id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.530 Rolnummer: A. 223536/IX-9155 Zaak: Arrest 247530 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 12/05/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-05-12 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-26 03:28 Fiche Arrest nr 247.530 van 12 mei 2020 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 247.530 van 12 mei 2020 in de zaak A. 223.536/IX-9155 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim De Brock kantoor houdend te 9000 Gent Pekelharing 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Matthias Castelein kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 16 oktober 2017, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van het bestuurscollege van de universiteit Gent van 1 september 2017 waarbij aan XXXX met ingang van 1 september 2017 de tucht- straf van de terugzetting in graad wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 240.891 van 5 maart 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. IX-9155-1/26 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. Met akkoord van alle partijen is de zaak behandeld overeen- komstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 12 van 21 april 2020 ‘met betrek- king tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging voor de Raad van State en de schriftelijke behandeling van de zaken’. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Ingevolge de mededeling van dit advies aan de partijen op 30 april 2020, is het debat gesloten en is de zaak in beraad genomen. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 13 juli 2016 legt de rector van de UGent een tuchtverslag voor aan de tuchtcommissie voor het zelfstandig academisch personeel (ook: de tuchtcommissie) met betrekking tot verzoeker, alsdan gewoon hoogleraar aan de UGent. De feiten die aan verzoeker ten laste worden gelegd, “voor zover (sterk vermoed te zijn) gepleegd”, worden “ernstig grensoverschrijdend gedrag, onethi- sche gedragingen, machtsmisbruik en belangenconflicten” genoemd. IX-9155-2/26 3.
- Op 3 april 2017 overweegt de tuchtcommissie dat “de tenlaste- legging van machtsmisbruik de tuchtcommissie niet bewezen voor[komt]”. Aantijgingen van seksuele intimidatie jegens studenten of per- soneelsleden worden door de tuchtcommissie eveneens voor onbewezen gehou- den. De tuchtcommissie overweegt daarentegen “dat de tenlasteleg- gingen van ernstig grensoverschrijdend gedrag, onethische gedragingen en een onoordeelkundige omgang met belangenconflicten bewezen zijn”. Het staat voor de tuchtcommissie “op grond van de op dat punt niet concreet betwiste voorlig- gende getuigenissen en de op dat punt niet concreet betwiste schriftelijke verkla- ring van [X.]” vast dat verzoeker met drie personen “met wie hij beroepshalve / professioneel een band had”, een affectieve of seksuele relatie gehad heeft en dat deze personen zich toen in een hiërarchisch ondergeschikte relatie tot verzoeker bevonden. Hoewel die relaties “een consensueel karakter” hadden, impliceren ze een grensoverschrijdend gedrag in de zin dat verzoeker “in een hiërarchische con- text en dit bovendien zonder de nodige openheid of transparantie naar zijn profes- sionele omgeving toe, waarbij de vrouwen in kwestie zich professioneel in een ondergeschikte relatie bevonden ten opzichte van [verzoeker] als leidinggevende respectievelijk docent, […] zich in een machtspositie bevond en derhalve beïn- vloeding en machtsmisbruik door [hem] mogelijk waren”. Het gebrek aan trans- parantie ziet inzonderheid erop dat verzoeker meermaals heeft nagelaten om mel- ding te maken van belangenconflicten ingevolge deze relaties. De tuchtcommissie beslist “de tuchtstraf van de terugzetting in graad (te begrijpen als een terugzetting naar de graad die zich onmiddellijk onder de huidige graad van de betrokkene situeert) als passende tuchtsanctie te advise- ren”. Verzoeker gaat hiertegen in beroep. IX-9155-3/26 3.
- Op 30 juni 2017 bevestigt de tuchtcommissie in hoger beroep “dat de nog betwiste feiten bewezen tuchtfeiten blijven”. Volgens haar heeft de eerste tuchtcommissie “terecht geadviseerd dat de tenlasteleggingen van ernstig grensoverschrijdend gedrag, onethische gedragingen en een onoordeelkundige omgang met belangenconflicten bewezen zijn in de zin zoals zij aangaf; dat de bewezen feiten tuchtfeiten zijn in hoofde van de tuchtrechtelijk vervolgde; dat de tenlastelegging van machtsmisbruik niet bewezen voorkomt”. Zij “[b]evestigt het bestreden advies met deze wijziging dat onder de sanctie van terugzetting in graad moet begrepen worden de terugzetting in de graad van hoofddocent”. 3.
