id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.529 Rolnummer: A. 220871/IX-8977 Zaak: Arrest 247529 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 12/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-12 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-26 03:28 Fiche Arrest nr 247.529 van 12 mei 2020 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 247.529 van 12 mei 2020 in de zaak A. 220.871/IX-8977 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP die woonplaats kiest bij de juridische cel van de afdeling Advies en Ondersteuning onderwijsPersoneel gevestigd te 1210 Brussel Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 Tussenkomende partij: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 6 – Rivierenland bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Stommels kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 1 december 2016, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van de kamer van beroep voor het Gemeenschapson- derwijs van 21 september 2016, houdende de bevestiging van de tuchtmaatregel van de afhouding van 10% wedde gedurende twee maanden. II. Verloop van de rechtspleging IX-8977-1/19
- Bij arrest nr. 237.778 van 24 maart 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenko- mende partij hebben een laatste memorie ingediend. Met akkoord van alle partijen is de zaak behandeld overeen- komstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrek- king tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 30 april 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- IX-8977-2/19 III. Feiten
- Verzoekster is vastbenoemd leerkracht aan het atheneum te Boom, onderwijsinstelling die behoort tot scholengroep 6 van het Gemeenschaps- onderwijs. Naar aanleiding van klachten omtrent communicaties van ver- zoekster met leerlingen via Facebook, beslist de algemeen directeur van de scho- lengroep op 9 mei 2016 om verzoekster bij hoogdringendheid te schorsen. Op 17 mei 2016 bevestigt de raad van bestuur van de scholen- groep de preventieve schorsing en beslist hij om een tuchtprocedure in te stellen. Op 14 juni 2016 legt de raad van bestuur aan verzoekster de tuchtstraf op van “de afhouding van 10% wedde gedurende 2 maanden” voor de volgende, bewezen bevonden tenlastelegging: “het op 18 en 20 maart en 8 april 2016 plaatsen van zeer problematische posts op Facebook – waarbij u bepaalde leerlingen ‘irritante elementen’, ‘gluiperig’, ‘groot b.kk.s’ noemt en hen ‘Rot op’ toegooit – ondanks dat u in het verleden ten overvloede verzocht werd uiterst omzichtig om te springen met sociale media.” Tegen deze beslissing dient verzoekster een beroep in bij de kamer van beroep. Op 21 september 2016 bevestigt de kamer van beroep de be- slissing van de raad van bestuur van scholengroep 6 van 14 juni 2016, waarbij verzoekster de tuchtmaatregel van de afhouding van 10% wedde gedurende twee maanden wordt opgelegd. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel IX-8977-3/19 Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van “het decreet betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs” en van “de motiveringsplicht, het redelijkheidsbegin- sel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de rechtszekerheid”. Zij betoogt dat de overweging van de kamer van beroep dat de voorbeeldfunctie van de leerkracht hem verplicht tot de nodige afstandelijkheid en dat familiariteit niet aanvaard kan worden, niet verenigbaar is met de bepalin- gen uit het decreet aangezien hierin noch in enige andere regelgeving van deze verplichting melding wordt gemaakt. Evenmin biedt het decreet, noch het project van de school, noch enige andere regelgeving waaraan verzoekster zich zou die- nen te houden, enige houvast om te stellen dat familiariteit niet aanvaard kan worden. Dit klemt des te meer nu de leerlingen in kwestie absoluut geen pro- bleem hebben met een intieme of zeer vertrouwelijke omgang van een leerkracht. De leerlingen in kwestie zijn op geen enkele wijze een slachtoffer. De omstandigheid dat tuchtfeiten niet voorafgaandelijk om- schreven dienen te zijn en de kamer van beroep vrij kan oordelen wat als een te- kortkoming dient te gelden, betekent niet “dat daarmee carte blanche wordt gege- ven die een volstrekte willekeur creëert waardoor leerkrachten niet kunnen in- schatten op welke wijze zij zich wel of niet kunnen gedragen”. In casu gebeurt dit wel en dit schendt de rechtszekerheid. De keerzijde van de grote discretionaire bevoegdheid van de tuchtoverheid is volgens verzoekster “de verplichting tot een afdoende motive- ring waarom de gedraging een tuchtmisdrijf uitmaakt en waarom deze gedraging de opgelegde tuchtsanctie rechtvaardigt”. De kamer van beroep motiveert op geen enkele wijze waarom de omgang van verzoekster met de leerlingen proble- matisch kan zijn of een tuchtrechtelijk karakter zou kunnen uitmaken. De kamer IX-8977-4/19 van beroep beschrijft enkel de feiten. Volgens verzoekster zijn deze feiten trou- wens geen tuchtfeiten, maar horen ze thuis bij de evaluatie aangezien het gaat over een verschil in visie op de pedagogische benadering. Evenmin motiveert de kamer waarom de privé-communicatie niet valt onder de privé-sfeer van verzoekster en het grondwettelijk verankerd briefgeheim. De kamer van beroep motiveert niet waarom ondanks de duidelijke context die verzoekster heeft aangereikt en de mededeling van de in het tweede bericht vermelde leerlingen dat zij dit een grappig bericht vinden, zij dit toch ca- talogeert als een ongepaste tirade. De beslissing schendt het redelijkheidsbeginsel omdat een een- voudige vraag tot verwijdering van de berichten had kunnen volstaan.
