zijde van de bestaande bedrijfsgronden, ter hoogte van de te ontwikkelen ontsluitingsweg richting Wingensesteenweg, wordt landschappelijk waardevol agrarisch gebied omgezet naar zone voor bedrijvigheid.” (toelichtingsnota, p. 20 e.v.) En verder: “4.2.
- Onderzoek naar alternatieve locaties Reeds op 24 oktober 2013 heeft de deputatie van de provincie West- Vlaanderen een gedeeltelijk positief planologisch attest afgeleverd aan het slachthuis Tielt. Hierbij werd er akkoord gegaan met de bestendiging van het bedrijf op de huidige locatie. Het bedrijf is immers gelegen binnen een industriezone en is afdoende vergund op basis van het gewestplan Roeselare-Tielt en de BPA’s. Ook werd er akkoord gegaan met enkele uitbreidingsvragen op korte termijn. Deze uitbreidingsvragen zijn ondertussen reeds deels aangevraagd en goedgekeurd op vergunningsniveau. Een herlocatie van het bedrijf is met andere woorden niet wenselijk. 4.2.
- Onderzoek naar impact Er wordt agrarisch gebied ingenomen langs de noordwestelijke zijde van het bestaande bestemde bedrijf. Het gaat om ca. 2,7ha. Het verdient echter opgemerkt te worden dat alle gronden reeds in handen zijn van het bedrijf en het bedrijf in nauwe relatie staat met de landbouw vanwege de bedrijfsactiviteiten, zijnde het slachten van varkens en aanverwante activiteiten. Verder wordt er ook agrarisch gebied omgezet naar bedrijvigheid in functie van de ontsluitingsweg richting Wingensesteenweg waardoor het agrarisch gebied in twee delen wordt X-17.103-16/36 gesplitst. Hierbij wordt er opgemerkt dat ten zuiden van de ontsluitingsweg het agrarisch gebied in gebruik is als weiland, terwijl ten noorden van de ontsluitingsweg het agrarisch gebied in gebruik is als akkerland. 4.2.
- Flankerende maatregelen De landbouwpercelen, die zullen omgezet worden naar zone voor bedrijvigheid zijn reeds in handen van het bedrijf. De landbouwers zijn met andere woorden reeds vergoed. 4.2.
- Compensatie De omzendbrief RO 2010/01 over de HAG legt de verantwoordelijkheid voor compensatie en motivatie bij de overheid die het planinitiatief neemt, in dit geval de Provincie West-Vlaanderen. Binnen het plangebied zelf is er geen mogelijkheid tot compensatie. De Provincie West-Vlaanderen heeft reeds compensatie gerealiseerd in het PRUP Kemmelberg. Hierbij werd 145,3ha aan niet herbevestigd agrarisch gebied (zonder voorkooprecht) terug bestemd als agrarisch gebied. Dit conform de principes van de omzendbrief RO 2010/01 over de HAG, waarbij de agrarische en natuurlijke structuur gelijktijdige afgewogen werden. In het PRUP wordt 3ha aan HAG bestemd als bedrijventerrein, dit wordt gecompenseerd binnen het PRUP Kemmelberg zoals hieronder op kaart concreet weergegeven. 4.2.
- Conclusie Voorliggend provinciaal RUP voorziet in een uitbreiding van het slachthuis in Tielt. De effectieve uitbreiding in agrarisch gebied wordt zo beperkt mogelijk gehouden door maximaal te streven naar compacte uitbreidingen. Hierbij dient tevens opgemerkt te worden dat het bedrijf door zijn activiteit zeer nauw betrokken is bij de landbouw.” (toelichtingsnota, p. 20 e.v.) 7.
- Voorts wordt in de toelichtingsnota bij het PRUP aangaande de inpassing van de bedrijfsuitbreiding en de draagkracht van de omgeving nog het volgende gesteld: “
- Evaluatie bedrijf en opzet plan 5.
- Ruimtelijke impact 5.1.
- Ruimtebeslag, schaal van het bedrijf ten opzichte van de omgeving. Het Exportslachthuis bevindt zich ten noorden van de woonkern en het centrum van Tielt. De dichtst bijgelegen woonwijk bevindt zich in de Hondstraat, ten zuiden van het slachthuis. Deze woningen bevinden zich op een afstand van ca. 70 tot 130 m. In de Hoogserleistraat is er vlak tegenover het slachthuis ook een alleenstaande woning aanwezig. Daarnaast zijn er ook 2 woningen gelegen langs de Wingensesteenweg ter hoogte van de geplande toegangsweg. De dichtsbijgelegen woning naast de nieuwe ontsluitingsweg is eigendom van de zaakvoerder. Verder zuidwaarts langs de Wingensesteenweg bevindt zich een paardenfokkerij en een woning die ook eigendom zijn van het bedrijf. Het Exportslachthuis Tielt wordt omringd door een grootschalig landbouwgebied, voornamelijk bestaande uit akkerland en soortenarme X-17.103-17/36 graslanden. De landbouwpercelen binnen het plangebied worden de afgelopen jaren gebruikt als grasland. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van 12,41 ha. Ten gevolge van het voorliggend RUP zal een bijkomende oppervlakte van 2,94 ha agrarisch gebied bestemd worden in functie van bedrijvigheid. 1,62 ha agrarisch gebied zal bestemd worden als gemengd open ruimte gebied. 5.1.
