← België

Arrest 247513 - Dierenwelzijn - 08/05/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.513 Rolnummer: A. 230540/VII-40800 Zaak: Arrest 247513 - Dierenwelzijn - 08/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-08 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-26 03:26 Fiche Arrest nr 247.513 van 8 mei 2020 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 247.513 van 8 mei 2020 in de zaak A. 230.540/VII-40.800 In zake: Selena ALI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Godfroid kantoor houdend te 2970 Schilde Drijverslaan 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN (FAVV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge - Sint-Kruis Karel Van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 30 april 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna : FAVV) van 29 april 2020 tot euthanasie van een kat (genaamd Lee, chip 94000023053337) die op een niet-conforme manier België is binnengebracht vanuit Peru. VII-40.800-1/21 II. Verloop van de rechtspleging 2. Overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’ zal de zaak worden behandeld zonder openbare terechtzitting. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Verzoekster en de verwerende partij hebben vervolgens een pleitnota ingediend. Het aangewezen lid van het auditoraat heeft een geschreven advies neergelegd dat de partijen op 7 mei 2020 via elektronische weg ter kennis werd gebracht. Tegelijk met de mededeling van dit advies heeft kamervoorzitter Eric Brewaeys het debat gesloten en de zaak in beraad genomen. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. VII-40.800-2/21 III. Feiten 3.1. Verzoekster verbleef in Peru waar zij een kat adopteerde. Op 20 maart 2020 vernam zij dat zij diende terug te keren naar België naar aanleiding van de coronacrisis. 3.2. Zij diende op 27 maart 2020 een derogatie-aanvraag in bij het FAVV om de kat mee naar de België te kunnen brengen. 3.3. Op 31 maart 2020 werd deze aanvraag geweigerd door het FAVV. Verzoekster vraagt om een herziening van deze beslissing. Dit wordt geweigerd. Het FAVV wijst er nogmaals op dat het risico te groot is. 3.4. Verzoekster heeft bij haar repatriëring op 5 april 2020 de kat evenwel meegenomen naar België. 3.5. Op 7 april 2020 werd verzoekster uitgenodigd voor een verhoor naar aanleiding van het dier dat werd meegebracht vanuit Peru. In de uitnodiging voor verhoor wordt verzoekster er uitdrukkelijk op gewezen dat zij het recht heeft om voor het verhoor een vertrouwelijk overleg te hebben met een raadsman en dat zij zich mag laten vergezellen door een raadsman. 3.6. Het eerste verhoor vindt plaats op 20 april 2020. Verzoekser wordt een tweede maal verhoord op 28 april 2020. 3.7. In een brief van 29 april aan het FAVV zet de raadsman van verzoekster uiteen dat de kat op 24 maart 2020 werd gevaccineerd in Peru. Voorts deelt hij mee dat er een antilichamentest wordt uitgevoerd en verzoekt hij de verwerende partij om deze resultaten af te wachten. VII-40.800-3/21 3.8. Op 29 april 2020 neemt de verwerende partij de bestreden beslissing die als volgt gemotiveerd is: “Er werd vastgesteld dat uw dier (kat, mannelijk, vermoedelijk geboren op 10/11/2019, chip: 940000230533337, genaamd Lee) op niet conforme wijze werd binnengebracht op 05/04/2020 in België. U heeft het dier niet aangeboden ter controle in het punt van binnenkomst. Het Agentschap vernam pas later via een krantenartikel en via sociale media dat u het dier alsnog had geïmporteerd. Dit ondanks het negatieve advies van het FAVV omwille van het niet voldaan zijn aan de voorwaarden voor rabiës, meer bepaald werden de veterinaire regels voor het verkeer van katten, bepaald in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 567/2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren niet nageleefd. U werd reeds op 31 maart duidelijk op de hoogte gebracht van het negatieve advies van het Agentschap en van de risico’s. U werd eveneens duidelijk meegedeeld welke stappen u diende te ondernemen. Toch heeft u het dier wetens en willens geïmporteerd in België. Op het moment van zijn binnenkomst in België was dit dier:  Niet vergezeld van een veterinaire certificaat (model EU 577/2013), overeenkomstig de bepalingen van artikel 10 van bovengenoemde Verordening (EU) 576/2013,  Niet onderworpen aan een geldige titratietest op antilichamen tegen rabiës overeenkomstig de bepalingen van artikel 10°,