- In haar memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster dat een humoristische omgang met leerlingen niet kan “weerhouden worden” als tuchtfeit. De berichten op Facebook kaderen in de relatie die zij heeft met de leer- lingen. De toon en de bewoordingen die zij heeft gebruikt zijn uit die context gehaald en hadden op geen enkele wijze de bedoeling om de leerlingen te be- schimpen of te schofferen.
- In haar laatste memorie blijft verzoekster bij haar standpunt dat de kamer van beroep niet motiveert waarom haar gedrag niet correct is: “[z]ij poneert dit enkel en [put] zich uit in tautologische redeneringen waarbij de term ‘correct’ vervangen wordt met de term ‘aanvaardbaar’”. Beoordeling
- Verzoekster voert in de eerste plaats de schending aan van “het decreet betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Ge- meenschapsonderwijs”. Niettegenstaande verzoekster noch de datum, noch een precieze bepaling van het decreet van 27 maart 1991 ‘betreffende de rechtspositie IX-8977-5/19 van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs’ (hierna: het rechtspositiedecreet) vermeldt, verwijst zij in haar toelichting bij het middel naar artikel 8 van dit decreet, zodat mag worden aangenomen dat zij de schending van deze bepaling inroept. De verwerende en de tussenkomende partij hebben dit blijkens hun verweer ook zo begrepen.
- Artikel 8 van het rechtspositiedecreet luidt: “De personeelsleden moeten zich in hun dienstbetrekkingen en in hun omgang met de leerlingen, de ouders van de leerlingen en het publiek op een correcte wijze gedragen. De personeelsleden moeten alles vermijden dat het vertrouwen van het publiek kan schaden of afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun functie in het onderwijs. […]”
- In tegenstelling tot het strafrecht, waarin een limitatieve en een precieze lijst bestaat van alle misdrijven, is het eigen aan het tuchtrecht dat geen dergelijke lijst met alle inbreuken op de beroepsplichten bestaat. Het tuchtrecht laat dan ook de bestraffing toe van tekortkomingen aan de beroepsplichten, zon- der dat deze vooraf door een verordenende bepaling omschreven moeten worden. Anders dan verzoekster het zou wensen, is het bijgevolg niet vereist dat in het rechtspositiedecreet wordt omschreven wat onder een “correcte wijze” van om- gaan dient te worden verstaan en dat dit inzonderheid een mate van afstandelijk- heid tussen leerkracht en leerling omvat. Er wordt evenmin ingezien hoe het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden door dit niet te doen.