- Situering in het landschap en voorkomen van het bedrijf Het plangebied situeert zich op de rand van het ‘Plateau van Tielt’. Het plangebied overlapt met de relictzone ‘Meerlandshoek, Willekomkouter, Rijkegemkouter, Pittembergkouter’. Deze relictzone betreft een zachtgolvend gebied, dat deel uitmaakt van het Plateau van Tielt. Binnen het studiegebied zijn deze landschapskenmerken nog uitdrukkelijk aanwezig. Het slachthuis ligt op de top van het zachtgolvende landschap, aansluitend bij de bebouwing van het stedelijk gebied Tielt. Doordat er relatief weinig groenelementen aanwezig zijn in het landschap, zijn er in de omgeving van het studiegebied nog weidse panoramische zichten aanwezig. Ten noord-westen van het plangebied stroomt de Zwartegatbeek, een waterloop van 2de categorie. Langs deze waterloop komen geen structurerende elementen voor. Administratief zijn de hoofdlijnen van de 18de eeuwse perceelstructuur (langvormige percelen gericht op Hoogserleistraat en Wingesesteenweg) nog grotendeels aanwezig. Op het terrein is deze echter niet meer waarneembaar, voornamelijk door een schaalvergroting van de landbouw. Het slachthuis is onder zijn huidige vorm slechts zeer beperkt landschappelijk geïntegreerd in zijn omgeving. Hierdoor is het slachthuis sterk waarneembaar binnen zijn omgeving en vormt het een beeldbepalend element aan de rand van het stedelijk gebied van Tielt. De uitbreiding van het slachthuis heeft vooral een effect op de visuele verstoring van het omgevende landschap. Dit effect wordt, omwille van de lage architecturale kwaliteit van de gebouwen als negatief beschouwd. In de meeste gevallen kan dit negatief effect beperkt worden of omgebogen worden tot een positief effect indien er rond het terrein voldoende aandacht gegeven wordt aan de landschappelijke inpassing. Er wordt dan ook voorgesteld om in het zuiden, westen en noorden van het bedrijventerrein de nodige groenbuffers aan te planten (conform GRS Tielt: inbufferen). Men kan stellen dat bij de realisatie van een sterke landschappelijke buffer ten noorden van het slachthuis er een nieuwe landschappelijke structuur kan ontstaan.” (toelichtingsnota, p. 28) “
- Visie 7.
- Beperking van de activiteiten om hinder te vermijden Afvalverwerking is niet toegelaten. Enkel de stockage van afval afkomstig van de slacht-activiteiten kan worden toegelaten. Het afval zal worden opgehaald en elders verwerkt. Het slachtafval dient evenwel nog steeds te worden gesplitst in ongeboren mest en darmpaketten conform de geldende wetgeving. Vleesverwerking kan enkel als afgeleide van de op de site aanwezige slachtactiviteiten. De productie van verbruiksklare vleesproducten wordt niet toegelaten. Bovenstaande maatregelen zijn genomen ten einde de buurt niet extra te belasten. 7.
- Ruimtelijk efficiënte en compacte uitbouw van de bedrijfsgebouwen X-17.103-18/36 De ruimtelijke uitbreidingen van het slachthuis worden zo compact mogelijk aansluitend aan de bestaande gebouwen aangebouwd. Hierbij dient er tevens rekening gehouden te worden met de omgeving. Zo dient de circulatieruimte voor de vrachtwagens en bijhorende los- en laadkades langs de noordzijde te worden aangelegd teneinde de geluidshinder voor de buurt tot een minimum te beperken. De uitbreiding van de diepvriescapaciteit wordt aansluitend aan de bestaande diepvriesloods aangebouwd, in zuidelijke richting. De overige uitbreidingen waar laad- en loskades aan verbonden zijn worden eveneens aansluitend aangebouwd aan de bestaande bedrijfsgebouwen. Deze worden echter in noordelijke richting ontwikkeld teneinde de buurt te ontlasten inzake geluid van vrachtwagens. Verder wordt ook de opslagplaats voor afval langs de noordelijke zijde uitgebouwd teneinde de geurhinder minimaal te houden. Ook vanwege de hieraan verbonden verplaatsingen van vrachtverkeer is het opportuun deze zone langs de noordelijke zijde van de bedrijfssite te vestigen. 7.
- Leesbare en veilige ontsluiting met minimale impact op omgeving Het vrachtverkeer kan uitsluitend het terrein op en afrijden langs de oostelijke zijde van het bedrijf, langs de recent aangelegde ontsluitingsweg die rechtstreeks aantakt op de Wingensesteenweg. Zo zal het vrachtverkeer langs de Hoogserleistraat worden geweerd, teneinde ook de Hondstraat te ontlasten van zwaar verkeer. Het doorgaand vrachtverkeer, met de bijhorende onveilige en luidruchtige situatie tot gevolg, wordt op deze manier verwijderd uit de woonwijk. Op de bedrijfspercelen zelf gebeurt de circulatie van het vrachtverkeer aan de noordzijde van het perceel. De transportbewegingen, inclusief het laden en het lossen zal op deze manier zo ver als mogelijk verwijderd zijn van de bewoonde omgeving, teneinde de impact inzake geluid en geur te minimaliseren. Hierbij dient er rekening gehouden te worden met het feit dat de toevoer van levende varkens zo veel als mogelijk moet gescheiden worden van het laden van karkassen. Dit om de voedselveiligheid te garanderen. Ook de wachtplaats voor vrachtwagens wordt langs de noordzijde van het terrein aangelegd. Een kleinere parking voor personenwagens kan eveneens langs deze zijde worden aangelegd bij specifiek noden. De grotere parking, waar plaats is voor meer dan 100 wagens en een overdekte stalling voor moto’s en fietsen, zal dan weer een plaats krijgen langs de zuidelijke zijde van het terrein. Deze laatstgenoemde vormen van transport vormen immers een veel kleinere hinder dan het aan- en afrijden van vrachtverkeer. 7.