- Op 1 september 2017 bekrachtigt het bestuurscollege van de UGent het advies van de tuchtcommissie in hoger beroep en legt het aan verzoe- ker als tuchtstraf de terugzetting in graad op naar de graad van hoofddocent, met ingang van 1 september
- IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 18, 19 en 25 van het tuchtreglement en reglement voor schorsing in het belang van de dienst voor de leden van het Zelfstandig Academisch Personeel van de Universiteit Gent, goedgekeurd door de raad van bestuur van 15 juni 2007 (hierna: het tuchtreglement); “er werd geen klacht overgemaakt aan de rector”. Verzoeker betoogt dat blijkens deze bepalingen van het tucht- reglement een voorafgaande formele klacht noodzakelijk is – hij schrijft: “een conditio sine qua non” – om een tuchtzaak aanhangig te maken. Ingevolge het ontbreken van een initiële klacht “werd de Tuchtcommissie op een onregelmatige wijze gevat en is de gevoerde tuchtprocedure nietig”. Het volstaat niet dat min- IX-9155-4/26 stens één persoon een eenvoudige melding heeft gedaan aan de rector. Neen, de persoon die een klacht bezorgt aan de rector moet de intentie hebben lastens de betichte een tuchtprocedure uit te lokken. Zijn of haar klacht moet formeel zijn. Een “voorafgaande formele klacht” is “een absolute voorwaarde […] om de rec- tor op basis van het nieuw tuchtreglement toe te laten een tuchtverslag op te stel- len teneinde door middel daarvan de Tuchtcommissie te vatten”. Dat de klacht “formeel” moet zijn – neergelegd met de bedoe- ling de betichte tuchtrechtelijk te laten straffen door de tuchtoverheid – blijkt vol- gens verzoeker ook uit de memorie van toelichting bij het tuchtreglement, waarin expliciet wordt verwezen naar de artikelen 7, §§ 1 en 2, van het vorige tuchtre- glement van 9 juli 1999 (hierna: het oude tuchtreglement) waarin is bepaald dat de rector fungeert als tuchtorgaan. Volgens het oude tuchtreglement kan de rector zelf een tuchtdossier voorbereiden en onderzoeksdaden stellen met het oog op de samenstelling van het tuchtdossier en dus op eigen initiatief een tuchtzaak aan- hangig maken. In het nieuwe tuchtreglement heeft de rector dit initiatiefrecht niet meer, tenzij zij dit doet als formele klager, “quod certe non in casu”. De rec- tor is thans geen tuchtorgaan meer. Zij fungeert enkel nog als buffer tussen de klager en de tuchtcommissie, daar in tegenstelling tot het oude tuchtreglement een formele klacht niet meer automatisch tot gevolg heeft dat de zaak wordt doorverwezen naar de tuchtcommissie indien de klager het vraagt. Die bevoegd- heid ontleent de rector aan artikel 19 van het tuchtreglement dat haar een sepone- ringsbevoegdheid verschaft. De rector is enkel bevoegd om formele klachten al dan niet te verwijzen naar de tuchtcommissie. Zij mag zelf niet langer een tucht- dossier voorbereiden, onderzoeksdaden stellen, een tuchtdossier samenstellen en het dossier bij de tuchtcommissie aanhangig maken. Het is enkel de tuchtcom- missie die een tuchtdossier samenstelt. De rector heeft haar bevoegdheid over- schreden door onderzoeksopdrachten te geven. IX-9155-5/26 Ook uit de nadere uitwerking van de tuchtprocedure in het tuchtreglement blijkt dat een formele klacht in handen van de rector noodzakelijk is, aldus verzoeker. Het volstaat niet dat iemand een eenvoudige melding gedaan heeft aan de rector. De persoon die een klacht bezorgt aan de rector moet de in- tentie hebben een tuchtprocedure uit te lokken. Artikel 25 van het tuchtreglement bepaalt immers dat de klager wordt gehoord op de hoorzitting zodat de klager bereid moet zijn een actieve rol te spelen in de tuchtprocedure. Wellicht wegens het ontbreken van een formele klacht heeft de griffier van de tuchtcommissie de rector opgeroepen als formele klager, waarop deze in een schrijven van 28 sep- tember 2016 terecht heeft meegedeeld dat zij niet als klager kan worden be- schouwd maar enkel opsteller van het tuchtverslag is. Verzoeker merkt op dat de bepalingen van het tuchtreglement nergens voorzien in de eventualiteit dat geen formele klacht is neergelegd. Verzoeker noemt het nog opvallend dat de tuchtcommissie het argument dat de klager overeenkomstig artikel 25 van het tuchtreglement moet worden gehoord, afdoet met de bedenking dat het voor zich spreekt dat een ano- nieme klager niet in aanwezigheid van de tuchtrechtelijk vervolgde kan worden gehoord, terwijl vaststaat dat er geen enkele klager zich heeft aangemeld, laat staan een klager die anoniem wenst te blijven. Dat de rector perfect wist dat een formele klacht noodzakelijk was, blijkt uit haar e-mail naar R. waarin zij vraagt om een formele klacht in te dienen aangezien dit voor “het universiteitsbestuur een groot verschil [maakt] in de stappen die met kans op succes gezet kunnen worden”. Dit blijkt tevens uit een interview dat zij op 15 juli 2017 aan een krant gaf. Verzoeker vermeldt ten slotte een aantal documenten van het tuchtdossier, om er telkens van uit te leggen waarom ze door de tuchtoverheid ten onrechte als klacht in de zin van artikel 18 van het tuchtreglement werden opge- vat. IX-9155-6/26 Beoordeling
- Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 18 tot 20 van het tuchtreglement, die samen titel V ‘Behandeling van de klachten’ vormen. Ze luiden: “
- Alle klachten worden aan de rector overgemaakt.
- De rector kan de klacht seponeren. In dat geval maakt hij zijn gemoti- veerde beslissing, op redactie van een secretaris, aan de klager en de be- trokkene over. De rector kan de klacht aan de voorzitter van de tuchtcommissie overma- ken, waardoor de tuchtcommissie gevat wordt. Dit gebeurt door een ge- motiveerd tuchtverslag op redactie van een secretaris. De secretaris is de directeur Bestuurszaken van de Universiteit Gent of, bij afwezigheid, het afdelingshoofd Juridische Zaken van de Universiteit Gent.
- Voorafgaand aan de hoorzitting stelt de tuchtcommissie een dossier samen, dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de ten laste geleg- de feiten. De stukken worden gebundeld en genummerd.” Verzoeker wijst ook op artikel 25 van het tuchtreglement: “De griffier leest de klacht voor, waarna de betrokkene en de klager ge- hoord worden. De getuigen die door de tuchtcommissie werden opgeroepen worden ge- hoord, nadien deze opgeroepen door de betrokkene. De tuchtcommissie hoort de verdediging van de betrokkene.” Ten slotte ontleent hij een argument aan artikel 13 van het tuchtreglement: “De tuchtorganen zijn: 1° in eerste aanleg: de tuchtcommissie; 2° in hoger beroep: de tuchtcommissie in hoger beroep.”
- De Raad van State valt verzoeker niet bij in zijn lezing van de- ze bepalingen, die erop neerkomt dat de tuchtvervolging van een personeelslid enkel mogelijk zou zijn na een “formele klacht” – waarmee verzoeker een klacht bedoelt die is neergelegd met de uitdrukkelijke bedoeling van de klager dat de IX-9155-7/26 beklaagde tuchtrechtelijk zou worden vervolgd en gestraft – en waarbij de rol van de rector beperkt is tot een seponeringsbevoegdheid.
- Deze artikelen noch enige andere bepaling uit het tuchtregle- ment vermelden het begrip ‘formele klacht’. Ze definiëren evenmin wat onder een klacht dient te worden begrepen, zodat verzoeker met de verwijzing naar de- ze artikelen niet aantoont dat er sprake moet zijn van een dergelijke “formele klacht”.
