id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.514 Rolnummer: A. 230552/XIV-38316 Zaak: Arrest 247514 - Penitentiair recht - 08/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-08 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-26 03:26 Fiche Arrest nr 247.514 van 8 mei 2020 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 247.514 van 8 mei 2020 in de zaak A. 230.552/XIV-38.316 In zake: M’Hamed ASHAD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen MILLEN kantoor houdend te 3730 Hoeselt Tongersesteenweg 4/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT vertegenwoordigd door de minister van Justitie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 5 mei 2020, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen van 30 april 2020 tot plaatsing van verzoeker in een individueel bijzonder veiligheidsregime. II. Verloop van de rechtspleging
- De zaak is behandeld overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’. XIV-38.316-1/9 De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Het aangewezen lid van het auditoraat heeft een schriftelijk advies neergelegd. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 8 mei 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is opgesloten in de gevangenis te Hasselt. 3.
- Op 30 april 2020 neemt de directeur-generaal van het directoraat-generaal van de Penitentiaire Inrichtingen de beslissing tot plaatsing van verzoeker in een individueel bijzonder veiligheidsregime voor een duur van twee maanden vanaf 3 mei 2020 tot en met 2 juli
- Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering Standpunt van de verwerende partij
- De verwerende partij betwist in haar nota met opmerkingen de bevoegdheid van de Raad van State. Zij betoogt in wezen dat de Raad van State XIV-38.316-2/9 geen kennis kan nemen van de ingestelde vordering omdat ze is gericht tegen een te dezen niet-aanvechtbare maatregel van orde. Beoordeling
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Onder het kopje “spoedeisend karakter van de vordering van verzoeker - opschorting van de tenuitvoerlegging van de bijzondere veiligheidsmaatregel van 30 april 2020” doet verzoeker vooreerst gelden dat een beroep via de gewone procedure tot schorsing of nietigverklaring niet tijdig zal kunnen worden behandeld gelet op de duur van de genomen veiligheidsmaatregel, maar dat hij ondertussen wel twee maanden in isolement zal hebben gezeten en een nieuwe maatregel opnieuw ertoe kan leiden dat hij weer twee maanden isolement ondergaat. Hij wijst er ook op dat, wanneer de wettelijk voorziene XIV-38.316-3/9 beroepsprocedure in werking getreden zou zijn, ook zeer korte termijnen zouden worden gehanteerd. Voorts wijst verzoeker op de ernstige gevolgen die de tenuitvoerlegging van de bestreden veiligheidsmaatregel met zich kan meebrengen op medisch-psychologisch vlak, aangezien verzoeker “een neuropsychologisch onderzoek moet kunnen ondergaan en aangezien het plaatsen in een isolement ernstige impact kan hebben op de gezondheid van [verzoeker], zijn psychologisch welvaren, …”. Ook wijst verzoeker op het feit dat hij twee ernstige middelen naar voren heeft geschoven waarin hij wijst op de schending van het fundamentele recht van verdediging die een onmiddellijk ingrijpen van de Raad van State verantwoorden. Tot slot wijst verzoeker erop dat de wettelijk voorziene beroepsprocedure bij de Beroepscommissie van de Centrale Raad, nog steeds niet in werking is getreden zodat hij gedwongen wordt om de bestreden veiligheidsmaatregel aan de Raad van State voor te leggen. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder- lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit XIV-38.316-4/9 van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake- lijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsings- procedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Parl. St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
- Waar verzoeker voorhoudt dat een gewone vordering tot schorsing niet zou volstaan omdat een schorsingsarrest slechts zou tussenkomen nadat de bestreden beslissing haar volledige uitwerking zal hebben gehad, is hiervoor reeds aangegeven dat die enkele omstandigheid niet volstaat om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden. De enkele XIV-38.316-5/9 omstandigheid dat voor de (nog niet in werking getreden) procedure voor de Beroepscommissie van de Centrale Raad ook “zeer korte termijnen” zouden gelden, verandert hieraan niets: de procedureregels voor die commissie binden geenszins de Raad van State die immers toepassing dient te maken van de eigen voorschriften - waaronder de eigen cumulatieve schorsingsvoorwaarden die moeten voldaan zijn vooraleer de schorsing van de bestreden beslissing kan worden bevolen - en die voorts ook, zoals te dezen blijkt, toelaten op zeer korte termijn uitspraak te doen. In de mate dat verzoeker doet gelden dat een nieuwe maatregel er opnieuw toe kan leiden dat hij weer twee maanden isolement ondergaat, beperkt verzoeker zich tot een louter hypothetisch gevolg nu hij geenszins aantoont dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een