- Door in het algemeen aan te nemen dat het op correcte wijze omgaan met leerlingen een mate van afstandelijkheid veronderstelt waarbij fami- liariteit is uitgesloten, gelet op de opvoedende taak van de leerkracht en diens voorbeeldfunctie, gaat de kamer van beroep niet haar beoordelingsvrijheid te bui- ten om de draagwijdte van artikel 8 van het rechtspositiedecreet te concretiseren. IX-8977-6/19
- Voor zover verzoekster vervolgens betwist dat haar specifieke berichtgeving op Facebook tuchtrechtelijk laakbaar gedrag is, moet zij beseffen dat de tuchtoverheid bij de uitoefening van de tuchtbevoegdheid een discretionai- re beoordelingsbevoegdheid heeft op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie en van de ernst van de ten laste gelegde feiten. Het valt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wet- tigheidstoezicht niet toe om zelf de beoordeling over te doen van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen. De Raad van State is geen hoger beroepsorgaan dat zich in de plaats mag stellen van de overheid; hij is enkel bevoegd om desge- vraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gege- vens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de per- ken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
- Het valt dus niet toe aan de Raad van State om zijn mening over de context van de Facebookberichten of over het al dan niet humoristisch karakter ervan aan de partijen op te leggen. Het is ook mogelijk dat een andere tuchtoverheid daar verschillend over denkt en tot een andere conclusie komt. Het ligt op de weg van verzoekster om aan te tonen dat deze tuchtoverheid met deze beslissing de feitelijke gegevens – die verzoekster niet ontkent – binnen de gren- zen van een tuchtbeleid niet als tuchtfeiten heeft mogen kwalificeren.
- De kamer van beroep steunt haar beoordeling op de volgende motivering: “5.3.3.
- De tenlastelegging betreft in eerste instantie het posten van drie mededelingen op Facebook. Het bestaan van deze feiten wordt niet be- twist. Het gaat om drie berichten die de verzoekster heeft geplaatst – een gefotoshopte afbeelding van haarzelf in boksoutfit met de melding ‘nog wat intensief trainen en ik kan (twee leerlingen) een mep verkopen voor ze het instituut volgend schooljaar verlaten’; een bericht ‘aan volgende ir- ritante elementen: ... en zeker gluiperige ... Rot op !’; een bericht over een pak gevonden euro-biljetten – en de bijhorende correspondentie met leer- lingen, waarin de verzoekster meegaat in het taalgebruik van de leerlin- gen. IX-8977-7/19 De Raad van Bestuur heeft aanstoot genomen aan het feit dat de verzoek- ster zich, in strijd met artikel 8 van het Rechtspositiedecreet, als perso- neelslid van het GO! ‘niet op een correcte wijze gedragen heeft in haar dienstbetrekkingen en de omgang met de leerlingen, de ouders en het per- soneel’ doordat zij ‘de leerlingen die haar zijn toevertrouwd, aanspreekt met termen als ‘gluiperige Glenn’, ‘irritante elementen’, ‘rot op’ ‘groot bxkkxs’, doordat zij de leerlingen ‘een gefotoshopte afbeelding van zich- zelf als bokser toestuurt en doordat zij ‘in de Facebookgesprekken met de leerlingen bedenkelijke taal en standpunten inneemt’. 5.3.3.
- De Kamer van Beroep onderschrijft volkomen de opstelling van de Raad van Bestuur wat betreft de kwalificatie van de niet-betwiste fei- ten als tuchtfeit. Aangenomen dat, zoals de raadsman van de verzoekster op de hoorzitting uiteenzet, het bericht van 8 april 2016 over de gevonden bundel van 50 euro-biljetten de vrijblijvende overname is van een elders verspreid be- richt, dan heeft de verzoekster dat bericht wel geconcretiseerd naar een si- tuatie in Boom, waar – toevallig of niet – een probleem rees met een leer- ling. Maar zelfs geheel afstand nemend van dat derde bericht, vindt de Kamer van Beroep de inhoud van de eerste twee berichten en de dialogen daaromtrent totaal ongepast. Van een leraar mag verwacht worden dat hij, zich steeds bewust van zijn opvoedende taak, zich voorbeeldig gedraagt. Die voorbeeldfunctie ver- plicht hem om, onder meer in de contacten met leerlingen, de nodige af- standelijkheid te bewaren. Familiariteit kan niet aanvaard worden. Die af- standelijkheid sluit het gebruik van humor niet uit, maar het bewustzijn dat humor niet altijd correct begrepen wordt moet een reden zijn om daarmee zeer omzichtig om te springen. Inzonderheid bij geschreven boodschappen moet die afweging gemaakt worden. De vluchtigheid en de onbeheersbaarheid van een sociaal medium als Facebook moet de leer- kracht tot grote voorzichtigheid aanzetten. Het zijn die waarden die ook verwoord zijn in de ‘10 tips voor leerkrachten om veilig om te gaan met sociale media’, die het schoolbestuur bij de leerkrachten verspreid heeft. De Kamer van Beroep vindt de gemanipuleerde foto, die de verzoekster van haarzelf in bokstenue op haar Facebookpagina publiceerde, irrelevant en ongepast. De verzoekster geeft daarmee de vereiste afstandelijkheid te- genover haar leerlingen prijs; zij geeft met haar begeleidend bericht ook zelf de aanzet tot familiaire berichten en gaat vervolgens mee in de dis- cussie om aldus te verzanden in een weinig verheffende conversatie waar- bij de lerares zelfs het taalgebruik en schrijfstijl van de leerlingen niet be- kritiseert. Het tweede bericht, dat door de raadsman van de verzoekster ten onrechte wordt afgedaan als een ‘prent van twee hondjes’, is even ont- luisterend. Het is immers een totaal ongepaste tirade tegen enkele leerlin- gen, waarbij de verzoekster de discussie nog zelf voedt. De wijze waarop de berichten ter kennis van het schoolbestuur zijn geko- men en de omstandigheid dat de berichten geen ruime verspreiding kregen veranderen niets aan het bestaan van de tuchtinbreuk. 5.3.3.
