id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.484 Rolnummer: A. 221738/VII-39939 Zaak: Arrest 247484 - Milieuvergunningen - 04/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-04 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-26 03:24 Fiche Arrest nr 247.484 van 4 mei 2020 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 247.484 van 4 mei 2020 in de zaak A. 221.738/VII-39.939 In zake : de VZW LIMBURGSE MILIEUKOEPEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip De Preter en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV REMO MILIEUBEHEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 13 maart 2017, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 10 januari 2017 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 14 juli 2016, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de NV Remo Milieubeheer voor het verder exploiteren en veranderen van een afvalopslagplaats/stortplaats, gelegen VII-39.939-1/15 Koerseldijk te Houthalen-Helchteren, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 9 mei
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 maart
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bert Van Herreweghe, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Bram Van den Berghe, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Evi Mees, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-39.939-2/15 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 29 januari 2016 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van een afvalopslagplaats/stortplaats, gelegen te 3500 Houthalen-Helchteren, Koerseldijk zn, kadastraal gekend Afd. 1, Sie A, perceelnrs 1066m, 1067a, 1067b, 1068a, 1068a3, 1068b6, 1068b7, 1068c6, 1068h5, 1068k2, 1068L2, 1068m5, 1068n5, 1068p, 1068r, 1068s, 1068s2, 1068t2, 1068v6, 1068w3, 1068w6, 1068x3, 1068y3, 1068y5, 1068z2, 1068z3 en 1068z6 en Afd. 4, Sie A, perceelnr. 149g. De aanvraag heeft betrekking op het verlengen van de termijn van de vergunde opslagplaats (zone VIIB2 en VIII), die verstreek op 11 september 2017, en op het vergroten van de oppervlakte van deze zone voor zandwinning en opslag van afvalstoffen op de aanpalende percelen (zone XI). Daarnaast wordt ook hervergunning aangevraagd voor de ondersteunende activiteiten (waterzuivering en biogasvalorisatie) op Ecovalley, waarvan de milieuvergunning eveneens verstreek. Volgens het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, is de inrichting gelegen in “uitbreidingen van ontginningsgebieden”, met nabestemming natuurgebied. De percelen zijn op dat ogenblik eveneens gelegen binnen de grenzen van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) “Closing the Circle”. De inrichting in kwestie ligt eveneens in een speciale beschermingszone, namelijk habitatrichtlijngebied “Vallei- en brongebieden van de Zwarte Beek, Bolisserbeek en Dommel met heide en vengebieden” en in het VII-39.939-3/15 vogelrichtlijngebied “Militair domein en de vallei van de Zwarte Beek”. Verder liggen nog andere VEN-gebieden ernaast of in de nabijheid. 3.
- Bij besluit van 14 juli 2016 verleent de deputatie van de provincieraad van Limburg de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van 20 jaar, mits naleving van de algemene en sectoriële milieuvoorwaarden van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, en onder bijzondere voorwaarden. 3.
- Tegen deze beslissing stelt onder meer de verzoekende partij een bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse regering. Met een besluit van 10 januari 2017 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de beroepen gedeeltelijk gegrond. De minister verleent de vergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een afvalopslagplaats/stortplaats, mits naleving van de algemene en sectoriële milieuvoorwaarden en onder bijzondere voorwaarden. Dit is de bestreden beslissing 3.
- Op 26 januari 2017 verleent de deputatie aan de tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning onder voorwaarden “voor het ontbossen en wijzigen van het reliëf van de bodem: zandwinning en inrichten voor opslag van afval als aanloop naar het project ‘Closing the Circle’” op bepaalde percelen gelegen te Houthalen-Helchteren, Wolfsdal z.n. 3.