  1. d)van bovengenoemde Verordening (EU) 573/2013,  Niet geïdentificeerd op basis van het certificaat dat het voor niet-commerciële doeleinden ingevoerde dier vergezelt, het certificaat moet noodzakelijkerwijs door een officiële dierenarts worden opgesteld overeenkomstig het model in bijlage IV bij Verordening (EU° nr. 577/2013 van de Commissie van 28 juni 2013 inzake de modelidentificatiedocumenten voor het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten, de vaststelling van de lijsten van derde landen en gebieden en de voorschriften betreffende de vorm, de opmaak en de taal van de verklaringen ten bewijze van de naleving van bepaalde voorwaarden die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad en die vereist zijn krachtens artikel 10, §1,
  2. e)van bovengenoemde Verordening (EU) 576/2013. Het koninklijk besluit van 18 september 2016 houdende de preventie en de bestrijding van de hondsdolheid bepaalt dat (artikel 1-13°) elk dier illegaal op het Belgisch grondgebied werd binnengebracht van rabiës verdacht wordt. De Verordening (EU) 576/2013 geeft 3 mogelijke maatregelen in geval van niet-conformiteit: euthanasie, VII-40.800-4/21 terugzending en afzondering tot voldaan is aan de reglementaire voorwaarden. Op basis van de elementen betreffende de herkomst en de gezondheidstoestand, die u aan het FAVV heeft bezorgd, werd een risicobeoordeling uitgevoerd: Herkomst: Cuzco – Peru Peru is een hoog risicoland voor rabiës en in Peru komt rabiës nog regelmatig voor. Aantal gemelde gevallen in 2018: 94 en in de eerste helft van 2019: 49. Ook in de stad Cuzco werden in 2019 nog gevallen van rabiës gemeld. Er is een herintroductie van hondsdolheid in het zuiden van Peru en Cuzco waardoor een situatie van ongecontroleerde endemiciteit werd vastgesteld. Er kan niet uitgesloten worden dat er geen contact is geweest met een verdacht en/of geïnfecteerd dier. De onbekende herkomst van de kat: geboorte op +/- 10/11/2019, onbekende verblijf tussen zijn geboorte en aankomst op 10/02/2020 in een tuin, vanaf 25/02 tem 15/03 in contact met tal van andere katten met een onbekend rabiës-statuut in het kattencafé. Dus tussen de vermoedelijke geboortedatum en 24 maart 2020 was de betreffende kat sowieso niet gevaccineerd tegen rabiës. Het Agentschap kent ook de antecedenten van deze kat niet tot op de datum 15 maart 2020, het moment waarop u in bezit kwam van deze kat, en heeft evenmin een zicht op het feit met welke personen en dieren deze kat allemaal in aanraking is gekomen sinds de geboorte. U kan evenmin de nodige bewijsstukken hieromtrent aanbrengen. Een vaccinatie tegen rabiës is bovendien geen beschermende factor voor reeds geïnfecteerde dieren. Rabiës is levensbedreigend voor mensen en dieren. Rabiës (hondsdolheid) is een zoönose die veroorzaakt wordt door een Lyssavirus van de familie van de Rhabdorividae. Van dit virus zijn 7 genotypen bekend waarvan er 6 op de mens kunnen worden overgedragen. Het virus wordt overgebracht via speeksel. Zodra er symptomen zijn, is rabiës bij mens en dier altijd dodelijk. Binnen de 24 uur na infectie dus voor het verschijnen van de eerste ziektetekens, moet een behandeling worden ingezet. De incubatietijd is afhankelijk van de aard en de plaats van de beet, de diersoort die de beet heeft toegebracht en de hoeveelheid virus, maar bedraagt gemiddeld 20-60 dagen (met een spreiding van 5 dagen tot een jaar of langer). Vaccinatie, zoals door uw raadsman aangehaald in zijn schrijven van 29 april 2020, heeft geen invloed op een besmetting die ervoor is opgelopen. Dit is dan ook de reden dat er een wachttijd van 3 maanden wordt opgelegd na een titerbepaling. Een besmetting kan maar worden uitgesloten door onderzoek op het kadaver. U werd gehoord op 20/04/2020 en 28/04/2020 waarbij de inhoud van de