- De Kamer van Beroep is van oordeel dat de twee voormelde Fa- cebookberichten en de bijhorende discussie ingaan tegen de verplichting IX-8977-8/19 van een leraar om zich in zijn omgang met leerlingen op een correcte wij- ze te gedragen. Zij heeft daarmee een tuchtinbreuk gepleegd. 5.3.3.
- De Raad van Bestuur heeft in zijn overweging betrokken dat de verzoekster vroeger hetzij in het algemeen, hetzij persoonlijk reeds was aangesproken op het vlak van het gebruik van de sociale media. De Ka- mer van Beroep vindt daar zeker twee voorbeelden van in het dossier: op 18 januari 2012 heeft de verzoekster een verklaring ondertekend m.b.t. het plaatsen van een foto van een collega; op 24 januari 2012, herhaald op 4 maart 2016, heeft het schoolbestuur aan alle personeelsleden de nota ‘10 tips om veilig om te gaan met sociale media’ meegedeeld. De Kamer van Beroep is evenwel van oordeel dat deze gebeurtenissen uit het verleden niets afdoen aan het bestaan van de tuchtinbreuk vervat in de twee Facebookberichten waarvan hoger sprake. 5.3.4.
- De Raad van Bestuur heeft in de tuchtstrafbeslissing overwogen dat de verzoekster van geen schuldinzicht blijk gegeven heeft, dat zij der- halve niet goedschiks tot betere inzichten kan gebracht worden en dat een tuchtstraf derhalve noodzakelijk is. Omdat de verzoekster als lerares ver- diensten heeft, wordt gekozen voor een beperkte inhouding op de wedde, een maatregel die na drie jaar uit het tuchtdossier van de verzoekster wordt verwijderd en die de verzoekster toelaat bewijs van inschikkelijk- heid te bieden. 12 De Kamer van Beroep kan zich vinden in deze straf en de motivering ervan.”
- Het verwijt dat de kamer van beroep in gebreke blijft haar be- slissing te motiveren of zich verliest in tautologische beweringen is gratuit. Verzoekster noemt haar leerlingen irritante elementen en glui- perig en maant ze aan om op te rotten. Zij hoopt hen nog enkele meppen te kun- nen verkopen voor het einde van het schooljaar. Het familiaire karakter van de aangehaalde berichten kan bezwaarlijk worden ontkend – dat doet verzoekster overigens niet, door ze onder de noemer ‘humor’ onder te brengen. Uit het geheel van de aangehaalde motivering blijkt voorts dui- delijk waarom de kamer van beroep het gedrag van verzoekster niet beschouwt als een correcte omgang met leerlingen. Door te verwijzen naar de voorbeeld- functie van een leraar, hetgeen de nodige afstandelijkheid vereist en vast te stel- len dat verzoekster die afstandelijkheid tegenover haar leerlingen met ongepast woordgebruik prijsgeeft, geeft de kamer van beroep op afdoende wijze aan waar- om de feiten als tuchtfeiten dienen te worden beschouwd. IX-8977-9/19
- Verzoekster heeft de feiten op zich nooit betwist, maar ze wel omschreven als humor. Dat verzoekster een eigen, andere visie heeft op de peda- gogische benadering van leerlingen, maakt evenwel niet aannemelijk dat de ka- mer van beroep op onredelijke wijze tot haar besluit is gekomen. Door de verwij- zing naar talloze opvoedingsprojecten, die op geen enkele manier concreet wor- den toegelicht, toont verzoekster dit in ieder geval niet aan.