- Maximale landschappelijke inpassing De noordelijke zijde van het plangebied wordt gebufferd ten opzichte van het aanliggende landbouwgebied door middel van een groen-buffer. Dit omwille van de visuele inpassing in het omliggende landschap. Een groene wal is aangewezen teneinde de bedrijfsgebouwen zo veel als mogelijk uit het zicht te onttrekken en de integratie in het landschap te bevorderen. De westelijke zijde van het plangebied wordt gebufferd ten opzichte van de landelijke omgeving aan de hand van een groene aankleding en eventueel een geluidsmuur. Dit omwille van de visuele inpassing in het omliggende landschap en om de geluidshinder te beperken naar de woningen toe. De oostelijke en zuidelijke zijde van het plangebied worden gebufferd ten opzichte van de omliggende bewoonde X-17.103-19/36 omgeving door middel van een groenbuffer. Ook hier is een groene wal aangewezen. Dit wordt ook zo verordenend vastgelegd. Verder wordt ten zuiden van de bedrijfssite, tussen het bedrijf en de woonwijk, een zone voorzien als bouwvrij agrarisch gebied. Op deze manier behouden deze percelen tevens hun bufferende werking omdat er geen gebouwen kunnen opgetrokken worden i.f.v. de landbouw welke voor hinder voor de omwonenden kunnen zorgen. Op deze manier kan het bedrijf zich verder ontwikkelen en een efficiëntere bedrijfsvoering nastreven, terwijl tegelijkertijd de lasten op de omgeving verminderen. Men kan in dit opzicht spreken van een win-winsituatie. 7.
- Synthese De beperkingen van activiteiten staan in het teken van de verweving met de woonomgeving. Het nastreven van een compacte uitbouw, een leesbare en veilige ontsluiting en een maximale landschappelijke inpassing kunnen worden beschouwd als principes teneinde een goede ruimtelijke ordening te bekomen. Ook hierbij is er steeds rekening gehouden met de verschillende randvoorwaarden zoals de bewoonde omgeving, de voedselveiligheid, het aanliggende agrarisch gebied, enzovoort. Op deze manier kan het bedrijf zich verder ontwikkelen en een efficiëntere bedrijfsvoering nastreven, terwijl tegelijkertijd de lasten op de omgeving verminderen. Men kan in dit opzicht spreken van een win-winsituatie.” (toelichtingsnota p. 37 e.v.) 7.
- Gezien de voormelde motieven, overtuigt de loutere stelling van verzoekers dat in de toelichtingsnota van het PRUP niet afdoende is onderzocht op welke manier de economische activiteit in de omgeving verweven wordt, niet. Met de tussenkomende partij zij bovendien opgemerkt dat ook uit het plan-MER en uit het onderzoek van de bezwaren van bewoners uit de ruimere omgeving door de Procoro, blijkt dat de impact van het planinitiatief op de ruimere omgeving is onderzocht. Verzoekers tonen niet aan dat de verwerende partij bij de vaststelling van het PRUP in een met het RSV strijdige uitbreiding van het bedrijf van de tussenkomende partij voorziet. Het loutere feit dat van een basisschool in de Tulpenstraat en een sportzaal in de Hondstraat in de toelichtingsnota geen melding wordt gemaakt, doet niet anders besluiten. 7.
- In lijn met wat voorafgaat, voeren verzoekers ook de strijdigheid van het PRUP met het PRS aan. In de toelichtingsnota bij het PRUP leest men aangaande dit laatste: “4.
- Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan West-Vlaanderen (PRS-WV) Op 6 maart 2002 werd het provinciaal ruimtelijk structuurplan West- Vlaanderen goedgekeurd. Dit beleidsplan stelt een ruimtelijk kader voor X-17.103-20/36 het provinciale beleid op langere termijn voorop. Het schept voor de provincie de voorwaarden en de mogelijkheden om het ruimtegebruik in West-Vlaanderen bij te sturen en te ontwikkelen. Dit gebeurt o.a. door de opmaak van provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen. Op 11 februari 2014 heeft de minister de gedeeltelijke herziening van het provinciaal ruimtelijk structuurplan goedgekeurd, mits uitsluiting van de verplichting om sociale woningen te voorzien. Door het provinciale structuurplan wordt de provincie West-Vlaanderen opgedeeld in verschillende deelruimtes. Elk van deze deelruimtes beschikt over een specifieke identiteit en een gebiedsspecifiek beleid. Tielt maakt deel uit van de ‘Middenruimte’. Dit gebied wordt gekenmerkt door een sterk geïndustrialiseerde landbouw en concentratie van intensieve veeteelt, met een sterke economische dynamiek. Dit heeft geleid tot een landschap met een sterk verspreide (al dan niet zonevreemde) bebouwing en bedrijvigheid. De visie van de provincie op de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de Midden-ruimte is om er de bedrijvigheid verder te ondersteunen (dit betekent onder andere de verwevenheid van diverse soorten land- en tuinbouwactiviteiten en de aan de landbouw gerelateerde bedrijvigheid). Dit heeft in het verleden reeds geleid tot een specifiek landschap met verspreide (al dan niet grootschalige) bebouwing. De evolutie van deze activiteiten moet dan ook passen in dit ‘nieuwe landschap’. De omgeving van Tielt is tevens een van de belangrijkste gebieden van de agrarische structuur op het Vlaamse niveau (PRS-WV, p.230). Naast een opdeling in deelruimtes, wordt door het PRS West- Vlaanderen ook een opdeling gemaakt in deelstructuren. De voor het slachthuis relevante structuur is voornamelijk de ruimtelijke structuur bedrijvigheid. Bij de beleidsdoelstellingen voor de gewenste ruimtelijke structuur bedrijvigheid is onder andere opgenomen dat de provincie de bedrijven buiten de bedrijventerreinen zal evalueren en optimaliseren: ‘Bestaande bedrijven kunnen buiten bedrijventerreinen verweven zijn met andere functies als de impact op de omgeving beperkt blijft. Deze impact laat zich voelen op drie domeinen: de ruimte, het milieu en het verkeer. Naast deze domeinen van impact spelen ook sociaal- en bedrijfseconomische criteria een rol bij de beoordeling van de ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven. Een bedrijf dat wil uitbreiden moet geëvalueerd worden volgens deze vier soorten criteria. Wanneer een bedrijf globaal positief beoordeeld wordt, kan tot een verdere ontwikkeling ter plaatse besloten worden. Zodra kleinere bedrijven grootschalig willen uitbreiden, is in principe herlokalisatie op een bedrijventerrein aangewezen. De gemeenten spelen een belangrijke rol bij het vastleggen van de ontwikkelingsmogelijkheden voor deze bedrijven. Daarvoor wordt een lijst met evaluatiecriteria aangereikt, die de gemeenten kunnen verfijnen en aanvullen.’ (PRS-WV, p. 167) In het bindend gedeelte van het PRS-WV staat met betrekking tot de gewenste ruimtelijke structuur bedrijvigheid dat de provincie de ontwikkelingsmogelijkheden zal bepalen en zo nodig provinciale RUP’s opmaken voor de bestaande bedrijven van bovenlokaal niveau die zich buiten bedrijventerreinen situeren in gemeenten aangeduid als kleinstedelijke gebieden en specifieke economische knooppunten (PRS- WV, p.382).” (toelichtingsnota, p. 23) X-17.103-21/36 7.