- Op het ogenblijk waarop de bestreden beslissing wordt genomen, zijn de percelen gelegen binnen de omtrek van het GRUP “Closing the Circle”, goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse regering van 6 maart
- Onder meer door de verzoekende partij wordt een annulatieberoep bij de Raad van State ingediend met betrekking tot het GRUP uit
- Na kennisneming van het auditoraatsverslag waarin de vernietiging van dit besluit en van de beslissing van de dienst Milieueffectenrapportage van 25 mei 2011 houdende goedkeuring van GRUP “Closing the Circle” wordt voorgesteld, trekt de Vlaamse regering met een besluit van 17 maart 2017 dit GRUP in. VII-39.939-4/15 Bij arrest nr 239.354 van 11 oktober 2017 wordt het beroep tegen het GRUP uit 2015 bij gebrek aan voorwerp verworpen. In artikel 2 stelt het voormelde besluit van 17 maart 2017 het GRUP “Closing the Circle” opnieuw vast. 3.
- Bij arrest nr. 242.753 van 23 oktober 2018 vernietigt de Raad van State: - artikel 2 van dit besluit van de Vlaamse regering van 17 maart 2017; - de beslissing van de dienst Milieueffectrapportage van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid van het Vlaamse Gewest van 25 mei 2011 houdende de goedkeuring van het betrokken plan-milieueffectrapport; - de beslissing van dezelfde dienst van 19 september 2014 om het initiële plan-milieueffectrapport ongewijzigd goed te keuren. 3.
- Bij arrest RvVb-A-1818-0602 van 12 februari 2019 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) de door de deputatie op 26 januari 2017 verleende stedenbouwkundige vergunning. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunten van de partijen
- De verwerende en de tussenkomende partij werpen excepties van onontvankelijkheid op wegens het ontbreken van de gecoördineerde geldende statuten van de verzoekende partij, het gebrek aan bewijs van de neerlegging van alle jaarrekeningen/het ledenregister, en het ontbreken van een collectief belang of van nadelen die specifiek voortvloeien uit de middels de bestreden beslissing vergunde inrichting. Beoordeling
- Artikel 3, 4°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 VII-39.939-5/15 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bepaalt dat een rechtspersoon een afschrift van zijn gepubliceerde statuten en van zijn gecoördineerde geldende statuten bij het verzoekschrift dient te voegen. Artikel 3bis, 4° van voornoemd Procedurereglement bepaalt dat het verzoekschrift niet op de rol wordt ingeschreven indien die stukken ontbreken. De zaak werd reeds op de rol ingeschreven (zonder toepassing van de regularisatietermijn in voornoemd artikel 3bis). De verzoekende partij heeft een afschrift van de gecoördineerde geldende statuten neergelegd samen met de memorie van wederantwoord. Dit volstaat om de exceptie met betrekking tot het ontbreken van de statuten te verwerpen.
- Noch in de gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch in de uitvoeringsbesluiten, is een bepaling opgenomen die voorschrijft dat bij het indienen van het verzoekschrift op straffe van onontvankelijkheid, alle jaarrekeningen van een VZW vanaf de oprichting tot op heden moeten zijn neergelegd op de griffie van de rechtbank van koophandel met het oog op opname ervan in het VZW-dossier of dat hiervan het bewijs moet worden toegevoegd aan het verzoekschrift. Hetzelfde geldt wat het ledenregister betreft. Dit vloeit evenmin voort uit de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen (hierna: VZW-wet). De verzoekende partij heeft bij het indienen van de memorie van wederantwoord het bewijs toegevoegd dat zij de jaarrekeningen voor de jaren 2014, 2015 en 2016 heeft neergelegd. Tevens heeft zij een kopie van het ledenregister aan de stukken toegevoegd. Mede bij gebrek aan verdere onderbouwing van deze excepties, VII-39.939-6/15 volstaat dit om ze te verwerpen.