- De omstandigheid dat de leerlingen zich geen slachtoffer voe- len en de berichten grappig vinden, doet aan wat voorafgaat geen afbreuk, aange- zien het niet aan de leerlingen toevalt te oordelen of de leerkracht zich gedraagt op een correcte wijze die strookt met de waardigheid van haar ambt. Evenmin is het relevant of verzoekster al dan niet de bedoeling had om te schimpen: om een tekortkoming aan de beroepsplichten te beteugelen is bij het betrokken personeelslid geen intentie om te schaden of bijzonder opzet vereist.
- Het feit dat – althans volgens verzoekster – een eenvoudige vraag tot verwijdering van de Facebookberichten had kunnen volstaan en dat een andere tuchtoverheid deze vraag zou hebben gesteld, betekent geenszins dat het opleggen van een tuchtmaatregel onredelijk is. Dat de tuchtoverheid de zaak ook anders had kunnen benaderen, wil niet zeggen dat zij het ook zo had moeten doen en dat, van de weeromstuit, haar bestreden beslissing onwettig is.
- De Facebookberichten zijn geschreven door een leerkracht als leerkracht aan haar leerlingen over ervaringen tijdens schoolgerelateerde activi- teiten. De referentie aan het privéleven kan al helemaal niet slagen.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel IX-8977-10/19 Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van het rechtszekerheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Verzoekster laat gelden dat het bestuur haar een tuchtstraf heeft opgelegd voor het “plegen van drie feiten” zodat het opmerkelijk is dat de kamer van beroep slechts twee van deze feiten erkent maar haar toch een even zware straf oplegt, zonder daartoe enige verantwoording te geven. Wanneer het plegen van twee feiten even zwaar wordt bestraft als het plegen van drie feiten, is het onmogelijk voor de rechtzoekende om in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling te voorzien. Aangezien verzoekster dezelfde straf opgelegd krijgt voor een minder aantal feiten, kan de opgelegde straf geen redelijk verband van evenredig- heid hebben tussen de in aanmerking genomen feiten en de opgelegde straf.
- In haar laatste memorie stelt verzoekster dat zij door de kamer van beroep is vrijgesproken voor één van de drie ten laste gelegde feiten, zodat zij zwaarder wordt gestraft voor het plegen van twee tuchtrechtelijke feiten. Beoordeling
- Het middel gaat uit van een verkeerde aanname, namelijk dat er sprake is van drie gepleegde feiten of tenlasteleggingen. De tuchtmaatregel is zowel in eerste aanleg als in graad van beroep opgelegd wegens één tenlastelegging, namelijk “het op 18 en 20 maart en 8 april 2016 plaatsen van zeer problematische posts op Facebook – waarbij u be- paalde leerlingen ‘irritante elementen’, ‘gluiperig’, ‘groot b.kk.s’ noemt en hen IX-8977-11/19 ‘Rot op’ toegooit – ondanks dat u in het verleden ten overvloede verzocht werd uiterst omzichtig om te springen met sociale media.” De kamer van beroep bevestigt die tenlastelegging. Dat zij stelt daarvoor afstand te nemen van één van de berichten betekent niet dat zij de ten- lastelegging wijzigt of terugkomt op de kwalificatie als tuchtfeit, laat staan dat zij verzoekster “vrijspreekt”. Ten overvloede mag nog worden opgemerkt dat de concreet in de tenlastelegging gegeven voorbeelden – ‘irritante elementen’, ‘glui- perig’, ‘groot b.kk.s’, ‘Rot op’ – zijn geput uit de andere twee Facebookberichten.