antwoorden en de argumenten zijn opgenomen in het PV van verhoor 2196/20/0021/ANT en 2738/20/011/ANT, waarvan u een kopie ontving. Op basis van de door u aangehaalde argumenten en de neergelegde stukken tijdens deze verhoren werd de hierboven vermelde risicoanalyse uitgevoerd. VII-40.800-5/21 Deze risicoanalyse toont aan dat er een reëel risico is dat uw kat door Rabiës geïnfecteerd is. Uit de vastgestelde bovengenoemde onregelmatigheden en het daaruit volgende onderzoek kan de kans op besmetting met rabiës niet worden uitgesloten aangezien alle wettelijke bepalingen voor het binnenbrengen van het dier niet werden gerespecteerd. De kat die u bezit, illegaal binnengebracht, is dus een verdacht besmet dier. We wijzen er u op dat rabiës een aangifteplichtige zoönese is die zeer gevaarlijk is en die steeds dodelijk is voor de geïnfecteerde persoon of dier. Deze ziekte kan enkel onder controle gehouden worden door drastische maatregelen te nemen. De uitgevoerde risicobehandeling toont dus aan dat het in afzondering plaatsen van het dier of de terugzending naar het land van herkomst een onverantwoord sanitair risico inhoudt. Daarboven is een terugzending ook niet mogelijk gelet op het feit dat er momenteel door de Covid-19-crisis geen vluchten zijn. Bijgevolg, op basis van deze risicobeoordeling en op basis van artikel 6 van het hierboven vermelde koninklijk besluit van 18 september 2016 blijkt dat euthanasie de enige mogelijkheid is om het sanitaire risico dat uw dier inhoudt te beheersen. Het dier vertegenwoordigt immers een hoog risico voor de gezondheid van mens en dier. U bent verplicht om zo snel mogelijk contact op te nemen met uw dierenarts zodat deze beslissing uitgevoerd kan worden ten laatste de dag na ontvangst van deze beslissing. Het dier dient in strikte afzondering gehouden te worden tot de euthanasie wordt voltrokken. Dat wil zeggen dat het dier absoluut niet meer in contact mag komen met een dier of een persoon totdat de euthanasie plaatsvindt. U dient de contactgegevens van uw dierenarts aan het FAVV te laten weten. Een dierenarts-inspecteur van het FAVV zal contact met uw dierenarts opnemen om uit te leggen hoe hij het kadaver aan Sciensano moet bezorgen en een onderzoek naar rabiës moet aanvragen. U en/of uw dierenarts moet de resultaten van dit onderzoek zo snel mogelijk per email naar pri.antåfavv.be overmaken. Aangezien u de verantwoordelijke bent voor een dier dat illegaal is binnengebracht in België, zijn alle kosten verbonden aan de uitvoering van deze beslissing te uwen laste. Indien u blootstelling aan rabiës vermoedt, gelieve contact op te nemen met uw arts om de maatregelen die hij als nuttig beschouwt te laten uitvoeren. In geval van niet-naleving van de beslissing van het FAVV wordt u aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de mogelijke besmetting van derden door het rabiësvirus en de financiële gevolgen die darruit voortvloeien.” VII-40.800-6/21 3.9. Op 30 april 2020 bezorgt de raadsman van verzoekster de resultaten die aantonen dat er antilichamen tegen rabiës aanwezig zijn en verzoekt hij de verwerende partij om de bestreden beslissing te herzien. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, RvS-Wet kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Middelen A. Eerste middel Standpunten van de partijen 5. In een eerste middel stelt verzoekster dat de persoon die de bestreden beslissing ondertekend heeft, niet bevoegd is. De beslissing is immers ondertekend door de heer Ronny Jacobs, die tevens is overgegaan tot verhoor een dag eerder (op 28 april 2020). Op het eerste zicht blijkt niet dat de heer Ronny Jacobs bevoegd is dergelijke euthanasiebeslissing te ondertekenen. Meestal worden dergelijke verregaande beslissingen ondertekend door de directeur-generaal, de heer J.M. Dochy. Er dient aangetoond te worden door de verwerende partij dat de heer Ronny Jacobs bevoegd is om de bestreden beslissing VII-40.800-7/21 te nemen. Verzoekster stelt in haar pleitnota dat verweerster alleen aantoont dat dhr. Jacobs als attaché is benoemd ‘bij de buitendiensten’ van het FAVV. Volgens haar had het hoofd van de Lokale Controle Eenheid Antwerpen de bestreden beslissing moeten ondertekenen. 6. De verwerende partij repliceert dat zij in België de bevoegde autoriteit is om toe te zien op de naleving van Verordening (EU) 576/2013. Dit blijkt uit het koninklijk besluit van 18 september 2016 houdende de preventie en de bestrijding van hondsdolheid (hierna: koninklijk besluit van 18 september 2016) en meer bepaald uit het artikel 6. Het is dus de bevoegdheid van het FAVV en niet deze van de Minister om de bestreden beslissing uit te vaardigen. Artikel 6, §1,