- De passus uit de memorie van toelichting bij het tuchtregle- ment, waar verzoeker naar verwijst om zijn zienswijze kracht bij te zetten, kan evenmin overtuigen. Ze leert enkel dat de verwerende partij “een belangrijk pro- bleem” van het oude tuchtreglement wou verhelpen. Dat reglement kende “‘een soort directe dagvaarding’ door de klager bij een formele klacht, waarbij de kla- ger schriftelijk en uitdrukkelijk een verwijzing naar de tuchtcommissie vraagt”. Met de hiervóór geciteerde bepalingen heeft de verwerende partij bij de behande- ling van klachten “een buffer ingebouwd”.
- Titel V van het tuchtreglement is een specifieke regeling voor de behandeling van klachten, die niet vermag afbreuk te doen aan de algemene regels, verwoord in artikel 1 van het tuchtreglement, dat “[e]lk lid van het zelf- standig academisch personeel dat zijn ambtsplichten verzuimt of afbreuk doet aan de waardigheid van zijn ambt, […] de in dit reglement bepaalde tuchtstraffen [kan] oplopen” en in artikel 3, dat “[f]eiten die het voorwerp kunnen uitmaken van een tuchtvordering verjaren twee jaren na de vaststelling of de kennisname van de feiten door de rector”. De tuchtvordering en de verjaring ervan zijn aldus niet gekoppeld aan de indiening van een formele klacht, maar wel aan de vaststel- ling of kennisname van de tuchtfeiten door de rector, die ze vervolgens naar de tuchtcommissie kan verwijzen middels een tuchtverslag. Uit de door verzoeker aangevoerde bepalingen blijkt enkel een bijzonder regime voor de behandeling IX-9155-8/26 van klachten – dat wil zeggen: indien de kennisname van de feiten gebeurt inge- volge een klacht.
- De referentie aan de rector als ijkpunt voor de verjaring van de tuchtvordering illustreert dat verzoeker in artikel 13 van het tuchtreglement over de tuchtorganen méér leest dan ermee is bedoeld. Uit de samenhang van alle be- palingen van het tuchtreglement blijkt dat die bepaling enkel beoogt twee voor de tuchtprocedure specifieke organen in het leven te roepen, namelijk de tuchtcom- missie en de tuchtcommissie in hoger beroep. Daarnaast hebben ook andere, niet in artikel 13 van het tuchtreglement opgesomde organen van de universiteit een eigen bevoegdheid bij het verloop van de tuchtprocedure. Uit artikel 3 van het tuchtreglement blijkt reeds dat het de rector toevalt om de tuchtvordering op te starten door de tuchtzaak bij de tuchtcommissie te introduceren. Zij is ook het orgaan, bevoegd om bij wijze van ordemaatregel een preventieve schorsing op te leggen aan het personeelslid dat tuchtrechtelijk vervolgd wordt (artikel 34 van het tuchtreglement). De vicerector – of het bestuurscollege – is dan weer het bevoeg- de orgaan voor het opleggen van de finale tuchtmaatregel (zie het tweede middel hierna). Het tuchtreglement staat er dan ook niet aan in de weg dat de rector zich zorgvuldig informeert, ook in het belang van het betrokken perso- neelslid, om niet al te lichtzinnig een tuchtprocedure op te starten.
- Dat de tuchtcommissie luidens artikel 20 van het tuchtregle- ment een dossier samenstelt “dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten”, betekent enkel dat de tuchtcommissie verantwoordelijk is voor de samenstelling van het tuchtdossier en erop moet toezien dat dit volle- dig is.
- Artikel 25, eerste lid, van het tuchtreglement over het voorlezen van de klacht en het horen van de klager is een bepaling die van toepassing is in het geval van een klacht, maar sluit niet uit dat een tuchtvervolging ook plaats- IX-9155-9/26 vindt buiten elke (formele) klacht om. Artikel 25, tweede lid, van het tuchtregle- ment over het horen van getuigen is evenzo enkel van toepassing indien getuigen zijn opgeroepen en deze getuigen effectief verschijnen. Verzoeker leest met ande- re woorden andermaal méér in de tuchtreglementbepaling dan wat er slechts staat.
- Aangezien geen formele klacht is vereist opdat de rector een zaak aan de tuchtcommissie mag voorleggen, heeft verzoeker geen belang bij zijn kritiek dat sommige documenten ten onrechte als klacht in de zin van artikel 18 van het tuchtreglement zijn opgevat.