- Het tweede middel mist feitelijke grondslag. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In een derde middel voert verzoekster de schending aan van “de motiveringsplicht” en van de “rechten van verdediging (6 EVRM)”. Verzoekster doet gelden dat in het opleggen van de preventieve schorsing duidelijk de bedoeling van het bestuur voorlag om te bestraffen en er dus sprake is van een verkapte tuchtmaatregel. De impact van de ordemaatregel moet evenredig zijn met het nagestreefde doel en niet verder gaan dan noodzake- lijk is voor het herstel van de goede werking van de dienst. Op het ogenblik dat de kamer van beroep haar beroep tegen de preventieve schorsing zou behandelen, werd deze opgeheven door de uitgespro- ken tuchtmaatregel. De kamer van beroep verklaarde zich echter onterecht onbe- voegd. Er moest in ieder geval onderzoek gedaan worden naar het afdoend karak- ter van de redenen om tot een dergelijke ordemaatregel te besluiten en de kamer van beroep kon er zich niet van afmaken door eenvoudig te stellen dat de preven- tieve schorsing louter een ordemaatregel is. IX-8977-12/19 Beoordeling
- Het derde middel is gericht tegen de preventieve schorsing en niet tegen de thans bestreden tuchtmaatregel. Het is niet ontvankelijk. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vierde middel voert verzoekster de schending aan van het gelijkheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Zij betoogt dat zij bij de kamer van beroep reeds heeft aange- kaart dat diverse andere personeelsleden niet worden aangesproken, laat staan gestraft, voor politieke standpunten op Facebook die uit oogpunt van tucht even- eens als problematisch zouden kunnen worden beschouwd. Blijkbaar geldt de omzichtigheid voor het gebruik van sociale media enkel voor verzoekster. Zonder duidelijke motivering voor deze ongelijke behandeling, schendt deze handelswijze het gelijkheidsbeginsel, minstens maakt het de beoor- deling van het gedrag van verzoekster onredelijk.
- Verzoekster stelt in de memorie van wederantwoord niet het proces te willen maken van haar collega’s maar zij brengt dit aan “om de vol- strekte willekeur en het intentieproces tegen haar persoon aan te tonen”. Tegen haar collega’s wordt niet opgetreden wegens ongepast Facebookgedrag. Ook niet tegen andere leerkrachten die online pestgedrag vertonen ten aanzien van ver- zoekster. IX-8977-13/19 Beoordeling
- Het beroep op het gelijkheidsbeginsel als zodanig, of zoals hier in samenhang met het redelijkheidsbeginsel, is in dit geval in rechte niet relevant. In tuchtzaken is elke beslissing functie van specifieke feitelijke gegevens, verbonden met tijdstip en omstandigheden van het gebeuren. Behou- dens identieke feitelijke gegevens kunnen de situaties van personeelsleden niet nuttig met elkaar worden vergeleken. In de voorbeelden die verzoekster geeft gaat het niet om personeelsleden die in vergelijkbare omstandigheden identieke feiten hebben gepleegd of die in eenzelfde tuchtprocedure zijn vervolgd. Zelfs al kan er begrip voor zijn dat het verzoekster dwars zit dat de strengheid waarmee tegen haar is opgetreden in contrast staat tot de inschikke- lijkheid voor uitlatingen van haar collega’s, dan ziet het er naar uit dat tegen die collega’s mogelijk ten onrechte niet is opgetreden. Het neemt niet weg dat zo wat jegens verzoekster terecht is gebeurd, terecht blijft gebeurd.
- Het vierde middel faalt naar recht. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- Het vijfde middel is genomen uit de schending van het recht op vrije meningsuiting zoals gewaarborgd door artikel 19 van de Grondwet en arti- kel 8 EVRM. Volgens verzoekster schendt de kamer van beroep haar recht op vrije meningsuiting doordat zij zich niet op humoristische wijze en op de haar gebruikelijke manier van communiceren mag richten tot de leerlingen. Het valt de kamer van beroep niet toe, om te oordelen of de communicatiestijl en humor van IX-8977-14/19 verzoekster in privé-context irrelevant of ongepast zouden zijn. Evenmin om een humoristische conversatie te herkwalificeren als een ‘tirade’. Dit geldt des te meer daar het bericht niet zichtbaar is voor het grote publiek maar enkel voor degenen die verzoekster toelaat in haar private sfeer. De kamer van beroep negeert volstrekt dat het hier over feiten gaat uit het privé-leven van verzoekster en dat het haar correspondentie met leerlingen be- treft.
- In haar memorie van wederantwoord doet verzoekster gelden dat de beperking op de vrije meningsuiting in geen geval in overeenstemming is met artikel 10.2 van het EVRM. Volgens haar kan niet worden gesteld dat zij haar spreekrecht misbruikt; zij communiceert eenvoudigweg op een humoristi- sche manier. De bestreden beslissing verliest de context volledig uit het oog.
