← België

Arrest 247483 - Milieuvergunningen - 04/05/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.483 Rolnummer: A. 219672/VII-39709 Zaak: Arrest 247483 - Milieuvergunningen - 04/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-04 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-26 03:24 Fiche Arrest nr 247.483 van 4 mei 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.483 van 4 mei 2020 in de zaak A. 219.672/VII-39.709 In zake : Frank TANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Van Geeteruyen kantoor houdend te 3700 Tongeren Piepelpoel 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Sofie HAESEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Johan Vanmuysen en Luc Beerden kantoor houdend te 3500 Hasselt Bampslaan 19 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 7 juli 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 26 mei 2016 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 13 mei 2015, houdende het weigeren van de milieuvergunning aan Sofie Haesen voor een pluimveebedrijf, VII-39.709-1/16 gelegen aan de Haagsmeerstraat 41 te Borgloon, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de vergunning onder voorwaarden wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Sofie Haesen heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 september
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 maart
  4. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jutte Nijs, die loco advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-39.709-2/16 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De tussenkomende partij dient op 14 november 2014 bij de deputatie van de provincieraad van Limburg een aanvraag in tot het verkrijgen van een milieuvergunning, onder meer voor de exploitatie van een nieuwe inrichting voor het houden van 60.000 braadkippen in een stal te Borgloon, Haagsmeerstraat, op een perceel kadastraal gekend afd. 4, Sie B, nr 34B. Op circa 265 meter ten oosten van de inplantingsplaats bevindt zich een onderdeel van het habitatrichtlijngebied “Bossen en kalkgraslanden van Haspengouw”. Een tweede onderdeel van het habitatrichtlijngebied bevindt zich op circa 890 meter ten zuiden van de voorziene inplantingsplaats: de deelgebieden “Vallei van de Sint-Annabeek” en “het Bellevuebos”. Bij de aanvraag wordt een passende beoordeling gevoegd. 3.
  7. Tijdens het openbaar onderzoek dient verzoeker een bezwaar in. 3.
  8. De deputatie van de provincie Limburg weigert op 13 mei 2015 de milieuvergunning. 3.
  9. Op 15 juni 2015 dient de aanvrager een bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.
  10. In het kader van de beroepsprocedure worden volgende adviezen ingewonnen: - de Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Operationeel waterbeheer, VII-39.709-3/16 verleent een deels gunstig advies omtrent de grondwaterwinning; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert ongunstig omdat “[…] de nieuwe inrichting een significante bijdrage zou leveren aan de kritische last voor verzuring en vermesting; dat ter hoogte van het prioritair te beschermen habitattype 91E0 en het habitattype 9160 de bijdrage aan de kritische last meer dan 3% zal bedragen; dat gelet op de urgente actuele stikstofproblematiek het niet aangewezen is om nieuwe stikstofbronnen met een significante impact op gevoelige habitats toe te staan; dat bijgevolg de vergunning niet kan worden verleend”; - het Agentschap voor Natuur en Bos adviseert om aan de aanvrager conform de omzendbrief “Passende Beoordeling (LNE/2015/1)” aanvullende informatie te vragen; - de afdeling Gebieden en projecten van Ruimte Vlaanderen adviseert gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie (hierna: GMVC) verleent een ongunstig advies: “[…] Overwegende dat een passende beoordeling werd opgesteld en bijgevoegd bij de aanvraag; dat de stikstofemissie afkomstig is van de nieuw te bouwen pluimveestal waarin 60.000 stuks pluimvee zullen worden gehouden; Overwegende dat de actuele milieudrukken een belangrijke hypotheek leggen op het bereiken van de gunstige staat voor heel wat Europees beschermde habitattypes en een aantal Europees beschermde soorten; dat in het kader van de wijziging van het natuurdecreet het Vlaamse Parlement op 23 april 2014 heeft geoordeeld dat stikstof de meest urgente milieudruk uitmaakt […]; Overwegende dat in de passende beoordeling wordt gesteld dat het bedrijf in de huidige toestand geen ammoniak (en bijgevolg geen zuurequivalenten) uitstoot; Overwegende dat in de aanvraag een stofbak wordt voorgesteld als bijkomende ammoniak reducerende techniek (naast het AEA-stal systeem); dat de effecten van een stofbak op het vlak van ammoniakimissie (andere verspreidingspluim) onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn waardoor het reductiepercentage onzeker is; dat bijgevolg geen rekening kan worden gehouden met de voorgestelde immissiereducties van ammoniak; Overwegende dat de totale