- Dat kranteninterviews en e-mails van de rector de indruk kun- nen geven dat zij zelf de precieze strekking van het tuchtreglement niet begrepen heeft, doet niet anders besluiten. Door in deze tuchtprocedure te handelen zoals zij het deed, los van een formele klacht in de zin die verzoeker eraan geeft, heeft zij immers hoe dan ook niet in strijd met het tuchtreglement gehandeld. De tucht- commissie in hoger beroep heeft terecht overwogen dat de vraag van de rector aan R. om een formele klacht in te dienen “geen afbreuk [doet] aan het feit dat de rector ook zonder die formele klacht kon optreden, nu zij over diverse en vol- doende informatie beschikte, onder meer meldingen en klachten van personen die wensten anoniem te blijven”.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke moti- vering van de bestuurshandelingen’, van “de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het zorg- vuldigheidsbeginsel” en van de artikelen 32 en 44 van het tuchtreglement. IX-9155-10/26 Verzoeker betoogt dat het bestuurscollege zijn beslissing heeft genomen op basis van artikel 32 van het tuchtreglement, terwijl de beslissing moest worden genomen op basis van artikel 44 van het tuchtreglement. Artikel 32 betreft de situatie waarin geen hoger beroep werd aangetekend. Ook artikel 44 van het tuchtreglement is geschonden, daar de vicerector de beslissing had moeten nemen en dit niet is gebeurd. In de bestreden beslissing wordt bovendien niet gemotiveerd waarom de vicerector de beslissing niet heeft genomen “waardoor het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheidsbe- ginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel werden geschonden”. Voorts stelt verzoeker dat de tuchtcommissie in graad van ho- ger beroep het advies van de tuchtcommissie in eerste aanleg heeft bevestigd met uitzondering van de strafmaat. De tuchtcommissie in hoger beroep heeft geadvi- seerd dat een terugzetting in twee graden dient te geschieden in plaats van in één graad, zonder dit te motiveren. Overigens geldt de ogenschijnlijke overweging van de tuchtcommissie evenzeer voor een terugzetting in één graad. Terzijde merkt verzoeker op dat het argument van evaluatie in het advies van de tucht- commissie in beroep geen steek houdt, want ook de hogere graden worden jaar- lijks geëvalueerd. Beoordeling
- Verzoeker merkt terecht op dat ten onrechte wordt verwezen naar artikel 32 van het tuchtreglement, een bepaling immers die refereert aan de tuchtbeslissing die volgt wanneer de betrokkene géén hoger beroep instelt. Hij is evenwel zeer goed op de hoogte van het feit dat de uit- spraak van de tuchtcommissie in hoger beroep en het eraan te geven gevolg gere- geld is in artikel 44 van het tuchtreglement, zodat de verschrijving hem op geen enkele wijze heeft geschaad. In zoverre heeft verzoeker geen belang bij het mid- del. IX-9155-11/26
- Artikel 44 van het tuchtreglement luidt: “De tuchtcommissie in hoger beroep moet zich over het hoger beroep uit- spreken binnen een termijn van drie maanden na het in ontvangst nemen door de griffier van de ter post aangetekende brief tegen ontvangstbewijs waarbij hoger beroep wordt ingesteld. De uitspraak van de tuchtcommissie in hoger beroep geldt als advies. Na ontvangst van het advies van de tuchtcommissie in hoger beroep neemt de vicerector de tuchtbeslissing op grond van dat advies en rappor- teert over de uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie aan het eerste be- stuurscollege van de Universiteit Gent. Het advies van de tuchtcommissie in hoger beroep wordt als motivering aan de tuchtbeslissing gehecht. Indien de vicerector het advies van de tuchtcommissie in hoger beroep niet volgt, motiveert hij zijn tuchtbeslissing. De tuchtbeslissing van de vicerector is onmiddellijk uitvoerbaar.”
- Voor zover verzoeker artikel 44 van het tuchtreglement ge- schonden acht, doordat niet de vicerector maar het bestuurscollege de beslissing heeft genomen, verliest hij uit het oog dat de vicerector optreedt bij bevoegd- heidsdelegatie van het bestuurscollege. Dit houdt niet in dat het bestuurscollege zelf zijn bevoegdheid om een tuchtsanctie op te leggen heeft verloren. Voor zover verzoeker in het middel een andere zienswijze ver- dedigt, faalt het middel naar recht.
- Voorts moet het bestuurscollege niet motiveren waarom het zelf optreedt. Ook in die mate faalt het middel naar recht. Louter ten overvloede bijgevolg kan worden opgemerkt dat verzoeker de reden hiervoor kende, aange- zien het verslag bij de bestreden beslissing toelicht wat volgt: “Normaliter is het de vicerector die krachtens artikel 32 van het ZAP- tuchtreglement een tuchtbeslissing neemt na advies van de ZAP- tuchtcommissie, of in geval van beroep na advies van de ZAP- tuchtcommissie in beroep. Aangezien dit dossier echter zoveel weerklank heeft (gehad) zowel binnen als buiten de UGent (waarvan toen sprake was van een zgn. ‘doofpotoperatie’), en het gegeven dat de ZAP- Tuchtcommissie in eerste aanleg en de ZAP-Tuchtcommissie in beroep tot een weliswaar zelfde tuchtsanctie concluderen, maar met een andere uitwerking, wordt het aangewezen geacht de tuchtbeslissing te laten ne- men en te dragen door een college van bestuurders, in deze zijnde het Be- stuurscollege. IX-9155-12/26 (voetnoot) […] Aangezien het delegatiebesluit geen wijziging inhoudt van het vige- rende ZAP-Tuchtreglement (en het Bestuurscollege hierin aangeduid is als actor, en (verder) kon delegeren aan de vice-rector), kan het Bestuurs- college in deze zaak beslissen (waarbij de rector – als vervolgende partij – de vergadering dient te verlaten bij de behandeling en beslissing over het tuchtdossier).”
- Het volstaat ten slotte dat de tuchtcommissie in hoger beroep motiveert hoe zij zelf de zaak ziet en wat haar ertoe brengt voor de vastgestelde tuchtfeiten de uiteindelijke sanctie voor te stellen. De formelemotiveringsplicht gaat niet zo ver dat ze de tuchtcommissie in hoger beroep ertoe zou verplichten in haar beslissing te motiveren waarom zij een andere tuchtsanctie adviseert dan de tuchtcommissie in eerste aanleg. Dat zij voor het overige de motieven van de tuchtcommissie in eerste aanleg bijvalt en de hare maakt, doet hieraan geen afbreuk. Volgens ver- zoeker zou dit ertoe kunnen leiden “dat exact dezelfde evaluatie en motivering kan leiden tot ongelijke sancties”. Dat klopt niet: finaal wordt slechts één tuchtsanctie uitgesproken en de door de tuchtcommissie in hoger beroep voorge- stelde en door het bestuurscollege aangenomen maatregel is in de plaats gekomen van de in eerste aanleg geadviseerde strafmaatregel. Het is het gevolg van de uit- oefening van een discretionaire bevoegdheid, waar binnen de grenzen van de re- delijkheid op grond van dezelfde feiten niettemin uiteenlopende beslissingen mo- gelijk zijn. Ook in die mate faalt het middel.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. IX-9155-13/26 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Het derde middel is genomen uit de schending van het onpartij- digheidsbeginsel en het “fair-play-beginsel”. Volgens verzoeker dient de over- heid zich onpartijdig op te stellen bij het nemen van een besluit en de noodzake- lijke openheid en eerlijkheid in acht te nemen. Het bestuurscollege is niet willen ingaan op zijn vraag om een lid van het bestuurscollege dat verklaringen had af- gelegd in de pers, te weren. In de pers vooraf verklaren of minstens bevestigen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie en daarna zetelen in het bestuurscollege dat over hem moet oordelen, is een objectieve daad van partijdigheid die de nietigverklaring van de beslissing tot gevolg moet heb- ben. Het argument van de verwerende partij dat hij niet kan bewij- zen dat dit lid de andere leden van het bestuurscollege heeft kunnen overtuigen, raakt kant noch wal. De verwerende partij kan evenmin bewijzen dat dit lid dit niet heeft kunnen doen. Beoordeling
- Daargelaten of fair play een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is, geeft verzoeker bij de aangevoerde schending ervan geen toelichting. In die mate is het middel niet ontvankelijk.