- In haar laatste memorie merkt verzoekster nog op dat het inper- ken van humor raakt aan de essentie van de vrije meningsuiting en aan de essen- tie van de democratische rechtsstaat. Zij wijst opnieuw op de context van haar berichten: zij gaat met leerlingen op sportdag, zij doet mee aan de activiteiten dans en boksen en zij plaatst enkele dagen later hierover een bericht dat kadert in een ruime plagende en humoristische dialoog. Beoordeling
- Hiervóór is reeds opgemerkt dat verzoekster de bedoelde face- bookberichten niet tot de huiselijke sfeer of het privéleven mag rekenen.
- Verzoekster merkt zelf op dat de vrijheid van meningsuiting niet absoluut is en dat beperkingen mogelijk zijn, overeenkomstig artikel 10, lid 2, EVRM. IX-8977-15/19 De bijzondere hoedanigheid van ambtenaar en de verplichtin- gen die gepaard gaan met dit ambt brengen mee dat verzoekster tot grotere dis- cretie en terughoudendheid is gehouden en dat een overtreden van die ambts- plicht tuchtrechtelijk mag worden bestraft. Deze inmenging schendt verzoeksters recht op vrije meningsui- ting niet. Het wordt haar geenszins verboden om met haar leerlingen te commu- niceren op sociale media; zij mag dit evenwel niet doen op een wijze die de eer en waardigheid van haar ambt in het gedrang brengt of de belangen van het Ge- meenschapsonderwijs schaadt. Deze doelstelling is legitiem en noodzakelijk in een democratische samenleving. De opgelegde beperking is niet onevenredig. Verzoekster herhaalt dat haar berichten onschuldig humoris- tisch waren bedoeld. Zij geeft aldus haar visie, maar weerlegt niet dat de kamer er in rechte een andere mening op mocht nahouden.
- Volgens de verwerende partij is het middel niet ontvankelijk. Uit wat voorafgaat volgt dat het in ieder geval niet gegrond is. Het vijfde middel wordt verworpen. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
- In een zesde middel voert verzoekster de schending aan van de “motiveringsplicht”. Een eerste grief van verzoekster is gericht tegen de overweging van de kamer van beroep aangaande het bericht over een pak gevonden euro- biljetten. Volgens verzoekster verwijst de kamer van beroep foutief naar een loca- tie in Boom. IX-8977-16/19 Vervolgens betwist verzoekster dat er tijdens het functione- ringsgesprek van 8 maart 2016 reeds zou zijn gesproken over het Facebookge- bruik van verzoekster. Ten slotte stelt verzoekster dat de claim van de directeur dat de school gecontacteerd werd door de politie, alsook dat deze het bericht van 8 april zwaarwichtig genoeg vond om met de directie contact op te nemen, tot op heden onbewezen blijft. De kamer van beroep legt deze elementen naast zich neer al- hoewel hieruit kan blijken dat de hele procedure gemanipuleerd werd. Beoordeling
- In het auditoraatsverslag wordt voorgesteld om het middel te verwerpen. De eerste grief is niet dienstig aangezien de verwerende partij met het bericht over de eurobiljetten geen rekening heeft gehouden. Wat betreft het tweede punt van kritiek, blijkt dat de kamer van beroep zich niet heeft uitgesproken over het functioneringsgesprek van 8 maart
- De kamer van beroep oordeelt dat “deze gebeurtenissen uit het verleden niets afdoen aan het bestaan van de tuchtinbreuk vervat in de twee Facebookbe- richten”. Ook de kritiek op de wijze waarop de directie in kennis is ge- steld van de Facebookberichten, doet geen afbreuk aan de wettigheid van de be- streden beslissing. De kamer van beroep overweegt immers dat “de wijze waarop de berichten ter kennis van het schoolbestuur zijn gekomen en de omstandigheid dat de berichten geen ruime verspreiding kregen, niets [veranderen] aan het be- staan van de tuchtinbreuk”. IX-8977-17/19
- In haar laatste memorie laat verzoekster deze beoordeling on- besproken.
- Na eigen onderzoek van het dossier ziet ook de Raad niets wat tegen de beoordeling van het auditoraat zou spreken. Om de sub 37 vermelde redenen, die de Raad zich eigen maakt, is het middel ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. IX-8977-18/19 De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-8977-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.529 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.778 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div