  3. c)van het koninklijk besluit van 20 december 2007 tot vaststelling van de vestigingsplaats, de organisatie en de werking van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: koninklijk besluit van 20 december 2007) bepaalt dat het Bestuur Controle belast is met het toezicht op de naleving van de nationale en internationale wetgeving in het kader van de gezondheid van de consumenten, de gezondheid van de dieren en van planten in de voedselketen, evenals het toezicht op de door of krachtens deze wetgeving genomen maatregelen, en deze omtrent identificatie en traceerbaarheid. Art. 6, §§ 2-3 van het koninklijk besluit van 20 december 2007 bepaalt dat het Bestuur Controle opgedeeld is in enerzijds een directie (waarvan dhr. Dochy het hoofd
  4. is)en anderzijds inspectiediensten die geografisch verspreid georganiseerd zijn (de zogenaamde ‘Lokale Controle Eenheden’). De heer Ronny Jacobs is dierenarts bij het Bestuur Controle van het FAVV en bovendien sectorhoofd van de Lokale Controle Eenheid Antwerpen. In haar pleitnota stipt zij aan dat er geen andere ‘buitendiensten’ zijn dan de Lokale Controle Eenheden (LCE’s), die vroeger op provinciaal niveau georganiseerd waren en thans de provinciegrenzen overschrijden. Nergens vereist de wet dat het de hoofden zijn van de LCE’s die dergelijke beslissingen moeten nemen of ondertekenen. Deze LCE-hoofden hebben wel specifieke taken van meer organisatorische aard, maar het nemen van VII-40.800-8/21 beslissingen in het kader van hondsdolheid of andere zaken in verband met dierengezondheid zijn niet voorbehouden aan de LCE-hoofden. Beoordeling 7. Overeenkomstig artikel 6, §1, 3°, van het koninklijk besluit van 18 september 2016 houdende de preventie en de bestrijding van de hondsdolheid beveelt het Agentschap op basis van de resultaten van de risicoanalyse de euthanasie van de volgende verdacht besmette dieren: "3° elke hond, kat of fret waarvan werd vastgesteld dat hij illegaal op het Belgische grondgebied werd binnengebracht en afkomstig is van of werd doorgevoerd door een land dat niet voorkomt in bijlage II, deel 1 of deel 2, van de uitvoeringsverordening 577/2013". In tegenstelling tot wat verzoekster betoogt lijkt aldus het Agentschap en niet de minister bevoegd om de bestreden beslissing te nemen. Zoals de verwerende partij uiteenzet blijkt uit artikel 6, §1 van het koninklijk besluit van 20 december 2007 tot vaststelling van de vestigingsplaats, de organisatie en de werking van het FAVV, dat het bestuur van de controle belast met het toezicht op de naleving van de nationale en internationale wetgeving in het kader van de gezondheid van de consumenten, de gezondheid van dieren en planten in de voedselketen, evenals het toezicht over de naleving van de door of krachtens deze wetgeving genomen maatregelen, en deze omtrent de identificatie en traceerbaarheid. Voorts bepalen de paragrafen 2 en 3 van hetzelfde artikel dat het Bestuur Controle opgedeeld is in enerzijds een directie en anderzijds inspectiediensten die geografisch verspreid georganiseerd zijn (de zogenaamde ‘Lokale Controle Eenheden’). VII-40.800-9/21 De heer Ronny Jacobs is inspecteur-dierenarts bij het Bestuur Controle van het FAVV en bovendien sectorhoofd Primaire Productie van de Lokale Controle Eenheid Antwerpen. De verwerende partij heeft ook het benoemingsbesluit van dhr. Jacobs bijgevoegd. Uit de website van het FAVV blijkt dat dhr. Jacobs sectorverantwoordelijke primaire productie is bij de LCE Antwerpen. Aangezien dhr. Jacobs duidelijk deel uitmaakt van het Bestuur Controle binnen het FAVV lijkt hij, mede in het licht van wat de verwerende partij aantoont, op het eerste gezicht bevoegd om een euthanasiemaatregel op te leggen en te ondertekenen. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Standpunten van de partijen 8. In dit middel voert verzoekster de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het redelijkheidsbeginsel. Zij betoogt dat zij zich bijzonder heeft ingespannen om eerst te weten te komen welke Belgische dienst haar uitleg kon geven over de manier waarop de kat kon meekomen met haar, vervolgens, na eenmaal terecht te zijn gekomen bij de juiste instantie (FAVV), heeft zij een derogatie-aanvraag ingediend. De weigering van deze derogatie-aanvraag, niettegenstaande de vaccinatie van Lee en niettegenstaande het feit dat Lee geen enkel uiterlijk kenmerk van rabiës vertoont, zette verzoekende partij voor een onmogelijk ethisch dilemma. Van haar werd gevraagd om zich van de kat te ontdoen, wat in Peru net strafbaar is. Dat men, kennishebbende van deze voorgeschiedenis, toch tot euthanasie laat overgaan terwijl er nog een antilichamentest bezig is in het Instituut Pasteur (Sciensano) is VII-40.800-10/21 dan ook onredelijk. Inderdaad, het is net dat wat de advocaat van mevrouw Ali gevraagd heeft om te doen bij brief van 29 april 2020: de resultaten van de antilichamentest af te wachten zodat deze resultaten kunnen worden meegenomen in de risico-analyse. Door deze resultaten niet af te wachten, vermijdt men doelbewust om deze resultaten te moeten meenemen in de risico-analyse, wat duidt op een onzorgvuldigheid in hoofde van de verwerende overheid. In haar pleitnota stelt zij dat zij zich, ingevolge de coronacrisis, in een uitzonderlijke situatie bevond, dat zij niet moedwillig heeft gehandeld en dat de cijfergegevens van de verwerende partij, waarop de risico-analyse steunt, onjuist zijn. 9. De verwerende partij zet vooreerst uiteen dat zij verzoekster adviseerde niet om zich van de kat te ontdoen maar wel om iemand te zoeken die er voor kon zorgen zodat de kat naar België zou kunnen wanneer zij aan de verplichtingen zou voldoen. Voorts meent zij dat er wel degelijk rekening werd gehouden met de lopende antilichamentest. Tot slot zet de verwerende partij uiteen dat de bestreden beslissing volgens haar niet kennelijk onredelijk is. Beoordeling 10. Het komt de Raad van State niet toe om, bij de toetsing van de materiële motivering, zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. De verwerende partij zet in de bestreden beslissing uiteen waarom zij besloot tot het opleggen van de euthanasie van de betrokken kat zonder de resultaten van de antilichamentest af te wachten. VII-40.800-11/21 Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt niet dat de verwerende partij onzorgvuldig of onredelijk heeft gehandeld door het resultaat van de antilichamentest niet af te wachten. Een vaccinatie beschermt immers niet tegen rabiës die vóór de vaccinatie werd opgelopen. De verwerende partij heeft omstandig uiteengezet waarom voor dit dier een risico op besmetting bestaat. De resultaten van de antilichamentest sluiten niet uit dat het dier besmet is. Voor zover verzoekster wenst te verwijzen naar de voorgeschiedenis blijkt daar vooral uit dat zij op de hoogte was van het standpunt van de verwerende partij en dat zij eveneens op de hoogte was van de mogelijkheden om het dier in overeenstemming met de wettelijke verplichtingen over te brengen, maar dat zij het dier desondanks meebracht naar België met alle gevolgen vandien. Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Standpunten van de partijen 11. In dit middel voert verzoekster de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het eerlijkheidsbeginsel en het beginsel dat elkeen die verdacht wordt van een misdrijf recht heeft op bijstand door een advocaat. In het verhoor van 28 april 2020 wordt verwezen naar een bijlage die een akte zou uitmaken houdende afstand van het recht op bijstand door een advocaat. Deze akte zou ook ondertekend zijn door verzoekster. Verzoekster herinnert zich niet dergelijk document te hebben ondertekend, minstens weet zij VII-40.800-12/21 niet dat haar handtekening op dit document deze afstand impliceerde. Zij is hier niet correct behandeld, terwijl net de bijstand van een advocaat in zaken als deze cruciaal is: het gaat om het leven van een dier. Het verhoor van 28 april 2020 kan dan ook niet dienen als stuk om de bestreden beslissing van 29 april 2020 te schragen, reden waarom de bestreden beslissing vernietigd dient te worden. Zij is immers niet tot stand gekomen op basis van wettelijk vergaarde informatie (zie ook de verwijzing naar het verhoor van 28 april 2020 in de bestreden beslissing van 29 april 2020). 12. De verwerende partij repliceert dat verzoekster tweemaal is verhoord. Op 07 april 2020 werd zij uitgenodigd voor een verhoor op 20 april 2020. Op deze uitnodiging staat duidelijk vermeld dat verzoekster recht heeft op bijstand van een advocaat. Zij werd zelfs geïnformeerd over de mogelijkheid van juridische tweedelijnsbijstand. Al haar zogenaamde ‘Salduz-rechten’ werden gerespecteerd. Verzoekster heeft zich op 20 april 2020 voor verhoor aangeboden, zonder advocaat. Voor het tweede verhoor werd verzoekster uitgenodigd via een e-mail van 27 april 2020. In deze e-mail wordt verwezen naar de oplijsting van haar rechten zoals uitdrukkelijk opgenomen in de eerste uitnodiging. Opnieuw bood verzoekster zich aan zonder advocaat voor verhoor en dit op 28 april 2020. In het proces-verbaal van verhoor staat verkeerdelijk dat een afstandsverklaring werd ondertekend. Deze paragraaf is in het sjabloon van PV per vergissing niet weggelaten. Echter, men dient dergelijk document niet te ondertekenen. Het feit dat men op voorhand van zijn rechten in kennis is gebracht is voldoende. Dat verzoekster het verhoor zonder bijstand van een advocaat heeft afgelegd is haar zaak. Zij heeft op geen enkel ogenblik tijdens het verhoor laten kennen dat zij het niet eens was met de gang van zaken, of dat zij zich oneerlijk behandeld voelde. VII-40.800-13/21 Overigens, het betreft hier een administratiefrechtelijke procedure. De hoorplicht impliceert niet dat men zich moet laten bijstaan door een advocaat. Verwerende partij heeft verzoekster eerlijk behandeld. Haar rechten van verdediging zijn niet geschonden. Beoordeling 13. Zoals de verwerende partij aantoont vermeldt de uitnodiging voor het verhoor van 20 april 2020 dat verzoekster zich kan laten bijstaan door een raadsman. Zij kan zich ook laten vergezellen en laten bijstaan tijdens het verhoor door een raadsman. Verzoekster ging zonder raadsman naar het verhoor. Voor het tweede verhoor werd verzoekster per email uitgenodigd. Deze mail verwees naar de rechten die vermeld werden in de eerste uitnodiging, onder meer de bijstand van een raadsman. Opnieuw verkoos verzoekster om zonder raadsman naar het verhoor te gaan. Het lijkt erop dat verzoekster ervoor koos om zich tijdens de verhoren niet te laten bijstaan door een raadsman. Zij toont niet aan dat de bijstand van een raadsman haar werd geweigerd door de verwerende partij. Deze keuze van verzoekster maakt geen schending uit van haar rechten van verdediging. De verwijzing in het verhoor van 28 april 2020 naar een bijlage waarbij afstand zou zijn gedaan van het recht op bijstand door een raadsman lijkt een materiële vergissing te zijn. Deze lijkt echter geen invloed te hebben gehad op de uitoefening van de rechten van verdediging van verzoekster noch op de bestreden beslissing. VII-40.800-14/21 Het derde middel is niet ernstig. D. Vierde middel Standpunten van de partijen 14. In een vierde middel voert verzoekster de schending aan van artikel 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, samengelezen met de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het proportionaliteitsbeginsel. Indien het FAVV kiest voor euthanasie als sanctie wegens het niet-conform importeren van één gezelschapsdier uit een derde land, dan moet deze beslissing, die de meest verregaande is, deugdelijk gemotiveerd zijn. Dat blijkt ook uit artikel 35 van Verordening 576/2013 van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren. Uit de beslissing van het