- Het gebrek aan onpartijdigheid leidt verzoeker af uit volgend van de verwerende partij uitgaand persbericht: “Verschillende media berichtten de voorbije dagen over een geval van seksuele intimidatie aan de Universiteit Gent. De UGent bevestigt mel- dingen van dergelijk grensoverschrijdend gedrag en veroordeelt elke vorm daarvan ten sterkste. IX-9155-14/26 Meldingen over grensoverschrijdend gedrag worden dan ook zeer ernstig genomen, zodat de zaak ten gronde kan aangepakt worden. In de voorlig- gende zaak van seksuele intimidatie ontkent de UGent dan ook met klem dat er sprake zou zijn van een ‘doofpotoperatie’ of het ontmoedigen van personeelsleden en medewerkers om dergelijke feiten te melden of aan te klagen. Wel integendeel: in uitvoering van het KB betreffende preventie van psychosociale risico’s heeft de UGent al langer de nodige procedures om dergelijke gevallen aan te pakken (zie bijlage) en roept zij haar mede- werkers ook op om zaken als seksueel grensoverschrijdend gedrag te mel- den. Dit geldt ook bij deze zaak die in de pers omschreven werd als ‘seksuele intimidatie’. Zoals bevestigd wordt door een aantal sleutelpersonen, onder wie de ombudspersoon van de betrokken faculteit […] en de anonieme bron uit het Bestuurscollege naar wie de nieuwssite Apache verwees, heeft de rectorale overheid in dit geval zélf het initiatief genomen om deze zaak verder te onderzoeken en heeft zij zelf de betrokken partijen uitge- nodigd om hun ervaringen te delen. […]”
- De verwerende partij kan worden bijgevallen, waar zij stelt dat verzoeker een verkeerde lezing geeft aan het persbericht. In het persbericht wordt enkel gemeld dat een “anonieme bron uit het Bestuurscollege” heeft “bevestigd” dat “de rectorale overheid […] zelf het initiatief [heeft] genomen om de zaak ver- der te onderzoeken en […] de betrokken partijen [heeft] uitgenodigd om hun er- varingen te delen”. In dit persbericht is niet te lezen dat de anonieme bron uit het bestuurscollege heeft bevestigd dat er sprake is van seksuele intimidatie, laat staan dat verzoeker zich aan zulke feiten schuldig heeft gemaakt. Door de verwijzing naar bovenstaand artikel, maakt verzoeker bijgevolg een schending van het onpartijdigheidsbeginsel niet aannemelijk.
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat het loutere contact tussen het lid van het bestuurscollege en de pers in een zaak die in de pers is om- schreven als seksuele intimidatie, “een daad van objectieve schijn van partijdig- heid” is. Om evenwel de schending van de structurele onpartijdigheid aannemelijk te maken, volstaat geen louter subjectieve indruk van partijdigheid, maar moet die schending objectief gerechtvaardigd kunnen worden, rekening IX-9155-15/26 houdend met de concrete, feitelijke elementen van de zaak. Een verwijzing naar voormeld persbericht volstaat noch overtuigt daartoe.
- Het derde middel is ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Het vierde middel is genomen uit de schending van het onpar- tijdigheidsbeginsel en de rechten van verdediging. Verzoeker licht toe dat “een tendentieus stuk” aan het dossier van het bestuurscollege werd toegevoegd waarvan hij geen kennis had, namelijk “een vertrouwensnota” (versta: een vertrouwelijke nota) waarmee het bestuurs- college “op een onaanvaardbare wijze beïnvloed [werd]”. Bovendien wordt ge- weigerd mee te delen wie de opdrachtgever en opsteller ervan is. Verzoeker ver- moedt dat dit in opdracht van de rector is gebeurd en door de juridische dienst werd opgesteld, maar zekerheid heeft hij niet. De rector is geen orgaan in de tuchtprocedure en geen klaagster. Er was trouwens geen enkele noodzaak tot het verspreiden van dit document onder de leden van het bestuurscollege, want zij hadden het tuchtdossier in eerste aanleg en in graad van beroep en ook hun advie- zen. Voorts stelt verzoeker dat de nota ten onrechte laat uitschijnen een objectieve samenvatting te zijn van het verloop van de tuchtprocedure. Zo laat de nota verkeerdelijk uitschijnen dat de rector pas in kennis werd gesteld van de vermeende feiten in de zomer van 2016, terwijl uit het tuchtdossier blijkt dat dit reeds het geval was in de zomer van
- Verzoeker wijst erop dat in de nota uitvoerig wordt uitgeweid over de ordemaatregel, die in generlei wijze relevant is in het kader van de tucht- IX-9155-16/26 zaak en dat noch de tuchtcommissie in eerste aanleg, noch de tuchtcommissie in graad van beroep in kennis werd gesteld van het verloop van de procedure met betrekking tot de ordemaatregel. Dit is een regelrechte poging tot beïnvloeding van het bestuurscollege. Ook tendentieuze beschouwingen, zoals “meerdere verontrus- tende berichten”, “anonieme getuigenissen”, “gelet op de ernst en het gevoelige karakter” worden niet geschuwd. Volgens verzoeker is het verspreiden van deze nota in elk geval geen aansporing voor de leden van het bestuurscollege om het dossier grondig te lezen. Beoordeling
- Het is niet ongebruikelijk, zelfs veeleer gebruikelijk, dat agendapunten waarover een bestuurscollege collegiaal moet beslissen, worden voorbereid door zijn administratieve diensten, met name door middel van een toelichtende nota. Het is hier niet anders.