- De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de VZW-wet, zoals van toepassing ten tijde van het indienen van het verzoekschrift, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor ze zijn opgericht. Wanneer een VZW, die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor de Raad van State optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en derhalve onderscheiden van het algemeen belang, dat zij optreedt ter verdediging van een collectief belang, dat haar maatschappelijk doel door de bestreden handeling kan worden geraakt, en dat niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. De verzoekende vereniging komt op voor haar maatschappelijk doel, dat in artikel 6 van haar statuten wordt omschreven als: “het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen”. Dit artikel omschrijft voorts onder meer verschillende deelaspecten van het statutaire doel, en verschillende wijzen waarop de vereniging dit doel wil verwezenlijken. Het maatschappelijke doel is van bijzondere aard en derhalve onderscheiden van het algemeen belang. Er blijkt evenmin dat de verzoekende vereniging haar maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk zou nastreven. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de uitvoering van de vergunning een negatieve weerslag heeft of minstens kan hebben op de natuurwaarden, in het bijzonder door het verlies van zeldzame waardevolle tot zeer waardevolle vegetatie, ontbossing en de negatieve gevolgen ervan voor Europese VII-39.939-7/15 habitats en leefgebied voor habitatrichtlijnsoorten. Deze ingreep in de natuurwaarden raakt aan het statutair doel van de verzoekende partij. Zij licht voldoende toe waarin haar belang bij het beroep bestaat. De opwerping van de verwerende partij dat het belang niet blijkt uit de aangevoerde middelen nu deze enkel betrekking zouden hebben op de onwettigheid van het GRUP, doet aan het aangetoonde belang geen afbreuk. Evenmin kan de tussenkomende partij worden gevolgd waar zij het collectief belang in twijfel trekt omdat de vordering uitgaat van een koepelorganisatie van verschillende (milieu-)verenigingen, zonder dat die milieuverenigingen het nodig achtten ook individueel op te treden. Ten slotte is niet vereist dat er ook een band van evenredigheid zou bestaan tussen het actieterrein van een verzoekende partij en de territoriale draagwijdte van het bestreden besluit. De excepties worden verworpen. V. Onderzoek van het eerste en het derde middel Standpunten van de partijen
- In het eerste middel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden beslissing rechtsgrond ontbeert ingevolge de intrekking van het GRUP uit 2015 door de “principiële” beslissing van 13 januari 2017, in het bijzonder door de terugwerkende kracht van de intrekking (eerste onderdeel), en doordat de aanvraag niet verenigbaar is met de geldende voorschriften van het gewestplan (tweede onderdeel). In het derde middel voert de verzoekende partij aan dat het ingetrokken GRUP hoe dan ook onwettig was (toepassing van artikel 159 van de Grondwet), zodat de milieuvergunning die erop steunt eveneens onwettig is, bij VII-39.939-8/15 gebrek aan rechtens vereiste grondslag.
- In de memorie van antwoord en de memorie van de tussenkomende partij wordt onder meer het opnieuw vaststellen van het GRUP “Closing the Circle” bij besluit van 17 maart 2017 aangehaald om verzoeksters belang bij het eerste en het derde middel in vraag te stellen. Volgens de verwerende en de tussenkomende partij is het GRUP uit 2017 “volledig en met retroactieve werking” in de plaats gekomen van het oorspronkelijke GRUP, dat door de verzoekende partij in het bijzonder in het derde middel wordt bestreden.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij wat het eerste middel betreft kennis te nemen van het standpunt van het auditoraatsverslag, waarin wordt voorgesteld om dit middel gegrond te bevinden. Zij gedraagt zich op dit punt naar de wijsheid van de Raad.
- De tussenkomende partij verwijst in haar laatste memorie naar arrest nr. RvVb-A-1819-0602 van de RvVb van 12 februari 2019, waarin wordt geoordeeld “dat de navolgende inrichting van een stortplaats binnen het aangesneden ontginningsgebied niet noodzakelijk strijdig hoeft te zijn met het toepasselijke bestemmingsvoorschrift, in de mate dat dit ertoe kan strekken om de nabestemming volwaardig te realiseren”. Uit het feit dat de huidige verzoekende partij, die ook in die procedure voor de RvVb de vermeende schending had aangevoerd van de gewestplanbestemming met betrekking tot de aldaar bestreden stedenbouwkundige vergunning -middel dat door de RvVb niet werd gegrond bevonden- geen cassatieberoep heeft ingediend tegen dit arrest, leidt de tussenkomende partij af dat de verzoekende partij verzaakt heeft aan die grief, en geen actueel belang meer heeft bij het middelonderdeel dat steunt “op de vermeende schending van de gewestplanbestemming”. VII-39.939-9/15 Beoordeling
- Wat de door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie van gebrek aan belang bij het eerste middel betreft, volstaat de opmerking dat in het door haar vermelde arrest RvVb-A-1819-0602 van de RvVb van 12 februari 2019 de betrokken stedenbouwkundige vergunning van 27 januari 2017 ambtshalve wordt vernietigd op grond van de overweging dat, door het arrest nr. 242.753 van de Raad van State van 23 oktober 2018, een determinerende rechtsgrond voor de betrokken stedenbouwkundige vergunning is vervallen, en een verder onderzoek van de middelen niet aan de orde is. De exceptie is niet gegrond.