emissie van het bedrijf in de nieuwe situatie volgens de passende beoordeling 2.220 kg NH3/jaar bedraagt; dat dit een toename ten opzichte van de huidige situatie betreft; Overwegende dat in de passende beoordeling het aandeel van de immissie ten opzichte van de kritische depositiewaarden voor verzuring en vermesting worden weergegeven voor de habitattypes 91E0, 9160, 9120, 6430 en 6510; dat hieruit blijkt dat in de toekomstige situatie het aandeel van de immissie VII-39.709-4/16 ten opzichte van de kritische depositiewaarde voor verzuring en vermesting voor de betrokken habitattypes toeneemt; dat in de passende beoordeling geen totale depositiecijfers worden meegedeeld; dat wel de bijdrage aan de kritische last per habitattype wordt weergegeven; dat in onderstaande tabel hiervan een overzicht staat: […] Overwegende dat op 31 juli 2015 het Agentschap voor Natuur en Bos een subadvies uitbracht; dat wordt geadviseerd om bijkomende informatie op te vragen aan de exploitant; Overwegende dat op 24 augustus 2015 de exploitant bijkomende verduidelijkingen en informatie bezorgt aan de afdeling Milieuvergunningen; dat de exploitant voorstelt een reductie van de eiwitopname via de voeding te implementeren; dat het voldoende wetenschappelijk is aangetoond dat deze maatregel effectief kan leiden tot een daling van de ammoniakemissie met 25%; dat deze bijkomende reductie echter onvoldoende is om de bijdrage aan de kritische last te beperken tot een aanvaardbaar niveau. Overwegende dat de nieuwe inrichting een significante bijdrage zou leveren aan de kritische last voor verzuring en vermesting; dat gelet op de urgente actuele stikstofproblematiek het niet aangewezen is om nieuwe stikstofbronnen met een significante impact op gevoelige habitats toe te staan; dat bijgevolg de vergunning niet kan worden verleend”. 3.
  11. Bij ministerieel besluit van 26 mei 2016 wordt het beroep van de tussenkomende partij gedeeltelijk gegrond verklaard. Het besluit van de deputatie van 13 mei 2015 wordt opgeheven en de vergunning wordt verleend onder voorwaarden. Dit is de bestreden beslissing. Zij steunt in essentie op volgende overwegingen: “Overwegende dat een passende beoordeling werd opgesteld en bijgevoegd bij de aanvraag; dat de stikstofemissie afkomstig is van de nieuw te bouwen pluimveestal waarin 60.000 stuks pluimvee zullen worden gehouden; […] Overwegende dat in de passende beoordeling wordt gesteld dat het bedrijf in de huidige toestand geen ammoniak (en bijgevolg geen zuurequivalenten) uitstoot; Overwegende dat de totale emissie van het bedrijf in de nieuwe situatie volgens de passende beoordeling 2.220 kg NH3/jaar bedraagt; dat dit een toename ten opzichte van de huidige situatie betreft; Overwegende dat in de passende beoordeling het aandeel van de immissie VII-39.709-5/16 ten opzichte van de KDW voor verzuring en vermesting worden weergegeven voor de habitattypes 91E0, 9160, 9120, 6430 en 6510; dat hieruit blijkt dat in de toekomstige situatie het aandeel van de immissie ten opzichte van de kritische depositiewaarde voor verzuring en vermesting voor de betrokken habitattypes toeneemt; dat in de passende beoordeling geen totale depositiecijfers worden meegedeeld; dat wel de bijdrage aan de kritische last per habitattype wordt weergegeven; dat in onderstaande tabel hiervan een overzicht staat: […] Overwegende dat op 31 juli 2015 het Agentschap voor Natuur en Bos een subadvies uitbracht; Overwegende dat een online-instrument ‘Impactscore NH3’ werd ontwikkeld waarmee de invloed van de stikstofneerslag op het realiseren van de Europese natuurdoelen binnen de speciale beschermingszones kan worden berekend; dat dit instrument het mogelijk maakt om de indirecte effecten van verzuring en vermesting via de lucht op habitats na te gaan; dat de worst case impact binnen een nulcontourlijn die vastgesteld is op de KDW van het meest gevoelige habitat, wordt berekend; dat de berekening met het online-instrument aantoont dat, rekening houdende met de voorgestelde ammoniak-reducerende maatregelen, er geen risico op betekenisvolle aantasting te verwachten is op de actuele en mogelijk toekomstige habitats in habitatrichtlijngebied; dat uit recente berekeningen volgens dit online-instrument blijkt dat de bijdrage van de exploitatie 1,81% bedraagt ten opzichte van de actuele habitats en 1,89% ten opzichte van de zoekzones; dat bijgevolg de voorgenomen aanvraag voor een nieuwe inrichting overeenkomstig artikel 36ter van het decreet natuurbehoud kan worden toegestaan; Overwegende dat in de aanvraag en bij de passende beoordeling een stofbak wordt voorgesteld als bijkomende techniek (naast het AEA-stalsysteem); dat deze stofbak de uitgaande lucht verticaal opstuwt waardoor er een gewijzigd verspreidingspatroon voor ammoniak zal optreden wat een gunstig effect heeft op de verzurende en vermestende depositie; dat het bijgevolg aangewezen is om de stofbak op te leggen als bijzondere voorwaarde”. 3.