- De nota waaraan verzoeker refereert – en die hij als stuk 25 neerlegt samen met het inleidend verzoekschrift – is een vertrouwelijke voorbe- reidende nota, opgesteld door de directie Bestuurszaken van de verwerende partij ten behoeve van de vergadering van het bestuurscollege van 1 september
- Dit blijkt al dadelijk uit de hoofding ervan en behoeft geen giswerk. Deze nota heeft een voorbereidend en informatief karakter en gaat gepaard met het volledige tuchtdossier, waaronder ook “de PV’s van hoorzit- tingen, het verweerschrift van betrokkene”. Ze geeft een overzicht van alle feiten en procedurestappen, zodat het vanzelfsprekend is dat hierin ook melding ge- maakt wordt van de bewarende maatregelen die in het kader van de tuchtvorde- ring als ordemaatregel aan verzoeker werden opgelegd. De nota vermeldt de or- demaatregel, stelt dat een ordemaatregel “louter bewarend van aard is en geens- zins beschuldigend of sanctionerend”, vermeldt dat verzoeker die maatregel aan- IX-9155-17/26 vecht bij de Raad van State, dat ze is verlengd en dat ook die verlenging is aan- gevochten. De Raad kan hierin geen “regelrechte poging tot beïnvloeding van het Bestuurscollege” als “een middel om de betichtingen als zeer zwaarwichtig te bestempelen” bespeuren. Tevens worden in de nota het advies van de tuchtcommissie in eerste aanleg en het advies van de tuchtcommissie in beroep samengevat en de mogelijke te nemen tuchtbeslissingen voor het bestuurscollege. In de nota wordt aan het bestuurscollege gevraagd een tuchtbeslissing te nemen: ofwel het advies van de tuchtcommissie in beroep volgen, ofwel een van het advies afwijkende en uitdrukkelijk gemotiveerde tuchtbeslissing nemen. De nota neemt zelf geen standpunt in. Dat in het tuchtdossier anonieme getuigenissen zijn opgeno- men, is slechts een feitelijke vaststelling. Verzoeker overtuigt de Raad voorts niet om de omschrijving “verontrustende berichten” of de verwijzing naar “de ernst en het gevoelige karakter” tendentieus te achten. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de vertrouwelijke nota erop gericht is, het bestuurscollege te beïnvloeden.
- Ten slotte blijkt uit de beslissing van het bestuurscollege dat het zijn beslissing heeft genomen op basis van het advies van de tuchtcommissie in beroep en dus niet op basis van de nota van de directie Bestuurszaken – waarin, als gezien, overigens niets nieuws te lezen is. In de loop van de tuchtprocedure is verzoeker gehoord en heeft hij zijn verweer kunnen laten gelden. De zuiver inter- ne nota, waarvan de inhoud hiervóór is beschreven, is geen deel van het tuchtdos- sier en bevat voor verzoeker geen nieuwe gegevens waarover hij verweer moest kunnen voeren, minstens toont hij dit niet aan. Aldus tast het feit dat het bestuurs- college met het oog op zijn voorlichting en besluitvorming beschikte over een nota van de eigen diensten als intern voorbereidend document, zonder dat ver- zoeker er kennis van had, de wettigheid van de beslissing niet aan. IX-9155-18/26
- Het vierde middel is niet gegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vijfde middel voert verzoeker de schending aan van het evenredigheidsbeginsel, als specifieke toepassing van het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker doet gelden dat het bestuurscollege onredelijk heeft gehandeld en van zijn beleidsvrijheid onjuist gebruikgemaakt. De tuchtcommissie heeft terecht gesteld dat hij zich aan geen enkele van de tenlasteleggingen schul- dig heeft gemaakt. Het logische gevolg zou zijn dat de tuchtcommissie adviseert om hem geen tuchtsanctie op te leggen. Het is dan ook onbegrijpelijk dat zij advi- seert tot de op één na zwaarste tuchtsanctie. Voorts merkt verzoeker betreffende hetgeen de tuchtcommissie meent in aanmerking te nemen, nog het volgende op. Wat G. betreft, benadrukt verzoeker dat hij het niet was die gevraagd heeft om peter te zijn van haar kind. Het aanvaard hebben van het pe- terschap was het gevolg van de vriendschap tussen hen. Het kan niet zijn dat een vriendschapsrelatie met een doctoraatsstudent moet leiden tot het signaleren van een mogelijk belangenconflict. Wat de relatie met R. betreft, heeft de tuchtcommissie terecht gesteld dat deze relatie consensueel was, wars van machtsmisbruik. De tucht- commissie duidt niet de correlatie tussen het hebben van een consensuele affec- tieve of seksuele relatie en de mogelijkheid van het bestaan van een belangencon- flict. IX-9155-19/26 Wat het aantal relaties betreft, stelt verzoeker dat deze consen- sueel waren en dat de tuchtcommissie van oordeel was dat de tenlastelegging van machtsmisbruik haar als niet bewezen voorkomt. Het gaat dan ook niet op ener- zijds te stellen dat er geen sprake is van machtsmisbruik en anderzijds te stellen dat machtsmisbruik mogelijk was en daarom toch te straffen. Al even onaan- vaardbaar is de redenering van de tuchtcommissie dat zij verzoeker verwijt drie opeenvolgende relaties te hebben. Het aantal is blijkbaar een doorn in het oog van de tuchtcommissie; dit is een zuiver ethische benadering, die in het geval van een consensuele relatie volstrekt uit den boze is volgens het Europees Hof voor de rechten van de mens. Verzoeker concludeert dat de tuchtcommissie ten onrechte be- sluit dat de tenlasteleggingen bewezen zijn en dat ernstig grensoverschrijdend gedrag, onethische gedragingen en onoordeelkundig omgaan met belangencon- flicten bewezen zijn. Er kan nooit sprake zijn van grensoverschrijdend gedrag wanneer geen machtsmisbruik werd gepleegd. Het hebben van een consensuele relatie kan nooit grensoverschrijdend, noch onethisch zijn. Beoordeling
- Bij het bepalen van de aard en de ernst van de tuchtsanctie be- schikt een tuchtoverheid over een ruime appreciatiebevoegdheid, die de redelijk- heid als grens heeft. Bij het bepalen van de tuchtsanctie zal de tuchtoverheid re- kening dienen te houden met de aard van de ten laste gelegde feiten, de tuchtrech- telijk vervolgde persoon, de omstandigheden waarin de feiten gepleegd zijn, de goede werking van de dienst en de weerslag van de inbreuk en de bestraffing op het gedrag van andere personeelsleden. De Raad van State moet bij de beoordeling van de redelijkheid van de opgelegde tuchtsanctie de beleidsvrijheid respecteren waarover het be- stuur in deze aangelegenheid beschikt. Dit betekent dat hij zich niet in de plaats van de tuchtoverheid mag stellen. Er kan slechts sprake zijn van de schending van IX-9155-20/26 het redelijkheidsbeginsel en van het evenredigheidsbeginsel wanneer een beslis- sing, waarvan vastgesteld wordt dat ze op deugdelijke grondslagen berust, inhou- delijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat het ondenkbaar is dat enige andere zorgvuldige overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen.