- Verzoekers betogen dat luidens het PRS rekening dient gehouden te worden met de draagkracht van de omgeving en dat de impact op de ruimte, het milieu en het verkeer beperkt dient te zijn. Zij poneren dat de toetsing van de bedrijfsuitbreiding aan de omgeving in de bestreden beslissing niet afdoende is gebeurd. 7.
- Verzoekers laten na om de overwegingen in de toelichtingsnota bij het PRUP omtrent de beoordeling van de inpassing van de uitbreiding van het slachthuis in de omgeving concreet bij hun middel te betrekken. Zij tonen aldus evenmin aan dat de verwerende partij in een met het PRS strijdige uitbreiding van het bedrijf van de tussenkomende partij voorziet. 7.
- Het besluit is dat verzoekers geen schending van de aangevoerde rechtsregels aantonen. 7.
- Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 8.
- Verzoekers roepen in een derde middel de schending in van “de beginselen van behoorlijk bestuur waaronder de zorgvuldigheidsplicht, het beginsel van materiële motivering en het beginsel van formele motivering”. Zij voeren aan dat verschillende aannames in het plan-MER niet overeenkomen met de feitelijke situatie. Meer bepaald verwijzen zij naar een aantal overtredingen die in het slachthuis omtrent dierenwelzijn werden vastgesteld. Zij besluiten dat de bestreden beslissing aldus niet gebaseerd is op gegevens die feitelijk en juridisch correct zijn, zodat de bestreden beslissing niet op zorgvuldige wijze werd voorbereid en tevens de materiële motivering wordt geschonden. X-17.103-22/36 Verzoekers betogen dat hun bezwaren desbetreffend reeds tijdens het openbaar onderzoek werden aangevoerd, maar dat de bestreden beslissing er geen gevolg aan gaf, en dat op generlei wijze wordt gemotiveerd waarom het bezwaar niet op de besluitvorming heeft gewogen. Het gebrek aan motivering omtrent het afwijken van het ongunstig advies van de stad Tielt vormt volgens verzoekers een schending van de formelemotiveringsplicht. 8.
- Verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord dat er wel degelijk bouwtechnische aanpassingen vereist zijn “om de geplande uitbreiding binnen het bestaand wettelijk kader te laten plaatsvinden”. Volgens hen wijzigt het toelaten van werken en constructies in functie van het dierenwelzijn niet “dat de bestaande bedrijfsinfrastructuur niet afdoende is aangepast aan de actuele bedrijfsvoering”. De stedenbouwkundige voorschriften komen volgens hen “niet tegemoet aan de bouwtechnische aanpassingen waarvan het plan-MER foutief stelde dat ze niet vereist zijn om de uitbreiding van de bedrijfsactiviteit planologisch toe te laten”. 8.
- In hun laatste memorie doen verzoekers nog gelden dat de “vaststellingen uit de processen-verbaal wijzen op het feit dat de actuele situatie niet toelaat om slachtingen op een manier uit te voeren die kadert binnen de sectorale wetgeving”. Het verordenend voorschrift van artikel 0.5 van het PRUP “dat werken en constructies in functie van het dierenwelzijn toelaat, is niet van aard om [de] foutieve beoordeling van de feitelijke situatie in het plan-MER te remediëren”. Beoordeling 9.
- Om de reden vermeld onder randnummer 5.1 is het middel onontvankelijk in zoverre een schending van de formelemotiveringsplicht wordt aangevoerd. 9.
- Verzoekers betogen dat het uitgangspunt van het plan-MER dat “geen bouwtechnische aanpassing dient te gebeuren” om de geplande bedrijfsuitbreiding te realiseren, wordt tegengesproken door de PV’s van het X-17.103-23/36 Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV), waarin een aantal overtredingen worden vastgesteld en waaruit blijkt dat “de infrastructuur [van het slachthuis] niet voldoet opdat voorkomen kan worden dat dieren vallen of zich verwonden”. De milieueffecten van de geplande uitbreiding werden volgens hen dan ook niet correct en zorgvuldig bestudeerd. 9.