- Het eerste en het derde middel houden specifiek verband met het GRUP “Closing the Circle” dat werd vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 6 maart
- De bestreden beslissing steunt hierop. De Vlaamse regering heeft dat GRUP ingetrokken en opnieuw vastgesteld bij het voormelde besluit van 17 maart
- Artikel 2 van dit besluit werd door de Raad van State bij meergenoemd arrest nr. 242.753 van 23 oktober 2018 vernietigd omdat de plannende overheid bij het vaststellen van het GRUP het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden door natuurontwikkeling in aanmerking te nemen die pas zou worden voltooid na de beoordeling van de significantie van de mogelijke aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken habitatrichtlijngebied. Artikel 2 heeft betrekking op de definitieve vaststelling van het GRUP “Closing the Circle” in Houthalen - Helchteren. Artikel 1, dat de intrekking van het besluit van de Vlaamse regering van 6 maart 2015 beoogt, bleef behouden. Uit wat voorafgaat, volgt dat de bestreden beslissing zonder rechtsgrond is. VII-39.939-10/15 Bij een onderzoek naar de wettigheid ervan heeft de verzoekende partij geen belang meer. Het middel is in die mate gegrond. VI. Substitutie Standpunten van de verzoekende en de tussenkomende partij
- Met een brief van 28 november 2018 vraagt de verzoekende partij de Raad van State om niet enkel de vernietiging uit te spreken, maar eveneens een arrest te vellen dat, met toepassing van artikel 36, §1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in de plaats komt van de nieuw te nemen beslissing. Zij voert aan: “Door de intrekking van het oorspronkelijke GRUP van 6 maart 2015 en de vernietiging van het nieuwe GRUP van 17 maart 2017, komt voor het terrein de gewestplanbestemming ‘uitbreidingen van ontginningsgebieden’ in het Gewestplan Hasselt-Gent (KB 3 april 1979) te herleven. Het gewestplan laat de gevraagde ontwikkeling niet toe, zodat de vergunning dus niet op wettige wijze kan worden verleend. Bijgevolg staat actueel vast dat de na dit vernietigingsarrest te nemen vergunningsbeslissing gedetermineerd wordt door een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij”.