  12. De corresponderende bouwvergunning wordt op 2 april 2015 door de deputatie van de provincieraad van Limburg geweigerd. Bij arrest van 21 februari 2017 verwerpt de Raad voor Vergunningsbetwistingen het daartegen ingestelde beroep. 3.
  13. De tussenkomende partij heeft inmiddels een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en exploiteren van een nieuw pluimveebedrijf voor 180.000 braadkippen op de percelen kadastraal gekend afdeling 4 Gors-Opleeuw, sectie B, nrs 451A en 443A. De VII-39.709-6/16 deputatie heeft die aanvraag niet ingewilligd. De tussenkomende partij heeft hiertegen beroep ingediend bij de minister. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunten van de verwerende en de tussenkomende partij
  14. De verwerende partij betwist het belang van verzoeker omdat uit het uittreksel van de patrimoniumdocumentatie zou blijken dat hij geen eigenaar is van het kasteel en dit kasteel op meer dan 100 meter zou gesitueerd zijn, en niet rechtover de vergunde inrichting. Zij voegt toe dat er een omvangrijk varkensbedrijf op kortere afstand wordt geëxploiteerd, zodat de beweerde hinder in die optiek als “onbewezen, c.q. minimaal tot onbestaande” moet worden gerelativeerd.
  15. De tussenkomende partij werpt eveneens op dat het belang op een onjuiste feitelijke grondslag steunt: tegenover het kasteel bevindt zich nummer 38, maar in geen geval het voorwerp van de aanvraag. Het kasteel op huisnummer 40, aansluitend op een vierkantshoeve, bevindt zich volgens haar op ongeveer 300 meter van de inrichting. Ook is verzoeker niet de bewoner of de eigenaar van het kasteel. De zintuiglijke hinder kan volgens haar enkel worden ondergaan door een daadwerkelijke bewoner.
  16. In haar laatste memorie noemt de verwerende partij het belang van verzoeker niet actueel en rechtstreeks, en louter hypothetisch.