- Verzoekers bouwen hun middel op vanuit een aantal passages uit het plan-MER met betrekking tot de rubrieken ‘Kenmerken van het bedrijf exportslachthuis Tielt” (p. 99-116) en de vraag naar de “Bouwkundige aanpassingen voor het slachten van 2.500.000 varkens (toekomstige situatie)” (p. 120-143). Vastgesteld moet daarbij worden dat dit vanuit een wel heel beperkte lezing van het plan-MER gebeurt. Zo leest men in het plan-MER aangaande het slachtproces bijkomend: “In het kader van de Vlarem-wetgeving en beperking hinderniveau drong er zich een heroriëntatie op van het bedrijf en een nieuwe ontsluitingsweg. Op de onderstaande figuur worden de huidige en toekomstige (zowel op korte als op lange termijn) bedrijfsactiviteiten weergegeven. De functies van de verschillende gebouwen zijn omschreven.” (plan-MER, p. 120). “3.4.1.5Aanpassing afdeling ‘slachthuis’ Slachttechnische aanpassingen Installatie van CO2-verdoving i.p.v. elektrische verdoving (in uitvoering, nummer 6 op Kaart 1): Momenteel worden de slachtvarkens elektrisch verdoofd. Een CO2- verdoving biedt volgende voordelen t.o.v. elektrische verdoving: •geen interne bloedingen en breuken meer •biedt de mogelijkheid om hangend te verbloeden Installatie van een verbloedingscaroussel (in uitvoering, nummer 5 op Kaart 1): Momenteel worden de varkens liggend ontbloed. Een verbloedingscarroussel biedt volgende voordelen t.o.v. liggende verbloeding: •betere bloedopvang en rendement •hygiënischer werkwijze •minder destructiebloed (wat de waterzuivering en de afvalopslag meer ontlast) Installatie in de reine zone van volautomatische robotten die de geslachte organen (gedeeltelijk) volautomatisch uit het geslachte varken verwijderen: Momenteel worden de organen manueel verwijderd, automatisering biedt volgende voordelen: •hygiënischer werkwijze en bijgevolg kwaliteitsvoller product •ontlasting van het ‘zwaardere’ manuele werk X-17.103-24/36 Hiervoor dient wel een deel van de onreine zone in gebruik te worden genomen -want machines nemen meer plaats dan t.o.v. manueel werk, waardoor de onreine zone bijgevolg ook moet worden aangepast Aanpassing van de onreine zone: Doordat een deel van de onreine zone zal worden ingenomen door de reine zone zal de onreine zone moeten worden uitgebreid (verplaatst) naar de technische ruimte. Op haar beurt zal deze technische ruimte dienen te verhuizen naar een nieuw gebouw aansluitend op de andere technisch ruimte van het slachthuis (momenteel zijn er twee van elkaar [gescheiden] technische ruimtes). Dit levert een groot efficiëntievoordeel op daar de twee technische ruimtes nu samengebracht worden naar één groter technisch atelier. Ook de opslag haar, mest en bloed dienen te worden verplaatst.” (plan-MER, p. 127) En nog: “3.4.2 Bouwkundige aanpassingen voor het slachten van 2.500.000 varkens (toekomstige situatie) Nadat in punt 3.4.1 de bouwkundige aanpassingen en investeringen werden besproken voor een jaarlijks slachtvolume van 1.500.000 varkens (nulalternatief) wordt hieronder dezelfde oefening gemaakt voor een jaarlijks slachtvolume van 2.500.000 varkens (toekomstige situatie) […] Technisch kan de slachtlijn […] dus de vooropgestelde 2.500.000 varkens zeker aan. Wettelijk is dit ook haalbaar, zeker gezien het feit dat hoogstwaarschijnlijk in de toekomst de wettelijke slachturen nog zullen worden uitgebreid. Op het niveau van het slachthuis dient bijgevolg geen enkele bouwtechnische aanpassing te gebeuren vermits er langer zal geslacht worden en niet sneller. De zgn. throughput of doorvoer blijft dezelfde. Door toepassing van andere technologieën (o.a. CO2-verdoving, volautomatische robotten, .. ) zou eventueel nog de slachtsnelheid hooguit met ca. 25 varkens per uur kunnen worden opgetrokken. Dit betekent slechts een stijging van max. 4 % wat gemakkelijk met de bestaande gebouwen (infrastructuur) kan worden opgevangen. Slachttechnisch gezien kan gesteld worden dat de gebouwen en de slachtinfrastructuur langer zullen worden gebruikt, zonder dat de gebouwen/installaties hiervoor dienen te worden uitgebreid.” (plan-MER, p. 137 e.v.) 9.
- Voorts neemt de plannende overheid enkel aan dat geen “noemenswaardige” bouwwerken dienen uitgevoerd te worden voor wat het opdrijven van de slachtcapaciteit betreft: “3.4.2.9 Algemeen besluit Door de volledige slacht- en versnijdingsinfrastructuur optimaler, efficiënter, met betere technologie en vooral langer te benutten, dienen er geen noemenswaardige bouwwerken te worden uitgevoerd om de slachtcapaciteit aan te passen van 1.500.000 naar 2.500.000 varkens. De X-17.103-25/36 nodige vergunningen zullen indien nodig aangevraagd worden.” (plan- MER, p. 142) 9.
- Verzoekers, die van een al te beperkte lezing van het plan-MER uitgaan, tonen niet aan dat het plan-MER op feitelijk of juridisch onjuiste gegevens zou gesteund zijn. 9.
- In zoverre verzoekers nog aanvoeren dat het bestreden besluit geen gevolg geeft aan het ongunstig advies van de stad Tielt, noch op enige wijze in een motivering voorziet waarom de bezwaren niet op de besluitvorming hebben gewogen, wordt vooreerst verwezen naar de bespreking van dit ongunstig advies en de bezwaren dienaangaande door de Procoro, zoals vermeld onder randnummer 3.8.
- De plannende overheid heeft het advies van de Procoro gevolgd en heeft in het stedenbouwkundig voorschrift ‘art. 0.5 Werken en constructies in functie van het dierenwelzijn’ het volgende bepaald: “Werken in functie van het dierenwelzijn kunnen in alle zones toegelaten worden, voor zover de schaal en de bouwkarakteristieken (inplanting, gabariet en materiaalgebruik) ervan geen afbreuk doen aan de kwaliteit van de betreffende bestemmingszone.” Verzoekers betrekken dit laatste niet bij hun middel. 9.
- Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 10.
- Verzoekers roepen in een vierde middel de schending in van “artikel 1.1.