FAVV moet kunnen afgeleid worden waarom euthanasie de enige mogelijkheid is, te verkiezen boven de twee alternatieven : afzondering (kat blijft leven) of, terugsturen (kat blijft leven). Hoe dan ook dringt de vaststelling zich op dat het FAVV niet afdoende motiveert waarom de kat niet in afzondering zou kunnen geplaatst worden. Indien de kat in afzondering is en de bevestiging binnenkomt vanuit Sciensano dat er antilichamen aanwezig zijn dan kan niet ingezien worden waarom euthanasie toch de voorkeur verdient op afzondering. Eén en ander is disproportioneel. Er mag in deze context ook niet worden voorbijgegaan aan het bepaalde in het strafrechtelijk gesanctioneerde artikel 1 van de Dierenwelzijnswet: het is verboden een handeling te stellen die niet voorzien is in de dierenwelzijnswet VII-40.800-15/21 waardoor een dier onnodig lijdt of omkomt. Uit dit artikel 1 van de Dierenwelzijnswet moet aldus afgeleid worden dat indien gekozen wordt voor het doden van een dier daar bijzonder zwaarwichtige redenen voor moeten bestaan en dat er geen alternatief voorhanden is. Van zodra een alternatief voorhanden is waardoor én de volksgezondheid gevrijwaard blijft én het dierenwelzijn, moet hiervoor gekozen worden. De verzoekende partij meent dat zij in een overmachtssituatie verkeerde en niet aan de voorschriften kon voldoen. Zo was er geen tijd, is Peru in lockdown dus kan de kat niet achtergelaten worden, jonge katten hebben minder risico op besmetting, de ambassade meende dat het mogelijk was en de grenspost in Zaventem was onbemand. 15. De verwerende partij zet eerst uiteen waarom terugzending niet mogelijk is. Voorts verwijst zij naar de uitgebreide risicoanalyse. De verzoekende partij werd tijdens het verhoor van 20 april 2020 reeds op de hoogte gebracht waarom euthanasie werd overwogen. De veertien dagen thuisquarantaine werden genoodzaakt door het feit dat verzoekster uit het buitenland kwam en door de coronamaatregelen zelf veertien dagen in quarantaine moest blijven. De verwerende partij weerlegt de elementen die de verzoekende partij aanhaalt om haar overmachtsituatie aan te tonen als volgt: "Verzoekster kon tussen 31 maart (weigering derogatie) en 4 april (terugvlucht) perfect een oplossing hebben gezocht voor de kat. Ook hiervoor kon zij een backupplan hebben gemaakt voor mocht de derogatie geweigerd worden. Zij heeft dit niet gedaan maar ging er van uit dat deze zou meemogen. Verder is het niet zo dat er geen rabiësrisico zou zijn bij jonge dieren. In de EU zijn er voldoende gevallen bekend waarin (veelal kinderen) gebeten of gekrabt worden door een jong dier en vervolgens aan rabiës sterven. VII-40.800-16/21 Zoals vermeld heeft de Belgische ambassade op geen enkel ogenblik groen licht gegeven aan verzoekster om de kat mee te nemen. Ten slotte stelt verzoekster dat de Grensinspectiepost onbemand was maar brengt hiervan geen bewijs bij. Het was overigens aan verzoekster om zelf, uit eigen beweging, de kat bij de douane aan te bieden. Zij is echter gewoon doorgelopen. Het is niet omdat men niet ‘gevat’ wordt dat men daarom gedrag stelt dat zomaar toegelaten is. De argumenten die verzoekster aanhaalt en die haar beslissing moeten schragen om de kat toch mee te nemen houden dus geen stand. Gelet op het bovenstaande is de beslissing wel degelijk afdoende gemotiveerd en proportioneel". Beoordeling 16. Elke administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht komt het de Raad van State niet toe om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Artikel 35 van de verordening waarnaar de bestreden beslissing verwijst stelt: “Wanneer uit de in de artikelen 33 en 34 bedoelde controles blijkt dat een gezelschapsdier niet voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk II of III, de bevoegde autoriteit in overleg met de officiële dierenarts en, indien nodig, met de eigenaar of de gemachtigde persoon besluit welke maatregel dient te worden genomen”. VII-40.800-17/21 Uit punt