- Verzoeker kan worden gevolgd waar hij stelt dat de tuchtcom- missie oordeelde dat de tenlasteleggingen aangebracht via het “dossier aangaande [verzoeker]” door de decaan en de vakgroepvoorzitter betreffende mogelijke be- langenconflicten geen inbreuk betekenen op specifieke bepalingen van het on- derwijs- en examenreglement en evenmin op de gedragscode belangenconflicten Universiteit Gent, omdat die laatste toen nog niet van toepassing was. Hieruit afleiden dat de tuchtoverheid besluit dat geen enkele tenlastelegging bewezen is, is te kort door de bocht. De tuchtcommissie oordeelde immers dat de in aanmerking genomen feiten erop wijzen dat verzoeker onoordeelkundig is omgegaan met mogelijke belangenconflicten. Voorts heeft de tuchtcommissie op basis van dit dossier, van getuigenissen voor de tuchtcommissie en van schriftelijke verklaringen ook grensoverschrijdend gedrag en onethische gedragingen van verzoeker voor bewe- zen beschouwd. Samengevat is dit in de bestreden beslissing te lezen als volgt: “Het ernstig grensoverschrijdend gedrag en de onethische gedragingen werden beschreven door te verwijzen naar de amoureuze/seksuele relaties die beroeper had met studentes en vrouwelijke doctorandi en /of mede- werkers[…], dit in de periode dat de beroeper zich als leidinggevende en lesgever in een hiërarchische positie bevond en beïnvloeding reëel was. De tenlastelegging van onoordeelkundige omgang met belangenconflicten werd nader omschreven door te wijzen op het peterschap dat de beroeper van een kind van […] aannam, hetgeen hem niet verhinderde om deel uit IX-9155-21/26 te maken van haar doctoraatsbegeleidingscommissie, die de jaarlijkse voortgangsrapporten van de doctorandi dient te adviseren en finaal over de indienbaarheid van een proefschrift uitspraak doet. Voor de datering van de feiten wordt gepreciseerd dat […] moeder is geworden in […] en in […], en dat haar promotie plaatsvond in […]. Ook werd voorzegde tenlastelegging weerhouden voor de vaststelling dat de beroeper […] lid is geweest van de beoordelingscommissie die een voorstel zou formuleren voor de aanstelling van een doctorassistent […], wijl […] zich kandidaat had gesteld voor dat doctorsassistentschap en de beroeper geen melding had gemaakt van een belangenconflict, hoewel hij door het peterschap een persoonlijke relatie had met […]. Eveneens t.a.v. […] werd aan beroeper ten laste gelegd dat hij onoordeel- kundig was omgegaan met belangenconflicten om promotor te zijn geble- ven nadat beroeper een amoureuze/seksuele relatie met haar was begon- nen. […]”
- Wat de in aanmerking genomen feiten betreft, herhaalt verzoe- ker grotendeels zijn verweer voor de tuchtcommissie in beroep. De Raad meent evenwel dat de tuchtcommissie in beroep op dit verweer adequaat heeft geant- woord. Verzoeker wordt niet verweten dat hij het peterschap van een kind heeft aanvaard (“[…] dat het geen belang heeft of [verzoeker] al dan niet zelf gevraagd heeft om peter te zijn van […]”). Het kan evenwel niet als onrede- lijk worden gezien dat dit peterschap volgens de tuchtcommissie wijst op een heel persoonlijke en intieme betrokkenheid en dat dit een belangenconflict kon doen rijzen, aangezien verzoeker optrad als promotor van de moeder, zodat verzoeker dit minstens had moeten signaleren: “Door de ‘verregaande verstrengeling van de professionele en persoonlij- ke sfeer’ […] was er immers ontegensprekelijk een belangenconflict gere- zen. De beroeper overtrad de verplichting tot objectiviteit inzake begeleiding, selectie en beoordeling, hetgeen in se ook indruist tegen de beginselen van behoorlijk bestuur. Hij kon de beslissingen of handelingen van de UGent zodanig sturen of beïnvloeden dat […], met wie hij een affectieve vriendschapsrelatie had, hierdoor rechtstreeks of onrechtstreeks een persoonlijk voordeel kon be- komen. Aldus bekwam de beroeper ook zelf een persoonlijk belang, dat conflicteerde met zijn engagement ten aanzien van de UGent. In haar reeds geciteerde getuigenis verklaarde […] dat de omstandigheid dat beroeper peter was van haar oudste kind de perceptie deed ontstaan IX-9155-22/26 dat ze bevoorrecht was. Bij sollicitatie deed er in die zin een geruchten- molen de ronde waardoor zij schade leed. […] vond dan ook dat de beroeper haar had moeten loslaten en anderen over haar dossier had moeten laten oordelen. Terecht was de tuchtcommissie van oordeel dat de beroeper aan de decaan had dienen kennis te geven dat er, ingevolge de sterke persoonlijke band met […], naar de universitaire gemeenschap toe een belangenconflict was ontstaan. Over deze situatie had hij transparant moeten communiceren ten einde zichzelf, de studenten en de universiteit in het algemeen niet aan mogelijke reputatieschade bloot te stellen.” Het is evenmin onredelijk te stellen dat er sprake is van een onoordeelkundig omgaan met een mogelijk belangenconflict ten aanzien van een amoureuze of seksuele relatie met een doctoraatsstudent waarvan verzoeker tege- lijk promotor was. Het feit dat deze relatie consensueel was, er geen sprake zou zijn geweest van machtsmisbruik en dit belangenconflict zich nog niet zou heb- ben voorgedaan, doet hieraan geen afbreuk: “De tuchtcommissie in hoger beroep is van oordeel dat er zonder enige twijfel sprake is van een onoordeelkundige omgang met belangenconflic- ten omdat [verzoeker] zich in een toestand heeft geplaatst waarin hij han- delingen of beslissingen kon sturen of beïnvloeden die een persoonlijk voordeel konden verschaffen aan de met hem