- van de VCRO juncto de algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. X-17.103-26/36 Zij voeren aan dat de buffer die ten noorden van het plan wordt voorzien (artikel 4 Zone voor buffer) om het bedrijf na uitbreiding visueel af te schermen en in het landschap in te passen en waarvoor het stedenbouwkundig voorschrift een minimale breedte van 10 meter breed oplegt, manifest onvoldoende is om aan de hinder veroorzaakt door de bedrijfsuitbreiding tegemoet te komen. In het licht van de aangevoerde schending van artikel 1.1.4 VCRO betogen verzoekers dat de verwerende partij landschappelijk waardevol agrarisch gebied heeft omgezet naar een zone voor regionale bedrijvigheid en zone voor circulatie, parking en milieutechnische installaties zonder op afdoende wijze met de belangen van de omwonenden rekening te houden. Zij benadrukken dat de buffer volledig ondermaats is en niet van aard om de hinder veroorzaakt door de bedrijfsuitbreiding in te perken. Verzoekers verwijzen in dit verband naar de omzendbrief van 8 juli 1997 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (hierna: de omzendbrief van 8 juli 1997) met de daarin vermelde richtinggevende breedtecijfers voor buffers rondom de industriezones en ambachtelijke zones, waarin onder meer een 25m brede buffer voor milieubelastende bedrijven wordt voorgeschreven, waarvan de breedte moet vergroot en zelfs verdubbeld worden indien die zones aan woongebied palen. De kwestieuze bufferzone kan, gezien haar beperkte omvang, niet geacht worden tot een goed nabuurschap bij te dragen. Ondanks talrijke bezwaren voorziet de verwerende partij niet in een voldoende afstand tussen het woongebied en de bedrijfsuitbreiding. 10.
- Verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord dat de verwerende partij niet betwist dat een buffering zoals in de omzendbrief voorzien “een zorgvuldige invulling kan vormen van het goede nabuurschap”. De plannende overheid motiveert niet “waarom in de bestreden beslissing moet worden afgeweken van de bufferzone die voor milieubelastende bedrijven zoals de exploitatie in casu wordt aanbevolen”. De rechtsonderhorige mag volgens hen in geval van een afwijking “duiding verwachten”. Verzoekers menen, zoals uit hun bezwaarschriften duidelijk blijkt, dat de bestaande bouwvrije strook X-17.103-27/36 “nagenoeg niets bijdraagt aan de moeilijke inpassing van de bestaande bedrijvensite in de als landschappelijk waardevol aangeduide omgeving”. 10.
- In hun laatste memorie doen verzoekers nog gelden dat de Procoro allerminst aantoont “dat de minimale breedte afdoende is om de gevreesde hinder van de bedrijfsuitbreiding tot een aanvaardbaar niveau te reduceren”. De verwerende partij diende de vragen om de buffer uit te breiden zelf zorgvuldig te onderzoeken. Verzoekers betogen dat de verwerende partij met de meervermelde omzendbrief rekening had moeten houden, nu de “toepassing van de richtlijnen […] immers een invulling van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur [vormen]”. Beoordeling 11.
- Verzoekers voeren de schending aan van artikel 1.1.4 VCRO aan. Zij menen dat niet op afdoende wijze met de belangen van de omwonenden rekening werd gehouden, ofschoon de manifeste hinder van de bestaande bedrijfsexploitatie door verwerende partij gekend was en de hinder van de uitbreiding van het kwestieuze slachthuis uitgebreid in de bezwaarschriften werd toegelicht. 11.
- Artikel 1.1.4 VCRO bepaalt onder meer dat bij de ruimtelijke ordening de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat bij de gelijktijdige onderlinge afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten één bepaalde behoefte zwaarder kan doorwegen in een bepaalde situatie. Een bepaalde ruimtelijke behoefte kan derhalve na afweging in een bepaalde situatie niet noodzakelijk voorkomen als gelijkwaardig aan een andere ruimtelijke behoefte. 11.
- De belangenafweging moet gebeuren bij het opmaken van het plan in zijn geheel. De overheid beschikt ter zake over een X-17.103-28/36 appreciatiebevoegdheid die slechts voor overschreden kan worden gehouden in zoverre de grenzen van de redelijkheid te buiten wordt gegaan. Het is aan de verzoekers, die de genoemde bepaling geschonden achten, om aan te tonen dat de gemaakte keuze die grenzen te buiten gaat. 11.
- De vraag of een minimale buffer van 10 meter, die in artikel 4 van de stedenbouwkundige voorschriften (zie randnummer 3.10.4) verduidelijkt wordt als een groenbuffer gecombineerd met de aanleg van een talud, als een afdoende buffering kan beschouwd worden, behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de plannende overheid. In het advies van de Procoro, waarbij de verwerende partij zich expliciet aansluit, wordt in het licht van de bezwaren inzake de ontoereikendheid van de bufferzone gemotiveerd dat de doorlopende combinatie van beplanting als voldoende wordt beschouwd (zie randnummer 3.8.2). Uit de toelichtingsnota bij het PRUP blijkt voorts dat de plannende overheid bij het vaststellen van de kwestieuze bufferzone voor de hinder ten opzichte van de omgeving afdoende aandacht heeft gehad (zie randnummer 7.4). Verzoekers betrekken het voormelde niet bij de uiteenzetting van hun middel. Zij tonen niet aan dat de door de plannende overheid in verband met de buffer gemaakte keuze de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat, of anderszins onwettig is. Een verwijzing naar de niet-verordenende omzendbrief van 8 juli 1997, van toepassing op de gewestplannen, kan daartoe niet volstaan. 11.
- Het middel wordt verworpen. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 12.
- Verzoekers roepen in een vijfde middel de schending in van “art. 8 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid [hierna: het DIWB] X-17.103-29/36 en schending art. 2.
- van het besluit van de Vlaamse regering [van 20 juli 2006] tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets [hierna: het watertoetsbesluit] juncto [de] zorgvuldigheidsnorm en de formele motiveringsplicht zoals in art. 2 van de [motiveringswet]”. Zij voeren aan dat, ondanks het feit dat de verwerende partij kennelijk op de hoogte was van de gebreken in de waterzuiveringsinstallatie en de overschrijdingen in stikstofwaarden, zij met de door het plan-MER voorgestelde maatregelen geen rekening heeft gehouden, en dat deze maatregelen noch in de toelichtingsnota noch in de stedenbouwkundige voorschriften werden aangehaald of doorvertaald. Deze nalatigheid vormt volgens verzoekers een schending van artikel 8 DIWB en artikel 2 van het watertoetsbesluit. De verwerende partij heeft volgens hen in haar toelichtingsnota bij het PRUP niet aangegeven waarom er geen rekening werd gehouden met het advies van het plan-MER waarin het volgende wordt gesteld: “Het effluent van de waterzuiveringsinstallatie voldoet gemiddeld gezien steeds aan de lozingsnormen. Overschrijdingen komen uitzonderlijk voor, het betreffen dan voornamelijk éénmalige overschrijdingen van de norm. Enkel voor stikstof blijft het moeilijk om steeds de norm te halen, extra maatregelen zullen hiervoor genomen moeten worden.” Het gebrek aan motivering van de afwijking van het plan-MER vormt volgens verzoekers een schending van de formelemotiveringsplicht. Op grond van het voorgaande blijkt ook dat verwerende partij de bestreden beslissing niet op zorgvuldige en doordachte wijze heeft voorbereid. 12.
- Verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord dat de verwerende partij “[i]n plaats van te wachten tot het stikstofgehalte in het water nogmaals verhoogt door bijkomende projecten, […] haar ambities [dient] te verschuiven en [dient te] pogen zowel huidige als voorspelbare toekomstige problemen aan te pakken”. 12.
- In hun laatste memorie doen verzoekers nog gelden dat de loutere mogelijkheid om bepaalde milderende maatregelen op projectniveau te X-17.103-30/36 implementeren, niet wegneemt dat de verwerende partij dergelijke keuze dient te motiveren. Beoordeling 13.
- Om de reden vermeld onder randnummer 5.1 is het middel onontvankelijk in zoverre de schending van de motiveringswet wordt aangevoerd. 13.
- Zoals verzoekers opmerken, wordt in het plan-MER vastgesteld dat de stikstofconcentratie bij de lozing te hoog is en de oplossing op het vlak van de waterzuivering dient bekeken te worden. Vastgesteld wordt evenwel dat verzoekers in hun middel van een al te beperkte lezing van het plan-MER uitgaan. Wat de milderende maatregelen betreft, wordt daarin vooreerst het volgende uiteengezet: “14 Integratie, synthese effecten, eindbeoordeling en doorwerking naar het plan In het kader van de Vlarem-wetgeving en ter beperking van het hinderniveau dringt er zich een heroriëntatie op van het bedrijf. Om de heroriëntatie van het bedrijf mogelijk te maken dient er een bestemmingswijziging plaats te vinden. Het voorgenomen plan betreft een bestemmingswijziging (een oppervlakte van 7,04 ha zal herbestemd worden naar een bestemming voor bedrijvigheid, waarvan momenteel 2,96 ha is bestemd als agrarisch gebied en 4,08 ha als landschappelijk waardevol agrarisch gebied). Voor het betreffende PRUP gaat het bijgevolg om de milieueffecten van de verschuiving en optimalisering van activiteiten. Verder beoogt het bedrijf ook een capaciteitsuitbreiding. Er werd onderzocht of de exploitatie waarbij 2.500.000 varkens geslacht worden, resulteert in aanzienlijk negatieve effecten. Het doel is om het MER voldoende concreet uit te werken tot op projectniveau zodat de informatie zowel voor de plan-MER (in het kader van de PRUP) als voor een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de project-MER-plicht (ten behoeve van de capaciteitsuitbreiding naar 2.500.000 varkens) kan worden gebruikt. Deze MER heeft bijgevolg een dubbele rol. Dit houdt ook in dat milderende maatregelen die voorgesteld worden op verschillende niveaus hun doorwerken moeten krijgen. We onderscheiden in eerste instantie de milderende maatregelen die op plan-niveau moeten geregeld worden. Dit zijn maatregelen die in het grafisch plan of de stedenbouwkundige voorschriften van het op te maken ruimtelijke uitvoeringsplan dienen verankerd te worden. Van de milderende maatregelen die niet op plan-niveau kunnen geregeld worden, dient bekeken te worden of deze op project-niveau kunnen meegenomen worden. Het betreft hier maatregelen die moeten opgelegd worden in de stedenbouwkundige of milieuvergunning (of de toekomstige X-17.103-31/36 omgevingsvergunning). Maatregelen die buiten het plangebied dienen gerealiseerd te worden worden als flankerende maatregel aangeduid. Vervolgens onderscheiden we de milderende maatregelen met betrekking tot de uitbreiding van de slachtcapaciteit. Dit zijn maatregelen die op projectniveau dienen geregeld te worden, hetzij bij de stedenbouwkundige of milieuvergunningsaanvraag (of de toekomstige omgevingsvergunning). Maatregelen die bij voorkeur dienen gerealiseerd te worden, maar buiten de perimeter van het projectaanvraag vallen worden als flankerende maatregelen aangeduid.” (plan-MER p. 489) Wat de vereiste van de waterzuivering betreft, wordt verder in het plan-MER het volgende aangegeven (plan-MER, p. 497): En verder : “Milderende Maatregelen voor PRUP […] •In de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP kan er opgenomen worden dat alle handelingen en werken die noodzakelijk zijn om de nodige milderende maatregelen (lucht, geluid, water, bodem, landschap, mobiliteit, fauna en flora) uit te voeren toegelaten dienen te worden binnen de grenzen van het plangebied. […] Milderende maatregelen voor stedenbouwkundige vergunning […] • bodembeschermende maatregelen voorzien om verontreiniging van bodem en grondwater te voorkomen […] Milderende maatregelen voor milieuvergunning •Aanpassen waterzuivering volgens het uitvoeringsalternatief: •Verplaatsen van de voorzuivering X-17.103-32/36 •gefaseerde uitbreiding van de bestaande biologische zuivering met een MBR; dit vergt de vervanging van de slibafscheiding door een membraanafscheiding •Verbeteren van de N-verwijdering door betere sturing (nitraat-sondes, lagere zuurstofconcentraties); om deze lage zuurstofconcentraties te behalen is een menging onafhankelijk van de zuurstofinbreng aangewezen •Uitbreiding van de beluchtingscapaciteit •Toevoegen van een omgekeerde osmose waarmee een deel van het effluent geschikt gemaakt wordt voor hergebruik. •Als milderende maatregel dient ook opgenomen te worden dat er bij de lozing op de RWZI Tielt steeds een mengeling van concentraat en regeneraat van de ontharder dient aangehouden te worden om concentratiepieken te vermijden. […] Flankerende maatregelen – good practice […] •Wat een positief effect zou kunnen hebben op de oppervlaktewaterkwaliteit is een meer natuurlijke inrichting van de verbindingsgracht waarin het effluent van het slachthuis geloosd wordt, en die verderop uitmondt op de Zwartegatbeek (bv. met plantensystemen en beluchting om een biologische afbraak te bevorderen). Dit is echter een maatregel die niet door slachthuis Tielt kan uitgevoerd worden, gezien dit om openbaar domein gaat.” (plan-MER, p. 505 e.v.) 13.