  17. De tussenkomende partij voegt “louter volledigheidshalve” toe dat in de vierkantshoeve die onmiddellijk aansluit bij het kwestieuze kasteel, door derden een actief melkveebedrijf wordt geëxploiteerd. Zij besluit dat het kasteel zich dan ook bevindt “temidden van bestaande, actieve en in volle exploitatie zijnde agrarische bedrijven in percelen die conform het gewestplan zijn bestemd VII-39.709-7/16 tot agrarisch gebied”. Beoordeling
  18. Om belang te hebben bij het bestrijden van de milieuvergunning moet verzoeker aantonen of minstens aannemelijk maken dat hij hinder of nadeel kan ondervinden door de vergunde exploitatie. De afstand tussen woonplaats en de plaats waar de hinder zijn oorsprong vindt, maakt daarbij een belangrijk objectief criterium uit. Uit de bijgebrachte stukken blijkt dat verzoeker bij het indienen van het verzoekschrift wel degelijk eigenaar was van het kasteel. De Raad van State aanvaardt in principe dat het voldoende is een perceel/woning die gelegen is in de nabije omgeving van een vergunde inrichting, in eigendom te hebben om van een belang te getuigen. Het is niet vereist dat een verzoeker er effectief woont. Uit het door verzoeker aangebrachte plan blijkt dat zijn eigendom in de onmiddellijke omgeving ligt van de bestreden inrichting. Rekening houdend met de aard en omvang van de te exploiteren inrichting is het niet uitgesloten dat de gevraagde exploitatie diverse vormen van bijkomende hinder van milieuhygiënische aard kan meebrengen voor de omwonenden, waaronder bijvoorbeeld geurhinder. Uit de opmerking van de tussenkomende partij als zou het betrokken goed van verzoeker zonevreemd gelegen zijn, kan niet worden afgeleid dat het belang onwettig is. De uitkomst van dit annulatieberoep heeft immers geen invloed op de beweerde zonevreemde toestand van het desbetreffende kasteel. De tussenkomende en de verwerende partij tonen niet aan dat verzoeker geen of slechts een te verwaarlozen hinder zou ondergaan. VII-39.709-8/16 Gelet op de ligging van het eigendom en de aard van de gevraagde inrichting, is het aannemelijk dat verzoeker de door hem aangehaalde hinder kan ondergaan. Hij beschikt over het vereiste belang om de wettigheid van de verleende vergunning voor de Raad van State te betwisten. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunten van de partijen
  19. Verzoeker leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) en van artikel 36ter, § 4, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. De bestreden beslissing legt volgens verzoeker zonder enige motivering de ongunstige adviezen van het departement Leefmilieu en de GMVC naast zich neer en zou ten onrechte oordelen dat de uitvoering van de geplande activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. Verzoeker argumenteert dat de minister hierbij steunt op een berekening via het online instrument “impactscore NH3” en, in tegenstelling tot de adviesverlenende instanties, geen gebruik maakt van de percentages inzake de bijdrage aan de kritische last voor verzuring en vermesting die in de passende beoordeling worden vermeld. Die werkwijze wordt niet verduidelijkt, hoewel bij afwijking van de adviezen een strengere motivering vereist is. Evenmin zou blijken of de minister met bepaalde relevante gegevens zoals de actuele milieudruk en de stikstofproblematiek, die de adviesinstanties hebben in acht genomen, rekening heeft gehouden. VII-39.709-9/16 Ook het besluit van de minister inzake mogelijke milieueffecten vertoont volgens verzoeker inconsequenties, onder meer omdat hierbij wel gebruik wordt gemaakt van de gegevens uit de passende beoordeling, en het afwijkt van de conclusie van de adviesverlenende instanties die op basis van diezelfde gegevens oordeelden dat er wel aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Dat de minister tweemaal tot de conclusie komt dat er geen probleem is op het vlak van mogelijke effecten voor het milieu, hierbij twee adviezen naast zich neerlegt en zich dan ook nog eens baseert op verschillende gegevens die niet met elkaar overeenstemmen, noemt verzoeker een ernstige schending van de formelemotiveringsplicht.
  20. De verwerende partij voert aan dat de bestreden beslissing uitvoerig gemotiveerd is, dat zij de implicaties voor natuur en milieu afdoende heeft onderzocht, en dat uit de bestreden beslissing eveneens blijkt welk belang zij hecht aan bepaalde elementen. Volgens haar heeft zij correct binnen haar discretionaire bevoegdheid geoordeeld. De formelemotiveringsplicht gaat niet zo ver dat op elk afwijkend advies afzonderlijk moet worden geantwoord en dat elk argument expliciet en gedetailleerd moet worden beantwoord. Uit de bestreden beslissing blijkt volgens haar op welke gronden zij is gebaseerd en waarom de adviezen niet worden gevolgd. Er werd rekening gehouden met de passende beoordeling. Bovendien waren de conclusies van de passende beoordeling positief. Door het gebruik van een stofbak zouden de effecten ter hoogte van de habitats nog meer verwaarloosbaar zijn. De verwerende partij stelt dat zij haar beslissing en de bijzondere voorwaarden op de passende beoordeling heeft gesteund en dat er geen sprake is van een tegenstrijdigheid. Zij wijst erop dat de minister binnen haar discretionaire bevoegdheid anders kan oordelen dan de adviesinstanties. Zij heeft zich voor haar oordeel zowel gebaseerd op de passende beoordeling als op de recente berekeningen via het online instrument “impactscore NH3”. De adviserende VII-39.709-10/16 instanties konden eenvoudigweg nog geen rekening houden met dit online instrument dat pas beschikbaar was sinds 18 september
  21. Dat de actuele stikstofproblematiek en de milieu-effecten/-druk in rekening werden gebracht blijkt ten slotte net uit het feit dat er een beoordeling is van eventuele verzuring en vermesting van de lucht via de vergunde inrichting en het recent ontwikkelde online instrument “impactscore NH3”.