  5. c)blijkt inderdaad dat pas in laatste instantie kan worden besloten het dier af te maken wanneer terugzending of afzondering niet uitvoerbaar is. Uit de bestreden beslissing blijkt op het eerste gezicht wat het concrete risico is dat de genomen maatregel wettigt. De verwerende partij leidt uit de door haar gegeven motivering af dat euthanasie de enige mogelijkheid is om het sanitaire risico dat het dier inhoudt te beheersen. Het dier vertegenwoordigt immers een hoog risico voor de gezondheid van mens en dier. Hieruit blijkt waarom dit in dit concrete geval een dusdanig risico vormt dat de maatregel om de kat te euthanaseren moet worden opgelegd. Uit de motieven blijkt dat er een risico voor besmetting bestond vóór de vaccinatie. De vaccinatie biedt hiertegen geen bescherming zodat de aanwezigheid van antilichamen geen zekerheid biedt dat de kat niet voordien werd besmet. De motivering die wordt gegeven lijkt, gelet op de ingrijpende aard van de opgelegde maatregel, te kunnen worden beschouwd als afdoende. De loutere omstandigheid dat verzoekster het niet eens is met de motivering van de bestreden beslissing maakt deze niet onwettig. Het vierde middel is niet ernstig. VII-40.800-18/21 E. Vijfde middel Standpunten van de partijen 17. Als vijfde middel voert verzoekster de schending aan van het strafrechtelijk gesanctioneerde artikel 1 van de Dierenwelzijnswet van 14 augustus 1986, samen gelezen met het zorgvuldigheidsbeginsel. Door op woensdag 29 april 2020, om 21:31 uur, de beslissing uit te sturen heeft het FAVV impliciet maar zeker te kennen gegeven om niet te willen ingaan op het verzoek van advocaat Anthony Godfroid om de antilichamenbepaling door Sciensano af te wachten. Die antilichamenbepalingen is op dit moment aan de gang en de resultaten worden daarvan afgewacht. Lee is op 24 maart 2020 gevaccineerd tegen rabiës en zal daardoor zo goed als zeker antilichamen tegen rabiës hebben. Het is onzorgvuldig van het FAVV om deze resultaten niet af te wachten. Een normaal zorgvuldige overheid, geplaatst in dezelfde omstandigheden, zou deze resultaten afwachten om die te kunnen meenemen in de risico-analyse. Anders dreigt het risico dat een kat wordt omgebracht zonder noodzaak, hetgeen de dierenarts die de euthanasie uitvoert vervolgbaar zou maken onder artikel 1 van de Dierenwelzijnswet, samen gelezen met artikel 35 in fine van de Dierenwelzijnswet. 18. De verwerende partij repliceert dat verzoekster er ook in dit middel verkeerdelijk van uit gaat dat in de bestreden beslissing geen rekening wordt gehouden met de vaccinatie en de antilichamentest. De bestreden beslissing vermeldt uitdrukkelijk dat vaccinatie geen invloed heeft op een besmetting die voor de vaccinatie is opgelopen. Het ombrengen van de kat heeft wel degelijk een noodzaak, namelijk achterhalen of de kat nu besmet is of niet en daaraan de nodige maatregelen koppelen. De dierenarts die de euthanasie uitvoert zou zich helemaal niet schuldig maken aan een schending van de Dierenwelzijnswet. Trouwens is de VII-40.800-19/21 euthanasiemaatregel geënt op een Europese verordening. Verwerende partij heeft wel degelijk zorgvuldig een beslissing genomen. Beoordeling 19. Uit de beoordeling van de voorgaande middelen blijkt dat het middel feitelijke grondslag mist. In tegenstelling tot wat verzoekster beweert, houdt de bestreden beslissing wel rekening met de vaccinatie en de mogelijkheid dat er antilichamen aanwezig zijn. Zoals hoger uiteengezet belet dit echter niet dat de kat mogelijks besmet is, wat enkel kan worden uitgesloten door onderzoek van de kat na euthanasie. De euthanasie is voorzien in de Europese Verordening 576/2013 en in het koninklijk besluit van 18 september 2016. De dierenarts die de euthanasie zou uitvoeren lijkt zich niet schuldig te maken aan een schending van de Dierenwelzijnswet. Het vijfde middel is niet ernstig. 20. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. VII-40.800-20/21 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken op acht mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.800-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.513 Gerelateerde publicatie(
  6. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.421 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.