- Verzoekers betrekken de voormelde uiteenzetting nergens bij hun middel, maar beperken zich ertoe te stellen dat het bestreden PRUP met de door het plan-MER vastgestelde gebreken en maatregelen geen rekening heeft gehouden. Aldus adstrueren zij het middel onvoldoende en tonen zij geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. 13.
- Het middel wordt verworpen. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 14.
- Verzoekers roepen in een zesde middel de schending in van “artikel 27 en 28 van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen juncto de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaronder het vertrouwensbeginsel, het beginsel van rechtszekerheid, het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van materiële motivering”. X-17.103-33/36 Zij zetten uiteen dat er in het plangebied een buurtweg gelegen is, namelijk buurtweg 124, die vertrekt ter hoogte van de Hondstraat, langs de bedrijfsgebouwen doorheen het plangebied loopt, de ontsluitingsweg kruist en aansluiting vindt met “Het Kamp”. Uit de toelichtingsnota blijkt volgens verzoekers dat het bestaan van de buurtweg wordt erkend, maar dat vervolgens wordt vastgesteld dat de weg in onbruik is geraakt, dat de herwaardering ervan niet als wenselijk wordt beschouwd en dat de bestreden beslissing aan de stad Tielt suggereert om de procedure ter verlegging of afschaffing van de buurtweg op te starten. Verzoekers menen dat de bestreden beslissing, door de ontsluitingsweg over de buurtweg 124 te laten lopen en de herwaardering van deze buurtweg omwille van de daarmee gecreëerde onveilige verkeerssituatie niet als wenselijk te achten, de buurtweg afschaft (minstens wijzigt), terwijl deze afschaffing overeenkomstig de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen diende te gebeuren. Zij lichten toe dat de plannende overheid, door aldus te beslissen, het vertrouwens-, rechtszekerheids-, zorgvuldigheids- en materiëlemotiveringsplicht schendt. Verzoekers stellen ook dat het bestreden besluit, in de mate waarin het aanneemt dat de buurtweg “in de feiten niet meer bestaat” en “de voetweg niet meer in gebruik is”, niet op werkelijk bestaande en concrete feiten steunt. De bestreden beslissing gaat er volgens hen aan voorbij dat het gebruik van de voetweg wordt verhinderd door de afsluiting van het tracé, waardoor recent gebruik niet meer mogelijk is. De verwerende partij had een beslissing omtrent de bestaande buurtweg moeten afwachten alvorens de aard ervan de facto te wijzigen. Ook het plan-MER stelde voor om het tracé van de buurtweg te herstellen, om te leiden of af te schaffen. 14.
- Verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord dat de verwerende partij de verordenende kracht miskent van artikel 5 van de stedenbouwkundige voorschriften, bepaling die voorziet in een zone voor X-17.103-34/36 ontsluiting, bestemd voor vrachtverkeer, en die onverenigbaar is met het bestaan van de buurtweg. 14.
- In hun laatste memorie doen verzoekers nog gelden dat de uitvoering van het voormelde stedenbouwkundig voorschrift een toekomstig gebruik van de buurtweg zal verhinderen. Beoordeling 15.
- In de toelichtingsnota bij het PRUP wordt aangaande de buurweg nr. 124 het volgende gesteld: “Vanaf de Hondstraat (buurtweg nr. 68) loopt voetweg nr. 124 richting noorden, langs de bedrijfspercelen van het slachthuis en kruist de aan te leggen ontsluitingsweg om dan verder noordwaarts het open agrarisch gebied in te gaan en aansluiting te vinden met Het Kamp. Deze voetweg is niet meer in gebruik. Een herwaardering van deze voetweg doorheen het plangebied vanaf de Hondstraat tot aan de nieuwe ontsluitingsweg heeft weinig tot geen meerwaarde aangezien deze verder noordelijk buiten het plangebied tevens in de feiten niet meer bestaat. Bovendien zou dit tot onveilige verkeerssituaties kunnen leiden bij de kruising van deze voetweg met de nieuwe ontsluitingsweg voor zwaar verkeer. De voetweg kan niet meer worden gezien als een bestaande zachte verbinding. Het is de stad Tielt die een initiatief inzake deze voetweg zal moeten nemen. Er kan samen met de provincie nagedacht worden over een alternatief als zachte verbinding in een ruimere omgeving.” (toelichtingsnota, p. 17) Ook de Procoro merkt in dit verband op dat “hoe dan ook de gemeenteraad van Tielt een initiatief inzake deze buurtweg zal moeten nemen”. 15.
- Verzoekers tonen in hun verzoekschrift niet aan dat de vaststelling in de toelichtingsnota bij het PRUP dat de buurtweg niet meer in gebruik is, feitelijk onjuist zou zijn. Voorts weerleggen zij niet dat een herwaardering van de buurtweg tot onveilige verkeerssituaties zou leiden. Ten slotte duiden verzoekers geen rechtsregel aan waaruit volgt dat de (toentertijd geldende) procedure tot afschaffing of verplaatsing van de buurtweg 124 diende doorlopen te worden alvorens het bestreden PRUP werd vastgesteld. 15.
- Het middel wordt verworpen. X-17.103-35/36
- Het beroep moet hoe dan ook als ongegrond verworpen worden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden, elk voor een vijfde, verwezen in de kosten van beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1000 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 450 euro, elk voor een derde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig april tweeduizend twintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.103-36/36 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.469 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div