  22. De tussenkomende partij zet uiteen dat de afdeling Milieuvergunningen in haar ongunstig advies geen rekening heeft gehouden met het positieve effect van de “stofbak” als bijkomende ammoniakreducerende techniek, waardoor er bezwaarlijk sprake kan zijn van een correcte beoordeling van de aanvraag. Evenmin werd de bijkomende reductie van eiwitopname via de voeding in rekening gebracht. De GMVC heeft beide technieken wel in aanmerking genomen, maar maakt abstractie van het gegeven dat een stofbak niet leidt tot emissiereductie, maar de luchtuitstoot verspreidt in de hogere luchtlagen. Het is dit wijzigende effect dat doorwerkt in de passende beoordeling en de online impactscoreberekening. Volgens haar maakt verzoeker hier abstractie van en geeft hij een onjuiste voorstelling van zaken. De tussenkomende partij wijst erop dat het online instrument “impactscore NH3” precies een oplossing biedt voor de door de adviesverlenende instanties ervaren beperkingen en wel toelaat om de invloed van de stikstofneerslag te berekenen op het realiseren van de Europese natuurdoelen binnen de speciale beschermingszones en om de indirecte effecten na te gaan van verzuring en vermesting via de lucht op habitats, waarbij de voorgestelde ingrepen wel in aanmerking konden worden genomen en hun weerslag kon worden berekend. Dit weerspiegelt zich in de motivering van de bestreden beslissing en verklaart ook het verschillende resultaat van de berekeningen in de passende beoordeling en in de online tool. Dit is ook de reden waarom de beide adviezen, die volgens haar niet berusten op een volledige, integere beoordeling van de aanvraag, in acht genomen de toepassing van het online instrument “impactscore NH3”, niet VII-39.709-11/16 werden gevolgd. De tussenkomende partij wijst er voorts op dat ook in de passende beoordeling onder de hoofding “Verdere mogelijkheden” een berekening werd opgenomen van de bijdrage aan de kritische lasten ingeval de stal zou worden voorzien van een stofbak. Uit die berekening bleek eveneens een gunstig effect voor de meest gevoelige habitats. In het online instrument “impactscore NH3” wordt de “urgente actuele stikstofproblematiek” in overweging genomen. Het oordeel van verzoeker berust volgens de tussenkomende partij op een onvolledige, minstens niet-grondige, lezing van de bestreden beslissing. Wat de kritiek op het milieueffectenrapport betreft, stelt zij dat de minister de ammoniakreducerende maatregelen concreet bij de berekeningen heeft betrokken en via het online instrument “impactscore NH3” heeft gevalideerd. Men is dus niet op basis van “dezelfde gegevens” tot tegenstrijdige conclusies gekomen.