- De tussenkomende partij maakt voorbehoud bij het formuleren van een dergelijk verzoek tot substitutie via een stuk dat niet in de procedure is voorzien, zodat het verzoek ontoelaatbaar dan wel niet ontvankelijk is, minstens in het licht van de vereisten van een fair proces en van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, volgens hetwelk een procespartij de gelegenheid moet hebben er schriftelijk op te reageren. VII-39.939-11/15
- Volgens de laatste memorie van de verzoekende partij impliceren de “redenen van efficiëntie” die ten grondslag liggen aan de substitutiebevoegdheid van de Raad net dat de Raad zijn beslissing te dezen in de plaats stelt van die van het vergunningverlenende bestuur. Bovendien wijst de verzoekende partij erop dat, nu het eerste GRUP van 6 maart 2015 werd ingetrokken, en het tweede GRUP van 17 maart 2017, “waarin die tijdelijkheid verordenend verankerd werd”, werd vernietigd, die tijdelijkheid thans niet meer speelt. Voor de betrokken terreinen, geldt daardoor volgens haar onverkort de gewestplanbestemming “uitbreidingen van ontginningsgebieden”, die, als deze al stortactiviteiten zouden toelaten, dergelijke tijdelijkheid niet vooropstelt. De passende beoordeling, die vertrekt vanuit de premisse dat de in de vergunning voorziene ontginning en opslagactiviteit tijdelijk zal zijn, kan volgens de verzoekende partij niet meer volstaan. Voor de zones waar de installaties voor recuperatie en verbranding zouden worden opgericht, de zogenaamde demo-installaties, zou volgens haar de voorheen bestaande bestemming “natuurgebied” terug van toepassing zijn, die het inrichten van dergelijke installaties niet toelaat. Hieruit leidt de verzoekende partij af dat de milieuvergunning voor de stortingsactiviteiten niet op wettige wijze kan worden verleend en dat de appreciatiebevoegdheid van de verwerende partij volledig gebonden is. Beoordeling
- Artikel 36, §1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt als volgt: “Wanneer de nieuw te nemen beslissing het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, treedt het arrest in de plaats van die beslissing”. Los van de vraag of de substitutiebevoegdheid ambtshalve kan worden uitgeoefend, kan worden opgemerkt dat nergens wordt bepaald op welke wijze en binnen welke termijn een partij een verzoek kan richten tot de Raad van VII-39.939-12/15 State met het oog op de toepassing van artikel 36, §1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De tussenkomende partij is niet geschaad in haar rechten van verdediging nu zij schriftelijk heeft gereageerd op het verzoek. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de substitutiebevoegdheid om “redenen van efficiëntie” aan de Raad van State werd toegekend, met name wanneer “de nieuw te nemen beslissing het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de bestuurlijke overheid”, waarbij onder meer gedacht wordt aan “de gevallen van feitelijke of a posteriori gebonden bevoegdheden, waaronder de hypotheses volgens dewelke de werking van de wet en bepaalde omstandigheden samen tot gevolg hebben dat het bestuur een welbepaalde beslissing dient te nemen terwijl de wet hem in het begin een zekere appreciatiemarge liet” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 26-27). De toepassing van de substitutiebevoegdheid van de Raad van State impliceert onder meer dat uit het onderzoek van de zaak en het te wijzen arrest moet blijken dat de gevraagde milieuvergunning onverenigbaar is met de gewestplanbestemming “uitbreidingen van ontginningsgebieden” in het gewestplan Hasselt-Gent, zodat de beslissingnemende overheid wanneer zij opnieuw uitspraak moet doen over de milieuvergunningsaanvraag geen andere mogelijkheid heeft dan de vergunning te weigeren, met ander woorden dat zij geen appreciatiemarge (meer) heeft en haar bevoegdheid terzake gebonden is. De vraag naar de verenigbaarheid van de exploitatie met de gewestplanbestemming -welke eerst moet worden onderzocht om na te gaan of er sprake is van een gebonden bevoegdheid- is in de voorliggende zaak echter niet aan de orde. Het vernietigingsmotief volgens hetwelk door de verdwijning van het GRUP uit de rechtsorde, met terugwerkende kracht, het bestreden besluit niet (meer) over een rechtsgrond beschikt, heeft geen betrekking op de VII-39.939-13/15 verenigbaarheid van de milieuvergunningsaanvraag met de gewestplanbestemming “uitbreidingen van ontginningsgebieden”, en laat niet toe de vraag te beantwoorden of de bevoegdheid van de overheid discretionair dan wel gebonden is. Een onderzoek naar de overeenstemming met de gewestplanbestemming valt buiten het onderzoek naar de wettigheid van de bestreden beslissing. De opmerkingen in de laatste memorie van de verzoekende partij doen niet besluiten tot het bestaan van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij in de zin van artikel 36, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Aan de voorwaarden voor de toepassing van die bepaling is niet voldaan. Het verzoek tot substitutie wordt niet ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 10 januari 2017 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 14 juli 2016, houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de NV Remo Milieubeheer voor het verder exploiteren en veranderen van een afvalopslagplaats/stortplaats, gelegen Koerseldijk te Houthalen-Helchteren, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. VII-39.939-14/15
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-39.939-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.484 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div