verbonden persoon en naar de andere doctorandi, wetenschappelijke medewerkers en studenten de verdenking kunnen gewekt hebben van niet objectieve en partijdige uitoe- fening van zijn professoraat. Zodoende conflicteerde dat gedrag […] met zijn engagement ten aanzien van de UGent. De beroeper heeft niet gehandeld zoals een normaal zorg- vuldig en omzichtig ZAP-personeelslid, in dezelfde feitelijke omstandig- heden geplaatst, zou hebben gedaan. [Verzoeker] had, ook in dit geval, aan de decaan van de faculteit moeten melden dat er zich een belangenconflict voordeed. Hij had zich bovendien moeten onthouden promotor te blijven van het doctoraat van […]. Deze hele situatie heeft overigens een sterk emotionele impact gehad op […]. Uit het verslag dat, op vraag van de rector, werd opgesteld door de- caan […] en de waarnemend vakgroepvoorzitter […] blijkt dat de om- budspersoon hen had toevertrouwd dat ‘naderhand de relatie tussen […] en [verzoeker] helemaal vertroebeld is en dat dit ernstige psychologische effecten op eerstgenoemde had gehad’. Zo stelde […] dat ze de faculteit ‘noodgedwongen’ had moeten verlaten om aan de greep van de beroeper te ontsnappen.” Ten slotte stelt de tuchtcommissie in beroep terecht dat het niet tegenstrijdig is te overwegen dat er geen sprake is van machtsmisbruik en tezelf- IX-9155-23/26 dertijd te wijzen op de mogelijkheid van misbruik van die macht. Zij overweegt immers dat de privérelaties tot stand kwamen binnen de professionele sfeer en dat verzoeker zich als leidinggevende in een onbetwistbare gezagspositie bevond zodat de afhankelijkheid van studentes of medewerkers ten aanzien van verzoeker des te groter was. Het is bovendien niet onredelijk te overwegen dat de herhaling van dergelijke relaties met studenten of medewerkers waarover verzoeker moest oordelen, “een systematisch en volgehouden karakter aannam en nadelig was voor de goede werking van de dienst”, en dit ondanks hun consensueel karakter. Dit houdt op zich geen ethisch of moreel oordeel in over de relaties als zodanig, maar legt duidelijk het verband met de concrete weerslag ervan op de werkvloer. De tuchtoverheid heeft alzo vastgesteld en aangenomen “dat de sfeer binnen de vakgroep reeds een tijd vertroebeld was onder meer omdat de tuchtrechtelijk ver- volgde de indruk gaf eigenzinnig te handelen en ‘onaantastbaar’ te zijn. Er is sprake van een ‘beangstigend en beklemmend werkklimaat’”. Ook is vastgesteld dat sommige betrokkenen precies vanwege de “uit de hand gelopen pri- vé/professionele relatie” hulp hebben gezocht, bijvoorbeeld bij de vertrouwens- persoon, en zelfs de universiteit hebben verlaten. Ook een collega van verzoeker verliet de universiteit naar aanleiding van een conflict dat met de voormelde rela- ties verband hield.
- Bij de bepaling van de strafmaat wijst de tuchtcommissie in hoger beroep op “de grove schending door de beroeper van de voorbeeldfunctie die hij in zijn gezagspositie binnen de universitaire gemeenschap diende hoog te houden” en “het niet respecteren van de gangbare normen van behoorlijkheid waardoor de beroeper het ambt in diskrediet bracht”. Verzoeker schond het ver- trouwen van de universiteit en van de universitaire gemeenschap. De dienst werd verstoord. De universiteit en de faculteit leden reputatieschade waar verzoeker “ook mede verantwoordelijk” voor is. Bij de bepaling van de sanctie moet ook rekening worden gehouden met “de persoonlijke schade die de beroeper veroor- zaakte bij bepaalde van de dames waarmee hij een verhouding had”. IX-9155-24/26 De tuchtcommissie in beroep is daarnaast van oordeel dat ook verzachtende omstandigheden voorhanden zijn: het consensuele karakter van de bewezen drie affectieve of seksuele relaties, het feit dat verzoeker externe psy- chologische hulp heeft gezocht en in therapie is gegaan en de omstandigheid dat hij in het verleden nog geen tuchtstraf heeft opgelopen. Over de strafmaat besluit de tuchtcommissie als volgt: “Een schriftelijke berisping volstaat uiteraard niet voor dergelijke zware tuchtfeiten. Een gehele of gedeeltelijke schorsing met gehele of gedeeltelijke inhou- ding van salaris zou wellicht een verstoring van de werking van de facul- teit en vakgroep tot gevolg hebben en een verhoogde druk leggen op de collegae en medewerkers. Bovendien zou een dergelijke straf kunnen be- grepen worden alsof de tuchtcommissie in beroep de feiten niet als ernstig beschouwt. Ontslag zou, gelet op de vermelde verzachtende omstandigheden, te zwaar zijn en niet in evenredigheid met de nog aangehouden tuchtfeiten. In deze omstandigheden acht de tuchtcommissie in beroep het gepast de terugzetting in graad […] te adviseren.” Deze overwegingen, die het bestuurscollege tot de zijne heeft gemaakt, gaan de grenzen van de appreciatieruimte van de tuchtoverheid niet te buiten.
- Als besluit kan worden gesteld dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de verwerende partij haar bevoegdheid heeft overschreden door aan verzoeker de tuchtsanctie van de terugzetting in graad op te leggen. Het vijfde middel, waarvan de verwerende partij de ontvanke- lijkheid betwist, moet hoe dan ook worden verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. IX-9155-25/26
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf mei tweeduizend twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9155-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.530 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.891 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.