  23. In haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij toe dat het door de minister gehanteerde online instrument sedert het advies van de GMVC en de bestreden beslissing de standaard modellerings- en meetmethode is geworden inzake de mogelijke verzurende en vermestende emissies en hun gevolgen voor beschermde habitats en/of soorten. Door haar beslissing te steunen op de meest recente wetenschappelijke inzichten zoals uitgewerkt, geconcretiseerd en toegepast in het ter beschikking van het publiek gestelde online instrument “Impactscore NH3”, doet de minister volgens de tussenkomende partij noch min, noch meer dan gebruik maken van de meest recente wetenschappelijke inzichten waardoor de marges van onzekerheid van de modelleringen zo klein mogelijk worden gehouden. VII-39.709-12/16 De tussenkomende partij wijst erop dat de overheid, om te voldoen aan de motiveringsplicht en aan de verplichting om in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, moet kunnen uitgaan van gegevens die op het ogenblik van de beslissing over de vergunningsaanvraag een voldoende hoge graad van zekerheid vertonen. Beoordeling
  24. De formelemotiveringsplicht, vervat in de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, verplicht de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van deze bestaat erin dat de betrokkene in de beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het beoordelen van de vraag of de beslissing voldoet aan de formelemotiveringsplicht kan in beginsel enkel rekening worden gehouden met de motieven die in de beslissing zelf zijn weergegeven. Wanneer tijdens de bestuurlijke beroepsprocedure adviezen moeten worden ingewonnen, ook al zijn ze niet bindend, geldt een “strengere” motiveringsplicht als de overheid afwijkt van deze adviezen. Indien de overheid het advies van de adviesverlenende instanties niet bijvalt, moet in elk geval uit de beslissing blijken waarom dat niet het geval is. Zij moet dan aan de hand van precieze, juiste en pertinente motieven veruitwendigen waarom zij het advies niet VII-39.709-13/16 volgt, zonder dat zij dit punt voor punt moet weerleggen. Of een beslissing afdoende formeel is gemotiveerd houdt ook verband met het belang van de bestreden beslissing of het belang van bepaalde onderzoeken of stukken die door de decreetgever een cruciale rol zijn toebedeeld in het beslissingsproces. Hoe relevanter zij zijn in het beslissingsproces, hoe uitgebreider of pertinenter de formele motivering zal moeten zijn, indien een niet voor de hand liggende beslissing wordt genomen. In het milieurecht en in de milieuvergunningsprocedure is de “passende beoordeling” een belangrijk instrument met het oog op het inschatten van mogelijke significante effecten op de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone. Het risico van dergelijke significante effecten vormt zelfs een determinerende weigeringsgrond voor een milieuvergunning. Te dezen neemt de minister, wat betreft de mogelijkheid van een betekenisvolle aantasting van het nabijgelegen habitatrichtlijngebied door verzurende en vermestende depositie, een diametraal tegenovergestelde beslissing als de afdeling Milieuvergunningen en de GMVC. Zij maakt voor haar berekeningen onder meer gebruik van het online instrument “impactscore NH3”. De minister vermeldt in haar beslissing weliswaar de door de aanvrager toegevoegde “passende beoordeling”, maar steunt er niet op in haar conclusie. Indien de minister afwijkt van de adviezen van de GMVC en de afdeling Milieuvergunningen, neemt zij een niet voor de hand liggende beslissing. De formelemotiveringsplicht vereist dat hiervoor precieze, juiste en pertinente motieven worden opgegeven. Te dezen kan men uit de motieven van de beslissing in de eerste plaats afleiden dat door voor de berekeningen gebruik te maken van de online tool “impactscore NH3”, de minister tot de conclusie is gekomen dat er zich geen significante effecten zullen voordoen op de speciale beschermingszone. In het licht VII-39.709-14/16 van de strengere motiveringsplicht zijn de onderliggende motieven echter onvoldoende kenbaar gemaakt. Het is immers niet duidelijk hoe de minister precies tot haar bevindingen is gekomen, hoe deze bevindingen zich verhouden tot de gegevens uit de passende beoordeling die de aanvrager had opgesteld en op basis waarvan de adviesverlenende instanties tot heel andere conclusies waren gekomen. De controle van de materiële motieven in het licht van de adviezen blijkt onmogelijk wat de feitelijke grondslag betreft. Dit klemt des te meer nu beide “instrumenten” klaarblijkelijk hetzelfde doel nastreven, namelijk de “indirecte effecten van verzuring en vermesting via de lucht op habitats na[…]gaan” (impactscore) dan wel de (mogelijke) effecten op de omliggende natuur met betrekking tot ammoniakemissie en bijgevolg verzurende en vermestende depositie. De bestreden beslissing bevat geen elementen omtrent de precieze grondslag en redenen voor het besluit “dat de voorgenomen aanvraag voor een nieuwe inrichting overeenkomstig artikel 36ter van het decreet Natuurbehoud kan worden toegestaan”. De argumentatie in de laatste memorie van de tussenkomende partij als zou het indienen van het beroep door verzoeker op zich aantonen dat de motivering afdoende is, overtuigt niet. Het eerste middel is in die mate gegrond. BESLISSING
  25. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 26 mei 2016 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van VII-39.709-15/16 Limburg van 13 mei 2015, houdende het weigeren van de milieuvergunning aan Sofie Haesen voor een pluimveebedrijf, gelegen aan de Haagsmeerstraat 41 te Borgloon, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en de vergunning onder voorwaarden wordt verleend.
  26. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  27. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.709-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.483 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.