rechtstreekse impact heeft op die mogelijke, nog te beslissen hernieuwing. Als dat geval van hernieuwing zich zou voordoen, zal immers op grond van artikel 118, § 7, derde lid, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (hierna: de basiswet) een nieuwe beslissing moeten worden genomen. Die nieuwe, desgevallend nog te nemen beslissing tot hernieuwing, kan op grond van die bepaling slechts gebeuren mits een voorafgaand verzoek van de directeur, vergezeld van een psycho-medisch verslag en met inachtneming van de bepalingen van artikel 118, §§ 1 tot 4 van de basiswet. Het voorstel van de directeur zal derhalve de concrete omstandigheden of gedragingen van verzoeker moeten vermelden waaruit blijkt dat die een voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid en de nog te nemen beslissing kan slechts worden genomen na verzoeker te hebben gehoord. Het betreft derhalve geen loutere verlenging van het lopende regime, maar een opnieuw te beoordelen beslissing tot hernieuwing van de beslissing tot plaatsing in een bijzonder individueel veiligheidsregime. Zelfs zo wordt aangenomen dat de bestreden beslissing een invloed kan hebben bij de beoordeling van een eventueel nog op te leggen hernieuwing van de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime, neemt dat gegeven hoe dan ook niet weg dat verzoeker helemaal niet in concreto aannemelijk maakt dat, in het licht van de nog te nemen procedurele en inhoudelijke stappen vooraleer beslist wordt over een hernieuwing, die hernieuwing zal gebeuren omwille van de thans XIV-38.316-6/9 bestreden beslissing. Deze vrees van verzoeker komt de Raad van State in deze stand van het geding dan ook als onrechtstreeks, minstens als voorbarig voor. In de mate dat verzoeker op algemene wijze wijst op de ernstige gevolgen en de impact die het opgelegde bijzondere veiligheidsregime met zich kan meebrengen op medisch-psychologisch vlak, toont hij niet in concreto aan dat vanuit dat perspectief, de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, zonder een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, tot onherroepelijke schadelijke gevolgen zou leiden. Ter adstructie van zijn standpunt verwijst verzoeker weliswaar naar het feit dat hij een neuropsychologisch onderzoek moet ondergaan, maar uit de door de verwerende partij bijgebrachte stukken in het administratief dossier blijkt dat bij e-mail van 30 april 2020 om 11u 14 – i.e. voor het nemen van de bestreden beslissing – de gevangenisarts verbonden aan de gevangenis van Hasselt stelt dat “de gezondheidstoestand van [verzoeker] compatibel [is] met een IBVR [lees: individueel bijzonder veiligheidsregime].” Verzoeker, die niet van de hem in de voorliggende procedure geboden mogelijkheid gebruik maakte om een schriftelijke replieknota in te dienen op de nota van de verwerende partij, betwist derhalve deze vaststelling vanwege de gevangenisarts niet. Voorts voert verzoeker niet aan noch maakt hij aannemelijk dat het individueel bijzonder veiligheidsregime aan hetwelk de bestreden beslissing hem onderwerpt, inhoudt dat hem de nodige medische zorg zou worden ontzegd. Los van de vraag of het door verzoeker dan wel de gevangenisadministratie - verzoeker is op dat punt niet duidelijk - aangevraagde neuropsychologisch onderzoek niet zou kunnen doorgaan tijdens de duur van de tenuitvoerlegging van de beslissing en zonder dat moet worden beoordeeld of dit dan een gevolg zou zijn van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dan wel van andere aan de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing vreemde factoren - verzoeker noch het door hem overgelegde document bieden op dat punt duidelijkheid - maakt verzoeker in het licht van het voorgaande niet aannemelijk dat hij zich aldus door de tenuitvoerlegging van de veiligheidsmaatregel in een toestand bevindt met onherroepelijke schadelijke gevolgen die de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering rechtvaardigen. XIV-38.316-7/9 In zoverre verzoeker voorts ter adstructie van het uiterst dringend noodzakelijk karakter van de vordering, refereert aan de ernst van de door hem aangevoerde middelen, wijst de Raad van State erop dat de ernst van een middel op zich de dringende noodzakelijkheid van de vordering niet aantoont. De ernst van de middelen en het voorhanden zijn van de dringende noodzakelijkheid zijn immers twee afzonderlijke cumulatieve voorwaarden zoals blijkt uit artikel 17, §§ 1 en 4 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Tot slot verandert de enkele omstandigheid dat de in de basiswet voorziene beroepsmogelijkheid bij de Beroepscommissie van de Centrale Raad nog niet in werking is getreden - zodat verzoeker naar hij stelt genoodzaakt is om een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid in de stellen bij de Raad van State - bovenstaande vaststellingen niet.
- De uiterst dringende noodzakelijkheid is niet aangetoond. VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.316-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.316-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.514 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.